Notariële akten Oude en Nieuwe Pekela op boekenmarkt Dordrecht

4 juli 2011

Op de groot­ste boeken­markt van West-Nederland, die van Dor­drecht, wor­den elke eerste zondag in juli miljoe­nen boeken te koop aange­bo­den. Voor de bib­liofiel met een goed ontwikkelde speurzin zijn er in deze massa papier altijd wel par­elt­jes te ont­dekken, reden waarom de echte boeken­liefheb­bers al voor achten langs de nog in opbouw zijnde kra­men stru­inen. Ook dit keer waren er toch weer inter­es­sante boeken op te duike­len. Maar niet alleen boeken:  soms wor­den er ook andere papieren klein­oden aange­bo­den.  Ons oog viel dit keer op een grote doos vol achttiende-eeuwse notar­iële akten uit de Gron­ingse Pekela’s, die voor 10 euro per stuk te koop wer­den aange­bo­den. Het bij­zon­dere van deze akten is, dat zij allen voorzien zijn van een fraai zegel met daarop de afbeeld­ing van de kerk van Oude Pekela. Er zijn kri­tis­che vra­gen te stellen bij de verkoop van dergelijke archief-stukken: het zijn unica die eigen­lijk in een archief thuishoren en niet in privé-bezit. Dergelijke han­del draagt er ook toe bij dat mensen archivalia niet in bewar­ing geven van archief­di­en­sten, maar te koop gaan aan­bieden. Dat is ook de reden waarom archief­di­en­sten uit principe niet of nauwelijks bereid zijn geld neer te tellen voor dergelijke stukken. Een dergelijke rigide houd­ing is echter ook niet altijd in het belang van de geschied­schri­jv­ing, want daar­door zijn cru­ciale archief­s­tukken soms uit beeld van his­torici ger­aakt. Wij kon­den de ver­lei­d­ing dan ook niet weer­staan om zo’n Peke­lase notar­iële akte te kopen, als curiositeit maar ook om Gron­ingse his­torici te atten­deren op het opduiken van deze doc­u­menten op de markt. Ons exem­plaar betreft twee kun­stig met elkaar ver­bon­den akten, die begin­nen aldus: “Reg­nerus Tjaarda de Cock, pas­tor, de Hr. Rentmr. A.S. Werumeus & Jur­jen Koerts, kerkvoog­den ter NPeeke­lAa, betu­igen bij deezen dat gecom­pa­reert zij de E. Jan Hin­drix Wortel­boer & gemu­nieert met procu­ratie van zijn vrou Geessijn Geerts, bij dezen gezien & gelee­gen ter O Peeke­lAa woon­agtig & verk­larende voor zich & hunne erven in goet gereet gelt ont­fan­gen te hebben  van de E. Lam­mert Klaaszen & Klaasz­ijn Klaaszen, ehe­lieden ter NPeeke­lAa woon­agtig, twee­duizent, schri­jve 2000 Carl. gld. zo noch ten laste had­den van hun­nen zoon Jan Jans Wortel­boer als restant over­dragt­spen­nin­gen eener halve stadtsveen­plaats ter OPeeke­lAa gelee­gen Noortk. No. 32 & 33 kragt verzeegeling in dato NPee-kelAa den 19. jan­u­ari 1784″. Alleen al uit geneal­o­gisch oog­punt bevat­ten dergelijke akten dus zeer inter­es­sante gegevens, ter­wijl zij ook voor het in kaart bren­gen van onroerend goed­bezit en het func­tioneren van het gericht Zuid­broek van belang zijn. Spi­jtig is dat deze infor­matie door de verkoop niet alleen buiten beeld van his­torici raakt, maar ook versnipperd.

