Afbraak Collatiehuis in 1943; spijtige beslissing in oorlogstijd

Pal achter de Sint-Janskerk stond eeuwenlang een groot kloosterachtig complex, toebehorend aan de zogeheten collatiebroeders. In strikte zin was het geen klooster maar een convent. De bewoners volgden geen kloosterregel en legden ook geen kloostergeloften af. Het waren leken die leefden als religieuzen. Het convent wordt daarom “huis” genoemd,  in het Latijn “domus”. De inwoners waren “broeders” en geen monniken. Het Collatiehuis werd in 1425 gesticht door de priester Dirc Florensz. Onder de rectoren Hendrik Herp en Hendrik Gijsbertsz van Arnhem werd het complex gestaag uitgebouwd tot een levendig centrum van de zogeheten Moderne Devotie of Broeders des Gemeenen Levens, onder supervisie van de Heilige Geestmeesters. Hun populariteit dankten de broeders aan hun zogeheten ‘collationes’, schriftlezingen en -uitleg op zon- en feestdagen, die ook toegankelijk waren voor leken (mannen en vrouwen). Deze lezingen vonden plaats in een grote kapel, gewijd aan de Heilige Paulus. Een tweede kapel verrees binnen het complex door toedoen van Gijsbert de Raet, die in 1504 als dank voor zijn behouden terugkeer van een pelgrimage aan het Heilige Land een kopie van de Heilige Grafkerk liet bouwen, de twaalfhoekige Jeruzalemkapel. Na zijn dood ging dit gebedshuis over in handen van de collatiebroeders.

Op deze luchtfoto is de enorme omvang van het kloostercomplex achter de Sint-Jan goed te zien.

Op deze luchtfoto is de enorme omvang van het kloostercomplex achter de Sint-Jan goed te zien.

Het Collatiehuis (nr. 25) op de kaart van Braun & Hogenberg uit 1585.

Het Collatiehuis (nr. 25) op de kaart van Braun & Hogenberg uit 1585.

Aan het convent van de collatiebroeders kwam in 1572-1573 een abrupt einde, toen de geuzen onder leiding van de beruchte Lumey bezit namen van de stad. De overste Johannes Rixtelius en de procurator Adrianus Lambrechtsz., die op het Goudse kasteel bij de geuzenleider kwamen klagen over het wangedrag van diens soldaten, werden op beestachtige wijze vermoord. Andere bewoners van het Collatiehuis ontvluchtten daarop de stad en zochten een veilig heenkomen in (nog) katholieke steden als Amsterdam en Utrecht. De ontvolking van het Collatiehuis namen de Heilige Geestmeesters, verantwoordelijk voor de de armen in de stad, een deel van het complex in bezit voor de bedeling. De uitdeling van geld en voedsel aan de armen gebeurde eeuwenlang vanuit de Jeruzalemkapel. De kloostergebouwen zelf werden, met uitzondering van de Pauluskapel, ingericht als Heilige Geest Weeshuis. Boven de ingang was een driehoekig veld te zien met de Heilige Geest, verbeeld als duif. Deze drie-eenheid is nog te zien op een prent van Verspuy, maar het is niet bekend waar deze is gebleven.

Collatiehuisgevel

 

Collatiehuis25

In 1601 werd de grote Pauluskapel op last van de stad verbouwd tot Looihal voor de keuring van wollen looihalsteenstoffen. De bekende beeldhouwer Gregorius Cool vervaardigde voor deze nieuwe bestemming van het godshuis een reliëfsteen die nu in het Lazeruspoortje van Museum Gouda is ingemetseld. Delen van het complex werden in de loop der tijd gebruikt voor zeer uiteenlopende doeleinden. Er was een weefatelier gevestigd van de Aalmoezeniers, om weeskinderen een ambacht te leren. In 1639 kwam deze ruimteCollatiehuis23 ter beschikking van een particuliere Franse School. Aan de Patersteeg kwam begin negentiende eeuw een Franse jufferschool. Verder deden de gebouwen onder meer dienst als passantenlokaal, infirmerie (verpleging van soldaten), Armenschool, stemlokaal, ‘kantonnale gevangenis’ (1854), belastingkantoor en Centraal Militair Kledingmagazijn. Voor de ze laatste instelling werd in 1870 de gehele voorgevel aan de straatzijde vervangen door een nieuwe monumentale gevel voor het toen in het complex gevestigde kledingmagazijn. Van 1798 tot het gereedkomen van hun nieuwe gebedshuis aan de Turfmarkt in 1927, gebruikte de Goudse joodse gemeente de kapel als synagoge. Daarna diende het complex nog als garage van de Gebroeders Van Hoorn.

