Coornhert kruist het pad van Xaviera Hollander

Het was een bijzondere avond half maart van dit jaar. De regen kwam in bakken uit de hemel, maar de lucht was zwanger van verwachtingen. Onze dochter in Utrecht had gebeld. De weeën waren nu echt begonnen en of wij Martha, haar oudste meisje van twee, wilden ophalen. We stonden net klaar om met de auto naar Amsterdam te rijden om een bijzonder boek op te halen dat ik na weinig loven en veel bieden had kunnen bemachtigen via de onvolprezen veilingsite Catawiki. Het ging om een heel oud boek, gedrukt in de jaren 1610-1612, vlak bij mij om de hoek aan Achter de Vismarkt in Gouda. Een boek waarvan ik zelfs in mijn stoutste dromen nooit gedacht had dat ik het ooit zou kunnen bemachtigen, omdat het zeldzaam is, in weinig bibliotheken is aan te treffen en daardoor onbetaalbaar. Deze Wercken van mijn zestiende-eeuwse held Dirck Volckertszoon Coornhert had ik wel veelvuldig in handen gehad, maar dan in de unieke collectie van de Goudse Librije in het stadsarchief. Nu was het dan toch gelukt om een eigen exemplaar te bemachtigen, al was de staat ervan waarschijnlijk niet best. Afgaand op de foto’s had het vocht de afgelopen vier eeuwen een slopende uitwerking gehad op het boek. Maar dat deerde mij evenmin als de regen die op deze dag onophoudelijk bleef neerdalen.

Voor ik mij in Amsterdam over deze nieuwe aanwinst kon ontfermen, moest er dus eerst een tussenstop gemaakt worden in Utrecht, om de kleine dreutel op te pikken. Een zenuwachtige vader hielp mee haar spulletjes in de auto te zetten, terwijl moederlief ons verzekerde dat het spel nu echt op de wagen was. Blijmoedig en onwetend van wat er stond te gebeuren, stapte de kleine bij ons in de auto om bij opa en oma te gaan logeren. Met gezwinde spoed werd vervolgens koers gezet richting nat en donker Amsterdam, waar we uiteindelijk in de Stadionbuurt belandden, volgebouwd met riante villa’s. Ik sprong uit de auto, met de gedachte even snel onder het afdakje bij de voordeur het boek in ontvangst te nemen. De deur zwaaide echter wijd open en ik werd door een vriendelijke heer van harte uitgenodigd binnen te komen. Terwijl mijn vrouw en kleinkind in de auto wachtten, ontvouwde zich voor mijn ogen een wonderlijk tafereel. Coornhert bracht mij in contact met een icoon uit een heel andere wereld en tijd, dat in mijn jeugd wereldfaam genoot.

Op een chaisse longue in de woonkamer, met aan haar zijde twee dienstige mannen, lag daar een vriendelijk glimlachende chique dame op leeftijd, half onder een deken, die zich voorstelde als Xaviera Hollander. Zij bleek de eigenares van het door mij zo begeerde boek. Ze vertelde zelf ook boeken geschreven te hebben, net als Coornhert, die grif verkocht waren. Ik ken uw werk, was mijn antwoord. Het kostte mij namelijk weinig moeite scherp te krijgen wie ik voor mij had, want haar naam ging in mijn jeugd over vele tongen. Haar opus magnum, The Happy hooker, verscheen in 1971, toen ik net zestien jaar oud was. Voor mij in de ligstoel lag dus de ‘hoerenmadam’ uit New York, die destijds wereldfaam verwierf door openhartig over haar erotische avonturen te schrijven. Inmiddels was ze overduidelijk van onstuimig in kabbelend vaarwater beland, al gebruikte ze haar reputatie nog maar al te graag om reclame te maken voor haar Bed and Breakfast.

