Franciscaans erfgoed overgedragen aan het museum

Het unieke verhaal van de Goudse schuilkerken is vandaag gecompleteerd – of in elk geval een stuk completer gemaakt – met de overdracht in van twee zeventiende-eeuwse ‘portretten’ uit de statie van de minderbroeders of franciscanen. Vorig jaar schreef ik hier al over. Beide objecten dat met goedkeuring van het Bisdom Rotterdam door de Sint-Jozefparochie in bruikleen afgestaan aan Museum Gouda. Ter gelegenheid van de overdracht heb ik voor geïnteresseerde parochianen en andere belangstellenden in de Gasthuiskapel het verhaal van de vijf Goudse staties verteld, met de nu bijeengebrachte kunstwerken als leidraad.

De statie van de minderbroeders werd gesticht door pater Gregorius Simpernel, een zuiderling die met hulp van een vermogend klopje, Anna van Geffe, een kerkzaal kon inrichten aan de Hoge Gouwe. Beide personen zijn afgebeeld op de nu overgedragen werken. Het ene is een portret van het klopje, in zeer sobere – op dat van een begijn gelijkend – habijt. Het andere betreft Simpernel op zijn sterfbed, een schilderijtje van de hand van de Gouwenaar Jan Ariansz Duyf (1617-1647), een weeskind met artistieke kwaliteiten, die leerling was van zijn neef Wouter Pietersz Crabeth. Laatstgenoemde is weer de schilder van het meest bijzondere schilderij uit de Goudse schuilkerken; de Bekering van Willem van Aquitanie door Bernardus van Clairvaux. Op dit historistuk zijn drie Goudse wereldlijke priesters te zien, met Petrus Purmerend, pastoor van de Kleine Sint-Jan aan de Hoge Gouwe, als Bernardus en zijn twee kapelaans als assistenten. Achter hen vijf klopjes, onder wie de kapitaalkrachtige Marie de Licht die het kunstwerk financierde. Dit schilderij is te beschouwen als de Nachtwacht van de Nederlandse schuilkerkenkunst, en verdient een prominete plek in de kapel in plaats van in een zijkamertje, zo heb ik vanmiddag nog maar eens betoogd.

Beiden nieuwe aanwinsten zullen ook een logische plek in dit beeldverhaal moeten krijgen, tezamen met een ander schilderij dat nu nog in het magazijn staat: een ander schilderij van Duyf, met een portret van een nog jonge Simpernel. Dit portret kende ik alleen in het zwartwit als illustratie in de boeken van pater Dalmatius van Heel over de Goudse minderbroeders uit 1947. Dankzij conservatrice Julia Zwijnenburg van het museum kreeg ik van dit portret vanmiddag ook een kleurenafbeelding. Het portret laat zien dat Duyf geen groot schilder was – met name de gevouwen handen zijn onbeholpen – maar ook dit is een uniek historisch document in het Goudse schuilkerkenverhaal.

Dat in Gouda zoveel objecten uit de schuilkerken bewaard zijn gebleven en ook alle altaarstukken uit de Sint-Janskerk, meen ik vooral toe te kunnen schrijven aan het bijzondere politiek-religieuze klimaat dat de stad in de vroegmoderne tijd heeft gekend, met een nadruk op vrijheid van consciëntie en afkeer van gewetensdwang. Hierdoor kregen katholieken meer dan elders in Holland de ruimte hun religie te belijden en de daarvoor benodigde voorzieningen in te richten. Het aandeel van katholieken in de stad is mede hierdoor met ruim 30% een stuk hoger dan in andere steden. Maar ook hier kalft de rooms-katholieke kerkgemeenschap snel in omvang af. Des te belangrijker is dat haar erfgoed bewaard blijft en verteld wordt aan het nageslacht. Zonder dit verhaal is veel in deze stad niet te begrijpen.

Wek de verwaarloosde Goudse Librije weer tot leven

Ruim vier eeuwen lang koesterde Gouda een kostbare stadsboekerij. Deze Goudse Librije vond haar oorsprong in het boekenbezit van de Sint-Janskerk en de kloosters in de stad en werd na de Reformatie op last van het stadsbestuur gevormd nadat de kloosters werden gesloten en de grote kerk in protestantse handen kwam. De boeken en middeleeuwse handschriften werden toen ondergebracht in de bovenzaal van een aanbouw aan de kerk. Er werd een stadsbibliothecaris aangesteld, die zich tooide met de naam Custos, die werd bijgestaan door een college van Librijemeesters. Gezamenlijk zorgden zij ervoor dat de boeken gecatalogiseerd werden, opgesteld in fraaie kasten en voor raadpleging beschikbaar gesteld aan een beperkte groep vooraanstaande burgers die het zogeheten Sleutelrecht kregen. Aan dat recht om gebruik te mogen maken van de Librije zat wel de verplichting dat de houder een boek moest schenken, zodat de verzameling verder kon groeien. Daarnaast ontvingen de Librijemeesters van het stadsbestuur jaarlijks een bedrag om de Librije verder te verrijken met aankopen die zij op veilingen en bij boekverkopers konden doen.

Het onderkomen van de Librije in de Sint-Janskerk bleek in de loop van de twintigste eeuw klimatologisch ongeschikt om dergelijke oude en kostbare boeken nog langer in onder te brengen. Daarom werd het boekenbezit eerst overgebracht naar het nieuwe onderkomen van het stadsarchief, in de Gasthuiskapel aan de Oosthaven. Het waardevolle interieur van de Librije werd ontmanteld en verdween naar de stort. Alleen een groot 17de-eeuwse, met namen van Librijemeesters beschilderd bord en wat unieke houden plankcatalogi werden bewaard. Hiermee werd een weg ingeslagen die tot op de dag van vandaag heeft geleid tot een verdere verwaarlozing van Gouda’s kostbare boekenbezit. De Librije werd meer en meer een dode verzameling, waarvan steeds minder mensen de unieke waarde voor de stad nog zagen of onderkenden.

