Nieuw licht op het Goudse martelarenschilderij

Het mooie van geschiedschrijving is dat een verhaal nooit af is. Niet zelden komen lezers na de publicatie van een artikel of boek met aanvullende informatie of opmerkingen die een verhaal verder inkleuren of een andere wending kunnen geven. Dat was ook het geval na verschijning van mijn artikel in de vorige Tidinge over een schilderij van de Martelaren van Gouda. Stadsgids en Die Goude-lid Bas Weenink wees mij op een intrigerende passage in Ignatius Walvis’ Katolyke kerk-zaaken. Onder het jaar 1631 maakt deze Goudse stadsgeschiedschrijver en pastoor van de (oud-)katholieke kerk aan de Hoge Gouwe melding van het overlijden van de laatste pater van het Regulierenklooster aan de Raam, Cornelis Adriaensz Diephorst. Na hem te hebben geprezen voor zijn verdiensten bij het voortzetten van de rooms-katholieke zielzorg na de reformatie, meldt Walvis dat deze pater:

‘vereerde de pastorij d’afbeeldzels der Goudsche martelaren in eene schilderij tezaamen’. [1]

Er lijkt weinig twijfel over te bestaan, dat Walvis hier doelt op het schilderij dat dat in de vorige aflevering van dit tijdschrift aan de Goudse vergetelheid werd ontrukt. Hij bevestigt daarmee de conclusie dat er daadwerkelijk een schilderij gemaakt is waarop louter Goudse martelaren zijn afgebeeld. Maar deze ene zin bevat ook een schat aan informatie, die een geheel ander licht werpt op de datering van het schilderij, de opdrachtgever, de mogelijke schilder en de latere lotgevallen van het werk.

detail van het martelarenschilderij, met op de achtergrond de gruwelijkheden die zich afspeelden in de kasteeltuin van Gouda. Links het schip in de Hollandse IJssel waar een Goudse pater aan de boegspriet is opgehangen. In de tuin maken Lumey’s geuzen jacht op twee Goudse collatiebroeders. Het kerktorentje op de achtergrond is van het minderbroederklooster, dat vlak achter de kasteeltuin lag en al snel na 1572 werd afgebroken.

Het schilderij met de Goudse martelaren is in de eerste plaats veel ouder dan door museumdirecteur Jan Schouten en – in navolging van hem – door mij werd aangenomen. Het dateert niet uit de jaren veertig van de zeventiende eeuw, maar van ruim voor 1631. Dat betekent tevens dat de toeschrijving van het werk aan Jan Ariensz Duyff zeer onwaarschijnlijk is geworden. Deze Goudse wees-schilder was in 1631 nog maar 14 jaar oud. Wie de schilder dan wel is geweest blijft in nevelen gehuld. Wellicht was het dan toch Adriaen van Nieulandt, aan wie veilinghuis Christie’s het werk – weliswaar onder een verkeerde titel en zonder argumenten – in 2013 werd toegeschreven. Van Nieulandt leefde van 1585/7 tot 1658 en werkte achtereenvolgens in Antwerpen en Amsterdam.

Walvis’ aantekening maakt verder duidelijk dat de opdracht tot het schilderen van dit werk niet – zoals wij veronderstelden op basis van de toeschrijving aan Duyff – afkomstig was uit de kring van de franciscanen of minderbroeders. Het moet Cornelis Diephorst zijn geweest die op dit idee is gekomen.[2] Voor Duyff zou het een episode uit een ver verleden zijn geweest als hij dit had moeten schilderen, maar Diephorst was tijdgenoot van de vermoorde geestelijken en min of meer een ooggetuige. Toen de tragische gebeurtenissen zich in 1572 afspeelden was hij net een paar jaar eerder ingetreden in de orde van de regulieren en woonde hij in het klooster aan de Raam, met de bekende dagboekschrijver Wouter Jacobsz als zijn prior. Net als zijn overste ontvluchtte hij Gouda om zijn heil te zoeken in het toen nog katholieke Amsterdam. Wouter Jacobsz maakt diverse keren melding van zijn aanwezigheid daar, onder meer dat Diephorst tijdelijk werk vond als onderpriester van het Agnietenklooster en er ook het droeve bericht kreeg dat zijn moeder, Jacopgen Jansdr in Gouda was overleden.[3]

Net als zijn prior keerde Diephorst na de Pacificatie van Gent (1576) – een verdrag tussen Spanje en de opstandelingen dat bepaalde dat geestelijken voortaan ongemoeid gelaten zouden worden – terug naar Gouda. Hij kreeg zelfs een toelage van de stad en mocht gaan wonen in een huisje aan de Raam, nabij het al snel afgebroken Regulierenklooster. Van hem is vooral bekend dat hij zorgdroeg voor het omvangrijke boekenbezit van zijn orde. Jan Willem Klein, die bezig is met een uitgebreide studie naar de Goudse Librije, wees mij erop dat Diephorst voor het opslaan van de boeken zelfs een kamer in het Oudemannenhuis kocht. Daar bewaarde hij ook het bekende Erasmusmedaillon dat afkomstig was uit het door brand verwoeste regulierenklooster van Stein, de voorganger van het klooster aan de Raam. Na zijn overlijden werden de boeken opgeëist door het stadsbestuur, om samen met de parochiebibliotheek van de Sint-Janskerk de basis te vormen voor de Goudse Librije of stadsbibliotheek.

De gedrevenheid van Diephorst om de boeken en andere spullen van het klooster bij elkaar te houden en te bewaren kwam voort uit zijn innige wens dat zijn convent ooit in ere hersteld zou worden. In zijn testament uit 1599 krijgen familieleden weliswaar de nodige bedragen en bezittingen toegewezen, maar steeds herhaalt hij daarbij het voorbehoud dat de toewijzing vervalt als het convent ‘wederomme geërigeert [heropgericht] sall worden’.[4] Ook het martelarenschilderij zal voor hem een manier zijn geweest om de herinnering aan de kloosters levend te houden, met de wens dat hun opoffering voor het geloof niet voor niets zou zijn geweest.

Geleidelijk zal het Diephorst duidelijk zijn geworden dat zijn hoop ijdel was. In ruil voor het sleutelrecht van de Librije stemde hij in met het afstaan van een deel van de boeken. Ook het Erasmusmedaillon ging naar de stadsboekerij. Dat het martelarenschilderij in deze gereformeerde omgeving geen plek zou krijgen zal ook hij begrepen hebben.  Vandaar dat hij het schonk aan de parochie van de ‘kleine Sint-Jan’, de statie van de priester Petrus Purmerent, in de hoop de herinnering zo levend te houden. Die wens ging ook niet echt in vervulling. Walvis geeft niet aan of het schilderij zich daar nog bevond, toen hij er begin achttiende eeuw pastoor was. In elk geval moet het op enig moment toch van de hand zijn gedaan, reden waarom het later in Frans particulier bezit belandde en in 2013 op de veiling van Christie’s.

Dit nieuwe licht op het martelarenschilderij maakt het werk nog interessanter als herinnering aan een bewogen episode uit de Goudse geschiedenis. Hopelijk komt het op enig moment naar Gouda en kan het nader bestudeerd worden. Het werk bevat nog talrijke interessante details die nadere studie verdienen. Zo wees Marieke Abels erop dat het terrein achter de acht paters overduidelijk de kasteeltuin is, waar in de verte de toren is te zien van het Minderboederklooster, dat al een jaar later zou worden afgebroken. Links is dan de Hollandse IJssel te zien, waar een schip is afgemeerd met een van de paters opgehangen aan de boegspriet. In de tuin zelf zijn de soldaten geschilderd, die met lansen de twee ongelukkige collatiebroeders de dood injagen, nadat zij bij Lumey kwamen klagen over het gedrag van zijn soldaten. Wat betreft de middelste pater, Justus van Schoonhoven, weet een andere lezer, Pieter Mensert, te melden dat hij niet in Gouda, maar in Utrecht werd geboren, maar dat zijn ouders, Albert van Schoonhoven en Geertrui van Kampen, behoorden tot de Goudse regentenklasse. Justus vluchtte in juli 1572 uit zijn Delftse klooster richting zijn ouders in Utrecht en wilde eerst langs gaan bij familie in Gouda. Daar zou hij nooit aankomen omdat hij door geuzen gevangen genomen en opgehangen werd.

Dankzij verschillende lezers van de Tidinge heeft het Goudse Martelarenschilderij nog verder inkleuring gekregen. Ongetwijfeld is het laatste woord hierover dan ook nog niet geschreven.


[1] P.H.A.M. Abels, J. Hallebeek & D.J. Schoon (eds.), Ignatius Walvis, Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (1525-1712) (Delft 2012) 146.

[2] Diephorst was telg uit een prominente Goudse familie. Ook ‘Laarzenman’ Pieter Cornelisz. Diephorst, besproken door Jildou Looge in Tidinge 41/3 van vorig jaar was familie van hem. Mededeling Jan Willem Klein.

[3] I.H. van Eeghen, Dagboek van broeder Wouter Jacobsz (Gualtherus Jacobi Masius) prior van Stein. Amsterdam 1572-1578 en Montfoort 1578-1579 (Groningen 1959-1960) 119, 219, 248-249, 279, 314, 394-395, 457-458, 583, 673-674.