Veel tijd om door te praten met Vera de Vries, zoals de werkelijke naam van Xaviera Hollander luidt, had ik helaas niet, want mijn ongetwijfeld ongeduldige medepassagiers wachtten in de auto. Het lukte mij nog wel de eigenares informatie te ontfutselen hoe Coornhert in deze onverwachte ‘happy hoek’ was beland. Het werk bleek afkomstig uit de nalatenschap van de Neerlandicus Jan Kamerbeek jr. (1905-1977), hoogleraar literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (foto links) en door hem geschonken aan zijn leerling Peter van Zonneveld, hoogleraar Nederlands in Leiden. Bij mijn afscheid kreeg ik nog een vriendelijke uitnodiging toch vooral een keer terug te komen als logee in haar Happy House B&B, waarna ik – met mijn nieuw aanwinst dicht tegen mij aangedrukt om het boek te beschermen tegen de aanhoudende regenvlagen – weer in mijn auto dook.

Prof.dr. Jan Kamerbeek jr.

Mijn eigen vrouwen waren tamelijk ongeduldig geworden van het wachten, maar begrepen na enige uitleg waarom het even had geduurd. Dat gold dus ook voor de tweejarige Martha, die immers vriendelijk keuvelend bleef wachten op wat kwam. Toch raakte haar geduld op enig moment ook op, nadat wij door een wegafsluiting verdwaald raakten in het tranendal dat Alphen aan den Rijn heet. Toen we daar voor de derde keer langs hetzelfde punt kwamen, klonk er vanaf de achterbank met een iel stemmetje op een smekend ongeduldige toon de hartewens “bijna thuis?”. Het kind had gelijk. Er zijn grenzen aan elke spanningsboog van verwachtingen.

Eenmaal thuis bleek dat de weeën bij mijn dochter even abrupt waren gestopt als de plensbuien buiten en kon de logeerpartij zich verder in ontspannenheid voltrekken. Nu had ik eindelijk de kans mijn trofee zorgvuldig te bestuderen. De foto’s op Catawiki bleken de hardvochtige waarheid te hebben getoond. Het boek was inderdaad in zeer slechte staat en alle pogingen tot herstel waren klungelig uitgevoerd. Het meest onbegrijpelijk was er omgesprongen met het prachtige portret van Coornhert, een gravure vervaardigd door Jan Harmensz Muller (1571-1628) uit Haarlem. Die prent was om duistere reden uitgeknipt en weer ingeplakt, met diverse scheuren als gevolg. Het eerste katern was aangevreten door vocht en vuil, met het nodige tekstverlies als gevolg. De boekband mocht nauwelijks die naam meer hebben; de rug was praktisch weg, evenals het leer om de platten. Wat overbleef was kaal karton en een goedkope sticker met de titel in slordig handschrift. Niet bepaald een parel om in de boekenkast te zetten.

Zwaar beschadigde rug en voorplat van Coornherts Wercken

Toch was het grootste deel van de kloeke foliant gelukkig onaangetast en bleek zij nog achttien van de twintig gebundelde werken te bevatten, met op elk titelblad het fraaie drukkersmerk van de Goudse boekdrukker Jasper Tournay. Alleen de laatste twee werken die oorspronkelijk in deze band moeten hebben gezeten, Zedekunst en Opperste Goedts nasporinghe, beide in 1612 gedrukt en met voortgezette folionummering (tot fol. 352v), bleken verdwenen te zijn. Toch was het alleszins de moeite waard om het boek te laten herstellen door een vakkundig boekrestaurator. Ik klopte daarvoor aan bij Wilma van Ipenburg van boekbinderij De Waterjuffer aan de Korte Raam in Gouda. Omdat er aan de band niks meer te redden viel heb ik haar gevraagd er een nieuwe, maar kunstzinnige lederen band omheen te doen en de beschadigingen zo goed mogelijk te repareren.

Mijn verwachtingen waren hooggespannen. Ik ken Wilma als een echt vakvrouw, die het boekbinden graag benadert als kunstvorm. Diverse keren heeft zij bijzondere creaties vervaardigd, die speciaal voor klanten werden ontworpen en soms ook werden tentoongesteld in musea en galeries. Ik ben ook van plan het boek te exposeren, namelijk in de Kraamkamer van de Vrijheid, die ter gelegenheid van de 500ste geboortedag van Coornhert in 2022 ingericht zal worden in het Remonstrantse Poortgebouw aan de Keizerstraat. Daarom heb ik niet gekozen voor een simpele band, maar voor een bruin lederen variant met opvallende blindstempeling. Het portret van Goltzius moest daarbij de inspiratie opleveren het belangrijkste element van de blindstempeling.

