Van breed naar smal; van smal naar breed

De eigen weg van de Goudse kerk

Paul H.A.M. Abels

Dirck GeduldichWie op zondagochtend door Gouda loopt wordt getroffen door de grote aantallen wandelaars die zich in verschillende richtingen kerkwaarts spoeden. Looprichting, pas én kleding verra­den ongeveer tot welke kerkelijke denominatie zij gerekend moeten worden, wanneer de toeschouwer tenminste enig besef heeft van de veelkleurigheid van het hedendaagse religieu­ze palet in de stad. Voor iedereen zal het hoe dan ook duidelijk zijn dat de overheersende kleur zwart is, zij het dat de tinten nog behoorlijk kunnen verschillen. In Gouda lijkt de brede weg calvinistisch-protestants geplaveid, al bewandelen vele groepen op dit plaveisel weer hun eigen smalle pad. Andere ‘klassiek-protestantse’ richtingen, zoals de doopsgezinden, remon­stranten, lutheranen en oud-katholieken, zijn in de loop der eeuwen verschrompeld tot kleine kernen. De rooms-katholieken, die zich altijd in behoorlijke aantallen in de stad wisten te handhaven, hebben zich inmiddels geheel uit het centrum teruggetrokken en pogen via samensmelting van de drie parochies in de buitenwijken te overleven. Tal van nieuwe reli­gieuze stromingen, waaronder de snel groeiende islam, hebben de religiekaart van de stad in de afgelopen eeuwen verder ingekleurd.

De hedendaagse dominantie van het gereformeerd-hervormd protestantisme in Gouda vindt haar oorsprong niet in de vroege reformatiegeschiedenis van de stad. Aanvankelijk zag het er namelijk allerminst naar uit dat het orthodoxe calvinisme zo’n zwaar stempel zou drukken op de religieuze beleving van de stadsbevolking. Onder aanvoering van het Goudse stadsbestuur werd lange tijd geprobeerd een geheel eigen – brede – middenkoers te volgen. Dat deze weg uiteindelijk zou doodlopen, was vooral te wijten aan invloeden en ingrijpen van buitenaf. In deze bijdrage wordt de voor Holland unieke religiepolitiek van de stad Gouda in het laatste kwart van de zestiende en het eerste kwart van de zeventiende eeuw in grote lijnen geschetst. Ook zal gezocht worden naar de redenen van de mislukking ervan en verklaard worden waarom de smalle weg, die daarna werd ingeslagen, toch weer uitliep op een brede weg. Met het oog op de doperse context van deze afscheidsbundel, zal daarbij ook aandacht besteed worden aan het doperdom, dat een zeer geringe aantrekkingskracht op de Goudse bevolking lijkt te hebben gehad.

Naar één protestantse stadskerk

In de zestiende eeuw had Gouda de naam conservatief te zijn, dus pro-Spaans en pro-katho­liek. Landvoogdes Margaretha van Parma rekende de stad tot de ‘bonnes villes’ en ook koning Philips II prees haar standvastigheid. Beiden hadden ook weinig reden tot klagen. De torenhoge belastingen werden, weliswaar met gezonde tegenzin, getrouw afgedragen en de kritiek op de Katholieke Kerk kwam slechts van enkelingen, die resoluut door het stadsbe­stuur tot de orde werden geroepen. De Beeldenstorm van 1566 ging aan Gouda voorbij, mede omdat het stadsbestuur tijdig voorzorgsmaatregelen trof. Van het bestaan van een heimelijke gereformeerde gemeente viel geen spoor te bekennen en voor het overige bestond er onder de Gouwenaren ook weinig sympathie voor de reformatie, hetgeen valt af te leiden uit het kleine aantal van zes veroordeelden door de Raad van Beroerten.[1]

Hoewel beperkt in omvang, inquisitie en repressie lieten zelfs in een ‘brave’ stad als Gouda hun sporen na. Wederdopers, door machthebbers gevreesd wegens hun radicalisme, ontkwa­men ook hier niet aan vervolging. Kort na de mislukte aanslag van 10 mei 1535 op het Amsterdamse stadhuis, toen er overal in Holland hard werd opgetreden tegen dopers, stierven er ook twee van hen op het schavot in Gouda. Zeven jaar later zorgde Mariken Simonsdr voor veel beroering in de stad, door tijdens haar proces te beweren dat diverse vooraanstaande Gouwenaars haar ketterse opvattingen deelden. Pastoor Jan de Hamalia kwam zwaar onder vuur te liggen, omdat vermoed werd dat hij haar had aangezet tot het noemen van de namen. De beschuldigingen van Mariken werden uiteindelijk afgedaan als laster. Voordat zij in Den Haag op de brandstapel stierf, werd daarom eerst haar tong afgesneden.

In 1544 werden vijf vrouwen gearresteerd op beschuldiging van wederdoperij. Met hulp van een cipier konden – of wilden? – er drie onsnappen, doch de andere twee werden geëxecu­teerd. Drie jaar later vonden nog eens twee executies op het marktplein plaats, maar het is onduidelijk of het daarbij ook om dopers ging. Een van hen werd met het zwaard terechtge­steld wegens het verkopen van ketterse boeken, terwijl de ander op de brandstapel stierf wegens het verwerpen van het gezag van de kerk.

Diepe indruk maakte ten slotte de veroordeling en executie van de doopsgezinde Faes Dircksz., die in 1570 nadrukkelijk zelf om berechting vroeg. De magistraat voelde niets voor een terdoodveroordeling en trachtte hem uit alle macht te bewegen de stad te verlaten. Met assassijnse volharding weigerde Faes echter elke uitweg, die hem door het stadsbestuur werd geboden. Bij het voltrekken van het doodvonnis lieten vier magistraatsleden, onder wie twee burgemeesters, verstek gaan en ook bij vele anderen in de stad bestond grote afschuw over deze gebeurtenis. Dat het uiteindelijk toch tot een executie kwam, werd algemeen op het conto geschreven van de Goudse pastoor Jodocus Bourgeois.[2]

Ketterjager Bourgeois moest ondervinden dat de geesten in Gouda allerminst rijp waren voor geloofsvervolging. Al eerder, in 1566, had de Goudse vroedschap onomwonden uitgesproken dat niemand om zijn geloof ter dood gebracht mocht worden, zolang hij of zij de rust en vrede in de stad maar niet verstoorde. De basis voor deze stellingname moet gezocht worden in het bijbels humanisme, dat onder invloed van Gouda’s beroemste (bastaard)zoon Erasmus in de loop van de zestiende eeuw aansloeg bij toonaangevende kringen in de stad. Zijn vernieuwen­de ideeën over de bijbel hadden bijvoorbeeld onmiskenbaar hun uitwerking op de invloedrij­ke schepen en vroedschap Reinier Snoy en op Herman Lethmaet, de latere deken van Sint-Marie in Utrecht en schrijver van De instauranda religione (Over de vernieuwing van de religie).[3]

Gezien het ‘brave’ profiel van de stad, bestond er weinig reden om te verwachten dat juist Gouda als eerste grote stad van Holland de zijde van de opstandelingen zou kiezen. Toen op 21 juni 1572 een klein ongeregeld legertje van geuzen, onder aanvoering van jonkheer Adriaen van Swieten, voor de poorten verscheen, koos het stadsbestuur echter de zijde van de prins van Oranje, zonder dat er ook maar één schot gelost werd. Wel stelde de vroedschap enkele voorwaarden. De regenten wilden dat hun aloude privileges op het gebied van bestuur en financiën gerespecteerd zouden worden. Daarnaast eisten zij ‘dat over wedersijden wesen sal de liberteyt van den religie’. Geestelijken zouden met rust gelaten moeten worden en niemand mocht zich vergrijpen aan kerken of kloosters.[4] Voor de zekerheid gingen de deuren van de Sint-Jan voor geruimte tijd op slot en werd bewaking ingesteld. Het principe van vrijheid van godsdienst zou ook in de daaropvolgende decennia het belangrijkste uitgangs­punt vormen in de politiek van het Goudse stadsbestuur. Waar in veel andere Hollandse steden de rooms-katholieken zonder pardon naar het kerkelijk achtererf werden verbannen en de gereformeerden de positie van enige door de overheid erkende en bevoorrechte kerk konden innemen, trachtte Gouda een geheel eigen vorm van religieus compromis te bewerk­stelligen.