[4] SAMH, Notarieel archief, inv.nr. 27, fol. 23 e.v. Testament, 24-11-1599.

Pastoor Johannes Sanctius kreeg monument in de Sint-Janskerk

Een van de laatste pastoors van voor de grote brand in de Goudse Sint-Janskerk was de uit het Vlaamse Aalst afkomstige Johannes ’t Sanctius. Van hem is een groot portret bewaard gebleven, dat door de oud-katholieke parochie Sint-Jan de Doper in bruikleen is afgestaan aan Museum Gouda. Tegenwoordig hangt het in de Gasthuiskapel, heel toepasselijk naast de grote altaarstukken die bij de overgang van de kerk in protestantse handen uit de kerk verwijderd werden.

De maker van het portret is onbekend. Het werd geschilderd in 1547, toen ’t Sanctius 36 jaar oud was. Hij speelde een belangrijke rol bij de herbouw van de kerk na de grote brand van 1552. Hij deed dit volgens stadsgeschiedschrijver Ignatius Walvis met steun van het stadsbestuur en gulle giften van de inwoners van Gouda, zonder daarbij een beroep te doen op de gebruikelijke ‘aflaatsbullen of buitenstedige giften’. Hij maakte niet meer mee dat de Sint-Janskerk weer in gebruik kan worden genomen, want hij overleed in 1554. Dat jaartal staat ook vermeld op het portret (waarbij het laatste cijfer achter de lijst verborgen gaat).

Blijkbaar maakte zijn inzet voor herbouw van de kerk hem zeer geliefd in Gouda, anders dan zijn ambtgenoot Jodocus Bourgeois, die om zijn kettervervolging juist gehaat was. Die populariteit zal er ook toe hebben bijgedragen dat hij in de heropgebouwde kerk na zijn overlijden een sculptuur kreeg, waarop niet alleen een grafschrift hing, maar ook zijn geschilderde portret. Dat wordt duidelijk uit een door mij in het archief van het Oudemannenhuis (ook wel Willem Vroesenhuis geheten) aangetroffen brief van Petrus Purmerent, pastoor van de door hem in 1615 opgerichte statie (parochie) van Johannes de Doper aan de Hoge Gouwe.

In de brief van 28 maart 1630 verklaart pastoor Purmerent in een opmerkelijk leesbaar handschrift, dat hij het portret van ’t Sanctius (door hem Xantius genoemd), tezamen met het epitaaf (grafschrift) van hem, uit handen van de bestuurders van het Oudemannenhuis had ontvangen. Beide stukken zouden destijds volgens vermelding in deze brief “op de spculture hebben gehangen” en na de ontruiming van de kerk zijn bewaard in deze instelling van liefdadigheid. De regenten van het tehuis vrijwaren zich in de brief van alle aanspraken van erfgenamen of nazaten van ’t Sanctius en spreken de hoop uit dat het Oudemannenhuis nog eens met goede gaven beloond zal worden.

Het bewaren en teruggeven van het schilderij aan de katholieke parochie van Purmerent is een van de vele voorbeelden, waaruit blijkt dat het Oudemannenhuis geruime tijd heeft gediend als bewaarplaats voor katholieke kostbaarheden en gelden. Ook de boeken uit het klooster Stein werden er opgeslagen tot ze werden toegevoegd aan de Goudse Librije en het bekende Erasmusmedaillon vond hier eveneens een veilig onderkomen. Alles werd door de bestuurders genoteerd. Ook het teruggeven van het portret van ’t Sanctius werd in het Fundatieboeck zorgvuldig genoteerd:

“Verbintenisse van mr. Pieter Purmerent priester van het conterfeytsel van mr. Johan Xancius, in zijn leven pastoor deser stede, op den xiii-en april 1630 by hem verleeden. Leijt in de cast in de lade 23”.

De brief waarin dit werd opgetekend en die dus in lade 23 terechtkwam is hieronder afgebeeld, gevolgd door de transcriptie ervan.

[Transcriptie] Ick Mr. Pieter Purmerent residerende binnen deser steede Gouda, kenne ende belijde bij desen voor mijn ende mijne erffgenamen, als dat mij van de Heeren regenten van het Oudemannenhuijs deser steede vereert ende doen behandigen is, seecker conterfetsel van Mr. Johannes Xantius, in sijn leven pastoor deser steede, ende darenboven desselfs Xantij epitaf siua, dewelcke beijde wel eertijts op de scpulture hebben gehangen ende tot noch toe in ’t oudemannenhuijs sijn bewaert geweest. Belove oversulcx voor mij ende mijne erffgenamen tot wat tijde ende soewanneer de erffgenamen van de voornoemde Mr. Jan Xantius tvoorss. Oudemannenhuijs ofte de Heeren Regenten eenige molestatie ter oorsaecke van de schilderie in recht ofte daerbuijten wilden aendoen, tselve huijs te sullen indemneren costeloos ende schadeloos te houden. Ende darenboven als een beneficie ontfangen hebbende, t’huijs  in tijden ende wijlen goet sal doen. T’oirconden bij mij onderteijckent op den xxviii martij anno xvic ende dertich

                                                                       P. Purmerent

Vrouwen in Museum Gouda (5) Maria Gerritsdr. Vermeij (ca. 1600-1645), sterke vrouw achter Willem de Swaen

Maria Gerritsd. Vermeij  (ca. 1600-12-6-1645)

Maria Gerritsdr. Vermeij, geschilderd door Lulof de Jongjh

In de vorige aflevering kon de voorste vrouw op het bekeringsschilderij van Wouter Crabeth worden geïdentificeerd. De identificatie van de tweede vrouw van rechts op het schilderij kost minder moeite. Marieke Abels herkent in haar het klopje Maria Gerritsdr. Vermeij, op basis van een vergelijking van dit vrouwengezicht met een portret dat Lulof de Jongh in 1643 – dus maar twee jaar later – van haar vervaardigde. De Jongh maakte overigens ook portretten van De Swaen en Purmerent. Ook wat betreft het portret van Maria Vermeij moeten wij het vooralsnog ook doen met een zwartwit-foto. Waar het schilderij zich bevindt is onbekend; volgens het RKD is in particulier bezit.

Maria Vermeij is op het moment dat Crabeth haar schilderde ongeveer 43 jaar. Over haar is relatief veel bekend, dankzij aantekeningen van Purmerent en Walvis. Daaruit blijkt overduidelijk dat zij de stuwende kracht is geweest achter de loopbaan van Willem de Swaen, hetgeen Crabeth ook beeldend heeft gemaakt door haar pal achter hem te positioneren. Dat zij daarbij als tweede in de rij staat, direct naast (vermoedelijk) Anna de Licht, zou tevens een signaal kunnen zijn aan de beschouwer, dat het initiatief tot het laten schilderen van dit historiestuk uit de achterbannen van beide priesters is gekomen.

Maria Vermeij was de dochter van de vooraanstaande advocaat, Gerrit Vermeij, die vlak achter de noordzijde van de Sint-Janskerk woonde. In dat pand – met zicht op het koor van de aan de gereformeerden verloren Sint-Jan[1] – hield Petrus Purmerent na zijn aankomst in Gouda in 1615 de eerste jaren zijn heimelijke misvieringen. Daar leerde hij ook de nog jonge Willem de Swaen kennen, een neef van Maria. Beiden ontfermden zich over de jongeman. Purmerent zorgde ervoor dat hij theologie kon studeren in Leuven, betaalde liturgische kleding voor hem en werd zijn biechtvader. Maria op haar beurt ontpopte zich als Willems fanatiekste pleitbezorger en het was haar er alles aan gelegen om hem klaar te stomen als opvolger voor Purmerent.

Willem de Swaen (l.) en zijn nicht Maria Gerritsdr. Vermeij (r.). In het midden een nog onbekende klop

Maria toonde zich ook een goede leerling van haar vader, door na een misverstoring door de baljuw persoonlijk in beroep te gaan bij het Hof van Holland toen haar een boete werd opgelegd wegens het laten houden van de Heilige Mis in haar huis. Reeds als jong meisje zien wij haar enkele keren samen met haar vader voor de notaris verschijnen om volmachten te regelen. Opvallend daarbij is dat ze daarbij “poortersse van der stede van der Goude” genoemd wordt en ondertekent met een fraai handschrift, wat goede scholing impliceert.[2]

Maria Vermeij weet Willem de Swaen te bewegen na zijn studie naar Gouda terug te keren en stelt hem vanaf 1634 in de gelegenheid ook weer kerkdiensten te houden in haar huis achter de Sint-Jan, dat zij inmiddels geërfd heeft van haar vader. Purmerent ergerde zich in toenemende mate aan het gedrag van zijn pupil, die zich keer op keer niet aan afspraken hield. Er trad verwijdering op tussen beiden. In een door Walvis geciteerd document geeft de pastoor een opsomming van zijn ergernissen, waarbij hij ook Maria niet spaart. Zo moet hij financieel extra bijspringen, “overtuigd door de onbeschaamde verzoeken van Maria Vermeij”. Ook verhaalt hij hoe Maria Vermeij tijdens vertrouwelijke gesprekken hem vroeg of hij zich “had voorgenomen haar bloedverwant [neef Willem de Swaen] aan te stellen als mijn ambtsopvolger, en als erfgenaam van de kerkelijke goederen”. Opvolger van Purmerent zou De Swaen uiteindelijk niet worden, maar vanaf 1638 heeft hij de facto zijn eigen statie in het huis van Maria Vermeij. Daarbij ging hij volgens Purmerent zelfs zover, dat hij vijftig tot zestig klopjes bewoog naar hem over te stappen.[3]

In 1641 zijn de verhoudingen blijkbaar weer genormaliseerd, aangezien beide priesters – onder toeziend oog van hun ‘baas’ Rovenius – prominent figureren op het schilderij van Purmerent. Maria Vermij, die zo’n prominente rol speelde op de achtergrond, mocht blijkbaar ook niet ontbreken. Daarmee is het schilderij naast een propagandastuk voor het succesvolle missiewerk van de Goudse pastoors, wellicht ook een boodschap naar de buitenwereld – in het bijzonder de concurrerende regulieren (paters) – dat de seculieren hun rijen (weer) hadden gesloten.

