Westerhovius als steunpilaar voor een onzekere leerling

Eerder schreef ik al over een in Gouda gedrukt boek van de Leidse hoogleraar theologie, Jacob Arminius, dat zichtbaar was op een zeventiende eeuws schilderij. Onlangs kreeg ik een vraag over een ander schilderij waarop een Gouds boek te zien is. Het betreft een achttiende-eeuws portret van de 13-jarige Nicolaas Arnoldi Knock, in 1772 geschilderd door de Duitse kunstschilder Friedrich Ludwig Hauck (1718-1801). Als zoon van een predikant, zou Knock zich ontwikkelen tot een invloedrijk jurist en bestuurder. Hij werd lid van de Staten van Friesland en werd grietman van Stellingwerf-Oosteynde. Daarnaast was hij een verdienstelijk organist.

Op het schilderij is een nog verlegen jongeman te zien, die voor zijn pose steun zoekt op een dik boek. Hij was op dat moment leerling op de Latijnse School van Leeuwarden. Het werk waarop hij leunt was in die tijd zeer populair op dit type scholen. De titel is te lezen. Het gaat om de comedies van de Romeinse schrijver Terentius. Ook de naam van de bewerker van deze teksten is gedeeltelijk te lezen: “esterhovi”. Duidelijk is dat het hier

gaat om de rector van de Latijnse School in Gouda, Arnoldus Henricus Westerhovius. Die schreef talrijke boeken, waaronder ook diverse werken die bestemd waren voor het onderwijs op deze scholen.

Maar om welke editie van Westerhovius’ Terentius-bewerking zou het hier gaan, zo vroeg de vrager zich af. De editie die verscheen in 1726 onder de titel P. Terentii Afri Comoediae sex, bij de Haagse drukker Petrus Gosse, zal het niet geweest zijn. Deze uitgave bestond uit twee delen, waarmee de kans klein lijkt dat dit de editie was, waarop de jonge man zijn arm heeft gelegd. De volgende uitgave van dit werk uit 1732 verscheen echter wel in één band, ook in Den Haag, maar dan bij Isaak van der Kloot. Dat zal dan ook het boek zijn dat is afgebeeld op het schilderij.

Vergelijking van mijn eigen exemplaar met het geschilderde boek laat goed zien dat dezelfde boeken uit die tijd een heel verschillend uiterlijk konden hebben. Feitelijk kocht de koper een bundel bedrukt papier, dat hij vervolgens bij een boekbinder moest laten inbinden en voorzien van een passende band. Waar bij mijn exemplaar is gekozen voor een perkamenten band zonder versieringen, waarop in nette letters met de hand de titel en de auteursnaam zijn geschreven, is bij het boek van Knock een bruine leren band met goudversieringen te zien en een rood titelschildje, waarop in gouden letters de inhoud van het boek wordt aangegeven.

Het zou heel goed kunnen zijn dat het bij het geschilderde boek gaat om een zogeheten prijsband. Dat waren boeken die de beste leerlingen aan het eind van het jaar uitgereikt kregen. Zo’n prijsband betrof altijd een Latijns- of

Griekstalig boek, ingebonden in een fraaie band, met op het voorplat het symbool of ‘logo’ van de betreffende Latijnse school. De Latijnse school van Leeuwarden gebruikte daarvoor een gekroonde leeuw in goud op donkerrood. Het is niet goed te zien, maar met een scherpe blik lijkt dit wapen ook te zien te zijn op het geschilderde boek. In de prijsband zelf werd op het schutblad dan ook nog een ‘diploma’ geplakt, met vermelding van de naam van de leerling en de reden van uitgifte, ondertekend door de rector van de school.

De ouders van deze dertienjarige jongeman hebben dit bijzondere moment blijkbaar willen laten vereeuwigen door een talentvolle ‘society’-schilder. Het is het moment dat de jongeman weldra het ouderlijk huis zou gaan verlaten om in Groningen rechten te gaan studeren. Zijn liefde voor het orgelspel was toen waarschijnlijk al ontwaakt, want ook daarin bleef hij zich ontwikkelen. Naast Westerhovius bracht hem dat op een andere manier ook in verbinding met Gouda. In 1788 publiceerde hij in Groningen Dispositiën der merkwaardigste kerk-orgelen, welken in de provincie Friesland, Groningen en elders aangetroffen worden, dat beschouwt wordt als een belangrijke aanvulling op de geschriften van de Goudse organist Joachim Hess, die in 1772 en 1772 vele orgels in de Nederlanden beschreef.

Goudse art deco: een vaas van Chris van der Hoef

Gouda is bekend om veel producten waarmee de naam van de stad is verbonden. Er is waarschijnlijk geen stad in Nederland met zo’n sterke ‘productidentificatie’. Wie Gouda zegt hoort overal ter wereld als een echo ‘kaas’ terug. Maar er zijn meer typisch Goudse producten. In de middeleeuwen was Goudse kuitbier tot ver in Vlaanderen een begrip. Er was in de 17de en 18de eeuw waarschijnlijk niemand in Nederland die niet bekend was met Goudse pijpen. In de 20ste eeuw bezorgden de stroopwafels of siroopwafelen de stad wereldfaam. En vanaf eind 19de eeuw tot circa 1980 was er het Gouds plateel, sieraardewerk dat een belangrijk product werd om nieuwe vormen, kleuren en kunststijlen op toe te passen.

PZH of Plazuid-fabriek aan de Raam

De bloeitijd van het Gouda plateel lag in de eerste drie decennia van de 20ste eeuw. In een toenemend aantal plateelbakkerijen werden in Gouda op grote schaal vazen geproduceerd, maar ook potjes, serviezen en ander sierlijk aardewerk. Een groot aantal kunstenaars trad als ontwerper in dienst bij plateelbakkerijen. Het schilderen zelf werd meestal door Gouwenaars gedaan, overwegend vrouwen. Veruit de grootste werkgever op dit gebied zou de – vanaf 1930 Koninklijke – Plateelfabriek ‘Zuid-Holland’ (PZH, in de volksmond Plazuid) worden, opgericht in 1898 door Adrianus Jonker en Egbert Estié. Als beeldmerk op hun plateel kozen zij een gestileerde weergave van het Lazeruspoortje in Gouda, dat ooit voor het leprozenhuis stond en tegenwoordig achter de Sint-Janskerk. Het bedrijf profileerde zich aanvankelijk vooral met jugendstil-keramiek.

De Wereldtentoonstelling van 1915 in Sint-Francisco was voor het modern plateel een doorbraak. PZH was hier samen met vier andere plateelbakkerijen vertegenwoordigd. Het aardewerk werd hier geprezen als modern alternatief voor het aloude Delfts blauw Delftware. De kleurstelling van de vazen en andere voorwerpen was dan ook revolutionair anders, waarbij Gouda zich vooral profileerde met groentinten. Maar er werd ook aardewerk in andere kleuren geproduceerd.