In december 1572 diende het stadsbestuur bij prins Willem van Oranje een verzoek in om de Sint Jan te mogen heropenen voor de katholieke religie ‘alsoe nyemant in syne gelove ofte consciëntie en behoert gedwonghen te syn’. Om echter ook de aanhangers van de reformatie in de stad tegemoet te komen, werd zware druk uitgeoefend op pastoor Cornelis Schoonhoven en zijn kapelaan Dirck Cornelisz de Bruyn om niet langer de volledige Heilige Mis te lezen, maar zich te beperken tot een predikatie zonder altaardienst.[5] Beiden weigerden resoluut elke medewerking aan zo’n liturgische tussenoplossing en werden daarom door de magistraat aan de kant gezet.[6]

De broze religievrede in de stad viel kort daarna geheel in duigen door bruut optreden van geuzenbendes en een Statenverbod op de openbare uitoefening van de rooms-katholieke religie in april 1573. Het Goudse bestuur bleven echter proberen door behoedzaam manoeu­vreren toch zoveel mogelijk inwoners van de stad onder één kerkelijk dak te verenigen, ook letterlijk, aangezien de stad – in tegenstelling tot veel andere steden – vanouds slechts over één grote parochiekerk beschikte. De kleine groep Goudse gereformeerden mochten rond april 1573 weliswaar bezit nemen van de Sint-Jan,[7] doch de stad weigerde ook nu nog steeds onvoorwaardelijk te kiezen voor Calvijn. Zij stemde uit politiek-pragmatische overwegingen in met de door de Staten van Holland formeel vastgelegde bevoorrechting van de gerefor­meerden, maar verklaarde nog in 1583 dat die gereformeerde leer slechts ‘bij conniventie ende provisie es aenghenoemen’, dus bij oogluiking en alleen maar voorlopig.[8]

Het binnenstedelijke beleid bleef gekenmerkt door een niet aflatend streven naar één publieke religie, onder handhaving van een volledige vrijheid van het individuele geweten en vrijwa­ring van iedere vervolging. Zij was daarbij niet gespeend van een zeker gevoel voor symbo­liek. Zo kreeg de weduwe van de eerder genoemde geëxecuteerde doper Faes Dircksz gratis de woning toegewezen, die voorheen had toebehoord aan de ketterjagende pastoor Bourgeois, de man die verantwoordelijk werd gehouden voor de dood van haar man.[9]

Het bleef voor het stadsbestuur echter niet bij symboliek. Zijn religiepolitiek vertaalde zich in de praktijk ook in een sterke bemoeienis met de gang van zaken binnen de protestantse gemeente. Het waren geen rechtzinnige, in Genève of Heidelberg opgeleide theologen, die met instemming van de regenten de kansel beklommen. De voorkeur ging onmiskenbaar uit naar oud-priesters en gewezen monniken, die scherpslijperij achterwege lieten, inmenging van de overheid in kerkelijke aangelegenheden duldden en geen hoge drempels voor deelna­me aan de twee overgebleven sacramenten (doop en avondmaal) opwierpen. Zij dienden aanvankelijk ook uit de buurt te blijven van de gereformeerde classes en synoden, omdat bemoeienis van deze kerkelijke vergaderingen met locale aangelegenheden niet getolereerd werd. Gouda was hierin consequent. Het weigerde in 1592 bijvoorbeeld studenten aan te wijzen voor het Statencollege, een predikantenopleiding die door de Staten van Holland werd gefinancierd. Als reden voerde de vroedschap aan dat zij ‘haer mette gepretendeerde gerefor­meerde religie noijt heeft begeert te conformeren’. De stad had dit nimmer gedaan, omdat zij onder alle omstandigheden de vrijheid van religie en consciëntie wilde handhaven.[10]

Het stadsbestuur ondernam ook pogingen het rooms-katholieke gedeelte van de bevolking te winnen voor zijn brede middenkoers. Zo weigerde Gouda diverse keren nadrukkelijk de anti-katholieke plakkaten van de Staten van Holland af te kondigen. De verbodsbepalingen werden van de hand gewezen uit afkeer van gewetensdwang.[11] Het meest duidelijk sprak het stadsbestuur zich hierover uit in 1594, toen een deurwaarder van het Hof van Holland ter plaatse kwam aandringen op uitvoering van de plakkaten. Hij kreeg te horen dat elke bemoei­enis van het gewestelijk gezag op dit punt werd afgewezen omdat Goudse bestuurderen ‘noijt en hebben verstaen dat overstemming int poinct van de religie sal plaetshebben, noch veel min dat yemandt in de vrijheydt sijnder consciëntie eenichsins soude werden beswaerdt ofte geïnquieteert’.

Maar ook op meer subtiele wijze werd getracht aanstoot bij het nog zo omvangrijke katholie­ke volksdeel te vermijden. Toen de vroedschap besloot de Delftse huwelijksordonnantie over te nemen, die het voor katholieken mogelijk maakte voortaan op het stadhuis te trouwen, liet zij in de tekst de door katholieken als beledigend ervaren aanduiding ‘papistige religie’ vervangen door ‘roomsche religie’.[12] Even opvallend is, dat de parochiekerk gewoon Sint-Jan bleef heten en niet – zoals elders – ‘ontheiligd’ werd aangeduid als Grote Kerk.

Een ander besluit van het stadsbestuur moet waarschijnlijk ook in dit licht gezien worden. Bij het overgaan van de kerk in protestantse handen was de herbeglazing van het koor van de Sint Janskerk met fraai gebrandschilderd glas nog niet geheel voltooid, terwijl ook de ramen in het schip nog blank glas bevatten. Door de zware lasten van de oorlog en een verwoestende pestepidemie ontbrak het aanvankelijk aan middelen om de glazeniers hun werk te laten voltooien. Toch wist het armlastige stadsbestuur in 1580 het beglazingsprogramma van het koor alsnog op creatieve wijze af te ronden. In dat jaar werd het Regulierenklooster aan de Raam afgebroken, dat enkele jaren eerder net als alle andere conventen in Holland op last van de Staten was gesloten. De gebrandschilderde glazen uit de kloosterkapel (vervaardigd in de jaren 1556-1559) bleven op bevel van de burgemeesters behouden.[13] In de jaren 1580-1581 werden deze glazen geplaatst in de twee nog niet ingekleurde ramen op het koor van de Sint-Jan. Daartoe werden de in totaal zeven glazen door de bekende Goudse glazenier Wouter Crabeth[14] samengevoegd tot twee ramen, waarin episodes uit de laatste levensfase, de opstan­ding en verrijzenis van Jezus van Nazareth werden afgebeeld. Deze compilatie betekende daarmee ook de picturale afronding van het verhaal van Jezus, zoals dat in samenhang met het leven van Johannes de Doper in de ramen van het koor verteld werd. Met de plaatsing van dergelijke ‘katholieke’ glazen, zeven jaar nadat de kerk was overgedragen aan de protestan­ten, gaf het Goudse stadsbestuur wederom een opmerkelijke inkleuring aan zijn politieke streven naar een brede volkskerk.

Jaren van bestendiging

In de jaren die volgden werd het fundament voor het milde religieuze klimaat in Gouda aanmerkelijk verstevigd. De magistraat vond in 1582, na enkele minder gelukkige keuzes, uiteindelijk in Herman Herbers – een gewezen monnik uit Groenlo – de ideale voorganger die een brede kring van gelovigen kon boeien en binden. Deze begenadigde kanselredenaar moest niets hebben van de voor de calvinisten zo belangrijke predestinatieleer. Herbers weigerde ook pertinent zijn gemeente op zondagen de Heidelbergse Catechismus in te scherpen, waarin de gereformeerde geloofsopvattingen op systematische wijze uiteengezet werden. In plaats van een dergelijke ‘papieren paus’ schreef hij zijn eigen ‘Goudsche Catechismus’, waarover een tegenstander smalend zei dat het een schoen was die iedereen paste.[15]

Het is maar zeer de vraag of de nu snel groeiende kerkgemeenschap in de Goudse Sint-Jan naar de maatstaven van die dagen gereformeerd genoemd mag worden. De argwaan van de synodes was in elk geval groot en werd nog groter toen Herbers in 1584 zijn denkbeelden uiteenzette in een Corte verclaringhe. De verschijning van dit boek betekende het begin van een slepende procedure, waarin van gereformeerde zijde getracht werd de omstreden Goudse predikant tot andere gedachten te brengen of anders uit zijn ambt te ontzetten. Door taktisch manouevreren, langdurig talmen en met actieve steun van het stadsbestuur wist Herbers echter alle synodale klippen te omzeilen en een afzettingsprocedure te ontlopen.[16]