Hiermee zijn twee van de vier vrouwen geïdentificeerd. De andere twee zijn zonder twijfel kloppen, maar er zijn (nog) geen verdere aanknopingspunten om hen een naam te kunnen geven.


[1] Abels, Walvis, v. in reg.


[2] C. Lenarduzzi, Katholiek in de Republiek. De belevingswereld van een religieuze minderheid 1570-1750 (Nijmegen 2019) 121.

[3] SAMH, Notarieel archief, 94/15: 13-6-1615; 21 pl. 147vo: 21-4-1626. In het poorterboek van Gouda komt haar naam niet voor. Toch zijn er incidenteel ook vrouwen die het poorterrecht verwerven, zoals ook het klopje Maria Letmaet.

Vrouwen in Museum Gouda (4). Maria de Licht (1622-1675), geen klop maar rijke jongedochter als maecenas

Op het intrigerende schilderij H. Bernardus van Clairvaux die de hertog Willem van Aquitanië bekeert, in 1641 geschilderd door Wouter Crabeth II (1584-1644) zijn destijds nog levende personen in Gouda afgebeeld in de historische context van een middeleeuws bekeringsverhaal. Hoofdpersoon is de Goudse pastoor Petrus Purmerend in de gedaante van de Heilige Bernardus van Clairvaux, die de Hertog van Aquitatië bekeert.

Rechts naast hem staat zijn voormalige kapelaan en inmiddels zelfstandig pastoor Willem de Swaen. Dankzij andere portretten van beide mannen en het nog bewaard gebleven kazuifel dat Purmerend draagt, zijn beide heren eenvoudig te identificeren. Dat geldt niet voor andere personages op het schilderij. Lang is gedacht dat de oude priester links Purmerents assistent Adrianus Bogaert was, maar Richard de Beer heeft in een dissertatie uit 2023 overtuigend aangetoond dat het gaat om apostolisch-vicaris Philippus Rovenius, in de gedaante van de bisschop van Poitiers. De Beer slaagde er ook in de man links, met de veren op de hoed, te identificeren. Dat is volgens hem Floris van Schoonhoven, een remonstrants-gereformeerde Goudse jurist en dichter, die zich tot het katholicisme liet bekeren door Purmerent.[1] Daarmee zou het schilderij een uitzonderlijk propagandastuk zijn, dat het toegenomen zelfbewustzijn van de Goudse katholieken rond het midden van de 17de eeuw demonstreert na de klappen die zij door de Reformatie te verwerken kregen.

Wat het schilderij extra bijzonder maakt is de prominente aanwezigheid van vier vrouwen, die pal achter de priesters staan. Drie van hen zijn op basis van hun kleding met grote zekerheid te identificeren als zogeheten kloppen of geestelijke maagden; vrouwen die hun hele leven aan God wilden wijden, maar niet in een klooster konden intreden omdat die op last van de gereformeerde overheid allemaal gesloten waren. Als alternatief kozen zij ervoor zich onder bescherming van een biechtvader/pastoor te plaatsen en een geestelijk leven in de wereld te leiden. Dat deden zij in gezinnen, maar ook in kleine leefgemeenschappen, waarbij zij in hun levensonderhoud voorzagen met ziekenzorg, onderwijs en tal van taken in en om de kerk. Elke priester in Gouda had rond de tijd van het ontstaan van het schilderij zo’n dertig tot zestig kloppen, die niet alleen zijn huishouden deden, maar ook kosterwerkzaamheden verrichtten, muziek maakten, zongen en liturgische gewaden borduurden.  Kloppen uit rijke families deden ook grote schenkingen aan de kerk, in de vorm van huizen, geld, zilverwerk, beelden en ook schilderijen.[2] Waar de mannelijke priesters de kerk bestierden, zorgden deze vrouwen ervoor dat de rooms-katholieke kerk na de Reformatie materieel en immaterieel kon overleven.[3] Het Goudse schilderij brengt het belang van deze vrouwen op unieke wijze in beeld.

Hun tijdgenoten hebben geweten wie deze vrouwen waren. Identificatie is bijna vier eeuwen later evenwel niet eenvoudig. De meeste discussie gaat in de literatuur over de vrouw rechts vooraan, die de beschouwer schalks aankijkt. Haar weelderige kledij en positie doen vermoeden dat zij (mede) opdrachtgeefster is geweest voor het schilderij. Alleen al de kleding is voor sommige onderzoekers reden om ervan uit te gaan dat zij geen klop kan zijn. Toch heeft Marieke Abels overtuigend aangetoond dat kloppen uit vooraanstaande families zich – in afwijking van de voorschriften van door biechtvaders geschreven ‘kloppenboeken’ met leefregels – wel lieten portretteren in mode die paste bij hun afkomst. Zelfs de andere drie kloppen op het schilderij wijken af van die richtlijnen. Weliswaar dragen de middelste twee een hoofdoek met kloppentip eronder, het gebruikelijke kloppengewaad [zie Swaentje Steen, de zus van Jan Steen][4] en heeft Crabeth bij de linkse vrouw aanvankelijk ook zo’n hoofdtooi geschilderd (blijkt uit röntgenonderzoek),[5] maar hun andere uitdossing is allesbehalve sober. Te zien zijn een bontkraag, een blote hals, een zilveren halsband en één vrouw draagt zelfs een gouden kruis. Marieke Abels en Prak[6] gaan er daarom vanuit dat de rechtse vrouw wel degelijk ook een klop is. Met de ontdekking van Schoonhovius aan de linkerzijde van het schilderij, zou het echter ook om zijn echtgenote kunnen gaan. Diens vrouw was Annetgen (of Anna) Thomasdochter van Haestrecht ([…]-1648?), met wie hij in 1616 in het huwelijk trad. Als zij het zou zijn,  zou zij op het moment van schilderen 40 jaar of ouder zijn, maar de door Crabeth weergegeven dame oogt veel jonger. Bovendien staat zij dan ‘aan de verkeerde kant’, omdat ook zij gereformeerd was (geweest). Alles overwegende leidt dit tot de conclusie dat het toch waarschijnlijker is dat het om een vermogende klop of andere jonge vrouw gaat, uit de entourage van Purmerent of De Swaen.

Probleem bij de identificatie is dat er juist bij deze seculiere priesters amper kloppen bij naam bekend zijn. Pastoor Walvis, de stadsgeschiedschrijver die begin 18de eeuw ook een lijvig (tot 2012 onuitgegeven)[7] werk schreef over de lotgevallen van de Goudse katholieken, noemt veel kloppen bij naam, onder wie ook zeer vermogende geestelijke dochters, maar die zijn bijna allemaal uit de kring van zijn concurrenten, de paters franciscanen (minderbroeders) en jezuïeten. Zowel Purmerent, als Walvis klaagt steen en been dat deze reguliere paters alles in het werk stellen om vooral vermogende kloppen van de seculieren af te troggelen.[8] De ook om andere redenen (pastorale uitgangspunten, visie op kerkelijke hiërarchie, broodnijd) zeer gespannen verhoudingen tussen seculieren en regulieren[9] maken het overigens ook zeer onwaarschijnlijk dat – zoals De Beer suggereert – er misschien ook kloppen uit kringen van de missiepaters op het schilderij zouden kunnen staan of verantwoordelijk zouden zijn geweest voor het borduurwerk op het kazuifels en de paramenten. Het mag, gegeven de verhoudingen, uitgesloten worden geacht dat Purmerent en De Swaen jezuïetessen of kloppen van de franciscanen op het schilderij zouden hebben geaccepteerd.