Van de ontwerpers die PHZ in dienst nam, was Henri Breetvelt ongetwijfeld de meest bekende. Hij signeerde zijn werk met ‘decor Breetvelt’ en wordt wel aangeduid als ‘de koning der plateelschilders’. Een andere succesvolle ontwerper was C.J. (Chris) van der Hoef (1875-1933). Deze geschoolde beeldhouwer kwam in aanraking met het plateel via zijn leermeester Lambertus Zijl, die als beeldhouwer artistiek leider werd van de de kunstkeramiekfabriek Amstelhoek. Ook Van der Hoef ging in 1895 voor dit bedrijf werken. In 1904 maakte hij de overstap naar de PZH in Gouda.

Van der Hoef ontwikkelde een voorkeur voor serviezen, die hij voorzag van blokjesmotieven. Maar hij ontwierp ook andere voorwerpen met een verrassende vormgeving en motieven. Die versieringen hadden bij hem vaak kenmerken van jugendstil en art deco en werden niet zelden ‘ingelegd’. Een bijzonder exemplaar van zijn werk werd onlangs verkocht in de plateelwinkel van de helaas enkele jaren geleden overleden Nico van Eijk. De winkel houdt op te bestaan en zijn collectie is door zijn drie dochters in de uitverkoop gedaan. Daarmee verdwijnt na ruim een eeuw de laatste keramiekwinkel uit de stad waar het Gouds plateel ooit door duizenden handen geproduceerd werd. Keerzijde van deze betreurenswaardige ontwikkeling is wel, dat er nu een unieke kans was om topkeramiek tegen een betaalbare prijs te bemachtigen.

Ons object van Van der Hoef is een zogeheten ‘rozensteker’. Dat wil zeggen dat op de vaas een keramieken schijf ligt, waarin gaten zijn aangebracht om bloemen in te steken. Dit exemplaar is niet gesigneerd, maar heeft uiteraard wel het beeldmerk van het Lazaruspoortje en een met de hand geschilderde tekst ‘Zuid-Holland’. Uit een ondertekening van een ander werk met eenzelfde motief kan worden opgemaakt dat deze vaas een ontwerp is van Van der Hoef.

Opvallend is de kleur van de vaas. Waar Gouds plateel overwegend donker groen is, heeft nu alleen de voet deze voor Gouda kenmerkende kleur. De vaas zelf is wit, met daarop ingelegd het art deco-motief in verschillende tinten blauw en zwart. Vorm en stijl doen vermoeden dat de vaas in de jaren twintig moet zijn ontworpen en gemaakt. Opvallend zijn verder de oren, die in contrast met de strakke vaaslijnen, ribbelig en gedraaid zijn. Zoals bij aardewerk van meer dan een eeuw oud gebruikelijk is, zit er het nodige craquelé in het glazuur.

Gouds plateel is gemaakt als sieraardewerk, dus niet om daadwerkelijk te gebruiken. Toch leent deze vaas van Van der Hoef zich bij uitstek voor gebruik, door de mogelijkheid om er bloemen in te steken. Dat zullen wij dan ook zeker doen, met enige voorzichtigheid.

Bommen Berend in Ootmarsum

In dit kalenderjaar worden er talrijke historische gebeurtenissen herdacht. Zo viert Gouda niet alleen dat de stad 750 jaar geleden stadsrechten kreeg van graaf Floris V, maar ook dat Dirck Volckertszoon Coornhert 500 jaar geleden geboren werd. Maar het is ook 450 jaar geleden dat de geuzen in Den Briel landden en de eerste vrije Statenvergadering gehouden kon worden. Een eeuw later was Nederland een Republiek en werd zij aangevallen door de legers van Frankrijk, Engeland en de bisschoppen van Keulen en Munster. Dit zogeheten Rampjaar wordt 350 jaar na dato ook herdacht met een keur aan activiteiten. In Oost-Nederland wordt daarbij het vizier gericht op Bernard van Galen, alias Bommen Berend of Berendken den Koodeef, die als bisschop van Munster de kans greep zijn gebied uit te breiden en het katholieke geloof te verspreiden.

Bommen Berend

Met steun van de provincie Overijssel is door Martin Van der Linden, provinciaal historicus en Rampjaarexpert Luc Panhuysen een podcast gemaakt over Bommen Berend in Overijssel. Zijn zijn daarvoor heel de provincie doorgetrokken om op locatie te praten met historici en andere experts die diverse aspecten van deze Munsterse invasie belichten. Zij kwamen er achter dat het perspectief over deze twee ‘bezettingsjaren’ zeer verschillend was en sterk verschilde naar gelang de onder de voet gelopen steden en dorpen dichter of verder van de landsgrens lagen en of iemand katholiek of gereformeerd was in die dagen.

Voor het katholieke perspectief kan geput worden uit een unieke bron, die zich in het gereformeerde kerkenraadsarchief van Ootmarsum bevindt. Het betreft de dagboekaantekeningen die de Ootmarsumse dominee Abraham van Laer in de jaren 1672-1674 heeft gemaakt in het kerkenraadsboek. Minutieus doet hij daarin verslag van wat er in het kleine Twentse stadje gebeurde vanaf het moment dat het leger van de bisschop binnen marcheerde. Hoe de grote kerk bijna juichend werd ‘teruggepakt’ door de katholieken, die vervolgens ook uitbundig opstapten in processies. De dominee raakte zijn pastorie kwijt aan de pastoors en gereformeerden moesten zich behelpen met een kleine kapel in Huis Ootmarsum. Wat dat voor zo’n kleine gemeenschap betekende, heb ik mogen vertellen in genoemde podcast.

In het kleine half uur dat beschikbaar is voor zo’n aflevering kunnen onmogelijk alle details gemeld worden. Al pratend kwamen we er op die dag achter waarom de dominee en zijn kleine gemeente grote kosten hadden moeten maken om de ramen van hun kerkzaal in huis Ootmarsum dicht te timmeren. Ook op dit punt blijken de gereformeerden een koekje van eigen deeg gehad te hebben van de katholieken. Die mochten na de doorvoering van de Reformatie immers geen openbare godsdienstoefeningen meer houden. Schuilkerken werden echter oogluikend toegestaan, mits er recognitiegeld – een duur woord voor steekpenningen – aan de schout betaald werd en met de eis dat de kerkdiensten niet vanaf de straat te zien of te horen waren. Datzelfde lot trof nu ook de gereformeerden.

Vlnr. Paul Abels, Luc Panhuysen en Martin van der Linde

Het verhaal van Bommen Berend is in de geschiedschrijving altijd verteld vanuit gereformeerd en vooral Gronings perspectief. Een rovende en plunderende buitenlandse mogendheid was met heldenmoed na twee jaar verdreven. Maar het verhaal kent nadrukkelijk ook een katholiek en Twents perspectief. Daar hebben ze twee jaar de vrijheid teruggekregen, waarop ze daarna nog ruim honderd jaar hebben moeten wachten voordat recht gedaan werd aan de getalsverhoudingen en de grote kerk opnieuw in hun handen kwam.