Naast de kwestie Herbers kwamen ook steeds weer andere klachten over de kerkelijke praktijk in Gouda op de synodes ter sprake. Deze klachten wijzen in de richting van een sterk afwijkend kerkmodel. Stenen des aanstoots bleven vanzelfsprekend het achterwege laten van de verplichte catechismusprediking en het gebruik van het boek van Herbers in de kerk, maar in de Sint Jan werden ook andere voorschriften aan de laars gelapt. Blijkbaar werden er geen hoge eisen gesteld aan het kerklidmaatschap, stelde de kerkelijke tucht niets voor en mocht iedereen die dat wilde in principe deelnemen aan het Avondmaal. Ook in organisatorische zin oogstte Gouda kritiek, wegens de wijze waarop ouderlingen en diakenen bevestigd werden en de laksheid in het houden van kerkenraadsvergaderingen.[17]

Hoezeer de Goudse kerkelijke praktijk afweek van wat elders gangbaar was, blijkt ook uit reacties van nieuwkomers in de stad. Het oprukken van de Spaanse legers in de Zuidelijke Nederlanden, uitlopend op de val van Antwerpen in 1585, deed duizenden gereformeerden de wijk nemen naar het Noorden. Ook in Gouda vestigden zich talrijke Vlamingen, die zich hooglijk verbaasden over hetgeen zij vanaf de kansel te horen kregen. Zij staken hun wrevel hierover niet onder stoelen of banken en deden herhaaldelijk hun beklag bij de synodale gedeputeerden. In 1593 kreeg Herbers van hen het dringende advies het contact met de Vlaamse broeders niet te verliezen, ‘dewijle deselve oock sijne schapen waren’. De predikant maakte op zijn beurt de Vlamingen uit voor scheurmakers.[18] Het stadsbestuur realiseerde zich al vroeg dat de orthodox-calvistische nieuwkomers op termijn als splijtzwam binnen de eigen kerkgemeenschap konden gaan fungeren, doch slaagde er – zoals hierna nog zal blijken – niet in het zich snel uitbreidende Vlaamse machtsblok te neutraliseren.

Zorgde Herbers voor de kerkelijke inkleuring van het Goudse protestantisme, met mr. François Franck werd in 1583 een pensionaris aangetrokken, die de religiepolitiek van het stadsbestuur in de Staten in woord en geschrift uitstekend kon verdedigen.[19] Een gedegen verdediging was zeker nodig, omdat de stad regelmatig alleen stond tegenover de andere Hollandse steden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1585, toen Gouda zich lang verzette tegen de aanstelling van prins Maurits tot gouverneur, kapitein-generaal en admiraal van Holland en Zeeland. De afgevaardigden gingen pas over stag, nadat in de aanstellingsbrief werd vastge­legd dat de prins in religiezaken alles mocht doen om de goede vrede tussen de ingezetenen van de gewesten te bewaren,‘sonder nochtans yemant te onderzoucken ofte bedwingen in sijn consciëntie’. Dezelfde voorwaarde bracht pensionaris Franck namens zijn stad ook naar voren, toen in de Staten gesproken werd over de aanstelling van de graaf van Leicester als landvoogd.[20]

De faam van Gouda als voorvechter van tolerantie en gewetensvrijheid verspreidde zich in deze jaren snel. Het is veelzeggend dat Dirck Volckertsz Coornhert zijn bekende werk tegen de gewetensdwang, de Synodus van der Conscientien Vryheydt, in 1582 opdroeg aan het Goudse stadsbestuur.[21] Coornherts ‘lijfuitgever’ Jasper Tournay vestigde zich twee jaar later in Gouda, aangezien hij hier onbelemmerd een groot fonds met geschriften van vrijzinnige theologen kon uitgeven.[22] Zelfs werk van de omstreden doper David Joris, dat in deze tijd ook invloed had op libertijnen als Herman Herbers, kon bij hem van de persen komen. Omdat dergelijke geschriften elders door de gereformeerde kerk en overheid te vuur en te zwaard werden bestreden, liet Tournay zijn naam en de plaats van uitgifte overigens wijselijk onver­meld.

Ook andere libertijnen kwamen naar Gouda, aangetrokken door het bijzondere geestelijke klimaat. Een van hen was Erasmus Backer, de voormalige assistent van Hubertus Duijfhuis, een bekende Utrechtse overgangsfiguur tussen Rome en Reformatie.[23] Menig ‘libertijn’ zou hem in de jaren daarna nog volgen, zoals de coornhertist Gerardus Blockhovius. Ook Coorn­hert zelf vestigde zich uiteindelijk in Gouda, waar hij in 1590 overleed. Ter ere van deze dwarse denker en als provocatieve onderstreping van de eigen opvattingen tegenover het stadhouderlijk gezag, stuurde het stadsbestuur een week na diens overlijden tien exemplaren van het Proces vant ketterdoden ende dwang der consciëntiën naar prins Maurits.[24]

Niet alleen op geestelijk gebied beleefde de stad in de jaren tachtig van de zestiende eeuw een opleving.[25] Na twee decennia van oorlogsgeweld, pest en andere ellende bloeide de economie weer op en namen de inkomsten toe. In de jaren 1590-1593 werd hierdoor een grootschalige verbouwing van de Sint-Jan mogelijk, waarbij de middenbeuk dezelfde hoogte kreeg als koor en transept. Dat daarbij de stenen van afgebroken kloosters in de stad werden gebruikt, laat wederom zien dat het stadsbestuur niet alleen praktisch, maar ook symbolisch een brug wist te metselen tussen het katholieke verleden en het protestantse heden.

In dezelfde lijn paste evenzeer het besluit om het beglazingsprogramma van de Sint-Jan te continueren met een serie ‘protestantse’ glazen. In de periode 1594-1603 schonken alle belangrijke Hollandse steden een glas aan Gouda, evenals de Staten van Holland, het Hoog­heemraadschap Rijnland en de gezamenlijke steden van het Noorderkwartier. Protestants zijn de bedoelde glazen overigens slechts in zekere zin. Deze kwalificatie gaat op voor de periode waarin de ramen zijn vervaardigd. In de Sint-Jan voerden immers niet langer de rooms-katholieke geluiden de boventoon, maar werd het Woord Gods in milde protestantse toon verkondigd. Protestants zijn de glazen eveneens in wat zij niet langer laten zien, te weten portretten van in vroomheid verzonken schenkers of afbeeldingen van God, de Heilige Geest of heiligen. Het tweede gebod, dat het maken van gesneden beelden of enige gelijkenissen verwerpt, werd strikter dan voorheen geëerbiedigd.[26]

Hoewel de nieuwe serie glazen veel minder dan de ramen in het koor programmatisch een eenheid vormen, hebben zij echter vooral met elkaar gemeen dat elk raam een politieke boodschap uitdraagt. Het meest evident treedt dit aan het licht in het zogeheten Statenglas, in 1595 geschonken door de Staten van Holland. De thematiek, de Vrijheid van consciëntie, is zonder meer te beschouwen als een politieke beginselverklaring van de stad Gouda. De stadsbestuurders zou groot onrecht worden aangedaan, indien men de keuze voor dit thema louter zou bestempelen als een hommage aan de vijf jaar eerder in deze kerk begraven Coornhert.[27] Zoals we eerder zagen grepen de regenten vanaf 1572 immers iedere gelegen­heid aan om hun hang naar gewetensvrijheid uit te dragen. Bij geen enkel glas is het dan ook zo duidelijk, dat het stadsbestuur zelf de thematiek heeft bepaald, dan uitgerekend bij dit uit gewestelijke middelen betaalde raam.[28]

Wie de thema’s voor de andere glazen heeft uitgekozen is onduidelijk, maar gelet op de eigenzinnige koers van Gouda in de Staten mag aangenomen worden dat er geen ramen in de Sint-Jan zijn geplaatst die een voor het stadsbestuur onwelgevallige politieke of religieuze boodschap bevatten. Het valt dan ook op, dat zelfs de bijbelse thema’s uitstekend aansluiten bij de religiepolitiek van de stad. Immers: ook degenen die niet onmiddellijk konden voldoen aan de hoge calvinistische eis van levensheiliging – in de ramen verpersoonlijkt door de tollenaar, de overspelige vrouw en koning David – waren in Gouda welkom aan de Tafel des Heren.[29] In de belegeringsglazen van Delft en Leiden neigt het antwoord op de principiële vraag of de Nederlandse Opstand omwille van het geloof of omwille van de vrijheid was uitgebroken, nadrukkelijk naar het laatste.