Die verwaarlozing van de Goudse Librije zette verder door toen de verzameling in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd overgebracht van de Gasthuiskapel naar het nieuwe onderkomen van het stadsarchief in het Weeshuis. Stonden de boeken in de kapel nog in een open opstelling met hoge houten kasten, nu verdwenen zij naar het magazijn in stalen kasten. Dat daarbij het bestuur van Custos en Librijemeesters werd afgedankt, deed de bijzondere zorg die deze boeken nodig hebben ook geen goed. Dat bleek in 1988, toen het gemeentebestuur het drieste plan opvatte om kostbare boeken uit de verzameling te verkopen ter dekking van tekorten op de begroting. Door een gericht media-offensief van ondergetekende werd de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) wakker geschud, die toen zijn veto uitsprak over het op deze wijze verramsjen van cultuurgoed.

Inmiddels is de Goudse Librije voor de derde keer in korte tijd verhuisd; nu naar het archiefdepot in Moordrecht. De boeken zijn daarmee voor het eerst buiten de stad beland en nog verder uit het zicht geraakt van degenen voor wie de verzameling is opgebouwd en uitgebouwd; de Gouwenaar. De Librije is ook zo dood als een pier. Waar andere steden die beschikken over een dergelijke boekenschat, zoals Enkhuizen, Zutphen en Alkmaar, de afgelopen jaren er alles aan gedaan hebben de collectie te ontsluiten en ‘in situ’ te tonen aan het publiek, is het in Gouda stil gebleven. Ook is de verzameling niet verder aangevuld, terwijl een verdere aanvulling met Goudana – boeken over Gouda, in Gouda gedrukt of anderszins een relatie hebbend met de stad – al lang niet meer plaatsvindt.

Zo kan het dan ook gebeuren dat in principe waardevolle aanvullingen op de Goudse Librije nu uit het zicht raken. Een goed voorbeeld daarvan is de Collectie Trapman, een groot aantal boeken over Erasmus dat in het bezit was van deze grote Erasmuskenner uit onze tijd, die door de vorige museumdirecteur Gerard de Kleijn voor Museum Gouda was aangekocht voor een luttel bedrag en werd uitgesteld in de Erasmustentoonstelling in 2016. Zijn opvolger Marc de Beyer was van oordeel dat de boeken niet pasten in de collectie en heeft geprobeerd ze elders in Gouda onder te brengen. Ook het Streekarchief – toch de hoeder van de Librije – toonde geen belangstelling, ondanks inspanningen van het Erasmusgenootschap. Het gevolg is dat de boeken nu Erasmus achterna zijn gegaan en geschonken zijn aan het Erasmus Center in Rotterdam, waar ze de meeste titels weliswaar al hadden, maar deze exemplaren laagdrempelig door het publiek  in handen laten nemen.

Ook op andere momenten doen er zich kansen voor om unieke Goudana toe te voegen aan de collectie. Zo kocht ik op de Kerstmarkt in de Sint-Janskerk en hele stapel ‘grijze literatuur’ over de Goudse Glazen, die afgaand op de stempels in de boekjes afkomstig waren uit het bezit van het voormalige Fonds Goudse Glazen. Ik ben ervan overtuigd dat het Streekarchief diverse van deze titels niet in de collectie heeft, zeker niet exemplaren die voorzien zijn van aantekeningen. Ook op veilingen duiken soms voor Gouda unieke boeken en geschriften op, die met enige inspanning verworven zouden kunnen worden. De zogeheten ‘Vrienden van Archief & Librije’ spelen een enkele keer een verdienstelijke rol op dit vlak, maar hebben een te brede doelstelling en te weinig invloed, middelen en kennis om op dit vlak veel te betekenen.

Ik kom op grond van de lotgevallen van de Goudse Librije tot de conclusie dat deze boekenschat bij archivarissen niet in goede handen is. Wat deze verzameling nodig heeft is aandacht en zorg van echte bibliofielen, die erop gespitst zijn en blijven de collectie aan te vullen, toegankelijk te maken en tentoon te stellen. Vandaar dat ik hartstochtelijk zou willen pleiten voor het weer in ere herstellen van het college van Librijemeesters en de aanstelling van een Custos. Zo’n college kan dan optreden als de echte pleitbezorger van de collectie en het leven terugbrengen in de Librije. Ik ben ervan overtuigd dat dit unieke en kostbare Goudse boekenbezit dan niet langer door uitverkoop, verwaarlozing en uitsterven bedreigd zal zijn. De Goudse Librije verdient echt beter!

Pleidooi voor terugkeer van de Moriaan en de Indiaan

Aangezet door de redactie van AD/Groene Hart heb ik mij even verdiept in het beeldje van de vrolijke roker, die eeuwenlang de voorgevel van de Moriaan aan de Westhaven sierde. Het beeldje verdween in 2007, nadat het apothekersmuseum in dit pand de deuren moest sluiten en de gemeente op het dieptepunt van de huizencrisis besloot het gebouw te koop te zetten. Voor een schamele zes ton kwam het in handen van een particulier, die zijn resterende geld primair moest steken in het omvormen van dit museum in een woonhuis; dus aanleg van badkamers en keuken. De voorgevel bleef onttakeld als hij was bij de overdracht en wordt ook nog eens gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door tegen de winkelpui gestalde fietsen van de bewoners.