Waarschuwing aan degenen die mijn boeken lenen

Theeservies Goudser dan Gouds

In 1952 vond een ingrijpende restauratie plaats van het beroemde Middeleeuwse Goudse stadhuis op de Markt. Door jarenlange verwaarlozing zag het monument er van buiten uit als een leegstaand pakhuis. Burgemeester James trok met een verrot stuk balk naar Den Haag en wist flinke financiële steun los te peuteren voor een grootscheepse opknapbeurt. Niet alleen werden versleten onderdelen vervangen, er werd ook het nodige toegevoegd en ‘teruggerestaureerd’. Er kwamen rood-witte luiken aan het gebouw, de beelden in de nissen aan de voorzijde werden vervangen door beelden van Hollandse graven en met tal van andere kleine ingrepen kreeg het stadhuis het uiterlijk zoals wij dat vandaag de dag nog kennen. Niet iedereen was gelukkig met alle aanpassingen – sommigen vonden het een te Efteling-achtig paleis geworden – maar toen alle werkzaamheden afgerond waren kwam koningin Juliana het onderkomen van het stadsbestuur plechtig openen en vierde Gouda feest.

Ter gelegenheid van dit feest werd er door Oudheidkundige Vereniging Die Goude een speciaal boek samengesteld, met de titel en het stadhuis in goud afgedrukt op de voorzijde:Het stadhuis van Gouda. Hierin worden de geschiedenis van het gebouw en alle details van de herstelwerkzaamheden uitvoerig beschreven. Een klein deel van de oplage (50) werd genummerd en verscheen in fraaie linnen band met goudopdruk en ingeplakte zwartwit-foto’s. Jaren geleden vond ik op de Zwolse boekenmarkt zo’n exemplaar met het nummer 2. Het eerste exemplaar ging naar koningin Juliana en dit exemplaar had – blijkens het ex libris – toebehoord aan burgemeester K.F.O. James.

Ex libris van de Goudse burgemeester K.F.O. James en zijn echtgenote M. James-de Hoop, met hun lijfspreuk Age quod ages (doe je werk goed)

In het boek worden ook de geschenken vermeld die de stad Gouda ontving ter gelegenheid van deze heugelijke gebeurtenis. Zo schonk de Goudsche Verzekering Mij N.V. drie koperen kaarsenkronen voor de Trouwzaal en de Burgemeesterskamer, de heer en mevrouw Helbers schonken een zeventiende-eeuws portret van prins Maurits, geschilderd door Wijbrand de Geest (waar is dat gebleven?) en de bewoners van de Van Itersonlaan een door P. Buijs uit palmhout gesneden voorzittershamer. Ook de N.V. Koninklijke Plateelbakkerij “Zuid-Holland” liet zich niet onbetuigd. Zij schonk de stad “een zeer uitgebreid porseleinen thee-, koffie- en eetservies voor het stadhuis”.

Hoe fraai dit servies was, heb ik vanmorgen – dankzij de oplettendheid van mijn lief – mogen ontdekken op de rommelmarkt, die elk jaar op Tweede Pinksterdag wordt gehouden in Gouda’s enige tuindorp, de Jozefbuurt. Daar werden twaalf theekopjes met bijbehorende schotels aangeboden, die – zo bleek later, dankzij een tip van een van mijn Twittervolgers, Sjaak Ouweneel – onderdeel hebben uitgemaakt van het in 1952 geschonken servies. De kopjes zijn grijsgroen, zogeheten Schoorels oud-grijs, met gouden biezen. Op de kopjes is ook in goud het stadswapen van Gouda, met de bekende zes sterren, weergegeven, met eronder de wapenspreuk van de stad: per aspera ad astra (door de doornen naar de sterren). Aan de onderzijde van kop én schotel staat de maker vermeld: N.V. Koninklijke Plateelbakkerij Zuid-Holland Gouda, Plazuid, alsmede het bekende logo van het Lazaruspoortje. Goudser dan dit kan niet.

Delen van het servies in de vitrine van het Huis van de Stad. Foto: Rogier Tetteroo

Blijkbaar heeft de gemeente het servies niet intensief gebruikt. De theekopjes zijn in elk geval op een paar chipjes na puntgaaf. Op enig moment moet zijn besloten deze porseleinen schat af te stoten, waarschijnlijk omdat het niet meer paste in de smaak van de tijd. Een deel zou naar het museum zijn gegaan volgens een van mijn volgers, Nel, toen nog Het Catharinagasthuis geheten. Marcel van Dasselaar meldt dat in de catalogus inderdaad melding wordt gemaakt van een theepot uit dit servies. blik in het magazijn bevestigt dit. Het lijkt een wat willekeurig bij elkaar geraapte selectie uit het servies te zijn gemaakt, met slechts enkele thee- en koffiekopjes, een (beschadigde) theepot en dekschalen

Gedeelte van het servies in Museum Gouda
Dekschaal in Museum Gouda

Wethouder Rogier Tetteroo laat via Twitter weten dat een klein deel van het servies thans ook te vinden is in het Huis van de Stad. Een groot deel van het geschenk van Plazuid is echter op een veiling beland, waar de verkoper van wie ik de kopjes vanmorgen kocht, ze heeft kunnen kopen.

Wie in de toekomst bij mij thee of koffie komt drinken krijgt deze warme dranken dus geserveerd in Goudse kopjes, in een kleur die volkomen past bij de kleur van de boekenkasten in mijn bibliotheek.

Proosten met Goudse Glazen

In vroeger eeuwen was het in hogere kringen een goede gewoonte te proosten op geboortes, huwelijken, beëdigingen of andere feestelijke momenten in het leven. Ook hoog bezoek of herdenkingen waren goede aanleidingen om het glas te heffen. En niet zomaar een glas. Voor verschillende gelegenheden werd een fraai kristallen glas aangeschaft, dat was gegraveerd met toepasselijke afbeeldingen en teksten. Bekend zijn de zogeheten Hansjes in de Kelder, glazen waarmee op bijzondere wijze een zwangerschap werd aangekondigd. Ook voor veel huwelijken of vriendschappen werden speciale glazen gemaakt.

Een bijzondere categorie glazen was in gebruik bij schutterijen en stadsbesturen. Kenmerkend waarvoor zijn de stadswapens, die hierop groot werden afgebeeld als weerspiegeling van de stedelijke trots. Er werd stevig uit gedronken, want bekend is dat in deze kring graag werd geklonken op bezoekers, aanstellingen en successen. Ook in Gouda werd dit veelvuldig gedaan. Glazen zijn breekbaar en waar gedronken wordt vallen spaanders of scherven. Daarom is het niet vreemd dat dergelijke glazen zeldzaam zijn. Als ze bewaard zijn, dan bevinden zij zich in musea zoals Museum Gouda, waar nog enkele fraaie exemplaren van dergelijke Goudse Glazen – niet te verwarren met de beroemde ramen in de Sint-Janskerk – te bewonderen zijn. Ze staan uitgestald in de fraaie hoekkast van de Goudse schutterij, die voorheen in de Doelen stond.