De religiepolitiek van het stadsbestuur had ook consequenties voor de bewegingsvrijheid van gelovigen die zich, ondanks de lage drempels voor toetreding, niet wensten aan te sluiten bij de officiële stadskerk. De grootste groep ‘buitenstaanders’ bestond uit rooms-katholieken, die vanaf het verbod op hun godsdienstoefeningen in 1573 niet meer legaal bijeen mochten komen. Voor overtuigde katholieken zullen de symbolische maatregelen van het stadsbestuur en de ruimhartige theologische koers van Herbers en de zijnen geen aanleiding gevormd hebben het oude geloof vaarwel te zeggen. Zij vonden geestelijk onderdak bij verschillende priesters, die in woonhuizen provisorisch kerkzalen hadden ingericht. Na het gedwongen vertrek van pastoor Schoonhoven, die weigerde mee te werken aan gedekatholiseerde kerk­diensten in de Sint-Jan, werd zijn werk overgenomen door enkele andere priesters. Een belangrijke rol speelde Jan Cornelisz Pieck, over wie gezegd werd dat hij zijn kudde toehoor­ders gedurende zijn leven wist uit te breiden van vijftig tot vijfhonderd.[30]Aangezien het stadsbestuur de antikatholieke plakkaten naast zich neerlegde, werd deze priesters weinig tot niets in de weg gelegd.

Naast de katholieken hielden nog meer andersdenkenden zich afzijdig van de mild-reformato­rische stadskerk. Opvallend daarbij is echter dat slechts sporadisch melding wordt gemaakt van doopsgezinden, terwijl zij in andere Hollandse steden al in een vroeg stadium gemeenten van aanzienlijke omvang wisten te vormen. Wanneer de doopsgezinden in Gouda hun eerste gemeente hebben gesticht valt niet meer na te gaan. Meldingen daarover dateren pas vanaf het begin van de zeventiende eeuw. Ook de aanhangers van het lutheranisme waren lange tijd te gering in aantal om over te gaan tot gemeentevorming. Beide waarnemingen moeten waarschijnlijk beschouwd worden als een min of meer logisch uitvloeisel van de geringe sympathie die vanouds in Gouda bestond voor reformatorische bewegingen en een indicatie dat het streven naar een brede stadskerk een rem zette op de groei van andere kerkgenoot­schappen..

Een in omvang niet te onderschatten aantal inwoners van Gouda wenste zich echter (nog) niet te binden aan enig kerkgenootschap. De Delftse dominee Reijnier Donteclock omschreef deze groep in een strijdschrift tegen de kerkelijke praktijk in Gouda als ‘de aldergrootste seckte’ in den lande, bestaande uit lieden die volgens hem geen werk maakten van de uiterlij­ke religie. Tot deze ‘sekte’ rekende hij tal van vrijgeesten, die zich lieten inspireren door de geschriften van vrijdenkers als David Jorisz, Sebastiaen Castellio, Sebastiaen Franck en Coornhert. Maar ook de zogeheten liefhebbers van de gereformeerde religie, dat wil zeggen mensen die wel naar de preken in de gereformeerde kerk kwamen luisteren maar geen belij­denis wilden afleggen, waren in de beleving van Donteclock ‘neutralisten’ en ‘indifferenten’ die de ware religie verzaakten.[31] Met zijn kritiek bevestigde de Delftse dominee feitelijk, dat kerklidmaatschap in de praktijk van die dagen – en zeker in Gouda – bovenal een individuele keuze was.[32]

Van Gouds vrijzinnig naar remonstrants

Het kostte de Sint-Jansgemeente grote moeite om naast Herman Herbers gelijkgezinde predikanten te krijgen en te behouden, die hem konden bijstaan in het werk voor de snel groeiende schare gelovigen. Het langst bleef nog Evert Woutersz Bommelius, doch hij verschilde op den duur zozeer van mening met Herbers, dat hij het ‘niet harden en konde’. De Goudse vroedschap bleef ook in deze kwestie weer pal achter Herbers staan en besloot in 1591 een einde aan de onenigheid te maken door Bommelius op non-actief te stellen, met behoud van zijn salaris.[33] Het vinden van een opvolger nam veel tijd in beslag, mede omdat het stadsbestuur geen gebruik wenste te maken van het reguliere aanbod van theologiestuden­ten uit het Statencollege. In 1595 leek men in de oud-pastoor van Genderen, Johannes Andeli­us, dan toch eindelijk een geschikte assistent voor Herbers gevonden te hebben. Deze hield het twee jaar later echter alweer voor gezien, omdat hij – naar eigen zeggen – niet ‘de gehele waarheid’ mocht leren.[34]

Door een gelukkig toeval en een gecalculeerd risico kon de Goudse gemeente echter toch nog net voor het ingaan van de zeventiende eeuw over voldoende predikanten beschikken. Het toeval betrof Harboldus Tombergius, een door de jezuïeten opgeleide theoloog uit Duitsland, die uiteindelijk had gekozen voor het lutheranisme. Hij reisde in 1598 door Holland om er in diverse plaatsen te luisteren naar de predikaties. Wat hij hoorde kon hem maar weinig boeien, tot hij aan boord van een veerschuit een koopman zag lezen in de Corte verclaringhe van Herbers. Hij las over diens schouder mee en raakte zodanig in de ban van het boekwerk, dat hij het van de reiziger probeerde te kopen. Deze voelde daar weinig voor, maar na bemidde­ling van omstanders was de koopman toch bereid het kleinood af te staan. Tombergius las het boek, herlas het en begon een correspondentie met Herbers. Hun ideeën sloten zozeer op elkaar aan, dat Herbers besloot hem naar Gouda te halen.[35]

Korte tijd later keerde ook Herbers’ zoon Theodorus (Dirck) naar Gouda terug, die vanaf 1595 was klaargestoomd voor het predikambt in het voorheen zo door de Vroedschap verma­ledijde Statencollege. Blijkbaar werd erop vertrouwd dat hij als zoon van de Goudse stadspre­dikant ook in Leiden zou vasthouden aan de theologische opvattingen van zijn vader.[36] Wel zou senior later gekschertsend hebben opgemerkt dat Dirck tijdens zijn studie toch teveel van het ‘calf’ (Calvijn) gegeten had, een woordspeling op het naar zijn mening te calvinistische karakter van de Leidse theologieopleiding.[37]

Het overlijden van Herbers senior in 1607 betekende een zware slag voor de stadsgemeente. Gedurende een kwart eeuw had hij persoonlijk vorm gegeven aan de bijzondere kerkelijke koers van Gouda en het leek niet eenvoudig een opvolger te vinden van vergelijkbare statuur. Toch zou de opvulling van de vacature ditmaal niet lang op zich laten wachten. De kritiek die in Gouda vanouds was gespuid op belangrijke onderdelen van de gereformeerde leer, was inmiddels ook aan de oppervlakte gekomen tijdens theologische debatten aan de Leidse universiteit tussen de hoogleraren Arminius en Gomarus. Met name rond het vraagstuk van de predestinatie liepen de emoties hoog op, waarbij verschillende studenten en predikanten zich achter eerstgenoemde hoogleraar schaarden, die een minder stringente interpretatie van dit leerstuk voorstond. Uit deze groep van rekkelijken wist Gouda met Eduardus Poppius een jonge en talentrijke predikant aan te trekken, die de gemeente op de door Herbers ingeslagen weg zou kunnen voorthelpen; een gemeente waar men volgens een anonieme klager op dat moment ‘geenen catechismus en predicte, noch oock niet van Calvinus’ predestinati’ en ‘het woort erfsonde niet gaerne en hoorde’.[38]

Het theologische conflict over de predestinatie zou weldra ook buiten Leiden in alle hevig­heid losbarsten. De strijd kreeg in 1610 een politieke dimensie, toen aanhangers van de inmiddels overleden Arminius onder leiding van Johannes Wtenbogaert in een remonstrantie de hulp inriepen van de Staten van Holland. Dit verzoekschrift werd zeer waarschijnlijk opgesteld tijdens een bijeenkomst in Gouda en de drie stadspredikanten zijn terug te vinden in de lijst van 44 ondertekenaars. De gemeente belandde daarmee in het remonstrantse of arminiaanse kamp, terwijl de gomaristische tegenstanders zich verenigden als contraremon­stranten.