Op mijn zoektocht kwam ik er ook achter dat achter het beeld altijd een beschilderd bord heeft gehangen, met daarop een rokende indiaan. Beide figuurtjes – die nu in het magazijn van Musea Gouda bewaard worden – verbeelden daarmee als het ware de overgang van rookwaar die afkomstig was van de indianen naar rookwaar van de Amerikaanse plantages. De daar door Afrikanen geplukte tabaksbladen werden te drogen gehangen rond klossen, waarvan er vier nog wel te zien zijn op de gevel van de Moriaan. Het zou mooi zijn als beeld en bord teruggeplaatst zouden worden op de plek waar ze horen, want ze vormen een organisch geheel met andere elementen aan de gevel, zoals die klossen, maar de dat koopwaar die vermeld staat onder de ramen. In het Goudse jubeljaar 2022, als Gouda viert dat ze 750 jaar stadsrechten heeft, hoort dit pand weer de uitstalling van weleer te hebben (en de fietsen achterom in de prachtige tuin gestald).

De Goudse pijp als historische bron

Roker op schilderij van Pieter de Hooch

Eerder in dit weblog heb ik uitvoerig aandacht besteed aan de waarde van tegels als historische bron. Een ander – meer nog dan tegels – Gouds product dat een historicus interessante informatie verschaft is de kleipijp. Bewoners van de binnenstad van Gouda weten dat je geen spade in de grond kunt steken, zonder dat er een pijpenkop of pijpensteel mee naar boven komt. Vanaf de introductie van deze pijpen met lange steel, door Engelse migranten in de stad in het begin van de zeventiende eeuw, – de eerste was William Baerneltss in 1617 – ontwikkelde het ambacht van pijpenmaker zich steeds meer als een belangrijke pijler onder de stedelijke economie. Aanvankelijk was het een nevenproduct van de plateelindustrie, omdat pijpenmakers op de arbeidsluwe uren gebruik konden maken van de ovens van de pottenbakkers.

In de loop van de achttiende eeuw nam het pijproken een hoge vlucht en werd de pijpmakerij bijna synoniem met Gouda. In 1713 telde de stad al meer dan driehonderd pijpenmakersbazen. Het was een industrie die in zekere zin zelf zorgdroeg voor een blijvende vraag, omdat het een uiterst kwetsbaar product betrof, dat snel aan vervanging toe was. Niet voor niets worden de meeste pijpenkoppen gevonden op de bodem van (voormalige) grachten. Zij knapten snel van de lange dunne steel af bij het uitkloppen van de asresten op de achterkant van de schoen. Die kwetsbaarheid bleef nog lang een wezenskenmerk van de Goudse pijp; nog mijn moeder, opgegroeid in West-Brabant, wist te vertellen dat jongens uit haar dorp er een sport van maakten om ’s winters bij het schaatsen een pijp te gaan halen in Gouda. Die werd op de rug gebonden en de schaatser die de pijp zo heel in West-Brabant wist af te leveren was de gevierde held.

Bijzonder aan de Goudse pijpen is dat de producent een ‘handtekening’ achterliet op het zogeheten hielmerk van elke pijp. dat biedt de mogelijkheid om pijpenkoppen niet alleen te dateren, maar ook te lokaliseren qua productie. Aanvankelijk waren de pijpenkoppen klein en zonder versiering. Na verloop van tijd werden ze iets groter en vaker versierd met afbeeldingen. Ook di afbeeldingen geven bijzondere historische informatie. Zo zijn er in de patriottentijd – toen de Goudse pijpenindustrie door het nagenoeg wegvallen van de internationale markt fors was ingekrompen – pijpen veelvuldig voorzien van teksten en portretten die de partijkleur (patriot of orangist) van de roker moest duidelijk maken.

Goudse pijpenkop frontaal stadswapen met zes sterren en de wapenspreuk Per aspera ad astra

Mijn interesse voor dit voor nog onbekende domein van de pijpenkoppen werd onlangs geprikkeld door de verwerving van een achttiende-eeuwse , die het toonbeeld is van Goudse stedelijke trots. Prominent aan de voorzijde is het stadswapen met de zes sterren aangebracht, geflankeerd door twee Hollandse leeuwen. Daaromheen is in een tekstbanderol de wapenspreuk van Gouda te lezen: Per aspara ad astra (door de doornen naar de sterren).

Hielmerk van landman met schop

Het hielmerk toont een landman met schop. Dat was het pijpenmerk van pijpenmaker Jacobus van der Draaij (1782-1803). De pijp is waarschijnlijk in 1785 geproduceerd, tien jaar voor het Ancien Regime ten einde kwam. Zo bezien hebben we hier te maken met een late demonstratie van stedelijke autonomie, die met de komst van de Fransen in rook opging.

Archief Nico Habermehl overgedragen aan het Streekarchief

Deze maand is het precies vijf jaar gelden dat de Goudse stadshistoricus Nico Habermehl na een slopende ziekte overleed. Gedurende dertig jaar drukte hij een stempel op de geschiedschrijving in en over Gouda. Hij deed dit onder meer als initiator van Duizend jaar Gouda. Een Goudse stadsgeschiedenis (2002), als voorzitter van Historische Vereniging die Goude, als secretaris van de Stichting Boughaz (opgericht om het verhaal van de Marokkaanse migratie vast te leggen), als schrijver van talloze artikelen over Gouda, als presentator van het programma ‘Verrassend Gouda’ op TV Gouwestad en als verteller-pur-sang in talrijke lezingen.

Alle activiteiten van Nico hebben hun weerslag niet alleen gevonden in boeken, artikelen en tv-optredens, maar ook in een omvangrijke correspondentie met anderen die actief waren op het vlak van de geschiedschrijving in Gouda. Bovendien ontving en verzamelde hij van of via anderen talrijke documenten die ook van historisch belang zijn. Zelden zal er een persoonlijk archief gevormd zijn, waarin zo precies en gedetailleerd alle stukken zijn bewaard: elke brief, elk mailtje werd geprint en in een speciaal plastic hoesje in een ringband of stofmap opgeborgen.

