Een Kweekvijver met troebel water

vorstDe betekenis van het Arnoldinum te Steinfurt voor de Nederlandse en Bentheimse gereformeerde kerken in de jaren 1588-1618

Verschenen in Nederland en Bentheim. Die Niederlande und Bentheim. Vijf eeuwen kerk aan de grens. Fünf Jahrhunderte Kirche an der Grenze  (Delft 2003) p. 99-129 

Paul H.A.M. Abels

Inleiding

Het moet in het jaar 1610 zijn gebeurd. Een zakenman uit Westfalen sprak een Hollander aan en zei tegen hem: ‘jullie hebben ons destijds een schurftig schaap op het dak gestuurd, die ons in verderf en ellende heeft gestort’. Hij doelde daarbij op de wederdoper Jan van Leiden, wiens ideaal van een duizendjarig Godsrijk op aarde in 1535 te Münster in bloed was gesmoord. ‘Nu sturen wij jullie als vergelding een gortige Westfaalse vorst’, zo waarschuwde hij de man uit Holland. De spreker doelde met deze woordspeling onmiskenbaar op de Steinfurter theoloog Conradus Vorstius. Diens aanstelling tot hoogleraar in de theologie aan de universiteit van Leiden als opvolger van Jacobus Arminius maakte felle protesten los, omdat ernstig getwijfeld werd aan zijn gereformeerde rechtzinnigheid. De kwestie zou zich ontwikkelen tot een belangrijke katalysator in een hoog oplopend conflict binnen de gereformeerde kerken tussen rekkelijken (remonstranten) en preciezen (contra-remonstranten). Het was een conflict dat op den duur onontwarbaar verknoopt raakte met politieke tegenstellingen, waardoor de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden op de rand van een burgeroorlog werd gebracht. Zo bezien moet de genoemde zakenman over profetische gaven hebben beschikt. [1]

Of het gesprekje tussen de Westfaal en de Hollander daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of pas later is ontsproten aan de fantasie van degene die het heeft opgetekend, de felle contra-remonstrantse predikant en historicus Wilhelmus Baudartius [2], is voor dit betoog van ondergeschikt belang. Feit is dat de aangehaalde passage uit zijn Memorien op beeldende wijze illustreert, hoezeer de affaire Vorstius de relatie tussen de Nederlanden en Westfalen geruime tijd heeft belast en verstoord. In het bijzonder gold dit voor Steinfurt, een klein graafschap dat samen met die van Bentheim en Tecklenburg in het bezit was van graaf Arnold IV (1554-1606). [3] In het stadje Steinfurt, nabij de grafelijke waterburcht, stond immers het Arnoldinum, de school waar de omstreden Vorstius veertien jaar lang doceerde voordat hij naar Holland werd gehaald. Naarmate de twijfels over zijn rechtzinnigheid toenamen, groeide ook de angst dat hij zijn studenten met zijn verwerpelijk geachte ideeën had geïnfecteerd. Synodes in de Nederlanden waarschuwden gereformeerde gemeenten openlijk voor het beroepen van predikanten die hadden gestudeerd aan deze “suspecte” school. De naam Steinfurt was in gereformeerde kring dan ook lange tijd besmet en gold als synoniem voor ketterij. [4]

In deze bijdrage staat de vraag centraal, welke invloed de gang van zaken rond Vorstius in de praktijk heeft gehad op de reputatie en acceptatie van de Steinfurter school en haar studenten. Daarbij zal achtereenvolgens ingegaan worden op de stichting van dit Gymnasium Illustre Arnoldinum, de aanstelling van Vorstius als hoogleraar theologie, zijn opvattingen en de respons daarop van studenten en collega’s, de moeilijkheden rond zijn vertrek naar Leiden en pogingen om de reputatie van school en kerk te verbeteren. Tot slot zal op basis van een gereconstrueerde namenlijst van studenten geanalyseerd worden, wat het geografische bereik van de school is geweest, zowel ten aanzien van het aantrekken van theologiestudenten, als voor het afleveren van geschoolde predikanten voor de gereformeerde kerken in de Nederlanden en in de Duitse gebieden. Daarbij zal ook een poging worden gedaan vast te stellen, of en in welke mate een studie onder Vorstius in Steinfurt van invloed is geweest op de latere partijkeuze van zijn oud-studenten in het conflict tussen remonstranten en contra-remonstranten.

Gymnasium Illustre Arnoldinum

De school van Steinfurt had haar stichting én naam te danken aan Arnold IV, graaf van Bentheim, Steinfurt en Tecklenburg. Zijn voorganger Arnold II had in 1544 het lutheranisme in deze landen ingevoerd, doch de jonge graaf helde al tijdens zijn studie in Straatsburg steeds meer over naar het calvinisme. Hij besloot daarom in zijn graafschappen een ‘tweede reformatie’ door te voeren. Deze overgang geschiedde zeer geleidelijk. Pas na zorgvuldige voorbereidingen en overleg met leden van de landadel en predikanten in het gebied, in het bijzonder met hofpredikant Johannes Kemenerus, liet hij in 1587 voor het eerst op gereformeerde wijze het avondmaal bedienen. Een jaar later werd een kerkorde opgesteld, waarmee de grafelijke landen theologisch en kerkordelijk in calvinistisch vaarwater werden getrokken. [5]

Naast de kerk had ook het schoolwezen de warme aandacht van de graaf. In hetzelfde jaar dat de kerkorde werd opgesteld, namelijk in 1588, stichtte hij in het voormalige zusterklooster van het Bentheimse Schüttorf een ‘scola classica’, bestaande uit zeven klassen. Aan dit besluit lagen verschillende overwegingen ten grondslag. De graaf wilde verzekerd zijn van voldoende academisch opgeleide juristen, medici en theologen, die in de toekomst kerk en overheid in zijn landen konden dienen. Daarnaast maakte hij er geen geheim van dat ook concurrentieoverwegingen een rol speelden. Met zijn school wilde hij tegenwicht bieden aan de jezuïeten, die kort daarvoor in het nabijgelegen Münster het Gymnasium Paulinum hadden overgenomen. Om te voorkomen dat ouders hun kinderen naar deze rooms-katholieke onderwijsinstelling zouden sturen, stelde de graaf ook een groot aantal studiebeurzen aan kinderen van minvermogende onderdanen beschikbaar.

De keuze voor Schüttorf als locatie voor de school bleek achteraf weinig gelukkig. Het stadje bleek nogal kwetsbaar voor Spaanse plundertochten. Daarnaast zorgden de nog overgebleven nonnen voor problemen, omdat zij weigerden te vertrekken. Het voornaamste bezwaar van graaf Arnold was echter, dat hij slecht overweg kon met het stadsbestuur en zich onvoldoende kon bemoeien met de gang van zaken op de school. Vandaar dat hij in 1591 besloot het Arnoldinum te verplaatsen naar Steinfurt. Ook het ambitieniveau met betrekking tot de school werd bij die gelegenheid verhoogd. Naar Herborns voorbeeld besloot de graaf een volwaardige ‘scola publica’ te stichten, waarvoor speciaal een nieuw schoolgebouw werd opgetrokken dat in 1593 gereed kwam. Ter verspreiding van de wetenschappelijke pennenvruchten van de nieuwe school over heel Europa werd zelfs een eigen academiedrukker aangesteld.

Het aldus in 1591 opgerichte Gymnasium Illustre Arnoldinum bestond uit een ‘schola classica’ of triviaalschool met zes klassen, met daar bovenop een ‘schola publica’ waarin onderwijs werd gegeven in theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde en natuurfilosofie. Een dergelijk gymnasium illustre onderscheidde zich in weinig van een universiteit en dan nog in hoofdzaak slechts door het ontbreken van het promotierecht. De graaf fungeerde voortaan als rector magnificus en het dagelijks bestuur kwam in handen te liggen van een senaat of schoolraad, waarvan alle hoogleraren lid waren.

Een volgende fase in de opbouw van de Steinfurter school was het aantrekken van goede hoogleraren. Het succes van een dergelijke, in de periferie gelegen, onderwijsinstelling hing in belangrijke mate af van de naam en faam van degenen die er doceerden. Graaf Arnold was zich hiervan bewust en spande zich zeer in om voor de verschillende leerstoelen vooraanstaande kandidaten aan te trekken. Met Johannes Althusius als rechtsgeleerde, Johannes Gigas als medicus en Clemens Timpler als natuurfilosoof wist hij geleerden van formaat aan te trekken. De zoektocht van graaf en senaat naar een geschikte hoogleraar in de theologie, het veruit belangrijkste vak dat op het gymnasium illustre gedoceerd werd, zou echter veel meer tijd en moeite kosten. [6]

Theologie in Steinfurt

De eerste hoogleraar in de theologie die naar Steinfurt werd gehaald was Johannes Piscator, nadat deze geleerde door Christopher Pezelius uit Bremen bij graaf Arnold was aanbevolen. Piscator, die vaak wordt verward met naamgenoten, zou echter niet lang in Steinfurt werkzaam blijven. Al enkele maanden na zijn aantreden, in de zomer van 1592, werd hij het middelpunt van een studentenprotest. Tegenover de senaat beklaagden de leerlingen van Piscator zich over het gebrekkige theologieonderricht en diens weigering de filosofische methode van Ramus te hanteren. Zij verlangden daarom het vertrek van de hoogleraar. Om hun eis kracht bij te zetten, dreigden zij na de zomervakantie niet naar Steinfurt terug te zullen keren als de senaat niet zou ingrijpen. De schoolleiding hield zich aanvankelijk doof voor de bezwaren en dwong de studenten tot gehoorzaamheid. Bij het begin van het nieuwe semester, in augustus 1592, gaf Piscator met een reeks disputatiethesen hernieuwd aanleiding tot rumoer onder zijn studenten. Hij vroeg daarom zelf aan de graaf om een onderzoek, teneinde vast te stellen wie er in dit conflict gelijk had. De studenten kregen opdracht hun bezwaren op schrift te stellen en adviseurs van de graaf bogen zich over de kwestie.

Uit de bezwaarschriften van de studenten tegen Piscator wordt duidelijk dat het om een theologisch-filosofisch geschil ging. Op de achtergrond klonk echter ook bezorgdheid door over de goede naam van de school en de toekomstmogelijkheden van de afgestudeerden. De studenten zeiden bevreesd te zijn dat de opvattingen van hun leermeester ter ore zouden komen van de jezuïeten en andere vijanden van de ware leer en dat deze daarmee alle aanleiding zouden vinden om de spot met hen te drijven. Deze stelling werd vervolgens onderbouwd met verschillende voorbeelden en incidenten. Toen vervolgens ook de door de graaf geraadpleegde geleerden de bezwaren van de studenten gegrond verklaarden, waren de dagen van Piscator geteld. In de ontslagbrief die hij in september ontving, werd hem meegedeeld dat hij niet langer van nut was voor de kerk en de school van Steinfurt. [7] De graaf voelde zich tegenover de teleurgestelde hoogleraar nog wel verplicht een gunstige aanbevelingsbrief te schrijven, op grond waarvan hij het rectoraat van de Latijnse school van Deventer wist te bemachtigen. [8]

De affaire rond Piscator was de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat de graaf geconfronteerd werd met een roerige studentenpopulatie op het Arnoldinum. Zij maakte hem pijnlijk duidelijk dat de bekleding van de leerstoel in de theologie een delicate aangelegenheid was, die uiterste zorgvuldigheid en oplettendheid vereiste. Een verkeerde hoogleraarkeuze kon de reputatie en zelfs het voortbestaan van de school direct op het spel zetten. Vandaar dat hij ruim de tijd nam voor het aantrekken van een opvolger voor Piscator. In de tussentijd werden de theologiecolleges verzorgd door de filosoof Hermannus Hausman. Na diverse mislukte pogingen om een geschikte kandidaat voor de vacante leerstoel te vinden, werd uiteindelijk in 1596 Conradus Vorstius naar Steinfurt gehaald.