In de daaropvolgende jaren toonden de Goudse predikanten zich in woord en geschrift als gedreven voorvechters van de remonstrantse zaak. De eerste die in deze strijd de ganzenveer ter hand nam was Tombergius, met zijn in 1612 verschenen Cleyne zandtberch. Veel opzien baarde Poppius in 1616 met het boek D’Enge poorte, dat een even grote verspreiding als felle bestrijding vond. Herbers junior schreef een Cort ende claer bewijs (1617), waarin hij zijn verbazing uitte over de afkeer bij velen van een discussie over de predestinatie, die immers de waarheid aan het licht zou brengen en volgens hem niet tot een scheuring hoefde te leiden. Het antwoord op zijn oproep tot verzoening was een ongemeen felle reactie van de toen nog vrij onbekende predikant-dichter Jacobus Revius.[39]

Echter ook anderen uit het remonstrantse kamp kregen volop de gelegenheid om vanuit Gouda hun denkbeelden te verspreiden. Toen de benoeming van de Steinfurtse theoloog Conradus Vorstius als opvolger van Arminius in Leiden op het laatste moment geen doorgang vond wegens twijfels over zijn rechtzinnigheid, vond hij – geheel in lijn met de eerdere gang van zaken rond Coornhert – een gastvrij onthaal in Gouda. Vorstius werd ervan beschuldigd een sociniaan te zijn; iemand die de Goddelijke Drieëenheid loochende. Gedurende de zeven jaar dat hij in Gouda woonachtig was, trachtte hij deze beschuldigingen in een reeks van boekwerken te weerleggen.[40] De slechte naam die Gouda reeds lang had bij orthodoxe calvi­nisten werd door dit alles alleen nog maar bevestigd. De theoloog Festus Hommius sprak in 1612 dan ook over de stad als het nest der ketters,‘Goudam haereticorum’.[41]

Het einde van de Goudse weg

Veruit de meerderheid van de reformatorisch gezinde Goudse burgers ondersteunde de remonstrantse koers van het stadsbestuur en de predikanten. Toch was er wel degelijk ook sprake van oppositie, die net als in de dagen van de oude Herbers vooral gezocht moest worden in kringen van Vlaamse immigranten. Zij hadden zich als rechtzinnig gereformeerden nooit thuisgevoeld in de Sint-Janskerk en zochten op den duur hun heil bij dominees in omringende plaatsen als Moordrecht en Haastrecht. De groep ontevredenen bestond inmid­dels uit een kleine veertig personen, toen zij begin 1615 besloot een dolerende (afgescheiden) gemeente te vormen, compleet met ouderlingen en diakenen, die eigen kerkdiensten ging houden binnen de stadsmuren.

In september van hetzelfde jaar kwam het stadsbestuur in het geweer tegen deze geheime ‘conventiculen van de predestinatuers’. Uit verhoren bleek dat ten huize van de Vlaamse tapijtwever Louris Vrecke aan de Spieringstraat regelmatig gepreekt werd door de leerling-predikant Johannes Sophianus. De Goudse dolerenden erkenden steun te ontvangen uit de contraremonstrantse centra Amsterdam en Dordrecht, van waaruit zij ook geattendeerd waren op de genoemde, uit Brussel afkomstige voorganger. Sophianus werd vervolgens ook op het stadhuis ontboden en kreeg een preekverbod opgelegd.

Een week later probeerden de dolerenden toch weer een kerkdienst te houden, nu in een kamer aan de Gouwe. De stadsbestuurders waren echter onverbiddelijk en lieten de kerkzaal dichttimmeren, ondanks tegenwerpingen dat zij zich daarmee zelf schuldig zouden maken aan de door hen zo verafschuwde‘dwangh in de consciëntie’. De banken werden overgebracht naar de Agnietenkapel, maar de onkosten kregen de dolerenden van stadswege vergoed, omdat zij beloofden geen heimelijke conventikels meer te zullen houden. Lang zouden zij zich echter niet gedeisd houden, want al spoedig vonden er toch weer kerkdiensten plaats. De kleine groep orthodoxe gereformeerden maakte het zichzelf echter niet gemakkelijk, omdat zij door onenigheid over de te volgen koers rond Kerst 1615 in twee kampen uiteenviel.[42]

In de luwte van het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten, dat ook in Gouda de gemoederen volledig in de ban hield, slaagden de rooms-katholieken erin een stevig fundament te leggen voor een vernieuwde kerkelijke infrastructuur. Door de tolerante opstel­ling van het stadsbestuur hadden de katholieken tot dan meestentijds min of meer ongehin­derd hun werk kunnen doen. Alleen tegen het einde van de zestiende eeuw zorgde een nieuwe baljuw, Dirck Pietersz, voor spanningen. Hij liet een van de priesters, Gerrit Aertsz, uit de stad verbannen en begon geld te vragen voor zijn bereidheid om af te zien van vervolgingen. In de jaren 1597-1598 werden de protesten tegen deze onderdrukking verwoord in enkele ongemeen fel getoonzette ‘paskwillen’ (vlugschriften). Met het aantreden van de gematigde baljuw Dirck Cornelisz Schaep in 1601, keerde ook voor de Goudse katholieken de tolerantie terug.[43]

De oude garde van priesters, die zorg had gedragen voor continuering van de zielzorg in de eerste moeilijke decennia na het verlies van de Sint-Janskerk, werd in de roerige Bestandsja­ren afgelost door een nieuwe generatie. Deze jonge priesters, opgeleid in de contra-reformato­rische geest van het Concilie van Trente, werkten met voortvarendheid aan het herwinnen van het katholieke zelfvertrouwen. Pastoor Pieck droeg zijn taak over aan Petrus Purmerent, die in 1615 naar Gouda werd gestuurd. Een jaar eerder vestigde zich de eerste jezuïet in de stad, Petrus Maillart, die met missionaire ijver en in felle concurrentie met de wereldlijke geestelij­ken de aan de reformatie of anderssins verloren zielen trachtte te herwinnen.[44]

Intussen liep de gereformeerde kerkstrijd naar een apotheose, die de nog jonge Republiek op de rand van een burgeroorlog bracht. De verwevenheid van theologische verschillen met politieke standpunten, verklaart waarom ook in Gouda het stadsbestuur steeds driester te werk ging om de eigenheid van de Goudse kerk te bewaken. Begin 1617 kwam de magistraat er achter, dat de Goudse contraremonstranten een verzoekschrift hadden overhandigd aan de Staten van Holland en prins Maurits, waarin zij verzochten om een eigen openbare kerk en een predikant voor hun dolerende gemeente. De prins accepteerde het rekest – dat was opge­steld met steun van en in afstemming met andere dolerende gemeenten in Holland – en verzocht het stadsbestuur om nadere informatie.

Magistraat en vroedschap reageerden furieus, ook al omdat tegelijk duidelijk werd dat het verbod tot het houden van clandestiene kerkdiensten aan de laars werd gelapt. Twee van de aanstichters, David Truijen en Dirck Geduldich, kregen opdracht binnen 24 uur uit de stad te vertrekken, terwijl drie anderen werden ontpoorterd, waarmee ze feitelijk brodeloos werden gemaakt.[45] De gestraften tekenden bezwaar aan tegen de vonnissen bij het Hof van Holland. Ter zitting maakten de afgevaardigden van de magistraat, De Lange en Cool, nog eens duide­lijk dat Gouda ‘de generale reformatie van de religie deser landen nooit hadde aengenomen’, maar vanaf 1572 een geheel eigen religie had gekend. Volgens de beide heren waren het louter vreemdelingen, die thans problemen maakten.[46] Deze laatste bewering was niet ver bezijden de waarheid, aangezien een analyse van de dolerende gemeente een grote oververte­genwoordiging van Vlamingen laat zien. Het terugdraaien van de strafmaatregelen was voor het stadsbestuur dan ook niet aan de orde.