Maria Adriaensz de Licht (21-11-1622 – 1-9-1675)

De enige vrouw uit de omgeving van Purmerent die bij naam bekend is en wat leeftijd en vermogenspositie betreft in aanmerking zou kunnen komen als opdrachtgeefster, is Maria de Licht. Zij is de dochter – één notariële akte spreekt zelfs van een ‘voordochterken’ – van Adriaen Cornelisz de Licht en Cornelia Cornelisdr. Clocke, bewoners van een statig pand aan de Westhaven. Zij verloor jong haar vader, waarna de schrijnwerker Goossen Jansz Harles haar voogd werd. Over Harles weet Walvis te melden dat Purmerent bij hem de belangrijkste documenten van de statie in bewaring gaf, toen hij tijdelijk moest vluchten uit Gouda.[10] Daarnaast werd in Harles’ huis “’t Kromhout” op de Tiendeweg soms de mis opgedragen. Maria de Licht was daarnaast familie van een andere vooraanstaande katholieke familie in de stad, want in haar testament worden Adriaen Willemsz Doncker en Thomas Willemsz Doncker haar halfbroers genoemd. Haar moeder was na het overlijden van Adriaen de Licht namelijk hertrouwd met de katholieke advocaat Willem Doncker. De familie De Licht was verder ook verwant aan andere vooraanstaande katholieke families, zoals Soubrugh en De Swaen.[11]

Voorafgaand aan het in 1644 opgestelde testament van Maria de Licht staat een merkwaardige verklaring, waarin zij laat vastleggen dat zij op dat moment geen 12 jaar is, maar dat zij geboren is op 21 november 1622 en dus 22 jaar is. Wellicht is er een administratieve fout gemaakt bij haar geboorte, want genealogen noemen inderdaad 1632 als geboortejaar.[12] Deze gang van zaken wordt bevestigd door een zogeheten ‘venia aetatis’ ofwel een officiële minderjarigheidsverklaring van Maria Adriaensdr. de Licht uit 1651, die zich bevindt in het archief van de Staten van Holland. Als Maria de voorste vrouw zou zijn, was zij op het moment van schilderen dus geen 29, maar 19 jaar, wat gelet op haar voorkomen niet onwaarschijnlijk zou zijn.

Maria de Licht was vermogend en daarmee ook in een positie om te kunnen betalen voor het schilderij. Maar was zij ook een klop? In een schuldvordering uit 1651 wordt zij ‘joffrouw’ genoemd, dus vrijgezel, maar niet ‘geestelijke dochter’. Als zij al klop is geweest, dan heeft zij in ieder geval op 7 januari 1655 afstand genomen van de belofte dat “haar hart alleen voor Jezus klopt” (vandaar de naam klopje), door als 32-jarige jongedochter in het huwelijk te treden met Adriaen Wittert, heer van Lange Backersoort en Deyffelsbroeck (onder Schiedam).[13] Hij was een rijke en voorname katholieke wijnkoopman uit Rotterdam. Zij verhuisde naar Rotterdam, waar zij drie zoons en vier dochters kreeg en op 1 september 1675 overleed.

Van Maria de Licht en Adriaen Wittert bestaan portretten. Begin vorige eeuw hingen beide portretten (volgens opgave in NNBW deel 3, p. 1475 en Wittert van Hoogland) in kasteel Ter Heyde te Vladsloo. (Diksmuide, België) bij baron de Crombrugghe van Picquendale. De genealogie van het geslacht Wittert leidt via Delpher naar afbeeldingen van beide portretten


Wellicht biedt dit portret van Anna de Licht extra aangrijpingspunten voor de vraag of de opdrachtgeefster op het schilderij van Crabeth identiek is met deze vrouw. Haar gelaatstrekken (mond, neuslengte voorhoofd, oogkassen) en houding (over elkaar geslagen armen) tonen gelijkenis. Helaas moeten we het vooralsnog doen met deze zwartwit-foto en zonder verdere informatie over de schilder of datering. Het schilderij van haar man, die vier jaar jonger is, lijkt van latere datum.

Adriaen Wittert

Als Maria de Licht het schilderij inderdaad (mede?) gefinancierd heeft en rechts vooraan is afgebeeld, dan heeft ze dat op jonge leeftijd gedaan, nadat zij een groot kapitaal had geërfd van haar overleden vader. Haar voogd Goosen Harles en haar stiefvader, de advocaat Willem Doncker, speelden beiden een prominente rol binnen de statie van Purmerent. Doncker wist in 1638 samen met de links op het schilderij afgebeelde Floris van Schoonhoven nog een verstoring van de kerkdienst door de substituut-baljuw te voorkomen, door hem een (goed) glas wijn aan te bieden.[14] Wellicht waren het zelfs deze genoemde heren, die Maria de Licht hebben aangespoord zo’n triomfantelijk schilderij te financieren. Zij maakte immers deel uit van een kapitaalkrachtig netwerk van vermogende rooms-katholieken dat in Gouda bereid was steeds opnieuw te investeren ten behoeve van het voortbestaan van hun geloofsgemeenschap. Vrouwen – en met name de ongehuwden, onder wie veel geestelijke dochters – traden daarbij veelvuldig op als weldoeners. Ook waren zij voor de priesters ideale rechtspersonen die ten behoeve van de kerk onroerend goed konden kopen, waar dat voor henzelf verboden was. (wordt vervolgd)



[1] R. de Beer, Kerkgewaden in de verdrukking. Paramenten in de Republiek als drager van identiteit (1580-1650), [diss. Utrecht 2023], passim.

[2] X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 [Oudheid­kundige Kring “Die Goude” [Vier-en-twintigste verzameling bijdragen] (Delft 1994) 64-65.

[3] M.A.W.L.M. Abels, Tussen sloer en heilige, Beeld en zelfbeeld van Goudse en Haarlemse kloppen in de zeventiende eeuw (Utrecht 2010).

[4] M.A.W.L.M. Abels, ‘Geestelijk leven in een huishouden van Jan Steen. Goudse en andere klopjes  geschilderd in gender-perspectief’, in: P.H.A.M. Abels, J. Jacobs, M. van Veen (eds.), Terug naar Gouda. Religieus leven in de maalstroom van de tijd (Zoetermeer 2014) 207-224.

[5] Van Eck, Kunst, twist en devotie, 179 en 249.

[6] M. Prak, Gouden eeuw. Het raadsel van de Republiek (Nijmegen 2002) 234.

[7] P.H.A.M. Abels, J. Hallebeek, D.J. Schoon (eds.), Ignatius Walvis. Goudse en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (Delft 2012)

[8] N. Broedersen, Tractatus historicus V de rebus ecclesiae Ultrajectinae in quo ordine chronico exhibetur quid in Ecclesia Metropolitana Ultrajectina (Utrecht 1763)

[9] M. van der Veer, ‘Concurrentie en broederstrijd. Verwikkelingen in en naar een oud-katholieke kerk in Gouda’, in: P.H.A.M. Abels, J. Jacobs, M. van Veen (eds.), Terug naar Gouda. Religieus leven in de maalstroom van de tijd (Zoetermeer 2014) 225-242.

[10] P.H.A.M. Abels, ‘Beter slaaf in Algiers, dan Roomsch in Gouda’. Overlevingsstrategieën van rooms-katholieken in Gouda (1572-1813)’ in: P.H.A.M. Abels, J. Jacobs, M. van Veen (eds.), Terug naar Gouda. Religieus leven in de maalstroom van de tijd (Zoetermeer 2014) 196.

[11] E.B.F.F. Wittert van Hoogland, Het geslacht Wittert van Hoogland (1912)

[12] In het archief van de Staten van Holland bevindt zich een zogeheten ‘venia aetatis’ ofwel een officiële minderjarigheidsverklaring van Maria Adriaensdr. de Licht uit 1651. Nationaal Archief, inv.nr. 3.01.04.01, nr. 1651, fol. 66. De vermelding is gevonden via de index. De originele acte kon helaas niet gevonden worden.

[13] Stadsarchief Rotterdam, 1-01 Oud Archief van de Stad Rotterdam (OSA), inv.nr. 1056: 3 januari 1655.

[14] Abels, Walvis, 162.


Vrouwen in Museum Gouda (3) Het steenrijke klopje Anna van Geffe (Annetge Huymendr.) (1635-na 1661)

In deze en volgende afleveringen over vrouwenportretten in Museum Gouda aandacht voor de beeltenis van een klop. Dat waren in de 17de en 18de eeuw zogeheten geestelijke maagden, die een geestelijk leven in de wereld leidden in plaats van in een klooster. Dit typisch Nederlandse verschijnsel, uit nood geboren omdat de overheid een algemeen kloosterverbod had uitgevaardigd, nam ook in Gouda een hoge vlucht. Een van hen was deze Anna van Geffe (Annetge Huymendr.). Zij was klop (geestelijke of of ook wel bejaarde dochter genoemd) in Rotterdam en daarna in Gouda. Het schilderij heeft geen signatuur en haar naam wordt evenmin op of het doek of aan de achterzijde vermeld. Haar voorkomen, de historische context van het schilderij en de provenance (herkomstgeschiedenis) ervan maken het mogelijk haar met een grote mate van waarschijnlijkheid te identificeren als Anna van Geffe, ook wel Annetge Huymendochter genoemd.

Voorkomen

Marieke Abels stelt op grond van de kleding dat het hier om een klop gaat: “Op het portret staat een vrouw van middelbare leeftijd afgebeeld. Ze is tegen een donkere achtergrond geschilderd, kijkt de toeschouwer recht aan en heeft een boekje in haar handen. Mogelijk is het een kloppenboekje of bijbel, waarmee de schilder verwijst naar de religieuze identiteit en wijsheid van de vrouw. Het klopje is dik aangekleed; wellicht werd het schilderij daarom in de winter gemaakt.