Themanummer TNK over Vlaamse Boer verschenen

30 juni 2011

De nieuw­ste aflev­er­ing van het Tijd­schrift voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (TNK) is volledig gewijd aan de Vlaamse leken­polemist Arnout van Geluwe (ca. 1604-ca.1676), bij­ge­naamd de Vlaamse Boer. In het num­mer staan artike­len van Frans van Eeke­len, die vorig jaar in Lei­den afs­tudeerde op dit thema, Gert Leur­dijk en Paul H.A.M. Abels. Deze onder­be­lichte figuur uit de Ned­er­landse kerkgeschiede­nis heeft al lang de belang­stelling van laat­stge­noemde, ook als bib­liofiel. Door het oph­ef­fen van veel kloost­er­bib­lio­theken zijn de afgelopen jaren veel werken van Van Geluwe op veilin­gen en in anti­quar­i­aten te koop aange­bo­den. Dat stelde hem in de gele­gen­heid diverse van zijn geschriften te verwerven. In de afgelopen tijd kon de col­lec­tie werken van Van Geluwe daar­door wor­den uit­ge­breid met een aan­tal nieuwe geschriften. In totaal telt de verza­mel­ing thans zestien titels. Daaron­der zijn ook de twee edi­ties (1650 en 1783) van zijn bek­ende relaas over zijn achttien-jarige reis door Hol­land, waar Van Geluwe woonachtig was in Delft en als lak­en­wever zijn brood ver­di­ende. Later keerde hij terug naar Vlaan­deren, waar hij de gere­formeerde kerk ging bestri­j­den in tal­rijke geschriften. Hij ful­m­i­neerde onder meer tegen de Staten­ver­tal­ing, de marte­laars­boeken en de Hei­del­bergse Cat­e­chis­mus. Ook zocht hij de con­frontatie met predikan­ten tij­dens open­bare dis­puten. Het meest bek­end werd hij door zijn con­frontatie met de Delftse predikant Her­man Tegu­lar­ius, waarover Gert Leur­dijk in dit num­mer schri­jft. Bij dat alles bedi­ende hij zich nadrukke­lijk van het etiket van de onges­tudeerde leek, door zichzelf bij voorkeur aan te duiden als de Vlaamse Boer. Abels schetst zijn aan­val op de Staten­bi­j­bel, ter­wijl Van Eeke­len de kri­tiek van Van Geluwe op de marte­laars­boeken analy­seert. Dezelfde auteur tekent ook voor een artikel over dis­pu­tatie van de Vlaamse Boer in Staats-Vlaanderen.

TV-opnames Gouwestad van canon-vensters over Coornhert en Walvis

12 juni 2011

De lokale tele­visiezen­der Gouwes­tad TV heeft op zich genomen om de veer­tig uitzendin­gen te wij­den aan de even­zoveel ven­sters tel­lende his­torische canon van Gouda. De uitzendin­gen ken­nen min of meer een vast stramien. Zo wordt het onder­w­erp altijd ingeleid met een toelicht­ing door de auteur van het betr­e­f­fende ven­ster van de canon die in 2009 werd opgesteld onder ver­ant­wo­ordelijkheid van het His­torisch Plat­form Gouda. De auteur geeft daar­bij ook altijd een doork­ijkje naar het heden. In de uitzendin­gen wor­den waar mogelijk ook altijd fraaie afbeeldin­gen of film­p­jes getoond, die betrekking hebben op het vensterthema’s. Bij­zon­der is dat voor elke aflev­er­ing ook altijd een klein toneel­stukje wordt geschreven, dat wordt uit­gevo­erd door ervaren amateur-toneelspelers.

In de afgelopen maan­den is gew­erkt aan twee ven­sters die door Abels zijn geschreven, over respec­tievelijk de human­ist en vri­j­denker  Dirck Volk­ert­szoon Coorn­hert en over pas­toor en stads­geschied­schri­jver Ignatius Walvis. In de uitzend­ing over Coorn­hert is een debat te zien tussen Coorn­hert en de Lei­dse hoogler­aar Jus­tus Lip­sius. Thema is het recht van de over­heid om ket­ters te doden. Laat­stge­noemde verdedigde dat recht, maar werd daar­bij fel aangevallen door Coorn­hert, die wars was van een dergelijke aan­tast­ing van de vri­jheid van con­sciën­tie. Het debat vond in werke­lijkheid alleen op papier plaats (Coorn­hert schreef zijn plei­dooien in de laat­ste twee jaren van zijn leven, toen hij in Gouda een veilig heenkomen had gezocht).

In het ven­ster van Walvis is het woord niet aan de pas­toor zelf, maar aan zijn ‘geestelijke dochter’ of klopje. Ter­wijl zij druk in de weer is met het poet­sen van kerkzil­ver en het aansteken van de de kaarsen in de kerk, vertelt zij over de grote zor­gen die haar kwellen over haar pas­toor. Ignatius Walvis is met een een groep ambtgenoten ver­wikkeld in een heftig dis­puut met de paus in Rome, een dis­puut dat uitein­delijk zou uit­lopen op een kerkscheur­ing. Hier­aan dankt de Oud-Katholieke Kerk zijn ontstaan. De tv-opnames voor deze uitzend­ing zijn gemaakt in de pas­to­riekeuken en kerk van de enig overge­bleven ou-katholieke parochie in Gouda, Sint-Johannes Bap­tist aan de Hoge Gouwe.