Onlangs dook in Amsterdam zo’n fraai Gouds Glas op, dat inmiddels zijn weg terug heeft gevonden naar Gouda. Het betreft een wijnglas van 18,7 cm hoog, met een conische (geleidelijk in omvang toenemende), aan de onderzijde afgeronde kelk van 7.1 cm. De voet meet 7,8 cm. De stam bestaat uit een recht gedeelte met een hoekige knoop boven een omgedraaide, langgerekte baluster en een basisknoopje. Het glas heeft twee rijen ingestoken luchtbellen in het brede gedeelte van de omgedraaide balustervorm. De voet is licht conisch.

Op de kelk is een fijne radgravure aangebracht van het gekroonde wapen van Gouda, met de bekende zes sterren, in een rococo cartouche binnen een doornenkrans. Twee omkijkende leeuwen houden het wapen vast. Zij staan op rococoversieringen boven een banderol met de wapenspreuk Per Aspera / Ad Astra (door de doornen naar de sterren). De inscriptie is gepolijst op een matte achtergrond waardoor de letters donker lijken. De tekst wordt onderbroken door een rococoversiering met blaadjes. Onder de banderol is ook een rococoversiering aangebracht. De gravure wordt opgeluisterd door vele gepolijste details.

Zoals bij veel van dergelijke glazen, is ook in dit geval de naam of werkplaats van de graveur niet bekend. Eigenlijk is het vreemd dat de maker van bijvoorbeeld eenvoudig gebruiksaardewerk als Goudse pijpen, of het sierlijke plateel of zilverwerk wel makkelijk is te achterhalen, maar de maker van zo’n kostbaar glas niet. We kunnen slechts vaststellen dat het gemaakt is van loodglas en op basis van stijlkenmerken inschatten dat het ergens in het derde kwart van de achttiende eeuw moet zijn vervaardigd.

Ons Goudse Glas is dus vervaardigd in de tijd van de patriotten, waarin – ook de Goudse – regenten niet alleen graag marcheerden, maar ook drinkgelagen hielden. Afhankelijk van de partijkeuze (patriot of orangistisch) werden de glazen toen versierd met bij deze partijen behoren symbolen en figuren. Dit glas is in alle opzichten neutraal, behalve dat de gebruiker zijn trots op zijn stad laat zien. Wellicht valt daarmee te concluderen dat het voor officieel gebruik op het stadhuis of in de Doelen is gemaakt en gebruikt.

Stedenmaagd als Vrouwe Fortuna. Of andersom

Mijn favoriete Goudse boekdrukker uit de vroegmoderne tijd is Jasper Tournay. Natuurlijk omdat hij een keur aan dwarsdenkers een podium gaf om hun ideeën te verspreiden, onder wie grootheden als Sebastiaan Castellio, David Jorid en – bovenal – Dirck Volckertsz Coornhert, maar ook om zijn moed en doorzettingsvermogen. Het drukken van heterodox werk was zeker niet zonder risico, want vervolging, boetes en erger lagen altijd op de loer. Het was ook niet altijd lucratief. De markt was doorgaans klein en schichtig. Niet eenvoudig dus om er je brood mee te verdienen. Tournay, een Zuid-Nederlandse vluchteling die uit vrees voor de Spaanse legers noordwaarts was gevlucht, ondervond dat diverse keren in zijn leven. Hij moest meemaken dat zijn bedrijf failliet ging, maar slaagde erin om na jaren in loondienst te hebben gewerkt, een herstart te maken als zelfstandig drukker. Het drukkersmerk dat hij vanaf dat moment ging gebruiken is even fraai als veelzeggend.

Tournay voerde Vrouwe Fortuna ten tonele, balancerend op een gevleugelde bol, Occacio (Kans). Zij heeft de wind in de zeilen, met achter haar de zee. Hij besefte maar al te goed dat het twee kanten op kon, want op de zee is rechts de opgaande zon te zien, maar links een ondergaand schip. Het randschrift van de Goudse drukker spreekt boekdelen: Spero Fortunae regressum; ik hoop dat het geluk terugkeert. Dat deed het, want in het vrijzinnige Gouda kon hij jarenlang drukken wat hij wilde, omdat het stadsbestuur hem daarvoor alle ruimte liet. Aan die voor hem ideale situatie kwam in 1618 abrupt een einde, toen prins Maurits onder dreiging van geweld een einde maakte aan deze ‘Goudse Vrijheid’. Tournay ging niet bij de pakken (papier) neerzitten, maar hield zijn persen in beweging. Nog zeventien jaar zou hij vooral ‘veilige’ boeken drukken, onomstreden werken die geen risico op vervolging met zich meebrachten.

Het beeldmerk van Tournay drong zich onmiddellijk aan mijn vrouw en mij op, toen wij in Galerie Honingen in Gouda een bronzen kunstwerk zagen van Hieke Meppelink. Deze kunstenares, die overigens ook deel uitmaakt van Camerata Trajectina, het fameuze Utrechtse muziekgezelschap voor oude muziek, heeft dit beeld ‘Berschermvrouwe’ genoemd. Over de vervaardiging schreef zij een blog, waaruit blijkt dat zij de allegorische figuur van de stedenmaagd voor ogen had bij het maken. Inspiratie daarvoor vond ze zelfs in Gouda, waar zo’n beschermvrouwe over de stad waakt in een raam van het middeleeuwse stadhuis. De gelijkenis met het drukkersmerk van Tournay is echter verbluffend. Waar Vrouwe Fortuna in het drukkersmerk balanceert op het water, doet deze Beschermvrouwe hetzelfde op een zee van daken. In haar hand een gouden huis. Daar was ook Tournay naar op zoek en dat vond hij in Gouda. Onze drie dochters, de fundamenten onder ons eigen gouden huis in Gouda, schonken ons dit beeld ter gelegenheid van ons veertigjarig huwelijk, in de hoop dat het geluk ons – ook uitkijkend over een zee van daken – als voorheen blijft toelachen.

Inventaris ontdekt van liturgische gewaden van de priesters in de Goudse Sint-Jan rond 1573

Het jaar 1573 was voor Gouda en bijzonder jaar. De immense Sint-Janskerk – met een lengte van 123 meter de grootste van Nederland – werd met de nodige voorzichtigheid ontdaan van alles wat aan de rooms-katholieke eredienst herinnerde. De katholieke Gouwenaars, die hier eeuwenlang hun geloof hadden beleden en de kerk steen voor steen hadden opgebouwd, uitgebreid en verfraaid, waren hun recht op het gebouw op slag kwijtgeraakt, toen een nieuwe bewind onder leiding van prins Willem van Oranje de macht greep. Dit nieuwe bewind bepaalde in april van dat jaar dat de openbare uitoefening van de katholieke religie bij wet werd verboden en dat een nieuwe leer, van calvinistisch-gereformeerde snit, voortaan het enige officieel toegestane en door de overheid bevoorrechte geloof zou zijn. Consequentie was dat de katholieken de Sint-Janskerk moesten ontruimen om plaats te maken voor de gereformeerden. Samen met het stadsbestuur – vertegenwoordigd door de kerkmeesters die beheerders waren van het gebouw – moesten zij ervoor zorgen dat de kerk ‘leeg’ werd opgeleverd.