De ingang van de garage is hier goed te zien

De ingang van de garage is hier goed te zien

 

 

En de autobandenopslag

En de autobandenopslag

Eind jaren dertig bleek het complex door achterstallig onderhoud in tamelijk deplorabele staat. In de garage op de benedenverdieping van de kapel kwamen geregeld brokstukken naar beneden. In 1938 liet het gemeentebestuur daarom onderzoek doen naar bouwkundige staat van het geheel. Rond die tijd moet voor het eerst de gedachte van afbraak zijn opgekomen, omdat daarmee een ander probleem kon worden opgelost. Het Rijk – in casu de PTT –  was in Gouda namelijk naarstig op zoek naar een nieuwe lokatie voor een postkantoor, omdat de plek aan de Korte Noodgodsstraat met het toenemende postverkeer als te klein en ongunstig gelegen werd beschouwd. Er werden besprekingen gestart tussen gemeente en Rijk, waarbij monumentenzorgers zich bogen over de vraag of er bezwaar was tegen afbraak van het oude klooster en architecten een ontwerp voor een nieuw postkantoor op papier zetten.

Een nieuw postkantoor?

De Goudsche Courant schetste op 13 juli 1940 de plannen. Het zou een gebouw worden zonder verdiepingen. Om het geheel wat licht en lucht te geven was besloten de gevellijn van het oude complex los te laten en het postkantoor wat verder naar achteren te bouwen, met uitzondering van het middendeel, waar door middel van een cirkelvormige uitbouw een toegang voor het publiek gepland was. Klanten van de PTT zouden daarmee in een ruime wachtkamer binnenkomen, waar zij konden kiezen uit tien loketten. Voor het personeel was een ingang aan de Patersteeg voorzien, terwijl aan de Groeneweg een dienstingang met een flink binnenplein zou komen, waar auto’s konden aankomen en vertrekken.

Enig bewustzijn dat de afbraak van de in de kern middeleeuwse gebouwen een ingrijpende beslissing vergde was er, afgaand op de Goudsche Courant, wel. Het bouwbesluit voor het postkantoor moest volgens de journalist gezien worden in het licht van de taak van het gemeentebestuur “om het nieuwe te scheppen zonder het karakter der oude stad te schaden”. De krant was ervan overtuigd dat Gouda een mooi groot postkantoor op een gunstig punt zou krijgen en dat dit besluit kon rekenen op algemene instemming. “Met de Looyhalle gaat een der talrijke oude gebouwen die onze stad bezit en die weinig aantrekkelijks bieden, verdwijnen. Hopelijk is het een begin om, met behoud van het oude dat wezenlijk mooi en belangrijk is, te geraken tot meerderen nieuwbouw, die hier voor tal van diensten en instellingen zoo noodzakelijk is”.

Of die instemming wel zo algemeen was als door de krant werd verondersteld, mag worden betwijfeld. Kort voor het besluit tot afbraak en nieuwbouw aan de Gemeenteraad zou worden voorgelegd, klonken er toch nog protesten. Uitgerekend de NSB-krant Het Nationale Dagblad, tekende de bezwaren op. Maar ook de Oudheidkundige Kring die Goude, stuurde te elfder ure nog een brief naar de Raad met het verzoek eerst nog een keer uitgebreid onderzoek te doen naar de monumentale waarde van het complex en de mogelijkheden van restauratie. Verantwoordelijk wethouder van Openbare Werken, Everijndert Arie Polet (1897-1984), schoof echter alle bezwaren terzijde, omdat Rijksmonumentenzorg had laten weten geen bezwaar te hebben. Daarop nam de Goudse Gemeenteraad op 22 juli 1940 het besluit om de looihal met de aangrenzende voormalige hoofdonderwijzerswoning en een deel van de openbare bewaarschool, met een oppervlakte van 1600 m2, te verkopen aan het Rijk voor 4500 gulden en daarmee toestemming te geven voor de sloop.

Plattegrond van het Collatiehuis, in 1940 opgemeten door de Rijksdienst voor Monumentenzorg

Plattegrond van het Collatiehuis, in 1940 opgemeten door de Rijksdienst voor Monumentenzorg

 

Collatiehuis2

Een maand later leek het gehele project alsnog spaak te lopen. In Gouda kwam een telex binnen van de Secretaris-Generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, met het verzoek de sloop van het convent toch nog een tijdje op te schorten, in afwachting van een uitgebreider onderzoek naar de monumentale waarde van het geheel. Bovendien kwam het complex nog voor op de lijst van gemeentelijke monumenten, omdat het fragmenten zou bevatten van het Margrietenklooster. Uiteindelijk konden ook deze bezwaren snel worden weggenomen. Het convent werd van de monumentenlijst gehaald en Rijksmonumentenzorg ging overstag, maar niet zonder een opmerkelijk voorwaarde te stellen voor de sloop: de opbrengst uit de verkoop moest volledig besteed worden aan het herstel van het vervallen Catharina Gasthuis, zodat daarin een stedelijk museum gevestigd kon worden. Het huidige Museum Gouda dankt zijn bestaan dus feitelijk aan de sloop van het Collatiehuis.