Na overleg met prins Maurits bepaalde het Hof dat de verbannen contraremonstranten naar hun woonplaats mochten terugkeren, mits zij zich voortaan zouden onthouden van gods­dienstoefeningen. Gewapend met deze uitspraak waagde Dirck Geduldich zich op Paasavond 1617 weer binnen de stadsmuren. Drie dagen later werd hij echter door de schout met veel aplomb weer buiten de Tiendewegspoort gezet, omdat de magistraat weigerde het oordeel van het Hof te erkennen.[47] De Goudse dolerenden resteerde vervolgens niets anders dan geduld te betrachten, totdat de politieke en kerkelijke strijd op landelijk niveau beslist zou zijn.

Tot het laatst toe bleef Gouda zich in de Staten van Holland verzetten tegen het houden van een nationale synode ter beslechting van de theologische geschillen. Gegeven de verhouding­en in de Republiek zouden de remonstranten op zo’n landelijke kerkvergadering onvermijde­lijk het onderspit delven. Het standpunt van de vroedschap bleek echter op den duur onhoud­baar, zeker nadat de politieke beschermheer van de remonstranten, raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt, wegens hoogverraad was gearresteerd. De Goudse regenten moesten nu vrezen voor hun eigen politieke lot, aangezien prins Maurits met een gerichte strategie overal de remonstrantsgezinde stadsbestuurderen liet vervangen. Ondanks beweringen van de prins dat Gouda een ander geval zou zijn, kwam hij op 1 november 1618 toch persoonlijk naar het stadhuis om de wet te verzetten.[48]

Maurits had zijn prinselijke hielen nog niet gelicht of uitgerekend drie nieuw door hem op de kussens gebrachte regenten dienden bij het stadsbestuur een verzoek in om de Gasthuiskerk ter beschikking te stellen van de dolerenden, in afwachting van de uitkomst van de nationale synode, die weldra in Dordrecht bijeen zou komen. Het verzoek werd ingewilligd, terwijl ook de straffen van Dirck Geduldich en zijn contraremonstrantse medestanders werden terugge­draaid. De dolerenden kerkten vervolgens nog bijna een jaar in de kapel van het Catharina­gasthuis. De bekende orthodoxe predikant van Heusden, Gisbertus Voetius, verzorgde er op tijdelijke basis de diensten, maar begin 1619 meende de kleine gemeente Simon de Bels als eigen predikant te kunnen aantrekken. Zijn kandidatuur stuitte echter op grote bezwaren van de classis. Zij was van mening dat De Bels niet de aangewezen persoon was om de vele tegenstanders in de stad het zwijgen op te leggen. De nieuwe predikant zou van uitzonderlijk niveau moeten zijn, aangezien de stad altijd ‘het rattenest ende den dreckwaghen van alle ketterijen’ was geweest. De moeilijke taak werd uiteindelijk wel toevertrouwd aan Batholo­meus Nicolai Piscator, die in april van dat jaar zijn intrede deed als – voorlopig – vierde predikant.[49]

Het lot van de drie andere Goudse predikanten werd korte tijd later bezegeld op de synode in Dordrecht. Poppius en Tombergius weigerden het predikambt neer te leggen en werden daarom – met een aantal eveneens ter synode veroordeelde medebroeders – op boerenkarren geladen en buiten het territorium van de Republiek gebracht. Dirk Herbers was zo geliefd bij de Goudse burgerij, dat het stadsbestuur het ergste vreesde wanneer ook hij zou worden verjaagd. Uiteindelijk werd hij echter toch afgezet en konden de contraremonstranten de Sint Jan in bezit nemen.

Voor de overname van de kerk zond de synode de Delftse predikant Gideon Sonneveldt naar Gouda, die op 28 juli 1619 met een preek de gereformeerde overwinning moest beklinken. Het zou een zeer rumoerige zondag worden. Ondanks de aanwezigheid van talrijke geestver­wanten van elders – de meesten Vlamingen uit Leiden – slaagde de predikant er niet in zich verstaanbaar te maken door het lachen, roepen en zingen van tegenstanders. Stenen vlogen tegen de kerkdeuren, er werd geschoven met kerkbanken en anderen wierpen tijdens de preek een hond tussen het volk, om ‘door sijn gejank het gehoor te verdoven’. Slechts met de grootste moeite wist Sonneveldt de dienst ten einde te brengen, doch op advies van de magi­straat zag hij af van de middagpredikatie. In plaats daarvan verliet de Delftse dominee ijlings de stad, in de wetenschap dat hij zijn missie ondanks alle rumoer tot een goed einde had gebracht.[50] De Sint-Jan was in het bezit gekomen van de dolerende gemeente, die daarmee als zodanig ophield te bestaan. Vanaf dat moment had Gouda voor het eerst officieel een calvinistisch-gereformeerde gemeente en waren de remonstranten op hun beurt gedoemd tot een clandestien en opgejaagd bestaan.

Van smal naar breed

Het aantal gelovigen dat door de machtsgreep van de relatief kleine groep orthodox-gerefor­meerden kerkelijk dakloos was geworden, beliep in Gouda aanvankelijk in de duizenden. Zij bleven echter niet lang verstoken van geestelijke leiding. De bediening werd verzorgd door verschillende rondtrekkende remonstrantse predikanten, die op tal van plaatsen in en rond de stad opdoken om er predikaties te houden en de sacramenten te bedienen. Daarbij werd hen aanvankelijk weinig in de weg gelegd door de Goudse justitie, aangezien baljuw Schaep er weinig voor voelde zijn geestverwanten van weleer te vervolgen. Met de ingreep van prins Maurits in de samenstelling van het stadsbestuur waren de geesten nog lang niet rijp voor een zuivering van het Goudse ‘ketternest’. Pas nadat Ernst Casimir een jaar later in opdracht van de stadhouder een nieuwe wetsverzetting had doorgevoerd en baljuw Schaep in november 1620 was vervangen door Anthony Cloots, maakte het vernieuwde stadsbestuur serieus werk van de bestrijding van andersgezinden.[51]

Cloots kwam niet voort uit de Goudse regentenstand, maar werd uit Dordrecht gehaald. Zonder rekening te houden met bestaande verhoudingen of gevestigde reputaties trok hij onverwijld ten strijde tegen de massaal bezochte bijeenkomsten van de remonstranten, die immers bij wet verboden waren. Te zamen met onderschout Hendrick Cunderturff en zijn rakkers verstoorde hij menige samenkomst, waarbij betrapte aanwezigen hoge boetes kregen opgelegd. Personen die gelegenheid gaven voor het houden van kerkdiensten of onderdak verschaften aan remonstrantse predikanten, konden rekenen op nog forsere straffen.

Het vasthouden aan het remonstrantisme was daardoor in Gouda vanaf 1620 verre van ge­makkelijk. In plaats van een comfortabele gang naar de Sint-Janskerk, moesten de gelovigen voortaan bij nacht en ontij op weg naar afgelegen plaatsen, waar – dikwijls in de open lucht – de preek aanhoord kon worden. Steeds moesten zij daarbij op hun hoede zijn voor overvallen van de baljuw en liepen zij de kans zwaar gestraft te worden. Het mag dan ook geen verwon­dering wekken dat veel Gouwenaars een dergelijke keuze voor de kerkelijke illegaliteit niet wilden of durfden maken. Waar te nemen is in elk geval, dat velen naar verloop van tijd terugkeerden in de Sint-Jan, het veranderde geestelijke klimaat op de koop toenemend. Het aantal remonstrantsgezinden slonk zo in tien jaar tijd van enige duizenden naar een paar honderd gelovigen.