De op 19 juli 1569 in Keulen geboren Vorstius was een zoon van de uit Nederland afkomstige schilder, wolwever en koopman Diedrich van der Vorst en zijn echtgenote Sofia Sterk. Na een lange studie, die hem onder meer naar scholen in Bedburg, Düsseldorf, Aken, Keulen en Herborn bracht, promoveerde hij in 1594 aan de universiteit van Heidelberg in de theologie. Daarna volgde een studiereis naar Zwitserland, waar hij zich achtereenvolgens liet inschrijven aan de universiteiten van Bazel en Genève. In de stad van Calvijn werd hem in februari 1596 een docentschap in de theologie aangeboden, doch hij zag hiervan af, omdat hij inmiddels op voorspraak van zijn Heidelbergse leermeester David Pareus (1548-1622) was beroepen als hoogleraar in Steinfurt. Hij vertrok uit Genève met een gunstig getuigschrift van Beza en begon in mei 1596 met zijn colleges in het Arnoldinum. [9]

In Steinfurt was reikhalzend naar de komst van Vorstius uitgezien, aangezien de belangrijke theologische leerstoel inmiddels bijna vier jaar onbezet was. De aantrekkingskracht van de school werd daardoor op slag vergroot. Nog in het jaar van Vorstius’ aantreden konden maar liefst 57 theologiestudenten worden ingeschreven, onder wie ook verschillende leerlingen die vanuit Zwitserland met de nieuwe hoogleraar waren meegekomen. De studenten toonden zich zeer tevreden over zijn colleges, terwijl ook de wijze waarop hij in woord en geschrift de strijd met de Münsterse jezuïeten aanging in brede kring respect afdwong. Graaf Arnold sloeg dit alles met voldoening gade, omdat zijn ideaal van het Arnoldinum als kweekvijver voor ambtelijk en kerkelijk kader en als tegenwicht tegenover het Paulinum in Münster, vooral dankzij Vorstius nu eindelijk gestalte kreeg.

Groot moet dan ook zijn schrik zijn geweest, toen graaf Arnold aan het eind van de jaren negentig geconfronteerd werd met bedenkingen tegen Vorstius’ rechtzinnigheid. Hij kreeg te horen dat de Steinfurter hoogleraar niet ongevoelig zou zijn voor de denkbeelden van de omstreden Italiaanse theoloog Fausto Sozzini (Socinus) (1539-1604). Deze had in zijn De Jesu Christo Servatore uit 1575 de stelling verdedigd dat Jezus niet door zijn kruisdood, maar door zijn leer en voorbeeldig leven tot verlosser was geworden. Daarmee ontkende hij de goddelijkheid van Christus en trok hij het dogma van de goddelijke drie-eenheid (triniteit) in twijfel. Daarnaast bestreed hij de leer van de voldoening, de erfzonde en de kinderdoop, waarmee zijn opvattingen door de gereformeerden beschouwd werden als een van de meest verwerpelijke ketterijen die er bestonden.

Vorstius leek in de ban te zijn gekomen van dit socinianisme, dat veel aanhang had in Polen, Siebenburgen en Noord-Duitsland. Aan zijn vriend Bartholomäus Keckermann (c.1572-1608), predikant in Dantzig, schreef hij in 1597 dat Socinus hem pas het echte ‘theologische denken’ had geleerd. In hetzelfde jaar verdedigde de Steinfurter hoogleraar tegenover zijn studenten enkele sociniaans getinte theses, waaronder “de sancta Trinitate” en “de persona et officio Jesu Christi“. Hierdoor raakte ook zijn vroegere Heidelbergse leermeester Pareus op de hoogte, die prompt tegenover graaf Arnold van zijn verontrusting blijk gaf. De graaf, bevreesd als hij was voor de goede naam van zijn school, aarzelde geen moment en stuurde Vorstius naar Heidelberg om zich van elke blaam te zuiveren. Daar verwierp de Steinfurter hoogleraar op 26 september 1599 het socinianisme als dwaalleer. Met de belofte zich voortaan verre te houden van dergelijke gevaarlijke ketterijen, werd hij weer in genade aangenomen. [11]

Voor de buitenwacht leek het alsof de ‘flirt’ van Vorstius met het socinianisme hiermee van korte duur was geweest en met een sisser was afgelopen. De in het nauw gebrachte theoloog wenste zijn theologische zoektocht naar een gulden middenweg tussen calvinisme en socinianisme echter niet op last van hogerhand te staken. Voorzichtiger werd hij wel. Graaf Arnold bemoeide zich immers intensief met de gang van zaken op het Arnoldinum en werd daarbij geadviseerd door zijn fel anti-sociniaanse adviseur Johann von Münster. [12] Pas na het overlijden van de graaf, voor wie Vorstius op 16 februari 1606 een lijkpredikatie mocht houden, ontstond er voor hoogleraren en studenten in Steinfurt meer ruimte voor afwijkende opvattingen. Bij de verdeling van de bezittingen van graaf Arnold IV onder zijn vijf zonen, viel het graafschap Steinfurt toe aan graaf Wilhelm Heinrich. Anders dan zijn broers Arnold Jobst (Bentheim) en Adolf (Tecklenburg), was deze graaf niet zonder meer gekant tegen elke vorm van sociniaanse theologie. [13]

Vorstius greep de gewijzigde omstandigheden aan om hernieuwd de grenzen van zijn mogelijkheden af te tasten. Hij vestigde de aandacht op zich met een reeks publicaties, die via de persen van academiedrukker Theophil Ceasar (Gottlieb Kaiser) ook ver buiten Steinfurt belangstelling trokken. [14] Dat Vorstius ook in Holland de aandacht op zich wist te vestigen had hij mede aan zichzelf te danken, aangezien hij in 1610 zijn Anti-Bellarminus voorzag van een opdracht aan de Staten-Generaal. Hierin prees hij de tolerante politiek in de Nederlanden en betoonde hij zijn instemming met Johannes Wtenbogaerts Tractaet van het ampt der overheid. Vorstius schreef deze opdracht in de wetenschap dat de theologische leerstoel van Leiden door het overlijden van Arminius vacant was en dat op dat moment naarstig werd gezocht naar een opvolger. Deze nauwelijks verholen sollicitatie van Vorstius naar het hoogleraarschap in Leiden bleef niet onopgemerkt.

Onrust in Leiden en Franeker

De Staten-Generaal meenden in Vorstius een geschikte opvolger voor Arminius te hebben gevonden; iemand die bereid was scherpslijperij achterwege te laten en de overheid zeggenschap te geven in kerkelijke aangelegenheden. Zij schakelden Johannes Wtenbogaert in, de invloedrijke hofpredikant van prins Maurits en sinds kort voorman van de remonstranten, die de antecedenten van de Steinfurtse theoloog moest gaan onderzoeken. Wttenbogaert ontving aanvankelijk uitsluitend gunstige berichten over hem, onder meer van collega’s als Johannes Fontanus, die de kandidaat prezen om zijn ‘moderatie’ (gematigdheid). Een oud-student van Vorstius in Steinfurt, de wegens betrokkenheid bij een studentenoproer uit Leiden weggestuurde Henricus Rosaeus, prees zijn leermeester zeer, “sonderling van sijne moderatie ende genegentheyt tot onderlinge verdraechsaemheyt in theologische geschillen”. [15] Later zou dezelfde Rosaeus zich overigens ontwikkelen tot een van de felste contra-remonstrantse tegenstanders van Wtenbogaert en Vorstius.

Pas toen Wtenbogaert op weg ging naar Steinfurt om op verzoek van de Staten-Generaal met de graaf over een transfer van Vorstius naar Leiden te onderhandelen, brak in Holland het rumoer los over de vermeende onrechtzinnigheid van de beoogde hoogleraar. Tegenstanders van zijn beroeping vielen met name over een heruitgave van Vorstius’ De Deo, een boek dat bij verschijning in 1606 geen enkele reactie had losgemaakt. Het was opnieuw zijn toenmalige Heidelbergse leermeester Pareus, die per brief de gereformeerden in Holland wees op sociniaanse dwalingen in dit werk. Daarmee gaf hij de contra-remonstranten een stok in handen, die zij gretig hanteerden om de komst van Vorstius naar Leiden tegen te houden. De Staten-Generaal wensten echter niet meer op hun schreden terug te keren en vervolgden de beroepingsprocedure.

Terwijl Vorstius zich gereedmaakte voor zijn verhuizing naar Leiden, stapelden de verdenkingen tegen hem zich verder op. Zijn tegenstanders verzamelden naarstig verklaringen van oud-studenten en collega’s, waaruit zijn genegenheid tot het socinianisme moest blijken. Ook Wtenbogaert ontving van een niet nader door hem aangeduid aanzienlijk persoon nu ook concrete aanwijzingen dat Vorstius intensief correspondeerde met socianianen in Polen, ook wel Poolse broeders genoemd, in het bijzonder met hun leider Christoph Ostorodt (Ostorodius). Deze socinianen zouden hem eerder zelfs hebben beroepen als hun hoogleraar. [16] Ook vanuit Friesland, van waaruit de Franeker hoogleraar Sibrandus Lubbertus (1555-1625) het verzet tegen Vorstius aanvoerde, ontvingen de Staten-Generaal vele belastende verklaringen, onder meer van diens oud-studenten Bartholdus Hausmann en Herbortus de Ridder.

Het aanzwellende verzet tegen zijn komst naar Leiden noopte Vorstius om nog voor zijn vertrek goede getuigschriften te vragen aan de graven van Bentheim, Steinfurt en Tecklenburg, de senaat van het Arnoldinum en tevens aan de kerkenraad en de magistraat van Steinfurt. Enkele voormalige studenten van Vorstius, die op dat moment in Franeker studeerden, waren bevreesd dat deze getuigschriften ontoereikend zouden zijn om hun leermeester vrij te pleiten en besloten op eigen doft de tegenaanval in te zetten op Vorstius’ grote tegenstander, Sibrandus Lubbertus. Zij dachten hem ernstig in verlegenheid te brengen door uitgerekend in Franeker een anoniem boekje van de persen te laten rollen onder de titel De officio hominis Christini. Hierin werden de leerstellingen van het socinianisme verdedigd en kreeg de lezer het advies zich onverwijld aan te sluiten bij de Poolse socinianen.

Het sociniaanse boekje bracht Friesland in rep en roer. Gedeputeerde Staten van het gewest eisten een diepgaand onderzoek. Al snel kwam daarbij aan het licht wie het werkje had gedrukt. De man kende geen Latijn en was zich daardoor onbewust geweest van de gevoeligheid van de materie. Via hem leidde het spoor vervolgens naar de opdrachtgevers en medeplichtigen, onder wie zich drie studenten bevonden die in nauwe relatie hadden gestaan met Vorstius. De eerste was Henricus Welsing (26 jaar), die zeven jaar zijn leerling was geweest, waarvan vijf jaar als “amanuensis of clerck”. Verder was de 21-jarige Bernhardus Forckenbeck erbij betrokken geweest, die gedurende één jaar bij Vorstius had gestudeerd. Hoofdverdachte was Jacobus Omphalius (23 jaar), van wie achterhaald kon worden dat hij twee jaar bij de hoogleraar in huis had gewoond en in Franeker sterke invloed uitoefende op jongere studenten, onder wie jonker Van Echten. Verder was ook de Friese student Aemilius Trebatius bij de zaak betrokken, alsmede jonker Douwe van Hottinga, die de uitgave financierde.

