Vlöggln, een levende Paastraditie in Ootmarsum

Gis­ter­avond belde neef Hans uit Oot­mar­sum met Gouda. In nor­male doen is hij de Twentse nuchter­heid zelve, maar dit keer klonk er opwind­ing in zijn stem. Of wij over een uur in Oot­mar­sum kon­den zijn? Natu­urlijk wist hij dat wij die twee­hon­derd kilo­me­ter vanaf Gouda onmo­gelijk in zo’n korte tijd kon­den over­bruggen. Dat begreep hij ook wel, maar hij wilde toch maar even kwijt dat zijn oud­ste zoon Bram op het punt stond om – exact om tien voor zeven — op het kerk­plein van Oot­mar­sum als Poaskearl aan den volke gep­re­sen­teerd te wor­den. Alleen wie enigszins bek­end is met de rijke Paastra­di­tie van Oot­mar­sum kan invoe­len welke vader­lijke trots onze neef hier­mee voelde opzwellen. Zelf had hij deze eer nooit mogen smaken, maar dat heeft hem er nooit van weer­houden elk jaar met volle over­gave mee te doen aan de rit­ue­len en telkens als een van de eerste Oot­mar­sum­mers achter de acht Poaskearls aan te haken in de slinger die al Vlög­glnd door de smalle straatje en rond de stie­pels van de opstaande huis­deuren trekt, onder­wijl blij twee oer­oude Opstand­ingsliederen zin­gend (Hal­leluja den bli­j­den toon en Chris­tus is opge­s­tanden)

Twee van de acht Poaskearls voor de deur van de Simon en Judaskerk van Ootmarsum. Rechts neef Bram

Vanaf het moment dat ik 38 jaar gele­den als Almelose buiten­staan­der via mijn lief en haar Oot­mar­sumse fam­i­lies onderge­dom­peld ben in de plaat­selijke Paastra­di­ties, bestaat er tussen neef Hans en mij een bij­zon­dere ver­stand­houd­ing, die gebaseerd is op een gedeeld warm gevoel voor tra­di­tie. Tegelijk voel ik bij hem een licht onderhuids

Vlöggln rond 1910, met opa Bernard

Vlög­gln rond 1910, met opa Bernard

wantrouwen jegens mij, gebaseerd op de gedachte dat ik als buiten­staan­der nooit echt een bin­nen­staan­der zal wor­den en wellicht de oude ver­halen over de Oot­mar­sumse tra­di­ties met his­torisch onder­zoek in twi­jfel ga trekken. Nu moet ik toegeven dat ik zelf van meet af aan ook dit wantrouwen gevoed heb. De bus­ladin­gen vol toeris­ten die elk jaar naar Oot­mar­sum trekken om het Vlög­gln te aan­schouwen wek­ten op mij aan­vanke­lijk sterk de indruk van een ‘invented tra­di­tion’, bedoeld om de lokale mid­den­stand te spekken. Mijn schoonfam­i­lies – en in het bij­zon­der opa Bernard en neef Hans – hielden echter bij hoog en laag vol dat het gebruiken waren die al gen­er­aties lang door de Oot­mar­sum­mers gekoes­terd wer­den. Waarop ik dan weer plagerig beweerde dat ik zou bewi­jzen dat het een uitvin­d­ing van de VVV was.