De uitzendin­gen van beide ven­sters zijn in sep­tem­ber te zien op TV-Gouwestad (op de kabel en ook op internet).

Nieuw boek over Goudse predikant Herman Herbers (ca.1540–1607)

13 maart 2011

Bin­nenkort wordt een gapend gat in de Ned­er­landse kerkgeschied­schri­jv­ing en in de Goudse geschied­schri­jv­ing ein­delijk gevuld. In deze vijfend­er­tig­ste verza­mel­ing bij­dra­gen van de His­torische Verenig­ing die Goude gaat Kees Plaizier op zoek naar de diepere dri­jfv­eren van de predikant HERMAN HERBERS, die een groot deel van zijn roerige leven tot aan zijn over­li­j­den in 1607 in Gouda heeft doorgebracht. De uit de Achter­hoek afkom­stige predikant werd tot priester opgeleid in een cis­ter­ciënzer klooster, geleid door een prior met sym­pa­thie voor de her­vorm­ings­be­weg­ing. Hij was achtereen­vol­gens priester in Win­ter­swijk, ‘prediker naar de nieuwe wijze’ in Bocholt en luthers predikant in Wezel. In 1577 werd hij predikant van de Gere­formeerde Kerk in Dor­drecht. Deze kerk ontwikkelde zich tot een ortho­doxe geloof­s­ge­meen­schap met hoge drem­pels voor het lid­maatschap. Her­bers werd al snel beschouwd als een dis­senter, wat lei­dde tot zijn ontslag in 1582. Hij werd met open armen in Gouda ont­van­gen, omdat hij hier werd gezien als een gematigd predikant, die – in tegen­stelling tot de ‘scherp­sli­jpers’ – goed paste bij de eras­mi­aanse gezind­heid van de stads­bestu­ur­ders en hun streven naar vrede en een brede volkskerk. Het werk Beken­tenisse des Gheloofs, waarin Her­bers zich verzette tegen beschuldigin­gen van onrechtzin­nigheid, vormt het hart van deze pub­li­catie. Er blijkt een mystieke geloofs­belev­ing uit, die door de kerk als een bedreig­ing voor haar gezag werd beschouwd.

Her­bers vol­gde vri­j­moedig zijn eigen weg, ges­te­und door het Gouds stads­bestuur. In zijn per­soon komen zowel de vri­jhei­ds­drang van de remon­stran­ten als de bevin­delijkheid van de Nadere Refor­matie samen. Deze unieke com­bi­natie beves­tigt zijn beteke­nis voor de Ned­er­landse kerkgeschiedenis.

Kees Plaizier (1948) studeerde Cul­tu­ur­weten­schap­pen aan de Open Uni­ver­siteit, een studie met bij­zon­dere aan­dacht voor ‘tra­di­tie en vernieuwing’. De cur­sussen Goudolo­gie van het His­torisch Plat­form Gouda verdiepten zijn belang­stelling voor het tijd­perk van de Refor­matie, waarin zich grote veran­derin­gen voltrokken. De stad Gouda en de predikant Her­man Her­bers namen in die tijd een bij­zon­dere posi­tie in. De auteur nam de uitdag­ing aan een nog ont­brek­ende uit­ge­breide studie aan deze markante predikant te wij­den, waar­bij ook de rol van Gouda nader wordt belicht. Hij hoopt met zijn boek de bestaande beeld­vorm­ing over deze ‘dis­si­dent’ te doorbreken.

Het boek van Kees Plaizier is getiteld: Her­man Her­bers, Gouds predikant van 1582–1607. Een mystieke weg. Het boek is te bestellen via de web­site van de His­torische Verenig­ing Die Goude (www.diegoude.nl).

If I had a hammer.….

27 februari 2011

Onze Vlaamse Sint-Eloy, die heilige van alle (edel)smeden, moest het lang doen zon­der hamer (zie hieron­der). Sinds kort heeft hij dit onaf­schei­delijke en onmis­bare attribuut weer ste­vig in zijn knuis­ten. Dankzij een staaltje onver­valst ambachtswerk van een hout­sni­jder die liever anon­iem wil bli­jven, is dit 411 jaar oude beeld weer in zijn oor­spronke­lijke luis­ter hersteld.

