The making of.……the Walvis (1712–2012)

Dit jaar is het op de kop af driehon­derd jaar gele­den dat pas­toor Ignatius Walvis de pen neer­legde, waarmee hij zijn Goud­sche en andere daar­toe dienende katolijke kerk–schreef. Jaren­lang had hij in zijn studeerkamer in de sta­tie Johannes Bap­tist aan de Hoge Gouwe archivalia uit­ge­plozen en op basis daar­van de lot­gevallen van de Goudse katholieke priesters vanaf de Refor­matie beschreven. Met dit mon­niken­werk wilde hij aan­to­nen dat hij en zijn seculiere ambtgenoten steeds zorg had­den gedra­gen voor de con­tin­uïteit in de ziel­zorg. Dat Rome de Hol­landse kerkprovin­cie had aangewezen als missiege­bied en daarmee diverse orden (jezuïeten, fran­cis­ca­nen of min­der­broed­ers) ruimte bood om er ook ziel­zorg te ver­lenen, was Walvis een doorn in het oog. De paters waren er naar zijn oordeel slechts op uit zoveel mogelijk zielt­jes — en daarmee inkom­sten — af te pakken van de pas­toors, om het geld ver­vol­gens linea recta door te sluizen naar de ordelei­d­ing in de Zuidelijke Ned­er­lan­den. Het geestelijk welz­ijn van de gelovi­gen in de sta­ties (parochies) stond daar­bij vol­gens Walvis bij de paters op de tweede plaats, reden waarom nauwelijks eisen wer­den gesteld aan de gelovi­gen. Het con­flict tussen de pas­toors aan de ene kant en de door Rome ges­te­unde paters liep aan het begin van de acht­tiende eeuw zo hoog op, dat het uitein­delijk tot een scheur­ing kwam. Walvis zou uitein­delijk ook breken met Rome, waarmee hij aan de wieg heeft ges­taan van de tot op van­daag bestaande Oud-Katholieke parochie in Gouda.

Zijn man­u­script over de Goudse kerkza­ken was zijn hoofd­w­erk en bedoeld als ver­weer­schrift. Toch werd het na afrond­ing in 1712 nooit in druk uit­gegeven. Dat gebeurde wel met een bijpro-duct van zijn noeste navorsin­gen. Twee jaar later, nog net voor zijn dood op 6 mei 1714, ver­scheen van zijn hand de eerste Goudse stads­geschiede­nis. Het kerk­con­flict van zijn dagen moest hij daar­bij noodged­won­gen buiten beschouwing laten, eve­nals de meeste lot­gevallen van zijn geloof­sgenoten na de Refor­matie, aangezien hij over­hei­d­scen­suur moest ver­mi­j­den in een tijd dat de gere­formeerde kerk de enig offi­cieel door de over­heid toege­laten en bevoor­rechte kerk was en de katholieken naar het achter­erf ver­ban­nen waren.

In de vorige eeuw zijn eerste voorzichtige pogin­gen gedaan om de Goudse kerkza­ken van Walvis alsnog in druk te laten ver­schi­j­nen. Een oud-katholieke parochi­aan, de his­tori­cus drs. J.H. Smit,  begon met een tran­scrip­tie, maar zijn werk bleef verre van voltooid. Daarna gold het man­u­script een tijd­lang als ver­mist, tot het in de jaren ’ 90 weer opdook in het archief van de Oud-Katholieke Kerk in Amers­foort. De over twee boek­ban­den verdeelde aan­tekenin­gen van Walvis keer­den daarna weer naar Gouda terug, waar Jan Halle­beek en Mar­tien Par­men­tier de idee opvat­ten om een nieuwe poging tot tran­scrip­tie te onderne­men. Voor die enorme klus zochten zij onder­s­te­un­ing, die zij von­den in de Goudse kerkhis­tori­cus Paul Abels en Dick Schoon, inmid­dels Oud-Katholieke biss­chop van Haar­lem. Par­men­tier moest helaas door ziekte afhaken, ter­wijl Halle­beek en Schoon door nieuwe werkza­amhe­den ook min­der tijd over­hielden voor het project. Een besluit om de voor Gouda rel­e­vante Lati­jnse pas­sages te ver­talen in heden­daags Ned­er­lands zorgde voor nieuwe vertraging.

Toch lijkt voltooi­ing van het Walvis-project nu zeer dicht­bij. Met hulp van Aviva Bois­se­vain, Steven Leefers en Ger­ben Schoon­eveldt van het Ned­er­lands Genootschap voor Pale­ografie zijn de laat­ste ‘pluk­jes’  Latijn ver­taald. Nu dit werk gereed is, wordt het geheel per­sklaar gemaakt wor­den. De inlei­d­ing en alle bijla­gen zijn immers ook al gereed. Van­daar dat alle betrokke­nen nu voorzichtig de hoop begin­nen te koesteren dat de katholieke Walvis nog pre­cies in dit driehon­derd­ste kroon­jaar gep­re­sen­teerd kan wor­den (wordt vervolgd)

This entry was posted in Nieuws. Bookmark the permalink.

Comments are closed.