Hoe Erasmus in zijn eigen voet schoot

Enigszins weggestopt in een zijportaal, maar daarom niet minder interessant voor de bezoeker van de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda, staat een kleine vitrine van de Museumvrienden, die ook in het teken staat van de grote Gouds-Rotterdamse humanist. Blikvanger in deze vitrine is een door de tand des tijds getekende post-incunabel, die gedrukt is in 1522, dus tijdens het leven van Erasmus door diens favoriete drukker Joannes Froben in Basel. Van dit bijzondere boek wordt voor zover bekend in Nederland maar één – onvolledig – exemplaar bewaard, in de Gemeentelijke Bibliotheek van Rotterdam.

Vitrine2

Het is niet zozeer de hoofdtekst die dit boek interessant en bijzonder maakt, maar de zogeheten dedicatiebrief die aan het werk vooraf gaat. Hierin feliciteert Erasmus Utrechtenaar Adriaan Floris Boeiens met diens uitverkiezing tot paus Adrianus VI. De brief is gedateerd 1 augustus 1522, ruim een half jaar nadat de witte rook in Rome vanuit de schoorstenen van het Vaticaan omhoog kringelde als teken dat de nieuwe – en tot nu toe enige Nederlandse – paus was uitverkoren. Zowel de timing, de inhoud van de brief, als de tekst van het begeleidend schrijven waarmee Erasmus een exemplaar van dit boek naar Rome stuurde, doen vermoeden dat het hier niet primair om een oprechte felicitatie ging, maar om een doordachte een poging de paus gunstig te stemmen en waar nodig aan zijn zijde te krijgen.

Paus Adrianus VI

Paus Adrianus VI

De dedicatiebrief kent een ander karakter dan de aanbiedingsbrief, wat goed verklaarbaar is omdat de gedrukte tekst voor een breed publiek toegankelijk was en dus ook voor mogelijke vijanden van Erasmus. Maar tussen de regels door valt in de dedicatiebrief ook veel te lezen. Zij begint met de voor Erasmus kenmerkende stijlfiguur van (valse) bescheidenheid. Een normale felicitatie van hem, als “nederige, zacht sprekende, ook nog eens ver verwijderde, maar zeker niet stomme Erasmus” zou zeker onopgemerkt blijven in de massale stroom van gelukwensen die de paus uit de hele wereld ten deel viel. Daarom zegt hij gezocht te hebben naar een bijzondere manier blijk te geven van zijn vreugde over de uitverkiezing en waardering voor de man, wiens theologieonderwijs hij vroeger nog gevolgd had. Vanuit een klooster in Franckenthal (Paltz) had Erasmus een bijzonder Commentaar op de psalmen van David ontvangen, in de 5de eeuw geschreven door een zekere Arnobius. Het uitgeven van een geannoteerde versie van dit geschrift zag Erasmus als een passende manier om de paus te eren. Hij put zich in de dedicatiebrief dan ook uit in positieve oordelen over dit werk en noemt het veelzeggend dat Johann Froben er heil in zag het werk op eigen kosten en risico uit te geven, terwijl “de uitgeversdobbelsteen” zeker niet altijd gelukkig terechtkomt.

Standbeeld van Luther in Dresden

Standbeeld van Luther in Dresden

Dit “heilig en theologisch boek” van Arnobius zegt Erasmus op te dragen aan een nieuwe paus die volgens hem een uitstekend theoloog is. Hij hoop dat Adrianus VI het werk zal aannemen “omdat wij met dit werkje niets najagen – wij zijn immers tevreden met ons lot, ook al is het bescheiden – , behalve dat dit werk met Uw bescherming onder de mensen komt”. Hij prijst de paus om zijn sterke morele integriteit en dicht hem het gezag toe om het “heilloze tumult in de christelijke wereld” te beteugelen. De strijd tussen de twee grootste koningen in Europa (Karel V en Frans I van Frankrijk) veroorzaakt niet dan ellende en het christelijke Europa is verscheurd door “de dodelijke tweestrijd van sekten en afscheuringen. En intussen bedreigt de Turk al wie hier zo woelt”. Iedereen heeft volgens Erasmus dan ook de hoge verwachting van de paus dat hij “vorsten en volkeren in christelijke eendracht verbindt en de verderfelijke strijd der meningen beëindigt”. Hij sluit af met een in onze oren vreemd klinkende wens, die moet benadrukken dat het Erasmus niet om een gunst te doen zou zijn: “Ik wens U geen geluk met Uw waardigheid, ik wens ook het land en ook het bisdom [Utrecht] dat ik met U gemeenschappelijk heb en waaraan het nu voor de eerste maal te beurt valt een paus van Rome te hebben, geen geluk. Ik streef er niet naar dat ik bij U vanwege onze gemeenschappelijke herkomst of onze oude vriendschap enig voordeel geniet. Maar ik wens de christelijke wereld geluk”.

Of de felicitatie van Erasmus aan het adres van paus Adrianus VI wel zo gespeend was van eigenbelang, mag worden betwijfeld. In de meer persoonlijke brief aan de paus, die hij in september 1522 ter begeleiding meestuurde met het exemplaar van het Arnobiusboek dat hij naar Rome stuurde, rijst een ander beeld op. Ook hierin felicitaties en complimenten – “het mensdom vereist absoluut een stuurman van Uw kaliber” – maar tegelijk ook een concrete hulpvraag tot bescherming tegen boze tongen: “mocht er zoiets met betrekking tot Erasmus worden aangebracht, dat U het dan ofwel helemaal verwerpt ofwel – mocht U er twijfel over hebben – Uw oordeel opschort tot U mijn verdediging hebt vernomen”. Erasmus verzekert de Heilige Vader dat hij in zaken van godsdienst een “trouwgelovige” is en altijd zal blijven.