Koorkap uit circa 1450, in het bezit van de oud-katholieke kerk aan de Hoge Gouwe, de ‘kleine sint-jan’, gewijd – net als de grote – aan Johannes de Doper.

Bijzonder voor de situatie in Gouda was, dat omzichtig en zorgvuldig te werk werd gegaan bij deze kerkwisseling. De Sint-Jan ging bijna een jaar lang op slot. De altaarstukken werden niet vernield of vernietigd, maar zorgvuldig gedemonteerd en overgebracht naar andere plekken. Soms werden ze opgeborgen; andere stukken kregen een nieuwe plek en betekenis. Zo kwam het schilderij van de gruwelijke marteldood van Jacobus de Meerdere – waarschijnlijk ter afschrikking – te hangen in de Schepenkamer op het stadhuis, de ruimte waar criminelen berecht werden. Beelden en andere kostbaarheden konden de priesters en gelovigen ook in veiligheid brengen, zoals het (naar later bleek) wonderdoend Mariabeeld, dat op een zolder van een huis in de Peperstraat belandde en midden zeventiende eeuw een plek zou krijgen in een kerk in Waddinxveen. Een uitzondering vormden de Miskelken en ander liturgisch goud en zilver. Dat werd al eerder op last van Oranje ingenomen en omgesmolten ter financiering van de strijd tegen Spanje.

Wat er precies gebeurde met een andere kerkelijke schat, namelijk de kostbare altaarkleden, paramenten, kazuifels en andere priesterkledij, was moeilijk na te gaan. Zeker was wel dat een deel ervan in bezit kwam van pastoor Petrus Purmerend, die rond 1615 aan de Hoge Gouwe enkele huizen liet aankopen en daar een schuilkerk inrichtte. Deze zogeheten ‘Kleine Sint-Jan’ kreeg een deel van deze textiele erfenis in haar bezit, zoals een fraai koorkap uit circa 1450, met een afbeelding van Jezus als tuinman die Maria Magdalena ontmoet (foto hierboven). Overigens waren veel van deze textielstukken – zo is uit onderzoek gebleken – niet afkomstig uit de Sint-Jan, maar uit enkele Goudse kloosters, die gelijktijdig met de overdracht van de Sint-Jan moesten sluiten en werden opgeheven, afgebroken en/of herbestemd.

Met betrekking tot de lotgevallen van het kerkelijke textiel uit de Sint-Jan deed ik vorige maand een interessante ontdekking. Het betreft een archiefstuk dat blijkbaar nog niet bekend was bij de historici die inmiddels bijna elke snipper papier hebben onderzocht die is overgebleven uit de tijd van de kerkwisseling. Dat het stuk tot op heden onopgemerkt is gebleven, is waarschijnlijk toe te schrijven aan de vreemde plek waar het ooit werd opgeborgen. Het document bleek te zitten in het archief van Hendrik van Wijn (1740-1831), bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag. Hij was de allereerste ‘Rijksarchivaris’ en voordien jarenlang pensionaris in Gouda (1779-1787). Wellicht is het stuk om een of andere reden in zijn persoonlijk archief beland. Blijkens een aantekening op de achterzijde zat het ooit “in de derde lade”, wat duidt op een archiefinstelling.

Het document bevat een opsomming van liturgisch textiel dat voor de reformatie werd gebruikt door priesters in de Goudse Sint-Janskerk. Aangezien het om een inventaris gaat van goederen die in één transactie werden overgedragen aan één persoon, namelijk Syvert Maertensz de snyer (kleermaker) is het aannemelijk dat het document uit 1573 of daaromtrent stamt, toen de hele kerk werd ontruimd. Genoemde kleermaker kan in de twee decennia daarvoor veel werk hebben gehad aan de vervaardiging of het herstel van deze gewaden, vanen en kleden uit de Sint-Jan, aangezien bij de grote kerkbrand van 1552 ook veel textiel verloren moet zijn gegaan of beschadigd geraakt.

Overigens blijkt uit het grafboek dat Syvert Maertensz werd begraven in de Sint-Jan de Nieuwe Zuidzijde. Een jaartal wordt helaas niet vermeld. Uit onderzoek dat emeritus hoogleraar Koen Goudriaan momenteel doet ten behoeve van Museum Gouda is inmiddels gebleken dat het niet vreemd is dat juist hij de liturgische kleden en gewaden in ontvangst nam, want deze kleermaker was de textielmeester van deze kerk en zorgde samen met zijn vrouw Aeltgen ook voor de reiniging ervan. Over Dirck Woutersz, die als ‘principael’ (volmachtgever) het stuk mede ondertekende, is verder (nog) niets bekend. Ook zijn rol in dit verband is onduidelijk.

De waarde van deze nu ontdekte lijst is, dat we hiermee ons beeld van de voorreformatorische Sint-Janskerk weer wat verder kunnen aankleden. Dat is juist nu waardevol, omdat door Museum Gouda in het kader van Gouda750 hard gewerkt wordt aan een grote tentoonstelling in het koor van deze kerk, waarbij getracht zal worden deze situatie te reconstrueren, met behulp van alle altaarstukken en andere voorwerpen die bewaard zijn gebleven. Dat beeld kan nu ook weer wat beter ingekleurd worden met behulp van deze nieuw ontdekte bron.

TRANSCRIPTIE

Stucken van ornamenten, toebehorende sint Jans parochiekerck, gelevert Syvert die snyer ende is voor diezelfde Syvert borch als principael geworden Dirck Wouterssz kouckvercooper, die mede dit onderteykent heeft

In den eersten die alderbeste cappelle van goude laken, waer off zyn drie vespercappen met haere capproenen, waer off die eene heeft acht ende dertich sylveren bellen, met drie knooppen, twee dienaersrocken, met een carsoffel, drie alven, drie amicten, twee stoolen, drie manipelen met drie stoxken met drie kindersrockxgens met amicten.

Item het beste daer aen een cappelle van blauw, met goude loveren, drie vespercappen, met een caproen, twee rocken ende een carsoffel, drie alven, twee amicten, twee stoolen, drie manipelen, drie stockryemen, met drie blauw kinderrockxgens.

Item noch een cappelle genaempt Engelsche cappen met goude aerenden, drie cappen met hair capproenen, twee rocken, met een carsoffel, drie alven, drie amicten, twee stolen, drie manipelen met drie stockselen.