Maar voor Wilma toekwam een de buitenkant moest eerst het binnenwerk stevig onder handen genomen worden. Het resultaat was verbluffend. Heel voorzichtig heeft ze het grote Coornhertportret van Muller losgeweekt van de ondergrond waarop hij geplakt was. Alle schuren en kreukels (links) zijn daarna zorgvuldig weggewerkt. Alleen de vochtvlek rechtsonder is gebleven, omdat dergelijke vlekken en vochtringen niet meer weg te poetsen zijn. De beschadigde en deels vergane delen van de daaropvolgende pagina’s, met onder meer de titelpagina, de levensbeschrijving van Coornhert door zijn vriend Cornelis Boomgaert en het befaamde Protest teghen den slaap, werden vervolgens zorgvuldig aangevijzeld en verstevigd.

Nadat alle beschadigingen van het boekblok op deze manier gereparerd waren, kon begonnen worden met de band. Het vervaardigen van een mal voor de blindstempeling bleek niet eenvoudig. Na enig zoeken werd uiteindelijk Maarten Streefland, een talentvol tekenaar uit Moordrecht, benaderd die hiervoor de basis kon leveren. Hij slaagde erin Coornhert in een paar strakke lijnen uit een donkere ondergrond naar boven te halen. Met dit portret centraal op de voorplatten, werd vervolgens ter omlijsting een lijnenspel ontworpen dat afgewisseld werd met kleine ornamenten. Naar oude gewoonte werd daarnaast het jaartal van uitgave – 1612 – in en rechthoekig blokje op het onderste deel van het voorplat gedrukt. De rug bevat de gebruikelijke ribben, waarin de bindtouwen zijn samengebonden. Met een kleine stempel is daarop in het bovenste deel de auteursnaam en het woord “Wercken” gedrukt. Op de achterzijde is een simpel lijnenspel gedrukt, met rechts onderin in Romeinse cijfers het jaartal 2020 en een subtiel waterjuffertje als signatuur van de boekbindster.

En zo kon ik na acht maanden wachten en smachten – mijn een week later geboren kleinzoon Tom kan inmiddels kruipen – deze herboren boreling in mijn bibliotheek opnemen, bewaard voor zeker weer vier eeuwen.

Spionkoppen gelanceerd

Inlichtingenleiderschap – een term ontleend aan de Angelsaksische intell-literatuur, waarin het wordt aangeduid als Intelligence leadership – vormt het onderwerp van het boek Spionkoppen dat ik in september het licht mocht laten zien. Met deze publicatie heb ik een belofte ingelost die ik deed in mijn oratie ter gelegenheid van mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence and security Services aan de Universiteit Leiden. In het boek wordt aan de hand van elf portretten van de opeenvolgende hoofden BVD/AIVD geschetst hoe deze civiele Nederlandse geheime dienst is geleid en hoe deze mannen (vrouwen zijn opvallend genoeg nog niet in beeld geweest om deze organisatie te leiden) zowel binnen als buiten de organisatie hebben gefunctioneerd. Dankzij Mai Spijkers, directeur van uitgeverij Prometheus, is het boek op de markt gebracht door deze grote publieksuitgever, waardoor een brede afzet gegarandeerd is.

Het schrijven van het boek was voor mij ook min of meer een vorm van Vergangenheitsbewältigung. Als oude-medewerker van de BVD/AIVD (van 1984 tot 2005) en medewerker van de NCTb/NCTV (van 2005 tot heden) heb ik acht van de elf geportretteerde diensthoofden van nabij zien functioneren. Dat had voor deze studie zowel voordelen als nadelen. Voordeel was dat ik zelf al een oordeel had kunnen vormen, dat ik acces had tot de nog levende inlichtingenleiders en ook makkelijker kon spreken met personen uit hun entourage. Voorstelbaar nadeel was dat mijn beelden te gekleurd of vertekend konden zijn door persoonlijke ervaringen. Om die reden was het prettig samen te kunnen werken met twee getalenteerde oud-studenten, David Mendelsohn en Marijn Adams, die delen van het onderzoek voor hun rekening namen en ook concept-teksten schreven. Mede dankzij hun hulp en gesprekken met direct betrokkenen kwamen alle hoofden uiteindelijk scherp uit de verf.