Het einde van de Goudse tolerantie – geëffectueerd door de als houwdegen fungerende baljuw Cloots, met steun van de door prins Maurits in het zadel geholpen nieuwe politieke elite – had onvermijdelijk ook gevolgen voor de bewegingsvrijheid van de andere religieuze gezindten in de stad. Zelfs voor de kleine groep doopsgezinden was het nu moeilijk een plek te vinden voor hun bijeenkomsten. Toch moest de gereformeerde kerkenraad in 1624 tot zijn schrik constateren dat deze mennonieten in aantal groeiden en bezig waren een woonhuis, genaamd ‘Den Dreckwaghen’ – hoe toepasselijk gelet op het voorafgaande –  te verbouwen tot een vermaning. Er zijn geen aanwijzingen dat het door de gereformeerden gevraagde ingrijpen door justitie heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor de klachten over twee volwassend­open in een sloot aan de Ommelandse Kade, die in 1657 tot verontwaardiging van de gerefor­meerden werden toegediend door de doperse vermaner Robbert Sam.[52]

De overgeleverde informatie over activiteiten van de doopsgezinden in de zeventiende eeuw is voor het overige zeer summier. Zeker is slechts, dat de gematigde doopsgezinde richting van de Waterlanders, die zich keerde tegen een strenge banpraktijk, in Gouda het sterkst vertegenwoordigd was. Gelet op het libertijnse verleden van de stad wekt dit geen verwonde­ring. De Waterlanders hadden in 1636 een eigen gemeente en in 1643 kerkten zij op het Verbrande Erf aan de Groeneweg. In 1656 werd deze plek verruild voor een schuilkerk aan de Turfmarkt. Tien jaar later werd ook gewag gemaakt van de kort tevoren verenigde Vlaamse, Friese en Hoogduitse doopsgezinden, doch rond 1700 was het kerkgebouw van deze strengere richting aan de Koestraat verdwenen door een samengaan met de Waterlanders.[53]

De Goudse gereformeerde gemeente zelf leek met de omwenteling in rimpelloos calvinistisch vaarwater te zijn beland. Voor het eerst werd serieus werk gemaakt van de catechismuspredi­king, waarbij aan het licht kwam dat de onwetendheid over de gereformeerde leer bij veel gemeenteleden nog groot was. Vandaar dat de kerkenraad in 1622 besloot nieuwkomers uitvoerig te onderwijzen in Udemans’ Cort ondersouck, voordat zij hun geloofsbelijdenis mochten afleggen. Het Heilig Avondmaal, dat vier maal per jaar werd bediend, was alleen toegankelijk voor lidmaten van een onbesproken gedrag. Om ontheiliging van de Avond­maalsgemeenschap door onwaardige deelnemers tegen te gaan, werd voortaan serieus werk gemaakt van de kerkelijke tucht. Sommige lidmaten moesten erg wennen aan deze verregaan­de bemoeienis van de kerkenraad met hun alledaagse leven. Toen een van hen de toegang tot het Avondmaal werd ontzegd wegens wangedrag, maakte hij de ouderlingen uit voor zeero­vers, die hij liever van achteren dan van voren zag.[54]

Dominee Bernardus Nicolai wierp zich bij dit alles op als de felste pleitbezorger van de gereformeerde religie. In woord en geschrift ondersteunde hij de pogingen van baljuw Cloots om het remonstrantisme uit de stad te bannen. In een pamflet nam hij de handschoen op tegen de populaire Poppius, die ook na zijn afzetting nauwe contacten onderhield met zijn gemeen­te.[55] Nicolai viel verder op door zijn rechtzinnige preken en nam vaak het voortouw bij initiatieven om de magistraat te bewegen tot maatregelen tegen tal van ongewenste zaken binnen en buiten de kerk. Zo werd er op het stadhuis geklaagd over dansen en overmatig drinken in de herbergen, de prostitutie, het ongehuwd samenwonen, ontheiliging van de zondag en heimelijke activiteiten van katholieke priesters. Daarnaast wist de kerkenraad gedaan te krijgen dat het stadsbestuur aan de kerkmeesters, die namens de overheid zorgden voor het beheer van de kerkelijke goederen, opdracht gaven aanstootgevend geachte afbeel­dingen van God de Vader en de Heilige Geest te verwijderen uit de gebrandschilderde ramen van de Sint-Jan.[56]

De op deze wijze voortvarend ter hand genomen disciplinering van kerk en stadsbevolking in de geest van Calvijn zou door diverse oorzaken evenwel al snel afgeremd en gehinderd worden. Met de terugkeer van veel Gouwenaren die de Sint-Jan de rug toe hadden gekeerd bij de ontmanteling van de vrijzinnige stadsgemeente, werd de harde kern van orthodox-gerefor­meerden geleidelijk aangevuld met gelovigen die minder streng in de leer waren en een gematigder koers voorstonden. Daarmee raakte Gouda nu wel op een gereformeerde weg, doch deze was al snel weer veel breder dan de fanatiekste pleitbezorgers van het orthodoxe calvinisme voor ogen stond.

Gepubliceerd in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek, P. Visser, R. Winsemius (red.), Balanceren op de smalle weg. Liber Amicorum voor Kees van Duin, Alle Hoekema en Sjouke Voolstra, Zoetermeer 2002, p. 123-145.

Dr. Paul H.A.M. Abels (1956) is opvolger van prof. dr. S. Voolstra als voorzitter van de Vereniging voor Neder­landse Kerkgeschiedenis (VNK). Verder is hij eindredacteur van het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiede­nis en van diverse VNK-bundels. Hij promoveerde in 1994 op een onderzoek naar de reformatie in Delft en Delfland en schreef diverse artikelen over onder meer kerk, folklore en boekdrukkers in Twente, Utrecht, Bent­heim en Gouda. In 2002 verschijnen van zijn hand bijdragen aan de Geschiedenis van Holland, de stadsgeschie­denis van Gouda en een RGP-uitgave van de acta van de classis Delft en Delfland.


[1] Zie voor de episode tot 1588 vooral het voortreffelijke werk van C.C. Hibben, Gouda in Revolt. Particula­rism and Pacifism in the Revolt of the Netherlands 1572-1588 (1983).

[2] Het volledige vonnis is te vinden bij A.A.J. Rijksen, Gespiegeld in kerkeglas. Hollands leed en vreugd in de Glasschilderingen van de St. Janskerk te Gouda (Lochum z.j. [1947]) 166. Bijzonderheden ook in SAHM, collectie varia, 1(28) fol.30-31r. In romanvorm is de gebeurtenis verwerkt door A. Egginksz, Ewiet Gerritsz., de Goudsche chirurgijn en zijn woelige omgeving (Gouda z.j.).

[3] Zie voor een diepere analyse van de invloed van het humanisme op deze stad de bijdrage van Koen Goudriaan in de dit jaar (2002) te verschijnen Stadsgeschiedenis van Gouda.

[4] Streekarchief Hollands Midden (SAHM), Oud Archief Gouda (OAG), inv.nr. 45: vroedschapsboek d.d. 21-6-1572.

[5] SAHM, OAG, inv.nr. 2827, 23-12-1572 en 24-12-1572.

[6] SAHM, OAG, inv. nr. 45, vroedschapsboek d.d. 14-12-1572, 8-1-1573 en 14-1-1573. Zie ook Hibben (1983) 86-89.

[7] J.G.J. van Booma, ‘Gouda van Rome tot Reformatie. Een bijdrage tot de oudste geschiedenis van de Her­vormde Gemeente te Gouda’, in: P.H.A.M. Abels, N.D.B. Habermehl e.a. (red.), In en om de Sint Jan. Bijdragen tot de Goudse kerkgeschiedenis (Delft 1989) 46.

[8] SAHM, OAG, inv.nr. 46, vroedschapsboek d.d. 23-9-1583.

[9] Dit blijkt uit SAHM, OAG, inv.nr. 46, vroedschapsboek, d.d. 11-12-1581.

[10] SAHM, OAG, inv.nr. 46: vroedschapsboek d.d. 11-7-1592.

[11] Rijksen (1947) 232 noemt 1590, 1596 en 1602. SAHM, OAG, inv.nr. 46: vroedschapsboek d.d. 29-8-1594.

[12] SAHM, OAG, inv.nr. 45: vroedschapsboek d.d. 2-2-1577.

[13] Rijksen (1947) 189.

[14] Betalingen voor dit werk aan Wouter Crabeth zijn terug te vinden in de kerkrekeningen. Mededeling mevr. H.A. van Dolder-De Wit, archivaris van de Sint-Janskerk.

[15] Zie voor zijn religieuze opvattingen vooral J.L. van der Gouw, ‘Herman Herbers te Wezel’, in Abels, Habermehl (1989).

[16] BLGNP, III, 178-181. Zie ook A.J. van den Berg, ‘Herman Herberts (ca. 1540-1607) in conflict met de gereformeerde kerk’, in: C. Augustijn, P.N. Holtrop e.a. (red.), Kerkhistorische opstellen aangeboden aan prof.dr. J. van den Berg (Kampen 1987) 20-29; Van der Gouw (1989) en P.H.A.M. Abels (ed.), Ignatius Walvis’ Goudsche onkatolijke kerkzaken (Delft 1999) 40-52.