Hoewel het een traditioneel kloppenportret lijkt, zijn er geen duidelijk religieuze verwijzingen zoals een heiligenbeeld, rozenkrans of crucifix geschilderd. […] De kleding van de vrouw is sober en komt overeen met regelgeving uit de kloppenboeken. Ze draagt geen sieraden of andere vormen van versiering. De klop heeft een wit korset om haar romp en draagt een zwarte rok. Onder de witte mouwen van haar gewaad steken zwarte biesjes uit. Ze heeft een witte kloppentip op haar hoofd met daarover een zwarte gesteven hoofddoek, die ver tot over haar gezicht valt. Verder draagt ze een wit korset. De hoofddoek van het klopje is eveneens opmerkelijk; deze werd namelijk alleen buiten gedragen. In de privésfeer droegen de maagden meestal alleen een kloppentip op het hoofd”.[1]

Historische context

Cruciaal voor de identificatie van dit portret als dat van Anna van Geffe is een korte passage in het handschrift over katholieke kerkzaken van de Goudse stadsgeschiedschrijver Ignatius Walvis.

“Op 26 februari 1649 overleed pater Gregorius Simpernel, eerste minrebroeder [franciscaan] zendeling ter Goude. Voor sijnen dood had hij sijne broeders van woon- en kerkplaatse bezorgd. Een last van vierduizend guldens, die hij er op liet, deede onder den volgenden, eene juffrouw Anna van Geffe, rijke geestelijke dochter onder den Heer Hoogewerff van Rotterdam naar der Goude verhuist, heel en al af”.[2]

Bernard Hoogewerff, biechtvader van Anna van Geffe

Uit de mededeling van Walvis kunnen verschillende dingen worden afgeleid. Anna van Geffe was inderdaad een klop, telg uit een vermogende Rotterdamse familie. Zij behoorde tot de entourage van Bernard Hoogewerf (1613-1653). Van hem is bekend dat hij na studie in Leuven priester werd in statie de Oppert in Rotterdam, gewijd aan de HH Laurentius en Maria Magdalena, en de stichter was van de tweede seculiere statie te Rotterdam, het Paradijs. Van hem is bekend dat hij in de Oppert alleen al twaalf kloppen aan zich gebonden had, die catechismusonderricht gaven.[3] Wellicht was Anna er daar een van. Op enig moment moet zij Rotterdam en haar seculiere biechtvader hebben verlaten om zich in Gouda te vestigen, onder bescherming van de daar actieve reguliere pater-franciscaan, op dat moment Joannes van der Elst. Anna gebruikte het van haar ouders geërfde kapitaal om de resterende hypotheek van 4000 gulden, die nog rustte op de door Van Elsts voorganger Gregorius Simpernel gebouwde kerk aan de Hoge Gouwe, af te betalen.

Dat Anna van Geffe verhuisde van Rotterdam naar Gouda is op zichzelf niet uitzonderlijk. Er bestonden na de Reformatie nauwe banden tussen de katholieke gemeenschappen in beide steden. Enkele vermogende Gouwenaars, zoals Gijsbert Rooloos en Heyman Bick speelden in de jaren dertig een belangrijke rol bij de aankoop van onroerend goed ten behoeve van nieuwe in te richten (schuil)kerken. Bick was zelfs getrouwd met Anna Kievits, telg uit de belangrijkste Rotterdamse katholieke familie.[4]

Wat weten we verder van Anna van Geffe(n)?  Zij was dochter van Huymen (Huijman, Human) Claesz. van Geffen, een vermogende korenkoper en Maertge Pietersdr Spaen uit Rotterdam. Haar ouders woonden aan de zuidzijde van de Hoochstraat.[5] In 1636, kort na haar geboorte, verloor Anna al haar vader. Haar moeder bleef met haar achter met meerdere kinderen, die in dat jaar elk hun legitieme portie uit de nalatenschap van hun vader kregen, dus ook Anna.[6] In 1653, toen zij 17 jaar was, liet Anna zelf – “sieckelijck sijnde” – een testament opstellen. Daarin vermaakte zij haar huisraad en een bedrag van 4000 gulden aan Maertgen Pietersdr. Van Thuyl, een jongedochter die bij haar inwoonde. Een neef, Jacobus Spaen zou na haar overlijden 2000 gulden ontvangen. De resterende goederen moesten naar haar nicht Weyntgen Renten gaan, een dochter van haar oma, op voorwaarde dat ze niet naar Engeland zouden verhuizen.[7] Hieruit blijkt dat Anna reeds op jonge leeftijd behoorlijk vermogend was.

Een jaar later groeide Anna’s vermogen nog aanzienlijk, toen zij als enige erfgenaam alle bezittingen kreeg van haar overleden grootvader Claes Jansz van Geffen, net als haar vader ook een vermogend korenkoper. Opmerkelijk daarbij is dat de boedelinventaris onder meer werd opgemaakt door de uit Gouda afkomstige Heyman Bick en dat de hele lijst werd voorgelezen ten overstaan van onder meer de eerdergenoemde Maertge Pietersdr, die hier Vrouwe van Tuijl wordt genoemd. Tot de boedel behoorde onder meer een huis en erf in de Lombardstraat, diverse rentebrieven en obligaties, het nodige aan baar geld, zilverwerk, juwelen, meubels en huisraad.[8]

Uit een notariële akte uit 1654, een jaar daarna, blijkt dat Maertge Pietersdr van Tuyl “haar goede vriendin was”. Zij lag op dat moment ziek op bed en maakte Anna tot haar erfgenaam.[9] Kort daarna deed Anna het omgekeerde.[10] Enkele maanden later liet Anna opnieuw een testament opmaken. Dit keer werd haar neef Franciscus Sovenij, genaamd van Geffen, tot erfgenaam benoemd. Enkele andere familieleden zouden elk 1000 gulden krijgen en Maertge Pietersdr., die nu haar dienstmaagd wordt genoemd, zou het niet onaanzienlijke bedrag van 5000 gulden krijgen, evenals haar kleding en huisraad.[11] Twee dagen later liet zij aan dit testament toevoegen dat zij van het vermogen dat ze van haar grootvader Claes Jansz van Geffen had geërfd, zou nalaten aan Bernardus Outheusden.[12] Uit haar sierlijke handschrift bij de ondertekening blijkt dat zij goed onderricht moet hebben genoten.

Uit een attestatie of verklaring uit 1661 blijkt dat genoemde Bernard (van) Oudheusden tot dat jaar de administrateur en voogd was over de nu meerderjarige Anna. De andere voogd was de eerdergenoemde Gouwenaar Heyman Bick. Beiden verklaarden dat zij de nalatenschap van haar grootvader Claes Jansz van Geffen naar behoren hadden afgehandeld. De akte werd medeondertekend door Theodorus van Pelt.[13] Een dag later verscheen Anna, het enige kind van Maertge Spaen, zelf bij de Rotterdamse notaris, geassisteerd door eerdergenoemde Theodorus van Pelt die dan haar voogd blijkt te zijn. Zij verklaarde dat zij van de administrateur Van Heusden uit de nalatenschap van haar grootvader een bedrag had ontvangen van 10.623 gulden.[14]

In het najaar van 1661, toen Anna 26 jaar was, verscheen ze opnieuw bij notaris Roose om vaker genoemde Maertge Pietersdr. Van Tuyl te machtigen de penningen te ontvangen die zij hier en daar nog heeft uitstaan. Opmerkelijk daarbij is dat zij in deze akte wordt aangeduid als ‘bejaarde dochter’, een aanduiding voor klop.[15] Dat Anna op dat moment haar vriendin en dienstmaagd machtigde om financiële zaken voor haar te regelen, de aanduiding dat zij een klop was en het na deze datum verdwijnen van haar naam uit de Rotterdamse bronnen, zouden erop kunnen duiden dat haar verhuizing naar Gouda rond het jaar 1661 heeft plaatsgevonden. Het schilderij wordt gedateerd op circa 1660. Mogelijk hadden haar vertrek uit Rotterdam en de vervaardiging van dit portret iets met elkaar te maken. In dat geval zou zij op dat moment rond de 25 jaar zijn.

Provenance

Dat Anna van Geffe is verhuisd van Rotterdam naar Gouda weten we alleen dankzij de aantekening van Walvis. Haar naam komt geen enkele keer voor in de Goudse bronnen. Het spoor van haar loopt in 1661 dood in de Rotterdam. Hoe lang ze in Gouda heeft gewoond en hoe oud ze is geworden is dus onbekend. Het enige dat verder in Gouda van haar resteert is dus het portret. Daarvan is bekend dat het jarenlang heeft gehangen in de pastorie van de Sint-Jozefkerk (thans Gouwekerk) aan de Hoge Gouwe, in de nabijheid van een geschilderd portret van de stichter van de statie, Gregorius Simpernel (geschilderd op zijn doodsbed). Dat het in de pastorie hing geeft al aan dat het portret van Anna geen religieuze functie had, maar tot doel had – net als het schilderij van Simpernel – de herinnering aan stichter en weldoenster van de parochie levend te houden. Nadat de kerk in 1972 werd afgestoten verhuisden de twee schilderijen naar de pastorie van de Sint-Jozefkerk aan het Aalberseplein in Gouda. Daar hing de beeltenis van Anna in het trapgat, tot het schilderij in 2019 in bruikleen werd afgestaan aan Museum Gouda. Ook deze provenance en de voortdurende nabijheid van het schilderij van Simpernel maken het waarschijnlijk dat de vrouw op dit portret inderdaad Anna van Geffe is.


[1] M.A.W.L.M. Abels, Tussen sloer en heilige, Beeld en zelfbeeld van Goudse en Haarlemse kloppen in de zeventiende eeuw (Utrecht 2010) 101.