De echtgenote van Nico heeft daarom, geheel in de geest van deze historicus in hart en nieren, het volledige archief geschonken aan het Streekarchief Midden-Holland, dat al veel meer archieven van Goudse historici uit het verleden in bewaren heeft en waaruit Nico zelf nog rijkelijk heeft geput voor zijn serie in De Tidinge over Goudse geschiedschrijvers. Deze afleveringen verschenen ook in de bundel Gouda in druk van de Historische Vereniging die Goude.

Jeanette Habermehl en archivaris Sigfried Janzing regelen de overdracht van het archief van Nico Habermehl. Op de achtergrond de collectiebeheerder van het Streekarchief

De officiële overdracht van de stukken aan streekarchivaris Sigried Janzing vond plaats op maandag 28 oktober ten huize van Jeanette Habermehl. Janzing sprak zijn grote erkentelijkheid uit voor de schenking en beloofde dat het Habermehl-archief nader ontsloten zou worden, zodat toekomstig historici hieruit kunnen putten en zien wat het belang is geweest van Nico Habermehl als geschiedschrijver van Gouda

Eindelijk erkenning voor Eduardus Poppius, grondlegger van het Goudse remonstrantisme

Het is in deze tijd moeilijk voorstelbaar, maar ooit was Gouda een bolwerk van vrijzinnigheid. Nu domineert het zwart de zondagse kerkgang in deze stad, maar ooit wilde men hier niks weten van de Heidelbergse Catechismus of gereformeerde scherpslijperij. Het stadsbestuur voerde een actieve religiepolitiek, die erop gericht was een mild geestelijk klimaat te creëren en op die manier zoveel mogelijk Gouwenaars te verzamelen onder het grote kerkelijke dak van de Sint-Jan. Er werd gericht gezocht naar predikanten die bereid waren het gezag van de overheid te accepteren en een mild reformatorisch geluid te laten horen. Herman Herbers paste deze toga als gegoten en wist grote groepen gelovigen naar zijn gehoor te trekken. Toen hij overleed werd met Eduardus Poppius een opvolger gevonden die bereid en in staat was deze koers voort te zetten, ook toen kerk en staat in zwaar weer kwamen door heftige godsdiensttwisten. De verdiensten van Poppius bleven altijd onderbelicht, maar op 2 november staat hij centraal op een symposium in ‘zijn’ Sint-Janskerk en krijgt hij de aandacht die hij verdient.

Het was Poppius – geassisteerd door Herbers junior en Harboldus Thombergius – die de Goudse gemeente in 1610 op sleeptouw nam door te kiezen voor de vrijzinnige stroming binnen de gereformeerde kerk, die zich vormde rond de ideeën van de Leidse hoogleraar theologie. Jacobus Arminius. Deze stroming botste met aanhangers van diens Leidse collega Gomarus, onder meer over het leerstuk van de predestinatie. De arminianen dreigden getroffen te worden door kerkelijke censuur en vroegen in een verzoekschrift (remonstrantie) bescherming bij de Staten van Holland. Die remonstrantie, waaraan de arminianen hun naam ‘remonstranten’ te danken hebben, werd ondertekend door 44 predikanten. Ook Poppius en zijn twee Goudse ambtsgenoten horen tot de ondertekenaars.

De remonstrantie van 1610 vormde de opmaat voor tien roerige jaren, precies vallend binnen het Twaalfjarig Bestand in de oorlog met Spanje, die de jonge Republiek op de rand van een burgeroorlog bracht. Poppius was een van de spelers, die persoonlijk een zware tol moest betalen voor zijn partijkeuze. Hij verloor zijn baan, moest verschijnen op de Synode van Dordrecht in 1618, werd veroordeeld en uit de kerk gestoten, door de overheid uit het land verbannen, was in Antwerpen betrokken bij de oprichting van een nieuw kerkgenootschap, de Remonstrantse Broederschap, keerde clandestien terug, werd gearresteerd in Haarlem op verdenking van betrokkenheid bij een moordcomplot tegen prins Maurits, werd gevangen gezet op Slot Loevestein en overleed daar aan een korte ziekte in 1624.

De eigenlijke heldin van dit verhaal is echter Francoise van Wassenhove, de echtgenote van Poppius. Zij week niet van zijn zijde en was de stille kracht achter de schermen. Haar rol zal tijdens het symposium dan ook in het bijzonder uitgelicht worden.

Terroristische aanslag op Willem van Oranje: feitencomplex en risico-analyse

Op de kop af 435 jaar geleden werd de leider van de Nederlandse Opstand, prins Willem van Oranje, in het Prinsenhof te Delft vermoord door Balthasar Gerards. Naar aanleiding van deze tragische gebeurtenis, maar meer nog omdat de Koninklijke Bibliotheek op een veiling een belangrijk stuk papieren daderinformatie had weten veilig te stellen, werd op 10 juli 2019 in Den Haag een speciaal KB-Cafe gewijd aan dit document. Het gaat daarbij om de originele beloningsbrief van de Spaanse Koning Philips II, door hem persoonlijk ondertekend, en uitgereikt aan de familie van de moordenaar. Hiermee kreeg zij zes jaar na de daad van hun zoon de in het vooruitzicht gestelde beloning van 25.000 gouden kronen uitgekeerd, niet in baar geld (dat had de door oorlogsvoering armlastige koning niet), maar dan in de vorm van zeggenschap over drie stukken grond, afkomstig uit de geconfisqueerde nalatenschap van de Oranjeprins zelf.

beloningsbrief

Dat de KB dit document kocht, en bijvoorbeeld niet de Universiteitsbibliotheek Leiden of Museum het Prinsenhof, kan verschillende redenen hebben gehad. Misschien ontbrak het genoemde ‘concurrenten’ aan middelen, of werd het stuk perkament beschouwd als ongeschikt voor museale uitstalling, maar het kan evengoed te maken hebben gehad met emotionele of morele weerstand tegen de aankoop van artefacten die licht doen schijnen op de dader, in plaats van op het slachtoffer. Vergelijk bijvoorbeeld de discussie die in deze eeuw gevoerd werd over het al dan niet bewaren van de auto waarmee Karst Tates in Apeldoorn probeerde de bus met de koninklijke familie te torpederen of het pistool waarmee Volkert van der Graaf de politicus Pim Fortuyn doodschoot. De KB voelde deze aarzeling niet en legde een stevig bedrag op tafel om de brief in haar bezit te krijgen.