Als his­tori­cus én jour­nal­ist bij de Twentsche Courant had ik echter wel een eer op te houden. Geprikkeld door genoemde dis­cussies én door ronk­ende tek­sten over mid­deleeuwse of zelfs voorchris­telijke wor­tels van het feest in de zoge­heten Paas­brieven met de liedtek­sten, die door de Poaskearls aan toeris­ten verkocht wor­den, besloot ik tot een diep­gravend onder­zoek naar de herkomst het Vlög­gln. Pas in 1840 werd voor het eerst op schrift meld­ing gemaakt van dit gebruik, in een vraag van een lezer van de Over­i­js­selsche Almanak, die ook al op zoek was naar de oor­sprong. Hoe ik ook zocht in thumb2_ac965cf0-b9c1-11e3-82e9-365f7c98724fde Oot­mar­sumse archieven, maar zelfs in twee dag­boeken van dom­i­nees uit het stadje wordt er niets over geschreven. Een van hen zegt zelfs dat hij met Pasen gewan­deld heeft en dat het zeer rustig was in de stad. Dom­i­nees en kerken­raden klaag­den in de 17de en 18de eeuw voort­durend over zoge­heten ‘paapse super­sti­tiën’, zoals het ver­eren van heili­gen­beelden of het knie­len bij een graf. Zelfs over Paasvuren werd diverse keren geklaagd, dus dit veel breder dan in Oot­mar­sum gebruike­lijke rit­ueel kent wel een zeer lange geschiedenis.

Folk­lore­his­tori­cus P.J. Meertens (Mijn­heer Beerta uit Voskuils Het Bureau) bleef uit­gaan van een mid­deleeuwse oor­sprong en veron­der­stelde dat de Oot­mar­sum­mers de gewoonte en (ellen­lange) liederen eeuwen­lang in herin­ner­ing had­den gehouden en het gelei­delijk weer had­den opgepikt. Dit Wun­schdenken, nogal ken­merk­end voor dit slag Blut und Boden–fok­loris­ten, mist elke bewi­js­grond. Van­daar dat ik op zoek ben gegaan naar een moment in de Oot­mar­sumse geschiede­nis, waar­bij de stad rond Pasen in rep en roer was. En zo’n moment bleek er nadrukke­lijk te zijn; in 1795. Net voor Pasen nader­den de Franse troepen het stadje en leek voor de over­grote meerder­heid van katholieken na twee eeuwen achter­stelling de vri­jheid en gelijkheid nabij. Euforisch begaf een grote groep katholieken zich naar het huis van de koster van de grote Simon en Judaskerk, die nog steeds in gebruik was van een zeer klein groepje gere­formeer­den, ter­wijl de katholieken zich moesten behelpen met veel te kleine schu­urk­erk­jes. Met geweld werd de sleu­tel van de kerk opgeëist en werd de kerk openge­maakt voor de pas­toor. Wat ligt er meer voor de hand, dan dat de Oot­mar­sumse katholieken deze wederop­stand­ing van hun geloof hebben gevierd met het zin­gen van Paasliederen, waar­van een nog maar kort daar­voor afge­drukt was in een nieuwe gezan­gen­bun­del. Dat zij daar­bij ook zin­gend door de straten zijn getrokken, zou wel eens een uitda­gende man­i­fes­ta­tie van hun her­won­nen zelfvertrouwen geweest kun­nen zijn tegen­over de gere­formeerde inwon­ers van de stad.

Deze the­o­rie werd op de redac­tie van de Twentsche Courant  met ent­hou­si­asme ont­van­gen. Hoof­dredac­teur JOB veror­don­neerde dat de Paas­bi­jlage van de krant op Paasza­ter­dag met het ver­haal moest ope­nen. De vol­gende dag besloot ik met enige schroom weer aan te schuiven aan de Paastafel van de aangetrouwde fam­i­lie, wel­be­wust dat mijn ‘debunk­ing’ van het Vlög­glver­haal niet door iedereen geap­pre­cieerd zou wor­den. Zoals gebruike­lijk in Twente werd mij dat niet recht­streeks voor de voeten gewor­pen, maar door mid­del van indi­recte humor. Toen ik het schouwspel langs de kant gadesloeg, zag neef Hans mij staan. Even onder­brak hij het Paaslied en riep hij naar mij: “Dow’t zo wa goot?”, daarmee niet meer en niet min­der te ver­staan gevend dat ik als buiten­staan­der niet moest denken de Oot­mar­sum­mers de wet voor te kun­nen schrijven.