Standbeeld van Erasmus in Leuven

Standbeeld van Erasmus in Leuven

Paus Adrianus VI heeft het geschenk van Erasmus in dankbaarheid aanvaard en hem ook een antwoord gestuurd op zijn felicitaties en dedicatie. In een brief van 1 december 1522, opgesteld door pauselijk secretaris Dirck van Heeze, dankt de paus “zijn geliefde zoon Erasmus van Rotterdam” voor zijn brieven en geschenk. Hij bevestigt met zoveel woorden de vrees van Erasmus dat hij door sommigen van “lutheranisme” verdacht gemaakt is. Tegelijk verzekert hij hem dat hij zich weinig aan zal trekken van beschuldigingen die op slinkse wijze aan hem doorgebrieft worden, maar altijd zijn eigen oordeel vormt. De paus spoort Erasmus aan met zijn uitstekende pen in het geweer te komen tegen nieuwe ketterijen. “Maarten Luther heeft ze niet eens zelf uitgevonden, maar ze van de oude ketterijstichters overgenomen en als het ware uit de hel opnieuw naar boven gehaald”. Om dit te bestrijden doet de paus een klemmend beroep op zijn landgenoot: “u kunt dit domein niet redelijk afwijzen door uit een al te diep in u gewortelde bescheidenheid te zeggen dat u niet opgewassen bent tegen deze taak. Het tegendeel is waar, zoals iedereen weet (…) Daarom: sta op om Gods zaak te helpen en gebruik de schitterende gaven van uw geest tot Zijn roem”. Refererend aan hun persoonlijke omgang, destijds in Leuven, spreekt de paus het verlangen uit hem weer te ontmoeten. Hij nodigt hem dan ook van harte uit om na de winter, als de lucht in Rome van de pest is gezuiverd, naar het Vaticaan te komen.

Door van de slotkapel in Wittenberg, waar Luther zijn befaamde 99 stellingen aansloeg

Door van de slotkapel in Wittenberg, waar Luther zijn befaamde 99 stellingen aansloeg

Het antwoord van de paus bereikte Erasmus blijkbaar niet of te laat. Op 22 december 1522 stuurde hun namelijk voor de tweede keer een exemplaar van de Arnobius-editie naar Rome. In de nieuwe begeleidende brief dekt hij zich opnieuw in tegen verdenkingen van ketterij: “vroeger heb ik sommige dingen al te vrij en open geschreven (dat kon in die rustige tijd toen ook) zonder te vermoeden dat het huidige tijdsklimaat zou ontstaan”. Tegenwoordig zou hij wel uitkijken om zulke persoonlijk inzichten te openbaren. Om te laten zien dat hij de paus en de Kerk van Rome welgezind is, biedt hij nadrukkelijk zijn diensten aan. Een maand later liet Adrianus VI, via een schrijven van Dirck van Heeze, weten dat na het eerste ook het tweede exemplaar van Erasmus’ boek in goede orde was gearriveerd in Rome. Hierin verzekerd de paus nogmaals de Rotterdamse geleerde gunstig gezind te zijn. Ook herhaalt hij de uitnodiging om naar Rome te komen, teneinde gezamenlijk de strijd tegen Luther te gaan voeren.

Het Arnobius-boek is, zoals hierboven blijkt, het begin geweest van een boeiende correspondentie tussen twee mannen met verschillende belangen. Deze uitgave is het instrument geweest waarmee Erasmus getracht heeft de uitverkiezing van een Nederlander tot paus te benutten ten eigen voordele. Hij hoopte met de aanbieding van dit werk de paus voor zich te winnen, om zo bescherming te verkrijgen tegen aantijgingen van onrechtzinnigheid. Het is de vraag of het opzetje de geleerde humanist het beoogde effect sorteerde. Allereerst liet de postbezorging in die tijd blijkbaar te wensen over, waardoor een ongeduldige Erasmus zich geroepen voelde tot een herhaaloefening. Het betoog over zijn oprechte intenties zal hiermee niet aan geloofwaardigheid gewonnen hebben, ook al omdat het eigenbelang er in de tweede aanbiedingsbrief nog meer vanaf spatte dan in de eerste. Ook zal het niet de bedoeling van Erasmus geweest zijn om met zijn actie een uitnodiging naar Rome te ontlokken en een dringend pauselijk appèl om de pennenstrijd met Luther aan te gaan. Erasmus wilde zijn hele leven lang de kool en de geit sparen. In een brief uit het voorjaar van 1523 aan paus Adrianus VI voert hij galstenen aan als excuus om niet af te reizen naar Rome en voor het overige klaagt hij bladzijden lang over de vele aanvallen die hij van lutherse en van rooms-katholieke zijde te verduren kreeg, als onvermijdelijk lot van iemand die zorgvuldig het midden probeerde te kiezen. Het spoedige overlijden van de paus, op 14 september 1523, bevrijdde Erasmus zo bezien van een onbedoelde druk die hij zelf op zijn hals had gehaald met de toezending van het in de vitrine van Museum Gouda getoonde boek.

[De citaten uit de brieven zijn ontleend aan het boekje van Michiel Verweij, uitgegeven onder de prachtige titel Pas de deux in stilte. De briefwisseling tussen Desiderius Erasmus en Paus Adrianus VI (1522-1523), een uitgave van Ad Donker Rotterdam uit 2002]

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.