Item een cappelle van root fluweel, drie capppen met hair capproene, sonder knoopen, twee rocken, een carsoffel, drie alven, drie amicten, twee stolen, drie manipelen ende drie scortselen.

Noch een oudt goude carsoffel, met een alff, amict, een stoel, een manipel ende een scortsel.

Item een taneyt fluweel, carsoffel, twee rocken, met drie alven, twee stoolen, drie amicten, drie manipelen voor tsacrament.

Noch een carsoffel van zwart fluweel, met twee rocken, drie alven, drie amicten, twee stolen, drie manipelen met drie scortselen

Item een antipendium van goudt laecken

Noch vier cleederen van root fluweel, met goude koorden.

Item drie kryssen, waervan die een geheel sylver  is.

Item twee syde witte vanen

Item een riddervaen van witte zyde mettet cruys.

Item twee vanen van tsacrament

Ende noch twee pellen.

Bij mij Zivert Maertensoen als ontfanger van desen vs. goeden [huismerk]

Bij mij Dirick Woutersoen als boerch van dese selfde goeden [huismerk]

Verklarende woordenlijst

Alve = albe (mv alba; wit onderkleed)

Amict = amict of humeraal (rechthoekig halsdoek met linten, voor onder de albe)

Antipendium = antipendium (voorhangsel voor de onderkant van een altaar)

Capelle = set lithurgische gewaden

Carsoffel = kazuifel (mouwloos opperkleed)

Dienaersrock = soutane (toga)

Kaproen = kaproen (schild van textiel)

Manipel = manipel (strookvormige doek over de linkerarm)

Pelle = pelle (doodskleed)

Stole = stola of stool (band over de schouders)

Vesperkap = vesperkap (koormantel)

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2021

Gouda staat aan de vooravond van een historisch jaar. In 2022 wordt herdacht dat de stad 750 jaar geleden stadsrechten kreeg. Ook wordt stilgestaan bij de 500ste geboortedag van Dirck Volckertszoon Coornhert, de in Gouda overleden vrijgeest die grote invloed had op het tolerantiedenken in deze stad. Maar nog steeds hangt corona als een donkere wolk boven alle plannen die met groot enthousiasme zijn ontwikkeld om in het komend jaar deze historische gebeurtenissen feestelijk te vieren. Zo goed en zo kwaad als het ging is dit jaar geprobeerd deze energie vast te houden en door te gaan met de plannenmakerij. Maar de eerste teleurstelling is alweer ingeboekt, nog voordat het feestjaar echt is begonnen. In december moest besloten worden de vierdelige Goudologie-II-leergang over Coornhert en de Goudse Vrijheid, die in januari-februari gehouden zou worden in Cinema Gouda met zeker 220 deelnemers, af te gelasten en door te schuiven naar medio 2022. Nog wel doorgang vond daarentegen een andere naar voren gehaalde festiviteit in het kader van Gouda750, namelijk de officiële aanbieding van de nieuwe stadsgeschiedenis in de Sint-Janskerk.

Omslag van de nieuwe stadsgeschiedenis, geschreven door zes Goudse historici (Marianne van der Veer-Wolff, Bianca van den Berg, Christiaan van der Spek, Henkjan Sprokholt, Ronald van der Wal en Paul Abels)

De opvolger van Duizend jaar Gouda draagt de niet erg originele titel Geschiedenis van Gouda, maar is zeker vernieuwend, niet in de laatste plaats door levensechte reconstructietekeningen van momenten uit de Goudse geschiedenis waarvan geen beeldmateriaal is overgeleverd. Deze (door Henkjan Sprokholt) historisch onderbouwde en dus tijdrovende tekeningen van de hand van Paul Becx zijn kostbaar, maar konden toch worden vervaardigd dankzij financiële steun van het Fonds Gouda750, dat royaal bijdraagt aan de realisatie van de vele activiteiten. Ook de gemeente Gouda draagt zijn financiële steentje bij, in het Fonds, maar ook door middel van een subsidieregeling, bestemd voor eigenaren van monumenten die hun gebouw nog voor het feestjaar een opknapbeurt willen geven. Overal in de stad zijn monumenten met behulp van deze middelen geschilderd, gerestaureerd of anderszins ‘opgepimpt’. Nog nooit heeft de binnenstad er zo fraai bij gelegen.

Dat geldt niet voor de ruïne van wat ooit de Turfmarktkerk was. Het slepende conflict tussen de gemeente Gouda en eigenaar Khalid Boutachekourt kwam in 2021 tot een eind. Nadat de rechtbank oordeelde dat de noodzaak van sloop onder bestuursdwang onvoldoende onderbouwd was en daarmee onrechtmatig, vonden beide partijen elkaar via mediation in een akkoord. De gemeente Gouda moet daarbij diep in de buidel tasten en bijna acht ton aan onkosten overmaken aan de eigenaar te betaling van de onkosten voor de sloop en daaraan gerelateerde activiteiten.

Links: luister en geef elk zijn deel. Rechts: gedicht van Pieter Stroop van Reenen over de Turfmarktkerktragedie

Als de nog lopende bezwaren tegen het aangepaste bestemmingsplan voor deze kwetsbare plek in de historische binnenstad binnenkort ook zijn afgehandeld, kan eindelijk begonnen worden met de ontwikkeling van bouwplannen. Een daarvan is het ‘sluiten van de plint’ met twee historiserend gebouwde woningen, zodat de andere nieuwbouw op het terrein aan het oog wordt onttrokken en zo het bijzondere karakter van Gouda’s mooiste straat, de Turfmarkt, niet wordt aangetast. Boutachekourt gaat daarbij niet over een nacht ijs, want hij is geregeld te vinden in het Streekarchief Midden-Holland om de ontstaansgeschiedenis van het gebied in kaart te brengen en mee te laten wegen in zijn plannen.

Op deze belangrijke historische plek stond tot eind zestiende eeuw een groot klooster; van de clarissen. Het zou mooi zijn als de huidige eigenaar zijn oorspronkelijke plan om een herinneringsplek daarvoor te realiseren,

niet is vergeten door al het gedoe. Een unieke bron uit dit klooster dook dit jaar overigens onverwacht op. Auteur dezes kwam een getijdenboek uit 1511 op het spoor, dat ooit in het bezit is geweest van de laatste abdis van dit Goudse clarissenklooster, Marighen Dirckx. Hij wist het te bemachtigen en naar Gouda terug te brengen en schreef er een artikel over in de Tidinge, het tijdschrift van de Historische Vereniging Die Goude. Daaruit blijkt dat Marighen Dirckx een belangrijke rol speelde in een tragisch mislukte poging de stad terug te brengen onder het gezag van de Spaanse koning.