Balt3

Bij het KB-Cafe gaf conservator Jeroen Vandommele een toelichting op de bijzondere waarde van het document en plaatste historica prof. Judith Pollmann het stuk in de context van zijn tijd. Zelf mocht ik als hoogleraar inlichtingen- en veiligheidsdiensten de aanslag bezien vanuit perspectief van dader(omgeving) en slachtoffer(omgeving). Voor mij was dat een goede aanleiding om mij vanuit een moderne visie op dreiging en beveiliging te verdiepen in het feitencomplex rond deze vroegmoderne terroristische aanslag. Daarbij heb ik getracht twee vragen te beantwoorden: 1. wat kan er gezegd worden over de modus operandi van de aanslagpleger? en 2. had de aanslag op Willem van Oranje voorkomen kunnen worden? Twee vragen die in de hedendaagse inlichtingen- en beveiligingswereld samen te vatten zijn in de vraag om een feitencomplex en een risico-inschatting

De aanslagpleger
Balthasar Gerards was afkomstig uit Vuillafans in Franche Comté, een gebied dat nu bij Frankrijk hoort, maar in zijn tijd Habsburgs bezit was en dus onderdeel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk van Philips II. Hij was een fanatieke katholiek met een grote afkeer van de protestanten. Zijn motieven om naar het hoge noorden te trekken om daar de leider van de opstandelingen te vermoorden hadden volgens zijn eigen verklaring na de daad te maken met religie. Maar het zouden evenzeer politieke motieven kunnen zijn geweest, vanuit hemzelf of wellicht ingefluisterd door kardinaal Granvelle, initiator van de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje in 1580 en misschien niet toevallig bezitter van enkele landerijen nabij het gebied waar Gerards opgroeide. Het motief zou zelfs louter financieel geweest kunnen zijn, want er was een fors geldbedrag uitgeloofd voor eenieder die erin zou slagen de prins “te beschadigen, offenderen ende uyte weerelt te helpen”.

Hoe het ook zij, Balthasar heeft op enig moment het plan opgevat gehoor te geven aan deze oproep van de koning. Hij was allesbehalve een (wat wij tegenwoordig zouden noemen) kansloze jongere of iemand van lager allooi. Als zoon van een plaatselijke rechter genoot hij goed onderricht en verrichte hij werkzaamheden als secretaris. Niet bepaald het prototype van de ruwe bolster, blanke pit. Portretten van hem laten vooral een tamelijk onooglijk mannetje zien. Maar wel iemand die klaarblijkelijk in staat was een gecompliceerde aanslag te plannen, die vele nauw met elkaar verbonden en op elkaar volgende stappen vereiste. Om in de fysieke nabijheid van de prins te komen, koos hij voor een ingewikkelde omweg, om zo geen argwaan te wekken. Hij bouwde zogezegd aan een geloofwaardig verhaal, in inlichtingenjargon een ‘legende’ genoemd, alvorens tot daadwerkelijke actie over te gaan.

De eerste stap richting zijn doel zette Balthasar Gerards met de indiensttreding bij het leger van de graaf van Mansfeld, stadhouder van Luxemburg. Daar wist hij het zegel van deze edelman te bemachtigen. Vervolgens trok hij naar Trier om zijn voorgenomen daad te laten sanctioneren door een katholiek geestelijke (volgens zijn eigen verklaring een jezuïet, NGO) en naar de landvoogd, de hertog van Parma, om politieke dekking te krijgen. Deze achtte de kans op een geslaagde actie minimaal en verwees hem naar zijn raadsheer. Ondanks de scepsis van beide dienaren van de koning zette hij vervolgens koers naar Delft, om de intrek te nemen in een herberg in de buurt van het Prinsenhof. Daar liet hij een brief voor de prins bezorgen, waarin hij zijn diensten aanbood. Dat leverde hem een afspraak op met de hofpredikant, Pierre Loyseleur de Villiers. Met behulp van valse documenten deed hij zich voor als een vervolgde en gevluchte protestantse edelman uit Frankrijk, en meldde hij dat hij de hand had weten te leggen op het zegel van Van Mansfeld. Met behulp hiervan zou hij graag missies ondernemen in vijandelijk gebied, zo bood hij aan.

De hofpredikant, als geestelijke bedienaar gevoelig voor verhalen van gevluchte geloofsgenoten, vertrouwde hem en overlegde met de prins hoe ze hem zouden kunnen inzetten. Besloten werd hem met het zegel naar de bondgenoten in Frankrijk te sturen, die daar hun voordeel mee konden doen. Met het geld dat Balthasar daarvoor kreeg kocht hij bij terugkeer twee pistolen van Franse soldaten. Op die manier werkte Oranje feitelijk mee aan een vorm van terrorismefinanciering, die hem uiteindelijk zelf noodlottig zou worden. Voor hij tot uitvoering van zijn daad kwam, oefende Balthasar hoogstwaarschijnlijk nog met de omgang van deze wapens.