Nog voordat de Friese justitie de daders kon inrekenen, namen de drie Vorstius-adepten de wijk naar Steinfurt. Uit achtergelaten correspondentie viel op te maken dat zij in contact stonden met een sociniaanse leidsman uit Danzig, Ulricus genaamd. De studenten zouden Sibrandus Lubbertus door middel van het boekje hebben willen uitdagen tot een serieuze weerlegging van het socinianisme in plaats van nog langer te moeten luisteren naar zijn ongefundeerde scheldpartijen. De Friese Staten en Lubbertus waren er echter van overtuigd dat Vorstius achter het complot zat en stuurden in juli 1611 een waarschuwend schrijven aan de Staten van Holland. Enkele dagen later lieten zij een Waerschouwinghe aen alle Gereformeerde Kercken in druk verschijnen. Vorstius werd in een drietal sessies, gehouden in het huis van de Deventer predikant Assuerus Matthisius – ook al een oud-leerling – en in Steinfurt uitvoerig over de zaak aan de tand gevoeld door Wtenbogaert en de Leidse curatoren. Hij ontkende met kracht elke betrokkenheid bij de uitgave van het boekje en verdedigde zich in een Verantwoordinghe. [17]

De onrust rond Vorstius bleef thans niet langer beperkt tot de Nederlanden. Vanuit Emden reageerde de predikant Rutger Biermannus in het najaar van 1611 op de gebeurtenissen in Franeker met enkele brieven aan de gravin van Bentheim en een rechter in Steinfurt. Daarin bracht hij in herinnering, hoe Vorstius sociniaanse leerstellingen had gedoceerd en ook achter de uitgave zat van een boekje van Dominici de Lopez, dat in werkelijkheid geschreven zou zijn door Socinus. Ook de voormalige Steinfurter hoogleraar Althusius, die op dat moment in Emden werkzaam was, liet Lubbertus per brief weten verheugd te zijn dat de dwalingen van Vorstius nu eindelijk aan het licht waren gekomen. In Heidelberg werd eveneens met bezorgdheid kennis genomen van de ontwikkelingen. Pareus richtte zich met een schrijven direct tot de omstreden hoogleraar met een vaderlijke aanmaning om tot inkeer te komen. [18]

Berichten over Vorstius bereikten zelfs Groot-Brittannië. De Schotse medicus en filosoof Georgius Eglisemmius daagde Vorstius uit voor een twistgesprek en noemde hem “een Atheïst, Heyden, Iode, Tuck, Ketter, Scheurmaker ende onverstandigen mensche”. [19] Koning Jacobus (James) van Engeland, “die dwaze, zinnelijke, verkwistende monarch, die zich het orakel der christenheid noemde”, las persoonlijk Vorstius’ De Deo. [20] Hij vond als amateur-theoloog hierin zoveel aanstootgevende opvattingen, dat hij zijn gezant in de Nederlanden, sir Ralph Winwood, opdracht gaf fel te protesteren bij de Staten-Generaal. Hij eiste dat de boeken van deze ‘ketter’ openlijk verbrand zouden worden en dat de man zou worden geweerd van de Leidse leerstoel. Om zijn woorden kracht bij te zetten liet hij Vorstius’ boeken publiekelijk verbranden in Londen, Oxford en Cambridge. [21] Er volgde een maandenlang diplomatiek steekspel, waarbij beide partijen elkaar aanvankelijk geen duimbreed wilden toegeven.

Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt voelde er niets voor Vorstius onder buitenlandse druk aan de kant te schuiven, maar vond uiteindelijk toch een compromis om de relaties met Engeland niet verder te laten verslechteren. Zeer tegen de zin van de Leidse curatoren besloot hij op 28 april 1612 de omstreden hoogleraar met behoud van titel en salaris metterwoon naar Gouda te sturen. Daar diende Vorstius zich gedurende anderhalf jaar voor te bereiden op zijn verdediging. Uiteindelijk zou deze ‘verbanning’ uit Leiden ruim zeven jaar duren, omdat uiteindelijk niemand meer geloofde in een verzoening tussen Vorstius en de calvinisten, zelfs zijn remonstrantse geestverwanten niet. De Synode van Dordrecht (1618-1619), die het pleit in de gereformeerde richtingenstrijd uiteindelijk zou beslechten in het voordeel van de contra-remonstranten, velde ook een oordeel over Vorstius. Hij werd uit zijn ambt gezet en verbannen uit de Nederlanden. Een aanbod van graaf Wilhelm Heinrich om hem heimelijk onderdak te verlenen in het kasteel van Bentheim sloeg hij af. [22] Na zich nog een tijdlang te hebben schuilgehouden in de buurt van Utrecht, vertrok Vorstius naar Sleeswijk-Holstein, waar de remonstranten bescherming werd geboden door graaf Friedrich. Hij overleed echter kort na aankomst en werd begraven in Friedrichstadt.

Gevolgen voor de school in Steinfurt

Vorstius heeft zich in een onophoudelijke stroom van geschriften verdedigd tegen steeds weer nieuwe beschuldigingen van socinianisme. De vasthoudendheid waarmee hij dit deed, is maar moeilijk te begrijpen, aangezien er talrijke aanwijzingen zijn dat hij wel degelijk sympathie bleef koesteren voor de opvattingen van Socinus. Zo bestelde en las hij diverse sociniaanse boeken. [23] Ook had hij er geen bezwaar tegen, dat zijn studenten deze boeken bestudeerden. Met diverse Poolse broeders bleef hij contact onderhouden. [24] Daarbij waren zijn charisma en overtuigingskracht blijkbaar zo groot, dat ook een aanzienlijk deel van zijn studenten in Steinfurt en enkele collega’s in meerdere of mindere mate zijn fascinatie voor de denkbeelden van de antitrinitariërs gingen delen. Nog jarenlang na zijn vertrek zou de geest van Vorstius binnen het Arnoldinum rondwaren en werden de onderlinge verhoudingen op school erdoor beïnvloed.

Het is tekenend voor de sympathie die Vorstius in Steinfurt genoot, dat de drie oud-studenten die het sociniaanse boekje in Franeker lieten drukken, na hun ontmaskering in deze graafschap een veilig heenkomen zochten. Een van hen, Bernhardus Forckenbeck, reisde via Deventer en kreeg daar van Assuerus Matthisius twintig exemplaren mee van Vorstius’ Christiana et modesta responsio. De Steinfurter hoveling Stephanus de Reiger schreef later aan Vorstius, dat de studenten letterlijk vochten om een exemplaar toen Forckenbeck nog maar nauwelijks in de stad was gearriveerd. [25]

De drie uit Franeker gevluchte studenten werden in Steinfurt door de senaat van de school stevig aan de tand gevoeld over de affaire. Dit geschiedde overigens op aandringen van Vorstius zelf en had slechts tot doel, de hoogleraar te vrijwaren van elke verdenking van betrokkenheid. [26] De senatoren, alsmede de curatoren van de Leidse universiteit, waren daarmee gerustgesteld, doch niet de autoriteiten in Friesland. Uit de verhoren waaraan een andere medeplichtige, Aemilius Trebatius, in Franeker werd onderworpen bleek dat het niet zo’n onschuldige studentengrap was geweest als de studenten in Steinfurt wilden doen voorkomen. Zo bleek dat de verdachten wel degelijk in contact stonden met Poolse socinianen. Twintig jaar later zou een van de beschuldigden, Henricus Welsing, de actie echter nog steeds toeschrijven aan jeugdige onbezonnenheid. [27]

De geestverwanten van Vorstius in Steinfurt deden er echter alles aan om goede berichten over de hoogleraar naar Holland te zenden. Met het oog daarop stelde de kerkenraad van Steinfurt een gunstig getuigschrift op, waarin verklaard werd dat op zijn leer en leven niets aan te merken viel. Deze attestatie werd ter ondertekening ook voorgelegd aan de collega’s van Vorstius. Daarbij kwam aan het licht dat hij ook binnen het lerarencorps van het Arnoldinum niet onomstreden was. Georgius Sollingius, die vanaf 1607 rector en hoogleraar in de logica was, verklaarde tegenover de kerkenraad dat hij het met zijn geweten niet in overeenstemming kon brengen om zijn handtekening onder de attestatie van Vorstius te plaatsen, aangezien hij het met diens leeropvattingen ten diepste oneens was. Ook na acht dagen bedenktijd handhaafde Sollingius zijn bezwaren, een opstelling die hij met zijn ontslag moest bekopen. In zijn plaats werd Georgius Brinckhovius tot rector aangesteld, “der kleine magister, welches mit docter Vorst in der religion eins ist”, aldus Sollingius. In een brief aan zijn moeder stak hij zijn teleurstelling over de gang van zaken niet onder stoelen of banken, aangezien hij van mening was dat hem geen enkele blaam trof: “Ich habbe Gott lob ein guet gewissen. Dan die Schuele hatt durch Gottes genade bei mir sehr floriert, ich habe auch mein arbeyt trawlich undt vleisich gethan”. Hij mocht nog tot Pasen 1612 in Steinfurt blijven, maar in de tussentijd restte Sollingius niets anders dan op zoek te gaan naar een andere betrekking, waarbij zijn voorkeur uitging naar het predikantschap. [28]

Uit een andere brief van Sollingius, in het voorjaar van 1612 vanuit Steinfurt geschreven aan zijn neef, rector Johannes Brandt van de Latijnse school in Wezel, blijkt dat het vinden van een gemeente moeizaam verliep. Hij had inmiddels een keer of vier in het openbaar gepreekt, doch een beroeping liet ook na ruim een jaar nog steeds op zich liet wachten. Voor hem was dit aanleiding om ook tegenover zijn familielid en vroegere collega in Wezel zijn beklag te doen over de onrechtvaardige behandeling die hem ten deel was gevallen: “Status meus talis est, qualis in his terris esse solet fidelium Christi ministrorum. Remotus sum a meo munere, sed citra ullam meam culpam. Deus ignoscat superbis” (Met mij gaat het zoals het in dit land pleegt te gaan met getrouwe dienaren van Christus. Ik ben uit mijn ambt ontzet, doch zonder enige schuld van mijn kant. God moge de hoogmoedigen vergiffenis schenken). [29] Korte tijd zou de ontslagen rector toch eindelijk de zo door hem begeerde beroeping ontvangen en kon hij als predikant aan de slag in het Twentse Delden, waar hij onder bescherming van de landdrost van Twente, Unico Ripperda, werkzaam zou blijven tot zijn dood in 1617. [30]

Sollingius was niet de enige docent van het Arnoldinum die als gevolg van de affaire Vorstius in de problemen kwam. De prorector en hoogleraar in de medicijnen, Johannes Gigas, besloot in mei 1613 de school te verlaten. Hij werd niet ontslagen, maar besloot zelf te vertrekken. In een brief aan graaf Arnold Jobst liet hij weten mede tot deze beslissing te zijn gekomen omdat de sfeer op school ernstig te lijden had van de ‘socinianische und vorstianische’ twisten. Hoewel hij altijd naar beste vermogen en gewetensvol had gehandeld, was ook hij overladen met “ungunst, neid und hass”. Gigas achtte het daarom voor alle partijen beter om Steinfurt te verlaten. [31]

Het vertrek van Vorstius naar Leiden plaatste de senaat van het Arnoldinum voor de niet eenvoudige taak om een nieuwe hoogleraar in de theologie te vinden in een tijd dat de school in heel Europa door alle ontwikkelingen de reputatie van een sociniaans bolwerk had gekregen. De enige manier om in calvinistisch-gereformeerde kring weer vertrouwen te winnen en daarmee het voortbestaan van de school veilig te stellen, was de aanstelling van een rechtzinnige hoogleraar die bereid was het socinianisme met wortel en tak uit te roeien. De Steinfurtse graaf Arnold Jobst, die nauwelijks verholen sympathie koesterde voor de socinianen, was niet de aangewezen persoon om deze stap te zetten. Onder druk van zijn calvinistisch gezinde familieleden, in het bijzonder van de gravin-moeder, Magdalena zu Neuenahr und Limburg, ging hij echter overstag. In de eerste week van 1612 werd de aan de hogeschool van Herborn werkzame orthodoxe theoloog Hermann Ravensperger als opvolger van Vorstius beroepen. [32]