Drie prent-pamfletten uit 1618

11 december 2010

In de vroege zeven­tiende eeuw werd de drukpers een geducht wapen in de pub­lieke opinievorm­ing. Poli­tieke en religieuze geschillen wer­den mas­saal uit­ge­vochten met behulp van het gedrukte woord. Geleer­den, maar ook de gewone burg­ers, best­e­den elkaar in een stortvloed van korte vlugschriften, waarin een mening op vaak hoge of felle toon werd uitge­dra­gen of bestre­den. Dergelijk vlugschriften, ook wel aange­duid als pam­flet­ten, libellen, paskwillen of schotschriften, had­den een vergelijk­bare func­tie als tegen­wo­ordig de vele sociale media op inter­net. De meeste pam­flet­ten wer­den op kwarto­for­maat gedrukt en voorzien van een een­voudige — vaak blauwe — papieren omslag. Het geschreven woord voerde daar­bij de boven­toon, maar al vroeg werd ook geëx­per­i­menteerd met veelzeggende afbeeldin­gen. Dergelijke gravures zijn vergelijk­baar met de heden­daagse spot­prenten, maar ver­schilden ervan door de toevoeg­ing van een leg­enda, waarin met behulp van let­ters en cijfers werd aangegeven wie of wat werd afgebeeld.

Prent-pamfletten, waarin de afbeeld­ing lei­dend was voor het verdere betoog, ver­sch­enen ook in het heetst van de strijd tussen remon­stran­ten en con­traremon­stran­ten, gedurende het Twaalf­jarig Bestand (1609–1621). Een opval­lende reeks van drie afbeeldin­gen zag toen kort na elkaar het licht in 1618 en werd op de markt gebracht door het orthodox-gereformeerde — contra-remonstrantse — kamp. Deze gere­formeerde spot­prenten waren ongek­end vilein, zozeer zelfs dat de heden­daagse gere­formeerde kerkhis­tori­cus Arie van Deursen een van deze drie prenten — de “Armini­aen­sche dreck-waghen —  aan­duidt als “een der veni­jnig­ste libellen” uit de tijd van de Bestandst­wisten. Qua vor­mgev­ing, afge­beelde per­so­nen, the­matiek en par­tijkeuze lijkt sprake te zijn van een sterke onder­linge samen­hang van deze drie pam­flet­ten, het­geen nog eens onder­streept wordt door een ver­wi­jz­ing in het pam­flet “Won­der­li­jcken Droom vande School-houdinghe van Mr. Ian van Olden-barnevelt” naar het pam­flet “De armini­aen­sche vaert naer Spaeg­nien”, waar­van gezegd werd dat het bin­nenkort zou ver­schi­j­nen. Deze drie bij­zon­dere pam­flet­ten kon­den onlangs aan de col­lec­tie wor­den toegevoegd.

Zie over de Goudse ele­menten in deze prenten het artikel “Goudse remon­stran­ten in beeld. Van zegekar tot mestkar” in Tidinge van die Goude 29 (2011) 92–101.

Goudologie-cursus in Oud-Katholieke Kerk

26 november 2010

Sinds vijf jaar organ­iseert het His­torisch Plat­form Gouda de cur­sus Goudolo­gie. In tien zater­dagocht­en­den wor­den gein­ter­esseerde Gouwe­naars en buiten­staan­ders vertrouwd gemaakt met de bij­zon­dere aspecten van het Goudse verleden. De lessen wor­den gegeven op ver­schil­lende bij­zon­dere locaties, zoals in het mid­deleeuwse Goudse stad­huis, de Sint-Janskerk, Museum GoudA, Streekarchief Hollands-Midden en in de Oud-Katholieke Kerk Sint Johannes de Doper. Op laatst-genoemde locatie, ook wel bek­end als de kleine Sint-Jan  kri­j­gen de deel­ne­mers onder­richt in de Goudse kerkgeschiede­nis. Ook kri­j­gen zij de kans enkele bij­zon­dere mis­ge­waden en altaarstukken van dicht­bij te bewonderen.