De volgende stap in zijn modus operandi was tegelijk de moeilijkste; in de directe fysieke nabijheid van zijn slachtoffer komen. Daartoe koos hij een moment van verslapte aandacht van de prins en zijn entourage, namelijk de ‘lunchdip’. Klaar voor een nieuwe missie naar Frankrijk, wachtte Balthasar de prins op in de hal beneden aan de trap. Dat hij de pistolen gewoon zichtbaar droeg wekte geen argwaan, omdat hij immers op het punt stond opnieuw op missie te gaan door gevaarlijk gebied. Op het moment dat het gezelschap uit de eetzaal kwam, richtte Balthasar een pistool op de prins en vuurde gericht drie kogels af op diens lichaam. De prins stortte dodelijk geraakt ter aarde. De wijze van uitvoering verraadde een hoge mate van koelbloedigheid en zelfbeheersing, aangezien het schieten met handvuurwapens toen zeker nog niet eenvoudig was.

moord

Gebruik makend van de paniek en verwarring bij de hofhouding van de prins, slaagde Balthasar er aanvankelijk in te vluchten van de plek des onheils. Hij verliet de prinsenhof en rende door de Schoolsteeg in de richting van de stadsgracht. Omdat hij niet kon zwemmen, had hij twee varkensblazen bij zich die opgeblazen moesten worden om te kunnen blijven drijven. Tot uitvoering van dit voornemen kwam het niet, wellicht omdat hij inzag dat dit deel van zijn plan onvoldoende uitgewerkt was. Hoe het ook zij; hij werd door soldaten van de prins in de kraag gevat.

Balthasier-biertje, geschonken in het KB-Cafe
Balthasar-biertje, geschonken in het KB-Cafe

Het eerste wat hij daarna deed was vragen om pen en papier. In afwachting van gruwelijke martelingen en het snelrecht dat hem te wachten stond, beschreef hij uitgebreid zijn motieven en zijn daad. Over de geloofwaardigheid van de details valt zeker te twisten, maar zijn verklaring moet vooral gezien worden als een claimbrief, waarmee een terrorist zijn daad opeist en motiveert. Daarmee voltooide Balthasar Gerard een aanslagplan, waarvan de uitvoering zeker twee jaar in beslag had genomen. Zijn daad is dan ook allesbehalve impulsief geweest, maar goed doordacht en minutieus voorbereid. Volgens hedendaagse normen kan dan ook gesproken worden van een hoge mate van professionaliteit, uitgevoerd door iemand die weliswaar niet het klassieke postuur van een onverschrokken geweldpleger had, maar wel de intelligentie die nodig was voor een geslaagde uitvoering van zo’n gecompliceerd plot. Door zich te verzekeren van religieuze en politieke dekking voor zijn actie dacht hij tevens een succesvolle basis te leggen voor de beloning voor hemzelf en/of zijn familie, hier en in het hiernamaals. Een beloning die koning Philips in de nu door de KB verworven brief toekende.

Bewaken & Beveiligen 
De andere vraag zou op zijn Van Gaals kunnen luiden: was Balthasar Gerards nu zo slim of waren de prins en zijn gevolg nu zo dom? Bekeken door de bril van een professional op het gebied van bewaken en beveiligen kan gesteld worden dat er behoorlijk veel ‘early warning signals’ zijn geweest, die een aanslag op het leven van de prins in hoge mate voorstelbaar maakten. De daad in Delft kwam zeker niet als een donderslag bij heldere hemel. De vogelvrijverklaring van de prins in 1580, met de torenhoge prijs die op het hoofd van de prins werd gezet door de toen machtigste man van de wereld, had misschien wel meer implicaties dan een fatwa van een Iraanse geestelijke in onze tijd. Daarom hadden alle alarmbellen bij de entourage van de prins op dat moment al af moeten gaan. Een vorm van ‘close protection’ (persoonsbeveiliging) of het instellen van enkele beveiligingsringen rond de prins, zou vanaf dat moment zeker niet overdreven zijn geweest.

Een verdere alertering was zeker aan de orde geweest, toen de prins in 1582 ternauwernood aan de dood ontsnapte bij een aanslag op zijn leven, uitgevoerd in Antwerpen door de Bask Jean Jaureguy, een eenvoudige bontwerker die tot zijn daad werd aangezet door zijn baas, die uit was op de beloning van de koning. Ook hij koos, net als later Balthasar Gerards, voor de lunchtijd als het moment van toeslaan en gebruikte eveneens een pistool als aanslagmiddel. De prins raakte gewond aan zijn hoofd, maar herstelde snel. Zijn beveiligers hadden hiermee een voorstelbaar risico gematerialiseerd zien worden, op een manier die grote overeenkomsten vertoonde met wat zich twee jaar later zou afspelen.

Jarreguy

Het is uit de bronnen niet te achterhalen of deze gebeurtenissen geleid hebben tot verhoogde waakzaamheid bij de prins en zijn omgeving en maatregelen om herhaling van dit specifieke scenario te voorkomen. Het zou kunnen zijn dat hij de middelen niet had – of ervoor over had – om extra beveiligers in te huren voor zijn veiligheid. Maar ook zonder die fysieke ‘sloten op de deur’ zou bij een verhoogde alertheid wellicht eerder argwaan zijn ontstaan over de achtergronden, motieven, verhalen en gedragingen van Balthasar. De informatiepositie van de prins was blijkbaar belabberd, want van enige verificatie van de achtergronden van Gerards lijkt geen sprake te zijn geweest. Dat de echtgenote van de prins, Louise de Colligny, hem als een onguur type aanduidde, leidde ook niet tot handelen, waarmee opnieuw een belangrijk signaal werd gemist. De argeloosheid was blijkbaar zo groot, dat men er zelfs geen bezwaar in zag nieuweling Balthasar Gerards zwaarbewapend toegang te verschaffen tot de directe omgeving van de prins. Zo beschouwd zou je kunnen zeggen dat de prins hoog nodig een coördinator bewaken & beveiligen had kunnen gebruiken. Wellicht had die hem wel zijn leven kunnen redden.