Collatiehuis19

Collatiehuis7

 

 

 

 

 

Monumentenzorg stelde nog andere voorwaarden. Bij de bouwplannen van het postkantoor moest voldoende rekening worden gehouden met de “merkwaardige laat-gothische Jeruzalemkapel, een unicum in ons land, die geheel door het postkantoor omsloten zou worden”. Verder werd verordend dat een aantal bouwfragmenten uit de afbraak, zoals balksleutels, korbeels en enige geprofileerde draagstenen, bewaard moesten worden. Nog even flakkerde daarna de hoop nog op behoud van het complex op, toen conservator B.C. Helbers van het Goudse museum in augustus 1941 naar buiten bracht dat hij een onbekende muurschildering (fresco) had ontdekt in de kapel. Het betrof een tamelijk onduidelijke voorstelling van een knielende vrouwenfiguur in blauw en rood. Na enige publiciteit over deze vondst verdween de aandacht voor het Collatiehuis echter weer en werden de voorbereidingen voor de sloop in gang gezet.

Foto van de afbraak van het Collatiehuis of Paulusklooster uit de Delftsche Courant van 11 september 1942

Foto van de afbraak van het Collatiehuis of Paulusklooster uit de Delftsche Courant van 11 september 1942

De afbraak vond plaats in de loop van 1942. In in 1943 werden de laatste grote delen van het klooster gesloopt.

Collatiehuis21

 

Uiteindelijk bleek dit alles voor niets. Of het aan de snel verslechterde oorlogssituatie lag of om andere redenen is onduidelijk, maar het geplande postkantoor kwam er nooit. Tot op de dag van vandaag is het terrein daarom een open plek gebleven, die tegenwoordig de naam draagt van Raoul Wallenbergplantsoen. Enkele jaren geleden leek het er even op dat er toch gebouwd zou worden, maar plannen voor een multifunctioneel cultuurhuis ketsten af op verzet van de buurt.

Een gat in de stad. Resultaat van drieste sloop en gefnuikte bouwplannen

Een gat in de stad. Resultaat van drieste sloop en gefnuikte bouwplannen

 

Er resteert nog maar bijzonder weinig dat herinnert aan het convent. De naam Patersteeg verwijst nog naar de toenmalige bestemming van het complex. In het museum wordt een Paulusreliekhouderreliekhouder bewaard van de heilige Paulus, die ooit in de grote kapel stond. Het is dan ook zeer moeilijk voorstelbaar dat er vlak achter de Sint-Jan ooit zo’n groot middeleeuws klooster heeft gestaan, dat nog maar zo kort geleden is afgebroken. Gelukkig zijn er bij de afbraak nog wel enkele foto’s gemaakt, die een impressie geven van de verdwenen gebouwen. Met name een luchtfoto laat de omvang van het complex zien. In een poging om zichtbaar te maken wat zo tragisch en ondoordacht voor altijd verdween, worden hieronder foto’s getoond van het complex. De meeste dateren van kort voor of zelfs tijdens de afbraak. Mocht u nog in het bezit zijn van ander fotomateriaal dat het Collatiehuis voor ons scherper in beeld brengt, dan houd ik mij zeer aanbevolen. Dat geldt ook voor herinneringen van mensen die het gebouw nog met eigen ogen hebben aanschouwd en meer kunnen vertellen over de staat, het gebruik of andere wetenswaardigheden kunnen melden.

De uit 1870 stammende vernieuwde voorgevel van het Collatiehuis - toen Centraal Kledingmagazijn - aan de Jeruzalemstraat.

De uit 1870 stammende vernieuwde voorgevel van het Collatiehuis – toen Centraal Kledingmagazijn – aan de Jeruzalemstraat.

Jeruzalemstraat

 

 

 

 

 

 

Achterzijde van de kapel - looihal

Achterzijde van de kapel – looihal

Zijaanblik van het kloostercomplex.

Zijaanblik van het kloostercomplex.

 

 

 

 

De Pauluskapel van het Collatiehuis, kort voor de afbraak. Hier werd in 1601 een looihal in gevestigd

De Pauluskapel van het Collatiehuis, kort voor de afbraak. Hier werd in 1601 een looihal in gevestigd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Collatiehuis10

Collatiehuis28

 

 

 

 

 

Collatiehuis14

Collatiehuis17

Collatiehuis18

Foto’s Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Met dank aan Erik Kooistra voor het beschikbaar stellen van andere foto’s van het complex en aan Jan Willem Klein voor een heldere typering van het convent. De reconstructie van het verhaal over de sloop is ontleend aan diverse kranten uit die tijd, zoals de Goudsche Courant, de Maasbode, Delftsche Courant en Telegraaf.

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.