[2] P.H.A.M. Abels, J. Hallebeek, D.J. Schoon (eds.), Ignatius Walvis. Goudse en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (Delft 2012) 181.

[3] M. Monteiro, Geestelijke maagden. Leven tussen klooster en wereld in Noord-Nederland gedurende de zeventiende eeuw (Hilversum 1996) 91.

[4] N. Alting Mees, Uit rooms-katholieken kring in zeventiende eeuwsch Rotterdam (’s-Gravenhage 1955) 17; G. Scheerder, De contrareformatie te Rotterdam. De Leeuwenstraatse statie van de Paters Jezuïeten 1610-1708-1800 [Stichting Historische Publicaties Roterodamum 34] (Rotterdam 1988) 52

[5] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Nicolaes Vogel Adriaensz: Aktenummer 36, p. 89-92, d.d. 8-11-1640. Op deze datum maakte de moeder van Anna haar testament op. Opvallend daarbij is dat zij een bedrag nalaat aan de armen van de remonstrantse gemeente, terwijl haar dochter onmiskenbaar in rooms-katholieke kring verkeerde.

[6] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Arnout Wagensvelt: Aktenummer 203, p. 612-614 , d.d. 2-4-1636.

[7] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Nicolaes Vogel Adrieansz: Aktenummer 82, p. 249-253 , d.d. 12-2-1653.

[8] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 18, p. 36-67 , d.d. 23-7-1654. [1] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 82, p. 187 , d.d. 25-2-1655.

[9] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 84, p. 191-192 , d.d. 2-3-1655.

[10] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 95, p. 211 , d.d. 21-7-1655.

[11] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 95, p. 212 , d.d. 23-7-1655.

[12] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 29, p. 130 , d.d. 4-8-1661.

[13] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 30, p. 131-134 , d.d. 5-8-1661

[14] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 78, p. 201, d.d. 20-9-1661

[15] GA Rotterdam, Notarieel archief, Notaris Batholomeus Roose: Aktenummer 78, p. 201, d.d. 20-9-1661. Overigens trok Anna deze machtiging nog op dezelfde dag weer in en gaf deze aan haar behuwde oom en voogd Theodorus van Pelt.


Vrouwen in Museum Gouda (2) Leytge Amelgersdr. van Rosendael-Van Rijswijk (ca.1525-1602)

Museum Gouda bezit de portretten van de Goudse regent Jan Jacobszoon van Rosendael en zijn echtgenote Leytge of Lydia Amelgersdochter van Rijswijck, in 1552 geschilderd, waarschijnlijk door Cornelis van der Goude. Beiden panelen lijken luiken te zijn geweest van een huisaltaar. De werken werden in 1985 aangekocht door de eerste vrouwelijke directeur van het museum, Josine de Bruyn Kops. Van Rosendael werd bekend om zijn persoonlijke aandeel in de overgang van de stad Gouda naar de zijde van de prins van Oranje. Hij schermde met een persoonlijke brief van Willem van Oranje, waarin deze Gouda zou oproepen de Spaanse koning de rug toe te keren en de zijde van de Opstand te kiezen. In werkelijkheid was het een algemene rondzendbrief van de prins, gericht aan meerdere steden. De Goudse vroedschap nam de boodschap van Van Rosendael echter serieus, wat ertoe bijdroeg dat de stad zich op 21 juni 1572 zonder slag of stoot overgaf aan de geuzen toen zij voor de stadspoorten verschenen. Van Rosendael werd door Gouda afgevaardigd naar de eerste vrije Statenvergadering in Dordrecht. Willem van Oranje beloonde hem voor zijn steun aan de Opstand en zijn inzet voor een tolerante omgang met godsdienstverschillen door hem aan te stellen als raadsheer.[1]

Jan Jacobsz van Rosendael

Jan Jacobsz van Rosendael,  geboren te Gouda in 1525, was telg uit een voornaam Gouds regentengeslacht, dat sinds het midden van de zestiende eeuw deel uitmaakte van het stadsbestuur.[2] Ondanks zijn steun aan de Opstand was en bleef hij rooms-katholiek. Hij dankte zijn achternaam aan de polder Rosendael, gelegen tussen Haastrecht en Oudewater. Van zijn in 1533 overleden vader, Jacob Pietersz van Rosendael erfde hij dit leengoed, op grond waarvan hij tienden op hennep en raapzaad mocht innen bij de bewoners van dit gebied. Zijn echtgenote Leytge was ook uit deze omgeving afkomstig. Zijn werd rond 1525 geboren in Oudewater, als dochter van Amelger Hendricksz. van Rijswijck en Catharina van Royen van Schadebroeck. Zowel de familie van haar vader, als van haar moeder, behoorde tot de bestuurlijke bovenlaag van het stadje. Zo bekleedde haar vader een tijdlang de functie van schepen. Het echtpaar kreeg ten minste zes kinderen.

Detail uit de kaart van de Krimpenerwaard, met de heerlijkheid Rosendaal

Een broer van Leytge was Dirck (Theodorus) Amelgersz. (Amelius) van Rijswijck, werd geboren vóór 1519 en studeerde theologie in Leuven. Daarna verbleef hij in Parijs, Keulen en Utrecht. Na priesterwijding werd hij rond 1544 pastoor in Oudewater, waar hij de bekende grondlegger van het remonstrantisme, Jacobus Arminius, in diens jonge jaren onder zijn hoede had. In 1574 overleed “Heer Dirck Amelss” aan de pest.[3] Een zus van Leytge, Aeltge, trouwde met Willem Huygensz van Swieten en werd de moeder van twee later Oudewaterse burgemeesters.

Leytge zelf trad in 1552 in het huwelijk met Jan van Rosendael. Het echtpaar woonde aan de Oosthaven in Gouda. Zij kregen drie kinderen: Elisabeth, Amel (1557) en Jacob (1559). In het testament dat de echtelieden in 1578 lieten opmaken – dat bewaard wordt in het archief van Museum Bisdom van Vliet in Haastrecht – kreeg elk kind een fors kindsdeel toebedeeld, waaruit blijkt dat de Van Rosendaels over veel vermogen beschikten.[4] Toch ontstond een diepgaand juridisch conflict over een specifiek onderdeel uit het testament, namelijk over het eigendom van het leengoed Rosendael. In het testament gaf senior aan dat het bezit van dit leen zou overgaan op de oudste zoon Amel en dat hij dit zo spoedig mogelijk zou regelen bij de hoogste instanties die optraden als leenmannen. In de vijf jaar die hij nog zou leven, verzuimde hij dit echter te doen.


Uitspraak Hof van Holland “In der zaecke hangende voor den Hove van Hollandt tusschen de weduwe ende boelhoutster van wylen Mr. Jan Jacobsz ende Mr. Emilius van Rosendael syn outste zoon […] ende Gerrit Pietersz. ende Adriaen Cornelisz., gesworenen van Rosendael voor henselven ende als impetrant geaccepteert hebbende voor de gemene buyren aldaer, gedaechden ter andere zyde [….]. Int selve cas ter cause vande hennep ende raepsaet tienden van de hennep ende raepsaet wassende opten werven van heure huysen ende landen, soo voor, achter als besyden van heure hofsteden langes den hoogendyck ende elders in Rosendael staende […] 19 maart 1596.

Nadat haar man op 25 januari 1583 bij een bezoek aan Leiden overleed, raakte Leytge door het verzuim van haar man dan ook in een juridisch conflict met haar zoon. Zoon Amel stelde zich op het standpunt dat het erfrecht dat hij als oudste had om als leenvolger het leen in bezit te krijgen niet ten koste mocht gaan van zijn geldelijke erfdeel. Hij eiste daarom net als zijn broer en zus 2200 of 2300 gulden. De Goudse weduwe toonde zich vastberaden in deze kwestie – waarvan de uitkomst onduidelijk blijft – en ook in het geschil dat vervolgens ook nog eens ontstond met de bewoners van het gebied, die de plicht tot betaling van tienden op hennep en raapzaad aanvochten, tot aan het Hof van Holland toe. De weduwe en haar zoon werden uiteindelijk in het gelijk gesteld.[5] Tot haar overlijden op 24 december 1602 (en begrafenis op 2 januari 1603 in de familiekapel in de Sint-Janskerk) bewaakte Leytge zich als ‘weduwe ende boelhoutster van wijlen mr. Jan Jacobsz van Rosendael’ nadrukkelijk de nalatenschap van haar man, samen met zoon Amel.



Grafmonument voor de familie Van Rosendael in de Sint-Janskerk met op de gedenkplaat een tekst over Leytge’s zoon Amel. Ook Leytge werd in dit familiegraf begraven

Leytge van Rosendael-van Rijswijck komt uit de stukken in bovenstaande kwesties naar voren als een stevige persoonlijkheid, die zich ook na dat zij weduwe was geworden intensief bleef bemoeien met de financiën en de nalatenschap van haar man.



[1] P.H.A.M. Abels, ‘Gouda sluit zich aan’, in: M. Eekhout e.a. (red.), Willem van Oranje in brieven. De Opstand in 1572 (Zwolle 2022) 64-73.

[2] SAMH, 0200.2350: Genealogie van het geslacht Van Rosendael. Stamreeks, ca. 1329- 1843, samengesteld door jhr. mr. E.B.F.F. Wittert van Hoogland, 1906; doorslag; met ingeplakte aanvulling door dr. C.J. Matthijs.