Het bij­zon­dere van deze kun­stschat­ten is dat zij gro­ten­deels afkom­stig zijn uit de grote Sint-Janskerk. Na de Refor­matie zijn zij in het bezit gekomen van de pas­toors die in het geheim de ziel­zorg voor hun uit de grote kerk ver­dreven parochi­a­nen voortzetten. Uitein­delijk kre­gen de schat­ten een plek in deze schuilk­erk, die als de recht­streekse opvol­ger van de mid­deleeuwse stadsparochie kan wor­den beschouwd. Ook nadat de pas­toor van deze kerk, Ignatius Walvis, als lid van de Oud-Bisschoppelijke Clerezij brak met Rome en zijn sta­tie (parochie) meeg­ing met een jansenis­tis­che stro­ming die uitein­delijk resul­teerde in de Oud-Katholieke Kerk, wer­den de kerkschat­ten in ere gehouden.

Het meest bij­zon­dere stuk dat nu nog in de kerk wordt bewaard, maar bin­nenkort in bruik­leen zal wor­den overge­dra­gen aan het Goudse stadsmu­seum, is een fraai gebor­du­urde koorkap uit 1492. De afbeeld­ing van Jezus als tuin­man die Maria Mag­dalena ont­moet is door zijn heldere kleurstelling, menselijke karak­terteken­ing van de hoofd­per­so­nen, aan­dacht voor details in de natuur en goede con­server­ing van een sen­sa­tionele schoonheid. Het is een kun­st­stuk van inter­na­tionale allure, dat een ere­plaats zou mogen kri­j­gen in het museum. Gelukkig wordt dit museum momenteel omgevormd tot een echt stadsmu­seum, met aan­dacht voor alles wat Gouda zo eigen(aardig) maakt. Deze koorkap zal daar­bij een aan­winst en een sier­aad in de col­lec­tie vormen.

Marokkaan in kweekschool voor dominees

7 november 2010

In het nieuw­ste num­mer van het Tijd­schrift voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis, een uit­gave van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis, staat het unieke ver­haal van een Marokkaan die in de zeven­tiende eeuw een plaats kreeg in het Sta­ten­col­lege, het oplei­d­ingsin­sti­tuut voor gere­formeerde predikan­ten aan de Uni­ver­siteit van Lei­den. In het licht van heden­daagse dis­cussies over zoge­naamde dreigende islamis­er­ing van Ned­er­land, zouden kwaad­wil­len­den aan de hand van dit artikel erop kun­nen wijzen dat de islamis­er­ing van ons land al in de Gouden Eeuw is begonnen.…

Het artikel in TNK is van de hand van Enny de Bruijn, die werk aan een proef­schrift over de dichter-predikant Jacobus Revius. Deze Deven­ter godgeleerde dis­puteerde enkele keren met de deze opmerke­lijke stu­dent uit het Sta­ten­col­lege. Deze dis­pu­taties zijn gedrukt en bevin­den zich in de bib­lio­theek van het Jesus Col­lege te Oxford. De Marokkaanse stu­dent, die als stu­dent de naam Mau­rus (De Moor) aan­nam, deed alle moeite om uit­leg te geven over de islam, om aan het einde uit­er­aard tot de con­clusie te komen dat het chris­ten­dom de ware religie was. Niet­temin behan­delde hij de islam met respect en tamelijk diepgaand.

Mau­rus werd jaren­lang finan­cieel ges­te­und door ver­schil­lende Hol­landse stads­besturen, die hem zagen als een exo­tis­che bij­zon­der­heid. Toen zijn studie uitein­delijk wel erg lang duurde werd de sub­si­die stopgezet en moest Mau­rus het Sta­ten­col­lege ver­laten. Wat er verder van hem is gewor­den, kon Enny de Bruijn niet achter­halen. Zijn spoor eindigt in de gere­formeerde kerken­raad­s­acta van Ams­ter­dam, waar zijn naam in terechtk­wam omdat hij werd gecen­sureerd wegens drankgebruik.