Dat niet alle Gouwenaars enthousiast waren over het nieuwe geuzenbewind van Willem van Oranje blijkt niet alleen uit het verhaal van de Goudse claris. Toch gaat Gouda in het komend jaar met groot enthousiasme ook meedoen aan de viering van de eerste Vrije Statenvergadering in Dordrecht, 450 jaar geleden. Grote aanjager van dit project in Gouda is burgemeester Pieter Verhoeve, die als SGP’er en voorzitter van de Koninklijk Bond van Oranjeverenigingen zijn Oranjegezindheid niet onder stoelen of (kerk)banken steekt. Maar het moet gezegd worden dat hij deze partijdigheid goed weet te compenseren door even enthousiast te spreken over vrijdenkers als Erasmus en Coornhert.

Het Weeshuis van binnenuit.

Dit jaar werd ook het hotel in het Weeshuiscomplex geopend, evenals de woningen die er zijn gerealiseerd. De nieuwe eigenaren Sharon en Lennart van Gastel (ook de uitbaters van het museumcafe en de Lichtfabriek) hebben kosten noch moeite gespaard om het Weeshuis in zijn oude glorie te herstellen. Zelfs het fraaie schilderij van de regenten, vervaardigd door Jan Verzijl, laten zij (met financiële steun van de Museumvrienden) zorgvuldig restaureren. Alleen de kleine nieuwe dakkapellen die zijn aangebracht kunnen als minder geslaagd worden beschouwd. Ook de woningen die zijn ontwikkeld in hetzelfde complex (in het oude archiefgedeelte en voormalige Anne de Vriesschool) zijn inmiddels gereed en bewoond.

De oude bakkery, Lage Gouwe 30

Ook elders in de Goudse binnenstad zijn enkele verwaarloosde panden fraai hersteld. De kroon wordt wel gespannen door De Oude Bakkery aan de Lage Gouwe. De eigenaar restaureert het totaal vervallen pand op voorbeeldige en zeer zorgvuldige wijze. Andere restauratieparels zijn het winkelpand op de hoek Kleiweg-Turfmarkt (Rituals), waar boven de winkel enkele fraaie wooneenheden zijn gerealiseerd, en het pand aan de andere zijde (Blauwstraat-Kleiweg), waar na fraaie restauratie een bloemen- annex koffie-winkel in is gehuisvest. Tot slot onderging ook de kosterswoning bij de Sint-Jan een ingrijpende restauratie, inclusief de tuin met de motte. De vier panden aan de Turfmarkt-hoek Vrouwesteeg verdienen daarentegen wel een prijs voor de traagste restauratie ooit. Inmiddels wordt er al twaalf jaar door zaterdagsklussers aan gewerkt. Voor het eerst dit jaar toonde de buitenkant haar potentiële schoonheid in bijzonder zonlicht.

De vier leegstaande panden aan de Turfmarkt, bij de Vrouwebrug. Na twaalf jaar is de restauratie nog steeds niet voltooid. Foto Paul Abels

Veel personele wisselingen in de kringen van historische instellingen en verenigingen vielen er dit jaar te noteren. Die Goude-voorzitter Gerad van Ham trad af en werd opgevolgd door Ronald Verkuijl. Beiden zijn geen historicus, maar wel verknocht aan de binnenstad. Verrassend was het toch snelle vertrek van Marc de Beyer als directeur van Museum Gouda. Het komende jaar zou hij zijn meesterproef afleggen met de grote expositie van altaarstukken in de Sint-Janskerk, maar hij kon de lokroep van het eerbiedwaardige Teylersmuseum in Haarlem niet weerstaan en vertrok. Waarschijnlijk mede met het oog op het komende jubeljaar wist de Raad van Toezicht van het museum razendsnel een opvolger aan te trekken, in de persoon van Femke Haijtema (1977), voorheen werkzaam als directeur Tentoonstellingen en Publiekszaken bij het Fries Museum en Keramiekmuseum Princessehof.

De Sint-Jan in bijzonder zonlicht. Op de voorgrond de Turfmarkt. Foto: Linda Boutachekourt

Femke Haijtema en de medewerkers van Museum Gouda staan voor de zware klus om de Sint-Jan voor enige maanden om te toveren tot de kerk zoals zij was voor de doorvoering van de Reformatie. Voor dit project, dat wordt gerealiseerd in nauwe samenwerking van Stichting Sint-Jan, is een wetenschappelijke begeleidingscommissie ingesteld. Haar adviezen en minutieus historisch onderzoek van Koen Goudriaan (emeritus hoogleraar Middeleeuwen van de VU in Amsterdam en Goudakenner) moeten bijdragen aan en betrouwbare reconstructie. Tegelijkertijd worden in de Gasthuiskapel de cartons (ontwerptekeningen) van Goudse Glazen uit die tijd getoond. Als de voortekenen niet bedriegen, zal dit een tentoonstelling worden die tot over de landsgrenzen opzien zal baren.

Ook streek- (en stads)archivaris Sigfried Janzing vertrekt. Na twintig jaar leiding te hebben gegeven aan het archief heeft hij het stokje overgedragen aan Coretta Bakker-Wijbrans, die zelf ook al twee decennia bij dit archief werkzaam is. Geen echte vernieuwing dus. Hopelijk wordt er onder haar leiding nu echt vooruitgang geboekt in de verdere digitalisering van het archief, die tot op heden ver is achtergebleven bij wat andere archieven op dit vlak presteren. Ook de website heeft dringend vernieuwing nodig.

Ook in 2021 werd Gouda weer verrijkt met een aantal interessante nieuwe boeken over haar historie. Naast de al eerder genoemde nieuwe stadsgeschiedenis verscheen een opmerkelijk origineel fotoboek van Jeroen Bakker, waarin Gouda in 750 foto’s wordt belicht. Van een andere aard, want inhoudelijk zeer sterk waren ook drie detailstudies die het licht zagen. Erik Kooistra, bij velen bekend als begeleider van de Goudologiecursus, presenteerde een studie naar de bombardementen op Gouda in de Tweede Wereldoorlog. Goudoloog Remco van Gastel verraste met een gedegen studie van de biergeschiedenis van Gouda, de basis van de Goudse welvaart. Tot slot werd voor het eerst ook een boek gewijd aan waarschijnlijk Gouda’s grootste politicus-diplomaat aller tijden, Hieronymus van Beverningk, geschreven door Wout Troost.

Kooista
Troost

In 2021 werd ook weer op een aantal momenten pijnlijk duidelijk dat de klimaatverandering ook directe gevolgen heeft voor Gouda. Met name de frequenter voorkomende regenbuien leiden tot forse wateroverlast, niet in de laatste plaats omdat in de jaren vijftig en zestig een aantal belangrijke grachten zijn gedempt. Het water moet toch afgevoerd worden en zoekt dan op andere manieren een uitweg, met schade voor menig pand en straat in de oude binnenstad tot gevolg.

De Goudse Markt na hevige waterval in 2021. Foto Hans Tibben.