[3] C. Bangs, Arminius. A study in the Dutch Reformation (Eugene 1985) 384-385.

[4] Archief Familie Bisdom van Vliet Haastrecht: Nr. 20984 Stukken betreffende het testament van de echtgenoten Jan Jacobs van Rozendael (1522-1583) en Luydia of Leitje Amelis van Rijswijk, beiden te Gouda. 1584-1594.

[5] Archief familie Bisdom van Vliet Haastrecht: Nr. 20989 Stukken betreffende een geschil tussen Jan Jacobs van Rozendaal (1522-1583), later zijn weduwe Lydia of Leitje Amelis van Rijswijk, en hun zoon Aemilius van Rozendaal en de inwoners van de polder Rozendaal over de tienden en raapzaad, 1555-1602. Deels ongedateerd. Meerdere stukken. 1 katern en 3 stukken aaneengehecht.

Vrouwen in Museum Gouda 1. Hendrica Swanenburg (1732-1801). Regentendochter in Museum Gouda

Museum Gouda heeft veel kunstwerken in de collectie waarop vrouwen zijn afgebeeld of die door vrouwen zijn gemaakt. Ooit stond het museum bekend om de aandacht voor vrouwen, met name in de periode 1976-1986, toen zijn eerste vrouwelijke directeur, Josine de Bruyn Kops, zich toelegde op de aanschaf van vrouwenkunst. Toch bleef de aandacht voor vrouwen in en achter de kunst ook daarna altijd beperkt. Inmiddels werkt het museum hard aan de verdere ontsluiting van de vrouwenverhalen in het museum. Ik mocht mij in dit kader verdiepen in de achtergrond van enkele vroegmoderne werken. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt voor de collectiebeschrijving. De volledige verhalen die ik heb aangeleverd krijgen een plek op mijn eigen website, in vier afleveringen. De eerste gaat over een bijzondere Goudse regentendochter.

Henrica Swanenburg geportretteerd door Pieter Frederik de la Croix

Henrica Swanenburg was een telg uit een voornaam Gouds regentengeslacht. Pieter Frederik de la Croix schilderde dit fraaie portret van haar. Hij zou dit hebben geschilderd in 1742, toen zij nog maar 10 jaar oud was. Henrica werd in Gouda geboren op 27 april 1732 als dochter van Leonard Reiniersz. Swanenburgh (1701-1788) en Christina Anthonisdr. Streefland (1714-1734), die woonden aan de Oosthaven 24-25. Haar grootvader was Reinier Swanenburgh, die ook werd geschilderd door De la Croix, een Nederlandse schilder van Franse komaf die voornamelijk als portrettist werkte in Den Haag en Amsterdam.

Uit diverse testamenten blijkt dat Henrica al jong zeer vermogend was. Op 7-jarige leeftijd is zij al in het bezit van ‘boven en behalven de voorschreve alimentatie, uijtzet, en somma van agt duijsent guldens egter uijt vaderlycke liefde en hartelijke toegeneegentheyd als voor de gedagtenisse van hare moeder zaliger op haare meerderjarigheyt of eerder huwelijken staat, alle de juweelen en kleynodien die haare moeder heeft gehad en gedraagen, het bijbeltje met gouden slooten en verder gemaakt gout en zilverwerk ten lijve van haare moeder gedient hebbende, mitsgaders al zulke juweelen, zilverpoppegoet en verder gout en zilverwerk, als aan haar bereijts is en namaals nogh zoude mogen werden vereert en geschonken, ’t zij door ymand van haare vrinden of vreemden: Item nogh haare spaarpot of spaarpenningen, dewelke alreeds is monteerende ter somme van drie duijsent guldens’.[1]

Zij groeide dus op in grote welvaart, maar bleef lang ongehuwd. Pas op 37-jarige leeftijd vond zij in weduwnaar Arnoldus ter Croije (1731-1779) een echtgenoot, voor wie zij naar Oirschot in Noord-Brabant verhuisde. In de familiebijbel tekende haar vader het volgende op over dit huwelijk:‘1769 Op Dingsdag den 28e November is mijn Oudste Dochter Henrica tot Gouda in St Janskerk Savonts ten Zes Uuren bij een Kaarsje getrouwt met Mr Arnoldus Ter Croije, Raad en Oud-Schepen der Hoofdstad ’S Bosch en Secretaris der Vrij-en Heerlijkheid Oirschot, Meijerije van ’S Bosch quartier van Kempeland’. Hieruit blijkt dat zij een huwelijk op stand sloot, maar naar aanleiding van de opmerking over trouwen bij een kaars wordt door Bauer en Maatje in een artikel over de familie Swanenburg de suggestie gewekt dat dit een straf was omdat er iets mis zou zijn geweest met dit huwelijk.[2] Volgens deze auteurs werd de trouwerij in de acta van de gereformeerde kerkenraad van de Sint-Jan “aangeduid als een ‘besloten’ huwelijk, dus zonder publiek”. Waar zij zich op baseren is onduidelijk, want in de desbetreffende kerkenraadsacta wordt het huwelijk niet vermeld. Ook het kerkelijk huwelijksregister vermeldt geen bijzonderheden, zoals hieronder is te zien.


Huwelijksinschrijving van Henrica Swanenburg in de gereformeerde trouwboeken van de Goudse Sint-Janskerk

Het lijkt aannemelijker dat de echtelieden kozen voor een huwelijkssluiting in romantische sfeer, waarvoor waarschijnlijk – net als bij begrafenissen in de avond – meer betaald moest worden. Dat zou ook de vermelding van de vader in de familiebijbel verklaren, want als dit een schande voor de familie zou zijn had hij het waarschijnlijk niet zo opgetekend.

            De echtgenote van Henrica Swanenburg, Arnoldus ter Croije was een zoon van een gelijknamige medicus in Den Bosch en Arnolda van Hemert. Hij was eerder gehuwd geweest met Suzanna Jacoba Ruisch. Hij werkte als secretaris van de Meierij van ’s-Hertogenbosch, in welke functie hij in 1762 was aangesteld door de Staten-Generaal in Den Haag.[3] Twee jaar na het huwelijk met Henrica, werd in Oirschot hun enige dochter Arnolda Elisabeth geboren, die op 27 januari 1771 ten doop werd gehouden. Deze dochter zou later trouwen met de Goudse advocaat Arnoldus Gijsberti Hodenpijl.

            Na een huwelijk van slechts tien jaar overleed Arnoldus ter Croije in november 1779 en keerde Henrica als weduwe naar Gouda terug. Daar overleed zij op 13 april 1801 in de polder Broek, net buiten de stad. Wellicht had zij daar een ‘buiten’, want haar woonhuis stond aan de Westhaven.


Inschrijving in het begraafboek van de Sint-Janskerk van Henrica Swanenburg, wed[uwe] wylen Mr. Arnoldis TerCroij, Westhaven, 30 gulden

[1] Zie J.C. Bauer, G.A.F. Maatje, ‘De lotgevallen van de dynastie Swaneburg -behorende tot de Goudse elite in de 18e eeuw. Tidinge van die Goude 20 (2002) 136-138.

[2] Bauer, Maatje, ‘De lotgevallen van de dynastie Swaneburg -behorende tot de Goudse elite in de 18e eeuw. Tidinge van die Goude 21 (2003) 10.

[3] J. Lijten, ‘De secretarissen van Oirschot 1462 – heden II 1646 – heden’. Campina driemaandelijkse uitgave van het Streekarchief Regio Eindhoven 25 (1995) 69-70.

Artikel over Martelarenschilderij verschenen

Verrassende ontdekking: schilderij van de Martelaren van Gouda

Al negentien jaar vertel ik in mijn lessen Goudologie over Duizend jaar geloven in Gouda, dat ook deze stad martelaren heeft gehad. Iedereen kent het tragische lot van negentien geestelijken die in 1572 in handen van de geuzen vielen en bekend zijn geworden als de Martelaren van Gorcum. Zij werden zalig en in 1867 zelf heilig verklaard door de paus. Wie het Vaticaans Museum binnenkomt ziet bijna meteen na de ingang een levensgroot schilderij, waarin te zien is hoe de Gorcumse martelaren werden opgehangen. De verantwoordelijke geuzenleider, Lumey, kwam na deze wandaad bijna onmiddellijk naar Gouda, waar hij zijn intrek nam in het kasteel aan de IJssel. Toen twee paters van het Paulus- of collatie-klooster bij hem kwamen klagen over het gedrag van zijn soldaten in de stad, werden ook zij gruwelijk gemarteld en gedood.

Het lot van beide paters staat als bijlage wel vermeld in het werk van Wilhelmus Estius, die in 1603 als eerste de toedracht rond de Martelaren van Gorcum uitvoerig beschreef. Waar de Gorcumse slachtoffers voor altijd in het collectieve geheugen gegrift staan, raakten de ongelukkige Goudse paters in vergetelheid. Toch blijkt dat niet helemaal te kloppen. Een spectaculaire ontdekking die ik deed aan de hand van een oud krantenknipsel laat namelijk zien dat dit niet altijd zo is geweest en dat de herinnering aan hen in het midden van de zeventiende eeuw nog springlevend was.