[17] J. Reitsma, S.D. van Veen (eds.) Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, II (Groningen 1893) 303. Zie ook Archief Hervormde Gemeente Gouda, inv.nr. 71/1: brief van de synode inzake invoering van de Heidelbergse Catechismus, daar Gouda dit weigerde, 1596.

[18] P.H.A.M. Abels, ‘Van Vlaamse broeders, Slijkgeuzen en Predestinateurs. De dolerende gemeente van Gouda’, in: Abels, Habermehl (1989) 76-77.

[19] J. Huges, Leven en bedrijf van Mr. Franchois Vranck (c.1555-1617). Pensionaris van Gouda. Lid van den Hoogen Raad (‘s-Gravenhage 1909).

[20] SAHM, OAG, inv.nr. 46: vroedschapsboek d.d. 16-12-1585 en 14-1-1586.

[21] D.V. Coornhert, ‘Synodus van der Conscientien Vryheydt’ (1582), in: D.V. Coornhert, Wercken, 3 dln., Amsterdam 1630, deel 2, fol. 31. Zie over de bijzondere relatie van Coornhert met Gouda: H. Bonger, Coornhert en Gouda (Gouda z.j.) en H.A. van Dolder-De Wit, Dirck Volkertsz. Coornhert in Gouda (Gouda 1989).

[22] P.H.A.M. Abels, ‘Spreekbuis voor dissenters. De drukkerij van Jaspar Tournay’, in: N.D.B. Habermehl, P.H.A.M. Abels (red.), In de stad van die Goude (Delft 1992) 221-262.

[23] Benjamin J. Kaplan, Calvinists and Libertines. Confession and Community in Utrecht, 1578-1620 (Oxford 1995) 157-164. Zijn verblijf in Gouda blijkt uit een brief in de collectie Arent Cornelisz. in het Archief van de Hervormde Gemeente Delft, berustend in het Gemeente Archief Delft.

[24] Abels (1992) 223-225; P.H.A.M. Abels, Vensters des hemels en vensters op de wereld. De ‘protestantse glazen’ als politiek manifest (Gouda 1999b) 11 en over Coornhert vooral: H. Bonger, Leven en werk van Dirk Volckertsz Coornhert. Amsterdam 1978 en de bundel van H. Bonger e.a. (red.), Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht. Zutphen 1989.

[25] Rijksen (1947) 197-226.

[26] L. Noordegraaf, ‘Gebrandschilderde glazen in de Sint-Laurenskerk’, in: Glas en glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint-Laurenskerk (Hilversum 1996) 80. Zie ook S. Groenveld, Haarlemse glasraamschenkingen. Stedelof tussen dominee, regent en koopman (Gouda 1998) 13.

[27] Zoals C. Coebergh-Surie, ‘Beglazing en vervaardiging. Geschiedenis van de beglazing’, in: Glans der Goudse Glazen. Conservering 1981-1989. Een geschiedenis van behoud en beheer (Gouda 1990) 19 en Rijksen (1947) 223. Deze gedachte lag ook ten grondslag aan het besluit om Coornherts grafsteen, die oorspronkelijk in het transept lag, bij de restauratie van de kerk in de jaren 1964-1980 te verplaatsen naar de voet het Statenglas; Van Dolder-De Wit (1989). Overigens betreft het niet de originele grafsteen – deze verdween na de val van de remon­stranten – maar een replica met onnauwkeurigheden in de inscripties: Abels (1999).

[28] Abels (1999b).

[29] Vgl. W. Janse, De grootsheid van de ootmoed, de kleinheid van de hoogmoed. Godsdienstig leven in Holland gespiegeld in drie Goudse Glazen van na de hervorming (1595-1601) (Gouda 1998) 17, 20.

[30] SAHM, Archief Oud-Katholieke Kerk inv.nr. 597: Ignatius Walvis, Goudsche en andere daartoe dienende kerk-zaeken, onder 1580. Dit geschrift van de Goudse jansenistische pastoor Walvis uit het begin van de achttiende eeuw is een belangrijke bron voor de stedelijke kerkgeschiedenis en zal in druk worden uitgegeven door de Historische Vereniging “Die Goude”. Zie over het belang van Walvis als geschiedschrijver: P.H.A.M. Abels, ‘ Ignatius Walvis (1653-1714)’, in: J.W.E. Klein, N.D.B. Habermehl (red.), Gouda in druk. Bibliografie van Gouda tot 1995, voorafgegaan door portretten van Goudse historici (Delft 1999c) 12-19.

[31] A.Ph.F. Wouters, P.H.A.M. Abels, Nieuw en ongezien. Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621, deel 1: De nieuwe kerk (Delft 1994), 242-243. Donteclock kwam tot deze beschrijving van het religieuze landschap in zijn Proeve des Gouschen Catechismij, dat in 1608 verscheen als reactie op de Goudse Catechismus, die een jaar eerder het licht zag.

[32] Vgl. J. Pollmann, Religious choise in the Dutch Republic. The reformation of Arnoldus Buchelius (1565-1641) (Manchester-New-York 1999) 101-103.

[33] SAHM, OAG, inv.nr. 46: vroedschapsboek, 10-12-1591.

[34] Abels (1999) 59.

[35] Abels (1999) 14-15.

[36] Zie: P.H.A.M. Abels, ‘Theodorus (Dirk) Hermansz. Herbers’, in: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme (BLGNP), deel 4 (Kampen 1998) 192-194.

[37]E. Poppius, Aenwijsinghe van de groote ende grove mis-slaghen D. Bartholomae Nicolai, contra-remon­strantsch predicant binnen ter Goude (z.pl. 1622) 11.

[38]A.Th. van Deursen, Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt (Assen 1974) 4.

[39]A.W.A.M. Budé e.a. (eds.) Jacobus Revius. Licht op Deventer. De geschiedenis van de provincie Overijssel en met name de stad Deventer. Boek 5 (1578-1619). (Hilversum 1995) 140-142.

[40] P.H.A.M. Abels, ‘Vorstius in Gouda, “het nest der ketters”‘, in: Tidinge van ‘Die Goude’ 6 (1988) 7-9; Paul Abels, ‘Das Arnoldinum und die Niederlande während seiner erste Blütezeit: Das Verhältnis einer Hassliebe’, in: 400 Jahre Arnoldinum 1588-1988. Festschrift (Greven 1988) 79-84.

[41] P.J. Wijminga, Festus Hommius (Leiden 1899) 136.

[42] Abels (1989) 76-79.

[43] X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 (Delft 1994) 124; J.W. Klein, ‘Twee Goudse paskwillen uit het eind van de zestiende eeuw’, in: De Schatkamer 11 (1997) 28-32.

[44] SAHM, Archief Oud-Katholieke Kerk inv.nr. 597: Walvis, Kerk-zaeken, onder 1615.

[45] Abels (1989) 79-81.

[46]ARA, Archief Hof van Holland, inv.nr. 279: ordonnantiën, resolutiën en notulen, 10-2, 20-2, 15-3, 17-3-1617.

[47] Abels (1989) 81-87.

[48] Abels (1999) 80-81. Zie ook SAHM, OAG, inv.nr. 47: vroedschapsboek, 26-10 en 1-11-1618.

[49] AHGG, Archief classis Gouda, inv.nr. 1: acta classis 16-1-1619.

[50] Abels (1999) 25 en 89-91

[51] SAHM, OAG, inv.nr. 48: vroedschapsboek, 30-12-1619 en 7-8-1620. Zie ook Abels (1999) 91-98.

[52]AHGG, archief Hervormde Gemeente, inv.nr. 1: kerkenraadsacta, 15-6-1624 en inv.nr. 3, 8-11-1657.

[53] Veerman (1972) 324-325. Zie ook SAHM, Collectie Kemper, inv.nr. 144.

[54]AHGG, archief Hervormde Gemeente, inv.nr. 1: kerkenraadsacta, 22-1-1622 en 5-10-1624.

[55]Het pamflet is getiteld: Clare ende noodwendighe antwoord B. Nicolai (…) op sekere ongefondeerde beschuldigingen, met dewelcke sijn persoon (…) teghens alle waerheyt beswaert wordt van d’Ed. Poppio (…) in eene sekere ghedruckte missive, ghesonden aen de remonstr. ghem. binnen der Goude, so hij die noemt, Gouda 1622.

[56]Abels (1999b) 16-17.

Dit bericht is geplaatst in Publicatie met de tags , . Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.