Dirk van Vreumingen en Jeremias van der Grijp: een verrassende ontmoeting van twee Gouwenaars uit de vroege 19de eeuw

De aankoop van twee mij onbekende negentiende-eeuwse litho’s van het interieur van de Goudse Sint-Janskerk, was voor mij aanleiding een kort onderzoekje te starten naar de prenten, de maker en de herkomst. Beide identiek ingelijste prenten werden op Marktplaats te koop aangeboden, tezamen met een veel grotere litho van de binnenzijde van dezelfde kerk. Deze grote prent was mij al langer bekend en is van de hand van de Goudse kunstenaar Dirk Johannes van Vreumingen (1818-1897). Bij aanblik van de drie prenten werd meteen duidelijk dat ze alle van dezelfde maker zijn. De verkopers, een moeder en dochter uit Den Haag, vertelden dat de werkjes afkomstig waren uit de nalatenschap van hun overleden  vader en grootvader van moeders zijde. Zij hadden geen idee wat de goede man met Gouda van doen had, omdat ze niet anders wisten dan dat hij en zijn ouders Hagenezen waren. Bij het afhalen van de aankoop vertelden ze mij dat ze onderin de lade een stapel papieren hadden gevonden die ook een link met Gouda hadden. Dat betrof een aantal voorgedrukte en met de namen en handtekening van de koper voorziene betalingsbewijzen van graven in de Goudse Sint-Janskerk, daterend uit 1816, en toebehorend aan de Goudse notaris Jeremias van der Grijp, een voorvader van beide Haagse dames.

Vreum4

Familie Van der Grijp

Naslag leert dat het geslacht Van der Grijp afkomstig was Zierikzee en elders in Zeeland, waar ze onder meer apotheker en dominee waren. Jeremias is in de loop van de achttiende eeuw naar Gouda getrokken en vestigde zich daar als notaris en procureur. Hij werkte hier zeker van 1782 tot zijn overlijden in 1819, de roerige tijd van de patriotten, de komst van de Pruisische legers, de Franse bezetting en Bataafse Republiek en tot slot het Koninkrijk Nederland onder Koning Willem I. Jeremias was gehuwd met Johanna Loos en na haar overlijden trouwt hij in 1798 de veel jongere Cornelia de Hor. Hij liet bij zijn overlijden zes kinderen achter. De gereserveerde graven in de Sint-Jan waren voor hen bestemd. Jeremias zelf is nog wel in de kerk begraven, maar kort daarop werd een verbod op begraven in de kerk ingesteld, dus moesten zijn nazaten uiteindelijk kiezen voor begraven op een begraafplaats.

Grijp1

Omdat Jeremias van der Grijp notaris was, worden er in het Goudse archief tientallen akten bewaard met zijn naam en handtekening eronder. Maar er zijn ook tal van andere documenten van en over hem terug te vinden, zoals belastingen die hij moest betalen, bepalingen over zijn nalatenschap en stukken over zijn activiteiten in het Goudse vrijkorps en als regent van het Weeshuis.

(meer…)

Ongebonden. Wiebe Bergsma, de kerk, de wetenschap en zijn leven

[Tekst, uitgesproken bij de aanbieding van een bundeling van artikelen van de in 2015 overleden Friese kerkhistoricus Wiebe Bergsma aan zijn dochter Maaike en zoon Gysbert, op 14 juni 2018 in het Historisch Centrum Leeuwarden]

Wiebe1

U zult zich wellicht afvragen waarom ik hier sta en spreek bij de aanbieding van de bundel met studies van de hand van Wiebe Bergsma. Ik ben geen Fries, geen intimus van Wiebe geweest en onze contacten bleven beperkt tot de kerkgeschiedenis en doorgaans dan ook nog op grote afstand van elkaar. Letterlijk dan. Want Wiebe en ik, hoezeer wij ook verschilden als mens, in religieuze achtergrond, professie en ‘etniciteit’ , deelden één fascinatie: te weten een fascinatie voor ‘de ongebonden mens’. Dat kwam naar voren in onze kerkhistorische arbeid, onze relatie tot de wetenschap en de wijze waarop wij eigen keuzes maakten en maken in het leven.

AbelsCoorn

Kerkgeschiedenis heeft mij altijd geboeid; niet omdat ik als roomse jongen bijzonder vroom ben opgevoed of een speciaal gevoel heb voor de mystieke kanten van religie, maar omdat ik als vroegmodern historicus wil weten wat mensen ten diepste heeft beroerd. En als je de mensen uit die tijd echt wilt begrijpen, kun je eenvoudigweg niet om het geloof, de kerk en geloofsuitingen heen. Juist de tijd waarin de christelijke eenheid werd verbroken door de Reformatie, boeide ons zeer. Welke keuzes maakten mensen in die tijd? Door wat werden ze gedreven? Was de reformatie wel zo’n breuk met de middeleeuwen? En wat betekende de kerkveranderingen in de zestiende en zeventiende eeuw voor de gewone man?

Bavianen-en-slijkgeuzen-A.Th_.-van-Deursen

Het was professor Arie van Deursen die met zijn fameuze boek Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt uit 1974 ons allebei op dit spoor heeft gezet, een spoor dat wij nooit meer hebben verlaten. Diens boek was voor ons inspiratiebron en irritatiebron tegelijk. Van Deursen liet met het gebruik van primaire bronnen als kerkenraads- en classicale acta, uitspraken van het Hof van Holland en predikantencorrespondentie zien hoe dicht je als historicus bij het alledaagse leven in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw kon komen. Met vaardige – soms zeer humoristische – pen wist hij daaruit verhalen te destilleren waarin de lezer de kleuren en geuren van die tijd weldadig tot zich kan laten komen.