Toen Ravensperger eind februari 1612 in Steinfurt arriveerde, hing in de stad en de school een bijzonder broeierige sfeer aan. Een aanzienlijk deel van de studenten bleek nog in de ban van het socinianisme en daagde tegenstanders openlijk uit deze opvattingen te weerleggen. Een voorbeeld daarvan wordt aangehaald in eerdergenoemde brief van Sollingius aan Johannes Brandt. De afgezette rector vertelde hoe hij op zekere dag dineerde met de uit Wezel afkomstige Johannes Santenus. Daarbij ontspon zich een discussie, waarbij de student in steeds heftiger bewoordingen van Sollingius eiste om met de Bijbel in de hand het bestaan van de goddelijke drie-eenheid en de Godheid van de Zoon te bewijzen. Santenus gebruikte daarbij dusdanige argumenten en interpretaties van Schriftteksten, dat Sollingius wel moest concluderen dat hij de leer van Socinus was toegedaan. De volgende dag maakte de student echter zijn excuses en beweerde hij louter bij wijze van oefening de argumenten van Socinus naar voren te hebben gebracht. [33]

Een ander voorbeeld van sociniaanse disputeerdrift wordt vermeld door de bekende Deventer predikant-dichter Jacobus Revius in zijn Daventria Illustrata. Hij verhaalt dat de uit Schüttorf afkomstige Gerardus Stenius in het najaar van 1612 werd aanbevolen als nieuwe predikant van Deventer. Navraag bij familie leerde echter dat deze Steinfurter student met alle kracht had geprobeerd zijn ouders over te halen tot ‘de ketterij van Socinus’. Daarbij had hij zijn vader beticht van evidente dwalingen, toen deze hem de leer van de rechtvaardigmaking had uitgelegd. Volgens hem was hetgeen de orthodox-gereformeerden in de kerk verkondigden in geen eeuwigheid met de Bijbel te bewijzen. Vandaar dat hij zijn vader de paradoxen van Socinus had aanbevolen, onder verwijzing naar de collegedictaten van Vorstius. Voor de Deventer kerkenraad waren deze berichten dermate verontrustend, dat afgezien werd van de diensten van Stenius. [34]

Genoemde voorbeelden laten zien dat de sociniaans gezinde studenten aan het Arnoldinum ook na het vertrek van Vorstius hun strijdbaarheid behielden en op soms provocerende wijze hun opvattingen bleven uitdragen. Het kostte Ravensperger dan ook de grootste moeite om de school weer een orthodox-calvinistisch karakter te geven en de onderlinge haat en nijd te bestrijden. Hij liet daarom een diepgaand onderzoek instellen naar de invloed van het socinianisme in Steinfurt, waarbij alle docenten werd gevraagd of zij met een goed gemoed konden verzekeren, dat zij het socinianisme niet begunstigden of de invoering ervan wensten of gewenst hadden, noch ernaar streefden. In dit verband deed hij in het bijzonder navraag naar sociniaanse boeken die uit Polen zouden zijn gehaald of van daar waren ontvangen, naar de omgang met onlangs naar Steinfurt gekomen socinianen en naar colleges en disputen over het socinianisme. Tot slot wenste hij bijzonderheden te vernemen over waargenomen pogingen om studenten voor het socinianisme te winnen en de mate waarin deze succesvol waren geweest. [35]

Op aandrang van Ravensperger legde de senaat vervolgens op 4 december 1612 de activiteiten van academiedrukker Theophil Ceasar aan banden. Preventieve censuur moest voorkomen dat voor- en tegenstanders van het socinianisme elkaar nog langer via het laten drukken van smaadschriften bestreden. [36] Drie weken later nam de senaat in haar notulen een lange verklaring op, die moest bevorderen dat de leraren en professoren voortaan op een vriendelijke en collegiale manier met elkaar zouden omgaan. [37] Dat de lucht op school met deze en andere maatregelen niet terstond opklaarde, blijkt onder meer uit het hiervoor genoemde vertrek van Johannes Gigas in de loop van 1613.

Ook onder de studenten bleven de verhoudingen gespannen. Ravensperger zou later verklaren dat hij gedurende zijn gehele ambtperiode in Steinfurt last bleef houden van ‘een schare roerige studenten die voortdurend koketteerde met de griffioenen van Socinius’. Als aanvoerder en gangmaker van dit gezelschap fungeerde volgens de hoogleraar de uit Steinfurt afkomstige student Engelbertus Poth. [38] Met deze vooral uit theologiestudenten bestaande groep zocht Ravensperger in 1613 steeds nadrukkelijker de confrontatie. Zo disputeerde hij in het openbaar met Johannes Schotlerus, die na zijn studie in Steinfurt inmiddels predikant was geworden in Ladbergen, over het socinianisme (“Par unum sophismatum socinianorum, ad amussim veritatis examinatorum”). [39]

Met zijn offensieve strategie wist Ravensperger geleidelijk steeds meer studenten voor zich te winnen, zelfs zozeer dat deze aanhangers zich meer en meer geroepen voelden om ook zelf in actie te komen. Twee van hen, een zekere Wilhelmi [40] en Henricus Pithan, drongen op een dag de kamer van een medestudent binnen en vonden daar een sociniaans boek. Zij brachten hun trofee onmiddellijk naar Ravensperger, om van hem te vernemen of het studenten wel was toegestaan een dergelijk boek in bezit te hebben en te lezen. Daarna beraadslaagden zij met medestanders hoe dergelijke boeken het best uit de school geweerd zouden kunnen worden. Overmoedig geworden door overvloedig drankgebruik besloten zij een paskwil (schotschrift) op te stellen en dit in het holst van de nacht op de deuren van het raadhuis aan te slaan. Het beledigende karakter van het geschrift en de wijze waarop het naar buiten was gebracht, wekten de woede van de senaat en er volgde een diepgaand onderzoek naar de verantwoordelijken.

Al snel kwam in het onderzoek aan het licht wie bij de zaak betrokken waren geweest, waardoor ook Ravensperger in verlegenheid werd gebracht. Pithan en Wilhelmi verklaarden dat zij het ‘in beslag genomen’ boek van hun medestudenten hadden afgegeven bij hun hoogleraar en bij die gelegenheid ook hadden gesproken over het plan om een paskwil te schrijven. Gezamenlijk waren zij toen echter tot de slotsom gekomen dat dit bij nader inzien toch geen goed idee was. Kort na dit eerste verhoor maakte Wilhelmi, de vermoedelijke auteur van het geschrift, zich schielijk uit de voeten waarmee hij de schuld van deze zaak geheel op zich leek te laden. De senaat besloot daarop hem van school te sturen en nam mogelijk ook disciplinaire maatregelen tegen Pithan. Ravensperger, die wegens verblijf buiten Steinfurt niet aanwezig was geweest bij de besluitvorming in deze zaak, toonde zich bij terugkomst zeer ontstemd. Hij meende dat zijn positie door de gehele gang van zaken ernstig was verzwakt. [41]

Ook de grafelijke familie toonde zich weinig gelukkig met de opnieuw hoog opgelopen spanningen tussen de studenten en leraren van het Arnoldinum en zocht naarstig naar wegen om de rust op de school te herstellen. Uiteindelijk wist de acterende rector-magnificus, graaf Wilhelm Heinrich van Steinfurt, Ravensperger ervan te overtuigen dat de school met zijn vertrek het best gediend zou zijn. Dit besluit werd vergemakkelijkt, doordat de nieuw-opgerichte universiteit van Groningen voor de theologische leerstoel het oog op hem had laten vallen. [42] In de zomer van 1614 verliet Ravensperger het Arnoldinum, doch in een andere hoedanigheid behield hij een band met de grafelijke gebieden. Hij bleef in dienst als voorzitter van de Oberkirchenrat, als een soort superintendent van de kerk, en in die hoedanigheid keerde hij ook in de daaropvolgende jaren geregeld naar Bentheim terug om zijn orthodox-gereformeerde stempel op de gang van zaken aldaar te drukken. [43]

Gevolgen voor de kerk in Bentheim, Steinfurt en Tecklenburg

De antisociniaanse campagne van Ravensperger beperkte zich dus niet alleen tot de school en haar studenten. Reeds kort na aankomst in Steinfurt maakte de nieuwe hoogleraar in de theologie ook werk van de zuivering van het predikantenbestand in de grafelijke gebieden. Hij wist de graven van Bentheim te bewegen tot medewerking aan een openbaar onderzoek naar de leeropvattingen van de predikanten, teneinde de in Holland bestaande opvatting te weerleggen, dat zij “voeder en voorstanders waeren van sociniaensche ketterijen”. Daartoe werd een zevental vragen geformuleerd met betrekking tot de goddelijke drie-eenheid, de goddelijkheid van Jezus Christus, de rechtvaardigmaking en het genadeverbond. Vervolgens reisde een gezelschap, bestaande uit de graaf, Ravenperger en enkele andere kerkelijke personen, langs alle dorpen om deze vragen voor te leggen aan de plaatselijke predikanten. Deze moesten op alle vragen met een helder ja of nee antwoorden.

De rondgang van deze kerkelijke commissie begon in oktober 1612 in Rheda. Vervolgens trok het gezelschap onder leiding van graaf Adolph door het graafschap Tecklenburg. De commissie stuitte alleen in het dorp Lengerich op problemen. Daar weigerde de predikant Wessel Brumlevius, een vriend van Vorstius, elke medewerking aan wat hij een inquisitie noemde. Hij kreeg een week bedenktijd. Nadat de commissie haar rondgang door het graafschap had voltooid, keerde zij naar Lengerich terug, om verder te handelen met Brumlevius. In zijn afwezigheid werd de kerkenraad over de leer en de levenswandel van deze predikant ondervraagd, waarbij het consistorie een positief beeld schetste. Daarna werd Brumlevius opnieuw binnengeroepen en ondervraagd door Ravensperger. De predikant bleef echter weigeren, de eed af te leggen en gaf evenmin antwoord op de hem voorgelegde vragen. Zelf het goede voorbeeld van de graven Adolph en diens broeder Frederich Ludolph, die erop stonden eveneens in het openbaar de genoemde zeven vragen bevestigend te mogen beantwoorden, vermocht Brumlevius niet te vermurwen. Hij moest daarop beloven niet meer over de omstreden thema’s te preken en kreeg de opdracht binnen een half jaar te vertrekken. Hij zou echter nog jaren in Lengerich werkzaam blijven, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hij zich uiteindelijk – net als de meeste van zijn ambtgenoten – geconformeerd heeft aan de twaalf geloofsartikelen die korte tijd later werden opgesteld en die grotendeels overeenkwamen met de tekst van de eerder voorgelegde zeven vragen.

Vanuit Friesland meldde Sibrandus Lubbertus aan de aartsbisschop van Canterbury dat bij deze visitatie onder leiding van Ravensperger alle sociniaanse predikanten in de graafschappen van de heren van Bentheim waren afgezet. [44] Of dit ook daadwerkelijk het geval was, moet worden betwijfeld. Afgezien van de kwestie rond Brumlevius zijn er geen aanwijzingen dat anderen bezwaar maakten tegen het onderzoek en de daarbij voorgelegde leeropvattingen. Dat neemt echter niet weg dat de discussie over het socinianisme ook de kerkelijke geledingen in de daaropvolgende jaren niet onberoerd liet.