Een bijkomend probleem is de bodemdaling. Die vindt in heel Holland plaats, maar in Gouda – grotendeels gebouwd op inklinkende veengrond – in het bijzonder. Naar oplossingen voor dit probleem, dat ervoor zorgt dat heipalen bloot komen te liggen, gaan rotten en tot verzakking van woningen leidt, wordt intensief gezocht. Om die reden heeft Gouda sterk gestreefd naar een expertisecentrum bodemdaling, dat overigens gevestigd zal worden in de monumentale Gouwekerk. Een gewaagd experiment waarvoor in 2021 werd besloten is een afschotting van het water in de Turfmarkt en omgeving en een geleidelijke daling van het waterpeil in deze gracht. Dit alles ondanks sterke weerstand van een deel van de bewoners en van het Watergilde van Die Goude. Het is niet te hopen dat de Turfmarkt na het debacle rond de kerk straks ook een waterpeildebacle gaat meemaken.

Volkomen onverwacht was op 21 september van dit jaar het overlijden van oud-voorzitter van Die Goude en redacteur van de Tidinge, Adri van den Brink, op 68-jarige leftijd. Deze emiritus-hoogleraar Landschapsontwikkeling in Wageningen was de afgelopen jaren zeer actief met het bestuderen van de Goudse watergeschiedenis. De ‘biografie van de Gouwe’ zal door zijn ontijdig overlijden helaas het licht niet meer zien.

Adri van den Brink (1953-2021)

Op het vlak van de archeologie viel het afgelopen jaar met name een project op dat werd uitgevoerd op het Bolwerk, nabij de vroegere Potterspoort. Op de plek waar nu een zorgcomplex verrijst konden de archeologen in betrekkelijk korte tijd enkele bijzondere ‘tijdlagen’ blootleggen, waarbij zij ook diverse overblijfselen aantroffen van pottenbakkerijen. Daaruit blijkt dat de naamgeving van de poort inderdaad te maken had met het ambacht dat in de directe nabijheid werd beoefend. Een andere bijzonderheid was het naar boven halen van 750-jaar oude klei nabij het onderkomen van Golda Achter de Kerk, bedoeld om een kunstenares in staat te stellen een 750 jaar oud potje te bakken voor het komende feestjaar.

De oudst bekende stadszegel van Gouda, uit 1321

Uit die vroege ontstaanstijd van Gouda wist de in het uiterste puntje van Limburg woonachtige historicus Bart Ibelings ook een spectaculaire ontdekking naar boven te halen. De stadszegel uit 1321 die hij vond, was bijna zeventig jaar ouder dan de tot nu toe oudst bekende zegel. Bijzonder fraai op dit zegel zijn de golfjes in het midden, die de rivier de Gouwe verbeelden die de stad door midden deelt. Zo vlak voor de start van Gouda750 was dit een zeer bijzondere vondst, die ons helpt de schijnwerpers vanaf morgen vol te zetten op de rijke Goudse geschiedenis.

Zedenmeester kuist houtsneden in wiegendruk van Geraert Leeu (1487)

Onlangs had ik het voorrecht om bij een particuliere verzamelaar enkele prachtige oude boeken in te zien en door te bladeren. Absoluut hoogtepunt in deze collectie was een incunabel met prachtig met de hand ingekleurde houtsneden met scenes uit het leven van Jezus. Het betrof een editie van Ludolphus van Saxen’s werk Vita Christi, dat is Tboeck vanden leven ons heeren Jesu Christi, dat op 3 November 1487 bij Geraert Leeu werd voltooid. Deze Gouwenaar woonde en werkte op dat moment in Antwerpen, de hoofdstad van Noord-West-Europa van die tijd, waar hij drie jaar eerder vanuit Gouda naar toe was verhuisd om een grotere afzetmarkt te vinden.

Deze incunabel of wiegendruk van Geraert Leeu wordt beschouwd als een der meesterstukken van de Nederlandse typografie. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de ruim tweehond houtsneden die in de tekst zijn opgenomen, meestal ter grootte van een kleine ansichtkaart, maar ook diverse paginagrote prenten. Onderzoek heeft uitgewezen dat zij moeten zijn vervaardigd door drie verschillende graveurs: een houtsnijder uit respectievelijk Gouda, Haarlem en Antwerpen. Kenners beoordelen de Antwerpse meester daarbij als de beste en de Goudse als de meest ‘primitieve’.

Het exemplaar dat ik in handen mocht nemen is extra bijzonder, omdat alle afbeeldingen zijn ingekleurd. Overduidelijk blijkt daarbij dat er ook zeker drie verschillende inkleurders actief zijn geweest, met elk hun eigen accenten en kleurstellingen. Een opvallend detail daarbij is bijvoorbeeld dat slechts een van hen veelvuldig de kleur Oranje gebruikt en dat bij al zijn prenten ook het initiaal is ingekleurd. Dat doen de andere twee niet. Een ander detail betreft de vele tegelvloertjes die in de afbeelding voorkomen, waarbij de ene inkleurder deze een fraai verspringend kleurpatroon meegeeft, terwijl de ander kiest voor egale inkleuring.

Het werk is gebonden in een fraaie kalfsleren band. Helemaal ongeschonden is het niet door de eeuwen heen gekomen. De eerste en laatste bladen ontbreken, zodat het impressum met drukkersmerk van Geraert Leeu ook mist. Het boek heeft nieuwe schutbladen en sommige beschadigingen zijn tamelijk primitief gerestaureerd met papierstrookjes. Tegelijk is er nog een ouder schutblad, waarop een eigendomsinschrijving uit de zeventiende eeuw staat. Het boek was toen eigendom van een begijntje uit Leuven. Ze voegt daar aan toe dat het na haar dood als memorie zal worden gegeven aan het begijnhof in Brugge.

Wellicht is er een verband tussen het gegeven dat deze incunabel eigendom is geweest van vrome vrouwen en enkele curieuze ingrepen in houtsnedes met afbeeldingen van Adam en Eva. Deze prenten zijn geheel of gedeeltelijk uitgeknipt en vervangen door papier met nieuwe afbeeldingen. Daarbij zijn de erogene zones van beiden afgedekt of onzichtbaar gemaakt. Dat de slang niet meer om de boom kronkelt, maar op de grond ligt, is eveneens een detail dat vragen oproept. Daarbij ging de ingreep zelfs zover dat soms ook tamelijk stuntelig nieuwe gezichten zijn ingetekend. Consequentie van deze ingreep is dat de tekst op de achterzijde daardoor verdwenen is. De nieuwe prenten of fragmenten zijn overigens zeer professioneel in het boek gemonteerd.

Opnieuw wordt door zorgvuldige bestudering van dergelijke oude drukken duidelijk, dat elk exemplaar zijn eigen bijzondere geschiedenis kent. Dat geldt ook voor de verhalen die erin zijn opgenomen. Een ontroerende en mij onbekende – apocriefe -episode die in woord en beeld aangehaald wordt is het moment dat Jezus na zijn opstandig eerst bij zijn verdrietige moeder Maria langs gaat om haar gerust te stellen.

Het zal duidelijk zijn. Deze parel van vroege boekdrukkunst is het waard gekoesterd en bewaard te worden voor het nageslacht.