Een vergeeld krantenknipsel uit 1986, mij aangereikt door Simon Schwegler van Kringloopwinkel Emmaus bracht mij op het spoor van een onopgemerkt gebleven schilderij, waarop niet alleen de twee eerdergenoemde Goudse martelaren staan afgebeeld, maar ook nog zes andere geestelijken die uit Gouda afkomstig blijken te zijn of daar zijn vermoord door de geuzen. Jan Schouten, voormalig directeur van Museum Het Catharinagasthuis (nu Museum Gouda), schreef in 1986 een artikel over dit schilderij in de rubriek Uit Gouda’s verleden, maar doorzag niet hoe door en door Gouds het werk was.

Schouten herkende wel het Goudse stadswapen, maar dacht dat het de Martelaren van Gorcum waren. Zijn aandacht ging vooral uit naar de vermoedelijke schilder, Jan Ariensz Duyff, een Goudse weesjongen die onder begeleiding van Wouter Crabeth III beeldend kunstenaar zou worden. Volgens Schouten, die weinig lovende woorden over had voor de schilder, vermeldde nog dat het schilderij in Frans particulier bezit was. Zijn beschrijving en de zwartwit-foto boden voldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek, waarbij de figuur in het midden het vertrekpunt was. Hem erkende ik van een gravure: dit moest Joost of Justus van Scoonhoven zijn, een in Gouda geboren kartuizer monnik, die in Brabant door geuzen was opgehangen.

Van Scoonhoven behoorde dus niet tot de Martelaren van Gorcum. Dat betekende dat Schouten fout zat met zijn aanname. Ik had mij al afgevraagd waarom er maar acht priesters zouden zijn afgebeeld, terwijl er op het Martelveld in Brielle negentien Gorcumse martelaren sneuvelden? Wat bracht iemand uit Gouda er dan toe om deze acht overduidelijk door de marteldood gestorven priesters als groep af te beelden? De wapens waarmee ze vermoord waren droegen sommigen nog bij zich. Die wetenschap, tezamen met de scenes op de achtergrond en hetgeen Estius vermeldt in zijn bijlagen, leidden uiteindelijk tot de conclusie dat ‘Gouda’ hetgeen was, dat deze mannen verbond.

Achter de mannen is namelijk de kasteeltuin te zien, met op de achtergrond de toren van de kapel van het minderbroederklooster, dat vlak achter het kasteel lag. In de tuin maken soldaten jacht op twee mannen: dat moeten de twee bruingepijde collatiebroeders zijn, die links en rechts naast Scoonhoven staan. Links in een schip te zien dat is aangemeerd aan de vlakbij het kasteel gelegen kade van de Hollandse IJssel. Aan de ra of boegspriet is iemand opgehangen. Dit lot trof broeder Gaspar (Jasper Arnoldi), die achter een paard van Schoonhoven naar Gouda werd gesleept en inderdaad werd opgehangen op een schip in de IJssel. Hij staat waarchijnlijk tweede van links. De twee paters naast hem zijn de uit Gouda afkomstige broeders Jacob Willemsz Cruik en Cornelis Reyerszoon uit het klooster De Hem in Schoonhoven, die in deze plaatst voor het stadhuis werden gedood. Resteren de twee paters rechts. De priester met een dolk in de borst, is broeder Dierck Gerritsz, in Gouda geboren, die door de geuzen werd doodgestoken. Helemaal rechts staat overduidelijk een franciscaan, Willem van der Gouw. Deze Gouwenaars werd in Geertruidenberg door geuzen vermoord.

Het lijkt er sterk op dat de schilder de bijlages in het boek van Estius heeft gebruikt als inspiratiebron om deze Goudse martelaren voor het geloof te verenigen onder een wolkenhemel met engelen die de martelaarskronen aanreiken. En dat alles begeleidt door een engel met onmiskenbaar het Goudse stadswapen.

Volgens Schouten is het schilderij zonder twijfel van Jan Ariensz Duyff. Argumenten daarvoor geeft hij niet. Aanvankelijk was ik geneigd hem niettemin daarin te volgen, totdat stadsgids Bas Weenink mij wees op een passage in het notabene door mijzelf (mede) uitgegeven boek van Ignatius Walvis over Goudse en andre katholijke kerk-zaaken. Onder het jaar 1631 maakt deze Goudse stadsgeschiedschrijver en pastoor van de (oud-)katholieke kerk aan de Hoge Gouwe melding van het overlijden van de laatste pater van het Regulierenklooster aan de Raam, Cornelis Adriaensz Diephorst. Na hem te hebben geprezen voor zijn verdiensten bij het voortzetten van de rooms-katholieke zielzorg na de reformatie, meldt Walvis dat deze pater: ‘vereerde de pastorij d’afbeeldzels der Goudsche martelaren in eene schilderij tezaamen’.

Het kan niet anders dan dat Walvis hiermee doelt op bovengenoemd schilderij. Dat betekent in elk geval dat Duyff niet de schilder kan zijn, en dat de opdrachtgever – pater Diephorst – tijdgenoot en wellicht min of meer ooggetuige was van de martelpraktijken in 1572-1573. Net als zijn prior, de dagboekschrijvende Wouter Jacobsz, vluchtte hij naar Amsterdam, om later terug te keren naar Gouda. Daar droeg hij zorg voor de zielzorg, maar ook voor de kloosterboeken, het medaillon van Erasmus en – zo blijkt uit Walvis’ woorden – ook voor het martelarenschilderij. Boeken en medaillon kregen een plek in de nieuw opgerichte Goudsche Librije, het schilderij schonk Diephorst aan de katholieke statie van Petrus Purmerent, voorganger van Walvis. Op enig moment moet het schoilderij zijn verkocht.

Zo’n door en door Gouds schilderij zou hoe dan ook teruggehaald moeten worden naar Gouda en een plek moeten krijgen in Museum Gouda. Maar waar te zoeken als je slechts de vage aanduiding ‘Frans particulier bezit hebt en een slechte krantenfoto. Kenny Louwen, corrector van de Tidinge. Tijdschrift van Historische Vereniging Die Goude, slaagde er met Google Images in een nieuw spoor te vinden van het schilderij én een kleurenfoto. Het werk blijkt in 2013 bij Christie’s geveild te zijn en te zijn verkocht voor 6200 pond. Het gerenommeerde veilinghuis schreef het schilderij daarbij overigens toe aan de Antwerps-Amsterdamse schilder Adriaen van Nieuwland en werd omschreven als “Thomas Becket omringd door monniken en putti”. Geen wonder dus dat niemand in Gouda tien jaar geleden ontdekte dat een voor de geschiedenis van de stad zo belangrijk werk op de veiling werd aangeboden. Wie het heeft gekocht is helaas onbekend. Christie’s wil om privicyredenen niet meedelen wie het gekocht heeft, ook niet op aandringen van Museum Gouda. De zoektocht gaat echter door.

Ook Gouda profiteerde van slavernij

Na vele andere steden heeft ook Gouda op aandrang van de gemeenteraad historisch onderzoek laten doen naar sporen van slavernij in het verleden van de stad. De uitkomsten waren niet verrassend. Het aandeel van de stad in deze mensonterende praktijken was beperkt. Gouda had geen eigen kamers van de VOC of WIC en heeft ook weinig sporen die herinneren aan deze mensenhandel. Door het onderwerp te verbreden naar ook het koloniaal verleden slaagden de auteurs, onder leiding van Roxana Chandali er toch in enkele bijzondere connecties tussen de stad en de wingewesten in Oost en West bloot te leggen.

Typisch-Goudse producten bereikten ook de overzeese gebieden. Kaas werd meegenomen door de opvarenden van de schepen omdat het lang houdbaar was en zo gedurende de hele overtocht gegeten kon worden. De Goudse pijpenindustrie, die in de 18de eeuw de dominante nering was in de stad, profiteerde ook volop omdat de pijpen niet alleen door de zeelieden meegenomen werden voor eigen genot, maar ook als ruilmiddel diende in de koloniën. Tot slot waren er nog de IJsselsteentjes, die als ideale ballast in de lege schepen werden geladen op de heenreis en ter plekke ook gebruikt werden.

Veel Goudse regenten bezaten aandelen in de VOC en WIC en de stad had ook altijd een commissaris in deze kamers. Enkele plantage-eigenaren, waar slaven het werk deden, vestigden zich naar terugkeer in Gouda. Interessant is de familie Vereul, waarvan de zoons in Paramaribo waren geboren en in Gouda de Latijnse school bezochten. Een van hen, Abraham, was ook actief in de heropgerichte rederijkerskamer De Goudsbloem en schreef onder meer een lofdicht op Gouda. Na hun studie trokken zij naar Leiden om te studeren, om niet meer terug te keren naar de stad.

Geluiden van afkeuring van de slavernij waren zeer sporadisch ook in Gouda te horen. Bijzonder vroeg was de veroordeling ervan door een vrouw: de veelschrijvende predikantsweduwe en kostschoolhoudster Anna Barbara van Meerten- Schilperoort. Al in 1819, ruim voor de discussie op gang kwam over afschaffing, schreef zij over “deze verfoeijelijke handel”. Haar huisvriend, de remonstrantse predikant Jan Herman de Ridder, wierp zich kort na haar overlijden en zijn vertrek uit Gouda op als een fel pleitbezorger van de afschaffing van de slavernij, al vond hij wel dat de slaven voorafgaand daaraan wel bekeerd moesten worden tot het christendom.