Illustratief voor de wijze waarop de theologische disputen de gemoederen van tijd tot tijd verhitten, is een affaire die de kerkelijke gemeente van Bentheim enkele jaren in de ban hield. De kwestie werd veroorzaakt door de meester-kleermaker Gerd Bras, die sinds 1597 in Amsterdam werkzaam was maar nog regelmatig in zijn geboorteplaats Bentheim op bezoek kwam. De plaatselijke (hof)predikant Abraham Herold informeerde op een zondag in 1613 voorafgaand aan een kerkdienst belangstellend bij Bras naar de situatie in de Nederlanden, in het bijzonder naar Vorstius. Hij vroeg, hoe het met zijn voormalige leermeester ging en of hij nog steeds in Gouda verbleef. Met deze vraag haalde hij echter de woede van Bras op zijn hals, omdat hij naar diens mening niets over deze vijand van de christelijke kerk zou moeten willen weten. Volgens Bras werd Vorstius “bey unss [in Holland] nicht geachtet”. Daarop mengde ook Bernhard Nibberich, de grafelijke “kirchenschreiber” zich in de discussie. Hij vond dat Vorstius in Holland groot onrecht werd aangedaan. Bras zocht daarop na de preek openlijk de confrontatie met Herold, die hij van remonstrantisme beschuldigde.

Herold ging het debat met Bras uit de weg, doch deze bleef hem nu ook schriftelijk van onrechtzinnigheid betichten. Daarbij liet de predikant aan de kleermaker weten dat hij zich beter om zijn naalden kon bekommeren en uitleg van de Bijbel aan anderen moest overlaten. Vier jaar later, in 1617, waren de verhoudingen tussen beiden nog steeds niet verbeterd. Bij een nieuw bezoek aan Bentheim daagde Bras de predikant wederom uit tot het geven van een reactie. Daarop schold Herold de kleermaker uit voor “Holländer” en riposteerde deze met “Landtleuffer”. Omdat Bras hem nu overal, tot in Holland en Groningen aan toe, bleek uit te maken voor sociniaan, nam Herold ten einde raad een notaris in de arm om zich door middel van een officiële verklaring tegenover de Oberkirchenrat tegen deze aantijgingen te verdedigen. Bras werd uiteindelijk door dit college tot de orde geroepen. Hij kreeg te horen “dass es in Hollandt und darumbher magh breuchlich sein, die Prediger also nach gethaner Predigt anzosprechen und zu Rede zu stellen”, doch in het graafschap was zoiets niet gebruikelijk, temeer omdat de graaf als landsheer “ein besonder hohe Haupt zur Christlichen Obrigkeit gestaldt” had. [45] Met dit beroep op een autoriteitsargument slaagde de Oberkirchenrat, onder voorzitterschap van Ravensperger, er uiteindelijk in te voorkomen dat met deze zaak de kerkelijke onenigheid in Holland nog langer de verhoudingen in de Bentheimse verstoorden.

De school na het vertrek van Ravensperger

De inschatting van de grafelijke familie dat een vertrek van Ravensperger bevorderlijk zou zijn voor de rust op de school, bleek juist te zijn geweest. Zijn polemiseren tegen de socinianen had voldoende effect gesorteerd. Nu was de tijd van consolidatie aangebroken en waren andere kwaliteiten vereist. Wederom was het de gravin-moeder die zich mengde in de zoektocht naar een geschikte hoogleraar in de theologie. De senaat had aanvankelijk haar oog laten vallen op de bekende Gerardus Johannes Vossius, rector van de Latijnse School in Dordrecht. Deze vermaarde geleerde was erg ongelukkig met de belangstelling uit Steinfurt, aangezien al snel het gerucht ging, dat hij door Vorstius zou zijn aanbevolen. In deze tijd van oplopende spanningen in de Republiek, waarbij hij behoedzaam trachtte te balanceren tussen remonstranten en contra-remonstranten, kon hij een dergelijke associatie met sociniaanse kringen slecht gebruiken. Nadat in augustus 1614 een koopman uit Steinfurt op last van de gravin-moeder in Dordrecht naar Vossius liet informeren, wist laatstgenoemde behendig de aandacht van zijn persoon af te leiden, door zijn leerling Winandus Rutgersius als geschikte kandidaat aan te bevelen. [46] Dat de senaat uiteindelijk genoegen nam met deze kandidaat van evident tweede garnituur, illustreert de teruggang waarmee de school, mede als gevolg van de sociniaanse twisten, te kampen kreeg.

Het sombere beeld van de school dat zich hierdoor opdringt, wordt bevestigd in een brief van 21 december 1617 van de hoogleraar filosofie Clemens Timpler aan Conradus Vorstius, waarin hij zijn nog steeds in Gouda verblijvende oud-collega informeert over de toestand in Steinfurt. ‘Met de school gaat het langzamerhand bergafwaarts. Zij heeft het zwaar te verduren, niet alleen door inwendige maar ook door uitwendige kwalen, zodat de vrees bestaat dat zij ten slotte onder de druk en de ernst van haar kwalen jammerlijk zal bezwijken, als God niet onverwacht optreedt en haar zijn helpende hand biedt’, aldus de weinig optimistische Timpler. [47] Om welke kwalen het precies gaat, maakt hij niet duidelijk, maar aangenomen mag worden dat hij met name doelt op de schadelijke gevolgen van de affaire Vorstius en de Bestandstwisten in de Nederlanden voor de reputatie en de werfkracht van het Arnoldinum. De strijd over het socinianisme was in Steinfurt weliswaar geluwd – na 1614 wordt er geen melding meer gemaakt van incidenten op dit vlak – doch het gevaar van het hernieuwd oplaaien van de onrust bleef aanwezig. Onderhuids bestond in Steinfurt blijkbaar nog immer sympathie voor het socinianisme. Illustratief hiervoor is dat de vooraanstaande sociniaanse theoloog Martinus Ruarus (1589-1657) zich in 1617 een tijdlang met een groep studenten in Steinfurt ophield. Timpler maakt hiervan melding tegenover Vorstius. Ruarus en zijn gevolg zouden daarbij zeer behoedzaam en heimelijk te werk zijn gegaan, om de school niet opnieuw in opspraak te brengen. Timpler sprak met de theoloog en vond hem een geleerd man. Tegelijkertijd moest hij vaststellen dat Ruarius er veel merkwaardige opvattingen op nahield, ‘zoals ook anderen van zijn secte. In die zaken bestrijden wij elkaar onbeschroomd, ik hem en hij mij, zonder echter de naastenliefde of de christelijke welwillendheid geweld aan te doen’.

Een dergelijke academische onbevangenheid tegenover het socinianisme kon echter lang niet iedere geleerde opbrengen, zeker niet de theologen van orthodox-calvinistische snit. Hermann Ravensperger ging in Groningen onverdroten voort met zijn kruistocht tegen de leer van Socinus en meende in dit verband ook Hugo de Groot (Grotius) te moeten attaqueren. Timpler wist Vorstius te melden dat Ravensperger ‘op aandrijven en op raad van de andere theologen van de nieuwe Groningse academie’ een ‘Antigrotius‘ had geschreven, waarin hij de bekende rechtsgeleerde betichtte van socinianisme op basis van het werk dat deze tegen Socinus over de rechtvaardigmaking had geschreven. [48]

In de Nederlanden verdween de belangstelling voor het socinianisme bij wijze van spreken samen met Hugo de Groot in zijn boekenkist. Zijn arrestatie en spectaculaire ontsnapping, de onthoofding van raadspensionaris Van Oldebarnevelt en de veroordeling en verbanning van Vorstius vormden spraakmakende slotakkoorden van de partijstrijd tussen remonstranten en contra-remonstranten, die in het voordeel van laatstgenoemden was geslecht. Ook in Steinfurt verdampte de belangstelling voor het socinianisme nu snel en de zorgen daarover maakten plaats voor andere bekommernissen, zoals de ontberingen van de (dertigjarige) oorlog.

Steinfurter abituriënten: herkomst en loopbaan

Aan het slot van deze bijdrage worden de namen en achtergronden van de studenten in kaart gebracht, die in de eerste drie roerige decennia van het bestaan van het Arnoldinum korte of langere tijd in Steinfurt theologie hebben gestudeerd. Omdat de matrikels – de lijsten met de namen van de jongemannen die zich lieten inschrijven als student aan deze school – als verloren moeten worden beschouwd, kan helaas geen volledig overzicht verkregen worden van de studenten die de colleges van achtereenvolgens Piscator, Vorstius, Ravensperger en Rutgersius hebben gevolgd. Uit diverse secundaire bronnen, met name de senaatsprotocollen, de lijsten van stipendiaten, de door academiedrukker Theophil Ceasar uitgegeven thesen (met de namen van respondenten) en vermeldingen in kerkelijke archieven, zijn de matrikels niettemin voor een belangrijk deel te reconstrueren. Onderzoek in naamlijsten van predikanten en in de literatuur bracht aanvullende bijzonderheden over deze Steinfurter studenten aan het licht. Uiteindelijk leverde dit de hieronder weergegeven naamlijst op van in totaal 110 studenten die in de jaren 1591-1618 aan het Arnoldinum theologie gestudeerd hebben. [49]

Het aldus in beeld gebrachte – ongetwijfeld onvolledige, maar in omvang toch aanzienlijke – gezelschap van Steinfurter theologiestudenten laat een aantal opvallende kenmerken zien, dat een goed beeld geeft van de betekenis van het Arnoldinum voor kerk en samenleving in de grafelijke gebieden en in de Nederlanden.

a. Herkomst van de studenten:
Bentheim-Steinfurt-Tecklenburg      42           38,2 %
Overige Duitse gebieden                       42           38,2 %
Nederlanden                                             14            12,7 %
Zwitserland                                                 8              7,3 %
Onbekend                                                     4              3,6 %
                                                                          —-           ———
                                                                         110           100 %

De herkomst van de in Steinfurt ingeschreven studenten geeft inzicht in het geografische bereik van deze onderwijsinstelling. Bovenstaande cijfers laten zien dat de school hoofdzakelijk fungeerde als academische kweekvijver voor jongemannen uit de directe omgeving, waarmee zij in ieder geval voldeed aan een van de belangrijkste doelstellingen van haar stichter. De grafelijke gebieden, hoewel gering in omvang en bevolkingsdichtheid, leverden ruim een derde van de studentenpopulatie. Als ook de studenten die afkomstig waren uit dichtbij gelegen Westfaalse plaatsen daarbij worden opgeteld, uit de regio dus waarin het Arnoldinum in rechtstreekse concurrentie stond met het Paulinum in Münster, dan laat de lijst zien dat meer dan de helft van de schoolpopulatie met de eigen streek was verbonden. Wanneer de grenzen nog ruimer getrokken worden, dan kan gesteld worden dat de school voor haar leerlingen hoofdzakelijk afhankelijk was van de Duitse gebieden, aangezien maar liefst 80% daaruit afkomstig was. Deze cijfers bevestigen het oordeel van Frijhoff, die eerder in een onderzoek naar de sociaal-culturele betekenis van het Arnoldinum voor het grensgebied al vaststelde, dat het geografische bereik van de school beperkt was. [50]

b. Loopbaan van de afgestudeerden
Predikant                 85           77,3 %
Onderwijs                   5              4,5 %
Onbekend                20           18,2 %
                                       —          ———
                                     110          100 %