Overi­gens ver­scheen niet veel later in de zeven­tiende eeuw voor het eerst een Ned­er­landse ver­tal­ing van de Koran. Deze edi­tie werd niet direct uit het Ara­bisch ver­taald, maar uit het Frans. Ver­taler was Andre du Ryer (1580–1660). De eerste edi­tie van dit werk ver­scheen in 1658, waar­bij Jan Hen­drik Glaze­maker (1620–1682) de Franse ver­tal­ing van 1647 overzette in het Ned­er­lands. Het boek speelde een belan­grijke rol in  onder­houden van de relaties van de Repub­liek der Verenigde Ned­er­lan­den met het Ottomaanse Rijk. Opmerke­lijk is — in het licht van het islami­tis­che ver­bod op afbeeldin­gen — dat deze ‘Ned­er­landse’ Koran illus­traties bevatte: een portret van Mohammed in de fron­tispice van J. Lamsvelt en zes gravures van de hand van Casper Luyken. Van deze Koran-edities ver­sch­enen maar liefst tien drukken. De Koran die ik in het najaar van 2010 aan mijn col­lec­tie kon toevoe­gen is de zevende druk uit 1734 en ver­scheen te Lei­den bij Jan en Hen­derik van­der Deyster, boekverkop­ers in de Korenbrugsteeg.


Historisch Nieuwblad toont fopstandbeeld van Coornhert op Goudse Markt

16 oktober 2010

Ter ver­luchtig­ing van een boekbe­sprek­ing over Dirck Volk­ertsz Coorn­hert in het okto­ber­num­mer van het His­torisch Nieuws­blad (p. 23) is een wel heel merk­waardige foto afge­drukt. Het bijschrift geeft aan dat het gaat om het stand­beeld van Coorn­hert op de Goudse Markt. De oplet­tende lezer zal opge­merkt hebben dat het hier om een fraai staaltje van geschied­ver­vals­ing gaat, waarover deze grote Ned­er­landse human­ist zich zeer vrolijk zou hebben gemaakt. Er bestaat (helaas) geen stand­beeld voor Coorn­hert, in Gouda noch elders. Lijf en boek op de foto zijn van het Rot­ter­damse stand­beeld van die andere grote human­ist, Desiderius Eras­mus, voor een bij­zon­dere gele­gen­heid voorzien van het hoofd van Coornhert.

De foto, ver­vaardigd door Stijn Dekker en niet door onder­getek­ende (zoals abus­ievelijk in het blad ver­meld staat), is namelijk gebruikt bij een lez­ing voor het Eras­musgenootschap, dat met Rot­ter­dam wedi­jvert over de toe-eigening van de geestelijke nalaten­schap van deze grote geleerde. Mijn betoog kwam erop neer dat Gouda een tegen­stribbe­lende Eras­mus – die wegens zijn ‘ smuikge­boorte’ en slechte ervarin­gen in het klooster Stein niets van Gouda wilde weten — maar beter aan Rot­ter­dam kan laten. De stad zou zich er beter op toe kun­nen leggen om in plaats daar­van Coorn­hert toe te eige­nen, die immers een veilig onder­dak in Gouda vond en in de Sint-Janskerk werd begraven. De plagerij van de foto van het stand­beeld was bedoeld voor het Eras­musgenootschap, maar dankzij de onzorgvuldigheid van de redac­tie van HN om dit plaatje van het inter­net (paulabels.nl) te plukken, is deze Goudse Coornhert-toe-eigening nu ook bij een breder pub­liek onder de aan­dacht gebracht.

De redac­tie van het His­torisch Nieuws­blad heeft een brief van voor­gaande strekking, ont­daan van elke kri­tiek op de door haar gepleegde schend­ing van beel­drecht of excuses voor haar onzorgvuldig han­de­len, geplaatst in het novem­ber­num­mer 2010, p.16.

Jan van Booma gepromoveerd

1 juli 2010

Proef­schrift over vluchtelin­genge­meen­ten van Goch en Gennep

Jan G.J. van Booma, bestu­urslid van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis, is op 1 juli jongs­tle­den gepro­moveerd tot doc­tor aan de Fac­ul­teit der Godgeleerd­heid van de Vrije Uni­ver­siteit te Ams­ter­dam. De titel van het proef­schrift van de 73-jarige pro­moven­dus luidt: Com­mu­nio clandestina.Archivalien der Kon­sis­to­rien der heim­lichen nieder­ländis­chen reformierten Flüchtlings­ge­mein­den in Goch und Gen­nep im Her­zog­tum Kleve 1570– c. 1610. Zijn pro­mo­toren waren  prof. dr. W. Janse en prof. dr. C.P.M. Burger. Als oppo­nen­ten traden op: prof.dr. Daniella Muller, dr. P.H.A.M. Abels, dr. Ger­rit Jan Beuker (Laar, Dld.) en mevr. dr. M.G.K. van Veen.

(meer…)