Tegelijk was Van Deursen een historicus van zwaar-gereformeerde snit, voor wie de Ware Kerk de gereformeerde kerk was en dan ook nog de contra-remonstrantse variant, die in zijn eigen leven overigens vijf verschillende varianten bleek te kennen. Aan die gereformeerde norm mat hij alles af. Zijn gortdroge commentaar op mijn bijdrage aan de Geschiedenis van Holland zal ik dan ook niet licht vergeten: ik constateer, zo liet Van Deursen de redactie weten, dat de vooroordelen van de heer Abels niet dezelfde zijn als die van mij.

Wiebe2

Voor Wiebe en voor mij – elk op onze eigen wijze en natuurlijk ook kerkelijk gedeformeerd als respectievelijk PKN’er en rooms-katholiek – kon het niet zo zijn dat de inwoners van de Noordelijke Nederlanden met de Reformatie massaal een eenvorming calvinistisch geloof gingen aanhangen en dat degenen die dat niet deden feitelijk geen recht van spreken hadden. Zelf bracht mij dat – samen met mijn betreurde vriend en collega Ton Wouters – tot een minutieuze bestudering van het kerkelijk leven in Delft en Delfland in de jaren 1572-1621. Wiebe op zijn beurt stortte zich – hoe kan het ook anders – op zijn eigen Friesland. In de jaren die wij hieraan besteedden hebben we veelvuldig met elkaar gesproken en gediscussieerd, met name over het spanningsveld tussen de gereformeerde kerk als keuzekerk en als publieke kerk, zo fraai naar voren komend in de titel van het magistrale boek dat Wiebe in 1999 voltooide: Tussen Gideonsbende en Publieke Kerk. Wij deden dat bij de colleges van de Werkgroep 16de eeuw van prof. Juliaan Woltjer in Leiden, op bijeenkomsten hier in Leeuwarden en zelfs een keer op een congres in Oxford.

In die discussies ging het daarbij vaak over mensen die zich niet formeel wilden binden aan de enige formeel in de Republiek toegelaten en bevoorrechte kerk, de calvinistisch gereformeerde. Wij zagen in de bronnen hoe weinig gelovigen belijdenis deden en deelnamen aan het Heilig Avondmaal. De gereformeerde diensten werden echter door veel grotere groepen dan deze kleine binnenring bezocht. Dat waren de zogeheten ‘liefhebbers’ of de vrouwelijke variant daarvan – zoals wij in ons Delftse onderzoek ontdekten – de ‘beminsters’. Van Deursen zag hen louter als aspirant-lidmaten; Wiebe heeft voor Friesland – en later ook voor Drenthe – overtuigend aangetoond dat dit niet klopt; de meesten zetten niet die stap naar een belijdenis, onder meer omdat zij gevrijwaard wilden blijven van de kerkelijke tucht; een streng toezicht van de kerkenraden op hun levenswandel dus.

Maar nog veel meer gelovigen kwamen helemaal niet in deze officiële kerk. “Gelijck daer sijn” – om een favoriet citaat van Wiebe aan te halen – “Coornhertisten, Arministen, Vorstianen, Socinianen ofte Poolse broeders, Papisten, Mennisten, David Joristen, Hendrick Nicolaiten ende andere meer, daer ’t land so vol van is, als den somer vol mugghen”. De Delftse predikant Regnerus Donteclock, die prominent figureert in onze studie, voegde aan een soortgelijke opsomming nog toe dat “de aldergrootste sekte” bestond uit mensen die helemaal niets deden aan religie. Het beeld dat in dit soort citaten, maar ook uit andere primaire bronnen, naar voren komt, is er een van een religieus zeer veelkleurig landschap, dat schril afsteekt tegenover wat Van Deursen ons wilde doen geloven.

Wiebe4

Wiebe erkende later dat hij zijn boek over de Reformatie in Friesland vooral had geschreven vanuit een grote betrokkenheid bij de spiritualisten. Die ‘afwijking’ zat er bij hem al vroeg in, gelet op de hoofdpersoon van zijn proefschrift, de Schwenckfeldiaan Aggaeus van Albada. Maar ook later schreef hij menig epistel over dergelijke ‘vrijgeesten’, zoals zijn bijdrage aan een bundel over ‘mijn held’ Dirck Volkertsz Coornhert en diens opvattingen over de godsdienstpolitiek, onder de titel “God alleen mag die ziele dooden”. . Ik deelde en deel Wiebes fascinatie voor deze ‘Stiefkinderen van het Christendom’. Het zal een speling van het lot zijn geweest dat ik in 1984 ben gaan wonen in Gouda, dat in gereformeerde ogen het ‘rattennest ende den dreckwagen van alle ketterijen’ genoemd werd. Vrijdenkers van uiteenlopende pluimage, onder wie ook Vorstius en de genoemde Coornhert, werden elders verjaagd maar waren in deze stad welkom. Daar mochten zij schrijven wat zij wilden en laten drukken wat zij wilden, en veel werken van door Wiebe bewonderde spiritualisten, konden dan ook uitgerekend in mijn woonplaats Gouda voor het eerst op de persen worden gelegd.

(meer…)

Een wonderdoend Mariabeeld voor even terug naar de Goudse Sint-Jan?

Inmiddels worden in Gouda grootse plannen gemaakt voor de viering van 750 jaar stadsrechten in 2022. Het meest spectaculaire idee tot nu toe is wel het tijdelijk terugbrengen van het koor van de grote Sint-Janskerk in laat-middeleeuwse sfeer met behulp van alle altaarstukken die daar hebben gestaan voor de Reformatie en – uniek voor Nederland – alle behouden zijn gebleven. Dat bracht mij op het idee om ook het Middeleeuwse Mariabeeld voor even terug te laten brengen naar deze plek, dat door toedoen van een Goudse pastoor in de zeventiende eeuw in Waddinxveen is beland. Eerder schreef ik hier al over. Dit idee is inmiddels in Waddinxveen opgepikt, zoals blijkt uit dit bericht uit het AD Groene Hart van 6 april 2019.

wondervangouda