Het theologieonderwijs van Piscator, Vorstius, Ravensperger en Rutgersius heeft de Steinfurter studenten blijkbaar een goede basis opgeleverd voor hun maatschappelijke en kerkelijke carrière. De grote meerderheid zou erin slagen beroepen te worden als predikant in de gereformeerde kerk of – waar het de kleine groep Zwitserse studenten van Vorstius betrof – de zwingliaanse kerk in en om Zürich. Slecht een enkeling gaf de voorkeur aan het onderwijs en werd rector, conrector of preceptor op een Latijnse school.

c. Geografische bestemming van afgestudeerden
Bentheim-Steinfurt-Tecklenburg      13     11,8 %
Overige Duitse gebieden                       16     14,5 %
Zwitserland                                                   8       7,3 %
De Nederlanden                                        55     48,2 %
– Overijssel (19)
– Gelderland (11)
– Drenthe (6)
– Friesland (5)
– Groningen (5)
– Utrecht (3)
– Holland (2)
– Limburg (2)
Onbekend                                                    20        18,2 %
                                                                         —           —–
                                                                      110         100 %

Bij de vaststelling van bovenstaande tabel is alleen de eerst bekende standplaats en werkkring na beëindiging van de studie genomen en zijn de daaropvolgende standplaatsen niet in de telling verdisconteerd. [51] De werfkracht van het Arnoldinum onder potentiële studenten in de Nederlanden mag dan gering zijn geweest, de arbeidsmarkt voor afgestudeerden laat een beeld zien dat bijna omgekeerd evenredig is. Bijna de helft van de Steinfurter theologiestudenten zou na voltooiing van hun opleiding een eerste standplaats (in kerk of school) in de Nederlanden vinden. Dit hoge cijfer is toe te schrijven aan verschillende ontwikkelingen. In de relatief kleine grafelijke gebieden was de vraag naar predikanten uiteraard beperkt, zodat zich al snel een surplus vormde van kandidaten die elders een beroeping moesten zoeken. Deze afgestudeerden konden in de omringende Duitse gebieden evenmin aan de slag, omdat deze niet calvinistisch, maar rooms-katholiek of luthers waren. In de nabijgelegen delen van de Nederlanden nam de vraag naar gereformeerde predikanten in deze jaren juist zeer snel toe, als gevolg van de militaire successen van de Staatse legers tegen de Spanjaarden. In grote delen van Overijssel (Twente) en Gelderland kwam daardoor de weg vrij voor invoering van de Reformatie. Daarbij werd in belangrijke mate een beroep gedaan op predikanten uit de Duitse gebieden, van wie velen een theologische opleiding ontvingen in Steinfurt. [52]

Hoewel al het grootste deel van de Steinfurter abituriënten koos voor een Nederlandse kerkelijke gemeente, ligt voor de hand te veronderstellen dat dit cijfer nog aanmerkelijk hoger had gelegen als de kwestie Vorstius geen roet in het eten had gegooid. De ontwikkelingen rond deze omstreden hoogleraar deden bij menigeen in de Republiek ook een wantrouwen ontstaan tegen zijn studenten van het Arnoldinum. Toen in oktober 1610 in totaal 56 van de 68 Leidse theologiestudenten een schriftelijk protest indienden tegen de beroeping van Vorstius, was hun voornaamste argument dat zijn komst slecht zou zijn voor hun toekomst. Om dit te onderstrepen wezen zij erop, dat de Steinfurter studenten door toedoen van Vorstius inmiddels ook al overal een slechte reputatie hadden. [53] Hoe dit in de praktijk uitwerkte, zagen wij eerder al bij het afketsen van de beroeping van Gerard Stenius naar Deventer. Een ander voorbeeld was de provinciale synode van Groningen, die in 1611 van alle kerken uiterste voorzichtigheid eiste bij het beroepen van afgestudeerden van de zeer verdachte school van Steinfurt. [54]

Hoe groot was nu het risico dat studenten zo onder invloed raakten van de afwijkende theologische opvattingen van Vorstius , dat zij in hun latere loopbaan daadwerkelijk afweken van de gereformeerde leer. Het aantonen van een dergelijke correlatie tussen een studie in Steinfurt en deviantie in de leer is niet eenvoudig. Er zijn uiteraard vele factoren die iemand ertoe kunnen brengen af te wijken van het ‘rechte pad’, waarmee in dit verband het geheel van theologische opvattingen bedoeld wordt, dat binnen de gereformeerde kerken in de Nederlanden destijds officieel onderschreven werd. De invloed van een bepaalde hoogleraar is daarbij slechts één factor, naast zaken als persoonlijke levenservaringen, sociale behoeften, toekomstmogelijkheden en politieke redenen.

Met inachtneming van deze kanttekening stellen wij vast dat het leeuwendeel van de Steinfurter studenten (92 van de 110) korte of langere tijd bij Vorstius college liep en daardoor in elk geval met zijn ideeën vertrouwd moet zijn geraakt. Een veel kleiner aantal was daarnaast ook nog toehoorder onder Ravensperger (23) of Rutgersius (6). De enige graadmeter om vast te stellen of Steinfurter studenten in hun latere loopbaan door leerafwijkingen opvielen, is betrokkenheid bij een tuchtprocedure of zelfs schorsing en ontzetting uit hun ambt. In de praktijk ging het daarbij in alle gevallen om predikanten die de zijde kozen van de door Johannes Wtenbogaert geleide remonstranten, de partij die Vorstius als hoogleraar naar Leiden wilde halen. Toen zij in hun conflict met de orthodoxe contra-remonstranten op de Synode van Dordrecht (1618-1619) het onderspit moesten delven, werden deze remonstrantse predikanten gedwongen afstand te nemen van hun omstreden leeropvattingen of afgezet.

Onder deze groep van ruim tweehonderd predikanten, die na de Dordtse synode aan de kant werd gezet, bevond een klein maar spraakmakend gedeelte dat in Steinfurt gestudeerd had. Onder deze in totaal elf als remonstrant afgezette predikanten bevonden zich personen als Johannes Grevius, Assuerus Matthisius, Wilhelmus Isfordinck en Henricus Welsing, die in latere jaren een prominente rol hebben gespeeld bij het opzetten van een eigen clandestien kerkgenootschap, de Remonstrantse Broederschap. [55] Daarnaast is van vijf voormalige Steinfurter studenten bekend, dat zij wegens leerafwijkingen in de problemen kwamen, maar zich uiteindelijk conformeerden aan gereformeerde leer. Tot slot was er nog een drietal studenten, dat al tijdens hun studietijd wegens hun theologische opvattingen werd geschorst. Bij in totaal negentien Steinfurter theologiestudenten, 17,3 % van het geheel, kunnen derhalve in hun latere loopbaan leerafwijkingen worden vastgesteld. Daar staat echter tegenover, dat er ook enkele studenten onder het gehoor van Vorstius hebben gezeten die zich later zouden ontwikkelen tot felle verdedigers van het orthodoxe calvinisme, zoals Herbortus Ridder, Bartholdus Hausmann en de reeds genoemde Henricus Roseus. Alleen Roseus speelde daarbij overigens als smaakmaker een prominente rol in het debat. [56] De resterende, grote middengroep van studenten roerde zich niet of nauwelijks in de kerktwisten en sleet haar dagen met een vaak opvallende honkvastheid als dorpspredikant. Een enkeling werd uiteindelijk beroepen door een grotere stadsgemeente.

Concluderend kan worden gesteld dat het Steinfurter Arnoldinum in zijn beginjaren een belangrijke kweekvijver is geweest voor plattelandspredikanten in de grafelijke gebieden en in – vooral – het noord-oostelijke grensgebied van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Een klein en fanatiek deel van de studenten raakte in zijn verdere loopbaan nauw betrokken bij de kerkelijke twisten en viel op door leerafwijkingen. Enige invloed van Vorstius, die hun leermeester was in de vormende jaren van hun leven, zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Daarmee was het Arnoldinum vanuit gereformeerd perspectief bezien weliswaar een belangrijke kweekvijver voor predikanten, doch het water van deze vijver bleek niet altijd even helder.

Bijlage [57]