Poaskearls3

Mijn Vlöggl-theorie heeft niet­temin in ver­schil­lende folk­loris­tis­che stud­ies en pop­u­laire boek­jes over dit Paas­ge­bruik inmid­dels een plek gekre­gen en zij is tot op heden niet onderuit gehaald met nieuw bewi­js­ma­te­ri­aal. Zij heeft even­min gezorgd voor een ver­wi­jder­ing; eerder voor een inten­siver­ing van de interne fam­i­liecon­tacten rond deze dagen. Om de tra­di­tie in haar volle omvang en inten­siteit te door­voe­len, hebben wij een aan­tal jaren gele­den met ons gezin het hele Paasweek­end doorge­bracht in het oude huis van de inmid­dels overleden opa Bernard, pre­cies gele­gen aan het start­punt van de Vlöggl-route. We waren er al op zater­dag bij, toen twee door paar­den getrokken kar­ren, vol­be­laden met hout voor het Paasvuur op de Poaskamp, het stadje bin­nen­den­der­den. We waren er ook bij toen de Poaskearls in alle vroegte op Paas­mor­gen de bek­ende liederen zin­gend ter kerke gin­gen, eve­nals ’s mid­dags bij het lof – als de grote Simon en Judaskerk stam­pvol is en dezelfde liederen aan het eind luid door de Oot­mar­sumse man­nen wor­den gezon­gen. En voor de afwis­sel­ing bleven we niet aan de kant, maar haak­ten we in toen het eigen­lijke Vlög­gln om 5 uur in de mid­dag begon met het aansteken van een grote sigaar door de Poaskearls en slinger­den we door straat­jes en open­staande huizen, om uitein­delijk ineenge­draaid op de Eier­markt nog één keer beide liederen volledig te zin­gen. Ook wij tilden daarna onze kinderen drie keer omhoog als teken van hoop voor de toekomst.

Ter­wijl de toeris­ten zich daarna huiswaarts begaven of een etab­lisse­ment opzochten, spoed­den wij ons naar de grootoud­er­lijke stee van op Bernard om met de hele fam­i­lie ongelooflijke hoeveel­he­den gekookte eieren te eten. Tegen de tijd dat het donker werd wan­delde iedereen naar de Poaskamp, waar het Paasvuur ontsto­ken werd die Oot­mar­sum in een oranje gloed zette.

De jaren­lange betrokken­heid bij de Oot­mar­sumse Paas­ge­bruiken via de fam­i­lie van de koale kaant heeft mij duidelijk gemaakt dat het alles­be­halve een ‘invented tra­di­tion’ is. Het is een rooms-katholieke tra­di­tie met wor­tels en een hart, oprecht en diepgevoeld, wellicht iets min­der oud dan som­mi­gen zouden willen, maar dat wordt het vanzelf wel als de huidige gen­er­atie erin slaagt de waarde ervan door te geven aan de kinderen. Neef Hans is hier cum laude in ges­laagd en zijn trots over de uitverkiez­ing van zijn zoon tot Poaskearl is dan ook volkomen gerechtvaardigd.

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

2 Reacties op Vlöggln, een levende Paastraditie in Ootmarsum

  1. Neef Stijn schreef:

    Dit is nu nog eens nut­tige info, maar of het waar is weten we dus nog niet??

    Een trotse Oom Stijn.

  2. Neef Hans schreef:

    Com­pli­menten Paul voor dit schit­terende ver­haal. We zullen het tij­dens het eerst vol­gende bezoek aan Gouda nog maar eens uit­ge­breid over dit onder­w­erp hebben. Het nieuwe boek dat de Ben Mor­shuis Sticht­ing heeft uit­gegeven over de paas­ge­bruiken in Oot­mar­sum zal ik jou daar­bij als een kado over­handi­gen. Wat ik wel jam­mer vind is dat jij op de bewuste paasza­ter­dag nou net getu­ige moest zijn van het feit dat er maar twee door paar­den getrokken paaswa­gens de stad door trokken. Door de eeuwen heen waren en zijn dat er altijd drie geweest. Slechts één keer is er een uit­gevallen door een gebro­ken as. Dat jij daar nou net met je neus bovenop hebt moeten staan!

    Groet uit de Siepelstad,

    Hans