STEINFURTER THEOLOGIESTUDENTEN ONDER PISCATOR, VORSTIUS, RAVENSPERGER EN RUTGERSIUS IN DE JAREN 1591-1618

Student – Herkomst  – Studie –  Gemeente/School

Antonides, Johannes Deventer 1610 V Bathmen 1610 Havelthe 1613-1622
Bandt, Petrus Steinfurt 1600 V Molkwerum en Warns 1604 Zuid-Scharwoude 1610-1649
Benthem, Adolphus Nordhorn 1615 Ra/Ru Dwingeloo 1629-1654
Beventrup, Henricus Gronau/Alpen?1611 V Uedem (Kleef) 1620, Cuyk 1620-1654
Biermann, Rutgerus Hamm V Hinte tot 1604, Emden 1604-c1618
Bottichius, Henricus Schüttorf 1613 Ra Eelde 1622
Kropswolde 1626-1664
Brachtesenden, Herbord Tecklenburg 1609 V/Ra Emmen 1616-1657
Brewerus, Burchardus Henr. 1610 V
Brinckhovius, Georgius Dortmund 1609 V Prof. logica Steinfurt 1613-1618
Brumannus, Henricus Haltern 1602 V Almen 1602
Voorst 1603 Arnhem 1608-1617
Brumannus, Hermannus Warendorf 1600 V Hengelo en Zelhem 1604
Brumlevius, Samuel Tecklenburg 1611 Ra/Ru Assen 1629 Westerbork 1636-1657
Bruningius*, Arnoldus Steinfurt 1609/10 V Wesepe 1612 Enschede 1626-1634
Bulderen, Henricus à Deventer 1614 Ra/Ru Hellendoorn 1619 Herwijnen 1627-1644
Claphouwerus, Georgius Borculo 1605/12 V/Ra Terborg 1613 Lochum 1626-1637
Conradi, Bernardus Rheine 1610 V Leermens 1617-1627
Crassus, Johannes Steinfurt 1610 V Hohenlimburg 1620 Rector Schüttorf 1623 Neuenhaus 1632-1658
Elstroth, Christianus Tecklenburg 1592/02 V Tubbergen 1602 Oldebroek 1606 Angeren 1609-c.1615
Forckenbeck, Bernhardus Münster 1607/08 V Als student in Franeker geschorst
Forckenbeck, Wilbrandus Münster 1608/10 V
Gaeckelius, Petrrus Jülich 1605 V Conrector LS Zutphen 1618-1627
Goddaeus, Herman Schüttorf 1600 V Vaassen 1610-1634
Goor, Everhardus de Zutphen 1602 V Brummen 1603-1605
Goyckerus, Georgius Kampen 1605 V Wilsum 1612-1623 (afgezet) Ezinge (Gr.) 1625-1645
Grevius, Johannes Büderich 1603 V Randwijk 1606 Heusden 1610-1618
Grimerius, Gerhardus Ost-Friesland 1611 V
Hagen, Hermannus 1615 Ru Leeuwarden 1622-1668
Hardenackius, Joh.-Henr. Deventer 1617 Ra/Ru Borne 1621-1624
Haselbecius, Johannes Ootmarsum 1613 Ra Tolbert 1616 Midsland 1621 Tolbert 1638-1655
Hausmannus, Bartholdus Steinfurt 1599/09 V Ee 1608-1643
Havenbergius, Justinus Wezel 1605/08 V Onstwedde 1612 Sauwerd 1616 Ootmarsum 1626 Rijssen 1629-1639
Henrici, Henricus (Weingarten, Beilanus) Beilen 1599/00 V Blokzijl 1603 Franeker 1605-1635
Heroldus*, Abrahamus Dresden 1601/07 V Bentheim 1612 Schüttorf 1624 Marienwehr (Ostfr.) 1631-1636
Hertherus, Joachiumus Zürich 1601 V Zwitserland
Hoet, Albert Nordhorn 1613 V/Ra Nordhorn 1614-1632
Hoet (Huttenius), Herman Nordhorn 1611 V Gildehaus 1620 Uelsen 1626 Zelhem 1638-1639
Holstenius, Johannes Schüttorf 1610 V Rheda 1614
Leutershausen (Baden) 1617 Edingen (Baden) 1621 Schüttorf 1628-1649
Hostis, Luderus Bremen 1606 V
Isfordinck, Wilhelmus Steinfurt 1603 V Batenburg 1608 Elst 1615-1619
Johannis, Uco Manslagt 1609/10 V
Kellerus, Osuwaldus Zürich 1600/09 V Zwitserland
Kemenerus, Arnoldus Steinfurt V Winschoten c.1600 Delden 1602 Tecklenburg (T) 1605 Ede 1606-1622
Kemenerus, Fredericus Steinfurt 1602 V Borne 1603 Enschede 1605 Uelsen (B) 1606 Hasselt 1620-1657
Keppel, Johannes B. Elberfeld 1612 Ra Cronenberg (Bergh) 1613-1630
Koenerding, Joh. Andreas Holstein 1614 Ra Uit Statencollege verwijderd 1619
Lavaterus, Joh.-Casparus Zürich 1607/08 V Zwitserland
Lemannus, Joan.-Rodolphus Zürich 1610 V Zwitserland
Lemkerus, Johannes Bentheim 1610 V
Leonhardi, Paulus Köln 1601 V Bacharach (Palts) 16.. Kampen 1620-1649
Luthmannus, Henricus Steinheim 1612/14 Ra
Matthisius, Assuerus Deventer 1605 V Deventer 1607 Kampen 1617-1619
Meilingius, Johannes Borculo 1605/07 V Ruurlo 1607-1618 Genemuiden 1619
Meilingius, Henricus Borculo V Ruurlo 1602
Huizum 1605 Arnhem 1610 Hengelo en Delden 1617-1618
Molanus, Hermannus 1610 V
Molanus, Lucas Schüttorf 1610 V Woubrugge 1618-1619
Molitor, Gerlacus Gottsdorf 1612 Ra Borchet/Vaals 1633
Monachius, (Monnick) Joh. Schüttorf 1610 V Bunschoten 1615-1619
Monachius, (Monnick), Jac. Steinfurt 1610 V
Neander (Nieman) , Joachimus Stade 1608/09 V Lengerich (T) 1613 Bentheim (B) 1633 Lochum 1638-1650
Neuhusius, Edo Steinfurt 1604/07 V Rector LS Leeuwarden
Niderlage, Johannes a Schüttorf 1610 V Woudenberg 1613-1619
Nijenhuis, Albertus Bentheim 1592 V Boornbergum 1601 Burgwerd 1606 Nijkerk 1623-1661
Omphalius, Jacobus Köln 1605/08 V Als student in Franeker geschorst
Ottho, Joh. Henricus Zürich 1610 V Zwitserland
Paludanus, Amandus Hamm 1608/10 V Uedem (Kleef) 1614-1616 Crevecoeur en Engelen 1620-1625
Palthenius, Johannes Steinfurt 1610 V
Pithan, Henricus Siegen 1614 Ra Siegen 1620-1626 en 1632-1637
Pott, Engelbertus Steinfurt 1610 V/Ra Giethoorn 1618-1619
Pott, Johannes Steinfurt 1608/10 V Praeceptor Steinfurt 1616-1634 Praeceptor Harderwijk 1634-1644
Rappaeus, Joh.-Henricus Altenstadt 1608/09 V Bodelschwing (Mark) 1610 Hellendoorn 1612 Delden 1619-1620 Hamm (Mark) 1621-1662
Rentzingius, Henricus Steinfurt 1610 V
Ridder, Herbortus Münster 1602 V Beetsterzwaag 1606 Reimerswaal 1612 Sint-Annaland 1620-1626
Rijcken, Rudolphus Rijssen 1617 Ra/Ru Borne 1625-1649
Roemerus, Hermannus Schüttorf 1610 V
Romeling, Patroclus Quakenbrück 1603 V Dalfsen 1599 Ruinen 1603 Farmsum 1621-1647
Roseus, Henricus Jülich 1598 V Berkenwoude 1598 Overschie 1600 Friemersheim (Meurs) 1602 Den Haag 1607-1637
Rump, Arnoldus Gildehaus 1600 V Tecklenburg 1607-1639
Rumphius, Arnoldus Tecklenburg 1600 V Buderich 1614 Nordhorn Schüttorf 1628?
Rusius, Johannes Velthausen 1612/13 Ra Emmen 1614 Assen 1615 Ruinen 1623-1654
Santenus, Johannes Wezel 1610 V Rector Wezel
Sartorius, Johannes Ottenstein 1610/12 V Neuenhaus 1614 Gildehaus 1625
Schaff, Henricus Kamen? 1614 Ra
Schinzius, Joan.-Casparus Zürich 1607 V Zwitserland
Schodirck, Engelbertus Steinfurt 1610/14 Ra
Schotlerus, Johannes Iserlohn 1613 Ra Slotpred. Rheda 1613 Ladbergen (T) c.1614 Kamperveen 1615 Kampen 1617-1619 (afgezet) Mastenbroek 1626-1641
Schrunderus, Theodorus Metelen 1605/08 V Praeceptor LS Steinfurt 1608 Markelo 1612-1637
Schurckmannus, Gerardus Deventer 1608/10 V
Schwinder, Eberwinus-Arn. Steinfurt 1610 V
Scriba, Theodorus Wezel 1610 V Xanten (Kleef) 1616 Moers 1625-16..
Sluterus, Jodocus Tecklenburg 1613 Ra Ladbergen (T) 1614 Lengerich (T) 1633-?
Stalvordt, Hermannus Tecklenburg 1609 V Westerkappeln (T) tot 1625
Stenius*, Gerhardus Schüttorf 1606 V/Ra Baflo 1617-1647
Stulenius, Henricus Metelen 1608/10 V Uedem (Kleef) 1611-1613 Gennep 1613-1639 Cuijk 1639-1648 Beugen 1648-1668 (?)
Suavius, Andereas Borculo 1604/05 V Almen 1608
Lochum 1609 Alkmaar 1620 Utrecht 1623-1647
Sutoris, Menco Ohne 1598 V Nordhorn 1603-1653/54
Teschenmacher, Werner Elberfeld 1605 V Grevenbroich – Jüchen 1611-1613 Sittard 1613 Elberfeld 1615 Kleve 1617 Emmerich 1623-1632
Ubbonis, Meinardus Oldersheim 1608/10 V
Vinckius, Joh.-Henricus Merfeld 1604 V Wanneperveen 1615 Zevenhoven 1619 Woerden 1627-1653
Vocking, Johannes Ohne 1609 V Avereest 1618
Rouveen 1619-1660
Voltelen, Lubbertus Neuenhaus 1610/12 V/Ra Gramsbergen 1615 Zwartsluis 1621-1625
Wachendorff, Casparus Heinsberg 1608/13 V Frechen (Kleef) 1612-1621 Sittard 1621-1630
Wachendorff, Petrus Heinsberg 1603 V Linnich (Jülich) 1610 Amsterdam 1623-1650
Wagnerus, Jodocus Zürich 1608/10 Zwitserland
Wassenberg, Johannes Gronau 1610/13 V/Ra Leeden (T) 1616 Rolde 1620-1642
Wellemeijer, Hermannus Steinfurt 1607/12 V Losser 1618 Borne 1619 Bodelschwing (Mark) 1621 Steinfurt 1631 Lengerich 1631 Ladbergen (T) 1634 Sonsbeck 1636 Bladenhorst (genoemd 1639)
Welsing, Henricus Metelen 1603/08 V Maartensdijk 1615-1619
Westenberg*, Elbertus Ohne 1606/14 V/Ra Diepenheim 1618-1624
Westenberg, Johannes Ohne 1609 V Ommen 1607-1644
Wiermannus*, Theodorus Tecklenburg 1608 V Dalfsen 1612-1627
Winckelius, Henricus Haselunnensis 1602 V Gorssel 1603 Middelie 1606 Doesburg 1608-1619
Wirtzius, Joannes-Henr. Zürich 1611 V Zwitserland

Noten:

[1] Wilhelmus Baudartius, Memoryen ofte cort verhael der gedenckweerdichste so kerklicke als werltlicke gheschiedenissen van Nederland, Vranckrijck, Hooghduytschland, Groot Britannyen, Hispanyen, Italyen, Hungaryen, Bohemen, Savoyen, Sevenburghen ende Turkyen van den iaere 1603 tot in het iaer 1624 (Arnhem, 1624) boek II, 38.
[2] O.C. Broek Roelofs, Wilhelmus Baudartius (Kampen, 1947).
[3] Graaf Arnold IV van Steinfurt wordt overigens in het graafschap Bentheim aangeduid als graaf Arnold II.
[4] Paul Abels, Das Arnoldinum und die Niederlande wärend seiner ersten Blütezeit: Das Verhältnis einer Hassliebe, in: 400 Jahre Arnoldinum 1588-1988. Festschrift [Schriftenreihe des Kreisheimatbundes Steinfurt, 6] (Greven, 1988)78-97.
[5] Zie over deze episode het artikel van Plasger in deze bundel.
[6] Hans Jürgen Warnecke, Das Arnoldinum, in: Reformiertes Bekenntnis in der Grafschaft Bentheim 1588-1988 [Das Bentheimer Land, Band 114] (Bad Bentheim, 1988) 259-287; Idem, Von der Lateinschule zum Hohen Schule zu Steinfurt, in: 400 Jahre Arnoldinum, 41-49; R. Rübel, Das Gymnasium Arnoldinum im Wandel der Zeiten (Burgsteinfurt, 1953) 3-24; G. Heuermann, Geschichte des reformirten gräflich Bentheimschen Gymnasium Illustre Arnoldinum zu Burgsteinfurt (Burgsteinfurt, 1878) 1-20.
[7] W.H. Neuser, Die Anfänge der theologischen Vorlesungen an der Hohen Schule Burgsteinfurt, in: Symposion 400 Jahre Hohe Schule Steinfurt [Steinfurter Schriften 17] (Steinfurt, 1991) 158-175.
[8] A.W.A.M. Budé, G.T. Hartong, C.L. Heesakkers (eds.), Jacobus Revius. Licht op Deventer. De geschiedenis van Overijssel en met name de stad Deventer, Boek 5 (1578-1619), (Hilversum, 1995) 63: Revius schreef in deze oorspronkelijk onder de Latijnse titel Daventria Illustrata uitgegeven geschiedenis, dat Piscator in Deventer in eligische disticha het volgende werk schreef: Treurzang op Arnold Crolle, predikant in Ulsen die, omdat hij het welzijn van zijn vaderland boven dat van zichzelf stelde, op vrome wijze een voor hem en zijn dierbaren roemvolle dood stierf. Crolle is onbekend als predikant van Uelsen, evenals zijn blijkbaar tragische levenseinde. De familienaam Crull kwam overigens destijds veelvuldig voor in het graafschap Bentheim (vriendelijke mededeling van de heer G. Plasger).
[9] Een compacte levensbeschrijving van Vorstius geeft: C. van der Woude, Conradus Vorstius, in: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme (BLGNP), deel 1 (Kampen, 1983) 407-410. Uitvoeriger is: Albert Röser, Conrad Vorstius und die Theologie, in: Porträts aus vier Jahrhunderten Arnoldinum Steinfurt 1588-1988 [Steinfurter Schriften 11] (Steinfurt, 1988) 35-76. Zijn theologische opvattingen in: W. van ‘t Spijker, Conradus Vorstius als Vertreter reformierter Theologie zu Steinfurt, in: Symposion 400 Jahre Hohe Schule Steinfurt, 176-190. De enige monografie over hem is meer dan een eeuw oud: Carl August Mellby, Conrad Vorstius. Ein Vorkämpfer religiöser Duldung am Anfang des 17. Jahrhunderts (Leipzig, 1901).
[10] C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus. Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie (Kampen 1963) 199. Volgens Vorstius was deze zin later door zijn tegenstanders volledig uit zijn verband gerukt en bedoelde hij in algemene zin dat ook van tegenstanders altijd iets te leren valt. C. Vorstius, Oratie tot verantwoordinghe (‘s-Gravenhage, 1612)
[11] W. van ‘t Spijker, Heidelberger Gutachten in Sachen Vorstius, in: Ch. Strohm e.a. (red.), Späthumanismus und reformierte Konfession (Tübingen 2006) 207-226; W.J. Kühler, Het socinianisme in Nederland (Leiden 1912; reprint Leeuwarden, 1980) 57-61; Van ‘t Spijker, Conradus Vorstius, 179-183
[12] Johann von Münster (1560 – 1632), hofjurist van graaf Arnold IV en een belangrijke pleitbezorger van het gereformeerde geloof in de Duitse gebieden. Hij schreef onder meer Ein kurtzer Christ: und nutzlicher Tractat und Discurs von der Disciplin oder Busszuch der Kirchen (Frankfurt, 1616).
[13] Joseph S. Freedman, European Academic Philosophy in the Late Sixteenth and Early Seventeenth Centuries. The Life, Significance, and Philosophy of Clemens Timpler (1563/4-1624), (Hildesheim, Zürich, New York, 1988), Band 1, 61.
[14] G. Richter, Theophil Ceasar. Drucker am Gymnasium Illustre Arnoldinum zu (Burg-)Steinfurt (Nieuwkoop, 1967).
[15] Joannes Uytenbogaert, Kerckeliicke historie (Rotterdam, 1647) 547-548.
[16] Uytenbogaert, Kerckeliicke historie, 549-561. Zie over Ostorodt, die in 1598 samen met Andrej Woidowski vanuit Polen naar Amsterdam kwam om het socinianisme in de Republiek te gaan verspreiden: Kühler, Het socinianisme, passim. Vorstius verklaarde in 1612 tegenover de Staten dat hij altijd beleefd correspondeerde met zijn opponenten, of het nu de jezuïeten waren of de socinianen. Ook erkende hij door de Poolse broeders aangezocht te zijn als filosofiedocent, doch deze uitnodiging had hij onmiddellijk van de hand gewezen. Vorstius, Oratie tot verantwoordinghe, 40-43.
[17] Van der Woude, Sibrandus Lubbertus, 203-208; Kühler, Het socinianisme in Nederland, 70-71.
[18] Van der Woude, Sibrandus Lubbertus, 220-221.
[19] Baudartius, Memoryen, deel 2, 77.
[20] H.C. Rogge, Johannes Wtenbogaert en zijn tijd, deel 2 (Amsterdam, 1875) 109.
[21] A.W. Harrison, The beginnings of Arminianism to the Synod of Dort (London, 1926) 165-189; J.L. Motley, The life and death of Johan of Barneveld, advocate of Holland, Vol..I (The Hague, 1874) 302-316.
[22] Geraert Brandt, Historie der Reformatie en andere kerkelijke geschiedenissen in en omtrent de Nederlanden, 4 delen (Amsterdam-Rotterdam, 1671-1704), deel III: 596-597.
[23] Tegenover de Staten van Holland gaf Vorstius in 1612 ruiterlijk toe dat hij deze boeken, die hij nodig zei te hebben voor een gedegen bestudering en bestrijding van de opvattingen van de socinianen, rechtstreeks bestelde bij de socinianen in Polen omdat ze in de Nederlanden moeilijk te krijgen waren. Vorstius, Oratie tot verantwoordinghe, 40.
[24] Freedman, Clemens Timpler, I, 58. Vorstius ontkende tegenover de Staten sociniaanse boeken aan leerlingen gegeven of aanbevolen te hebben. Wel had hij ze enkele keren aan vrienden en voormalige studenten in bruikleen gegeven, met de aanmaning er zeer voorzichtig mee om te gaan. Vorstius, Oratie tot verantwoordinghe, 72.
[25] Van der Woude, Sibrandus Lubbertus, 226.
[26] Fürst zu Bentheimsches Archiv, Burgsteinfurt (FAS), A. 1326-Band I, 1604-1722: Protocolla Senatus Scholastici, fol. 56: 7-9-1611. De letterlijke tekst van de verhoren zijn opgenomen in C. Vorstius, Voorloper van een volcomene antwoort, dewelcke t’sijner tijt met Gods hulpe volghen sal teghen de verclaringhe D. Sibrandi Lubberti (Leiden, 1611).
[27] Gemeentelijke Bibliotheek Rotterdam, Handschriften Remonstrantse Broederschap, inv.nr. 1833: brief Henricus Welsing aan Johannes Wtenbogaert d.d. 5-7-1631.
[28] Archiv der Evangelischen Kirchengemeinde Wesel, inv.nr. 335: “Brantscher Briefwechsel”, Georgius Sollingius aan Catharina Karssenbruchs, zonder datum. De door hem genoemde aanstelling van Brinckhovius tot rector vond plaats op 20 mei 1612. FAS, A. 1326-Band I, 1604-1722: Protocolla Senatus Scholastici, fol. 43. Kort voor deze affaire werd Sollingius overigens ook al tot de orde geroepen door de senaat, naar aanleiding van een heftig conflict met zijn conrector, Conradus Goddaeus. Het is onduidelijk of dit conflict ook een leergeschil betrof. FAS, A. 1326-Band I, 1604-1722: Protocolla Senatus Scholastici, fol. 34.
[29] Archiv der Evangelischen Kirchengemeinde Wesel, inv.nr. 335: “Brantscher Briefwechsel”, Georgius Sollingius aan Johannes Brandt, zonder datum. Vertaling uit het Latijn: pater C.P. Voorvelt OFM zal.
[30] P.H.A.M. Abels, Georgius Sollingius, in: BLGNP, deel 3 (Kampen, 1988) 341-342; idem, De broederen van Twenthe. Een studie van de eerste Twentse dominees (1597-1678), (Hengelo, 1984) 65-66.
[31] FAS, A 1151: Professur der Theologie und Besetzung 1592-1801: brief van Johannes Gigas aan graaf Arnold Jobst d.d. 31-5-1613.
[32] FAS: A. 1326-Band I, 1604-1722: Protocolla Senatus Scholastici, fol. 59. Zie over Ravensperger: O.J. de Jong, Zwei Steinfurter Theologen, Ravensperger und Heidegger, in: Symposion 400 Jahre Hohe Schule Steinfurt [Steinfurter Schriften 17] (Steinfurt 1991) 192-195.
[33] Archiv der Evangelischen Kirchengemeinde Wesel, inv.nr. 335: “Brantscher Briefwechsel”, Georgius Sollingius aan Johannes Brandt, zonder datum. Vertaling uit het Latijn: pater C.P. Voorvelt OFM zal.
[34] Budé, Hartong, Heesakkers (eds.), Jacobus Revius, Boek 5 (1578-1619) 120-121.
[35] Brandt, Historie der Reformatie, deel II: 196-197.
[36] Richter, Theophil Ceasar, 36
[37] Freedman, Clemens Timpler, I, 64
[38] Budé, Hartong, Heesakkers (eds.), Jacobus Revius, Boek 5 (1578-1619) 150: Revius haalt een brief van 21-1-1618 aan van Ravensperger aan Johannes Volcerus uit Zwartsluis, voor wie hij op verzoek van de classis Vollenhove de doopceel licht van Poth. De Staten van Overijssel accepteerden de verklaring van Poth dat hij nimmer een aanhanger van Socinus was geweest, doch tekenden daarbij waarschuwend aan dat zij niet zouden dulden dat ‘huurlingen, vrijdenkers of aanhangers van Socinus (wier ketterij zij verafschuwden en afwezen) de schaapskooi van Christus zouden binnendringen’.
[39] Richter, Theophil Ceasar, 104.
[40] Om wie het hier ging is niet vast te stellen. Iemand met het patronimicum Wilhelmi komt in de archieven verder niet voor.
[41] Heuermann, Geschichte des Arnoldinum, 94-95
[42] De Jong, Zwei Steinfurter Theologen, 193-194.
[43] Abels, Das Arnoldinum und die Niederlande, 87.
[44] Brandt, Historie der Reformatie, II, 191-195.
[45] H. Voort, Abraham Herold. Ein Bentheimer Hofprediger und die orthodoxe Lehre der Reformierten, in: Bentheimer Jahrbuch 1990, 225-232.
[46] C.S.M. Rademaker, Gerardus Joannes Vossius (1577-1649), (Zwolle, 1967) 88-90.
[47] Gemeentelijke Bibliotheek Rotterdam, Handschriften Remonstrantse Broederschap, inv.nr. 1799: brief Clemens Timpler aan Conradus Vorstius, d.d. 1-12-1617. Vertaling uit het Latijn: pater C.P. Voorvelt OFM zal. Vorstius werd blijkbaar geregeld op de hoogte gehouden van de situatie in zijn oude woonplaats. Zo berust in dezelfde bibliotheekverzameling ook een brief van Stephanus de Reiger aan Vorstius van 6-11-1616 met nieuwstijdingen uit Steinfurt (inv.nr. 1677).
[48] Idem. Het betrof Defensio Fidei catholicae de satisfacione Christi adversus Faustum Socinum Senensem (Leiden, 1617).
[49] De namen van 57 studenten die na hun studie korte of langere tijd werkzaam zijn geweest in de Nederlanden werden eerder reeds gepubliceerd in Abels, Das Arnoldinum und die Niederlande, 90-94. Uit deze lijst moet nr. 56 doorgehaald worden. Vgl. W. Frijhoff, Die Bedeutung des Hohen Schule zu Steinfurt im Universitätsraum der östlichen Niederlande im 16. und 17. Jahrhundert, in: : Symposion 400 Jahre Hohe Schule Steinfurt, 30, n.41.
[50] Frijhoff, Die Bedeutung des Hohen Schule zu Steinfurt, 28. Frijhoff noemt deze vaststelling ‘teleurstellend’.
[51] Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de kritiek van Frijhoff op de kaart in Abels, Das Arnoldinum und die Niederlande, 91, die alle plaatsen in Nederland aangeeft waar predikanten werkzaam waren die in Steinfurt studeerden. Frijhoff, Die Bedeutung des Hohen Schule zu Steinfurt, 32, n.48.
[52] Abels, De broederen van Twenthe, 16.
[53] Requeste van de studenten in de H. Theologie, ghelevert in de handen van de Heeren curateuren van de Universiteyt tot Leyden, (…) aengaende de beroepinghe Conradi Vorstij (Leiden, 1611) [Knuttel 1872]. Frijhoff, Die Bedeutung des Hohen Schule zu Steinfurt, 33.
[54] J. Reitsma, S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, deel VI (Groningen, 1897) 190: synode 20-5-1611).
[55] J. Tideman, De stichting der Remonstrantsche Broederschap, 1619-1634, 2 dln. (Amsterdam, 1871) passim.
[56] A.Ph.F. Wouters, P.H.A.M. Abels, Nieuw en ongezien. Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621, Boek I, De nieuwe kerk (Delft, 1994) 500-501.
[57] De vetgedrukte namen in de bijlage zijn die van de personen die later wegens remonstrantse opvattingen uit hun predikambt gezet zouden worden. Personen met een asterix (*) zijn wel wegens leerafwijkingen in de problemen gekomen, doch verzoenden zich uiteindelijk met de gereformeerde kerken.

Dit bericht is geplaatst in Publicatie. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.