De waarde van Spionkoppen – de titel is een knipoog naar Spy Chiefs een vergelijkbare tweedelige studie in Groot-Brittannië van Christopher Moran – is onder meer dat het een geschiedenis van de AIVD en zijn voorgangers schetst vanuit het perspectief van het hoofd. Daarbij wordt duidelijk dat de inlichtingencultuur in Nederland nog steeds onderontwikkeld is, wat soms leidde tot ondoordachte benoemingen die zorgden voor discontinuïteit en schade aan het beeld en functioneren van de organisatie. Bijzonder is ook dat de lezer zicht krijgt op de interne cultuur, die door de jaren heen gedomineerd werd en wordt door een onderstroom die wars is van externe bemoeienis en openheid.

Vlak voor de verschijning van het boek overleed Arthur Docters van Leeuwen. Dit markante oud-hoofd van de BVD was verantwoordelijk voor de grootste ommezwaai die de dienst in zijn geschiedenis heeft gemaakt. Vandaar dat het portret van hem ook het meest omvangrijk is in Spionkoppen. Ten behoeve daarvan hebben wij onder meer kunnen putten uit enkele gesprekken met hem en twee colleges die hij in Leiden gaf voor mijn leergang ‘Geheime diensten in de moderne context’. Waar ik niet uit heb kunnen putten waren zijn Memoires, die vlak na zijn dood het licht zouden zien onder de toepasselijke titel Een spoor van vernieuwing. nog even hadden we overwogen de manuscripten uit te wisselen, maar gaven er uiteindelijk de voorkeur aan de beide publicaties voor zichzelf te laten spreken. Achteraf bezien is dat ook goed geweest, want beide hoofdstukken over zijn tijd bij de BVD zijn in hoge mate complementair omdat ze vanuit verschillend perspectief zijn geschreven.

Het boek is op 15 september in het gebouw van de AIVD aangeboden aan pas benoemde – twaalfde – hoofd van de organisatie, Erik Akerboom. Hij toonde zich content met het boek en sprak de hoop uit dat er interessante leerpunten uit te halen zijn, die van nut kunnen zijn voor de toekomst van zijn organisatie, die dit jaar op de kop af 75 jaar bestaat. Vanwege de heersende corona-pandemie was een grootschaliger bijeenkomst met het personeel helaas niet mogelijk, zoals het boek ook extern niet kon worden gepresenteerd tijdens publieksbijeenkomsten. Dat gemis werd enigszins gecompenseerd door de aandacht die diverse media schonken aan de verschijning van het boek en de auteur.

Een taartschep voor Schiller

Zoals in eerdere blogs al aangegeven, ben ik een fervent liefhebber van rommelmarkten en kringloopwinkels. In ‘oude rommel’ kom je de meest curieuze of bijzondere spullen tegen, die je aanzetten tot een zoektocht naar de herkomst, de maker of de context. Een fraai voorbeeld hiervan is een (verzilverde?) taartschep die ik deze zomer op de Goudse rommelmarkt kon aanschaffen voor luttele €10, met daarop de beeltenis van de grote Duitse dichter, filosoof en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Hij is daarop ten voeten uit afgebeeld, met wapperende manen en gekleed in een kostuum met lange jas. In zijn linkerhand houdt hij een papierrol vast. Zijn rechterhand rust op een boek. Ver boven zijn hoofd zweeft een gelauwerd harpje. Het hele tafereel is omzoomd met een krans van bladeren. Onder Schillers voeten staat de datum 10 november 1859. De achterzijde van de schep is glad, met wat lichte beschadigingen. De steel is stevig en geornamenteerd; bij de aansluiting van de schep is enig restauratiewerk verricht.

Een zoektocht naar de aanleiding tot de vervaardiging van deze taartschep hoefde niet lang te duren. De genoemde datum van 10 november 1859 staat gegrift in het geheugen van Duitsland en aanpalende gebieden. Op die dag werd de honderdste geboortedag van Friedrich Schiller gevierd, en niet in stilte. De gebeurtenis was aanleiding voor Das Schillerfest, ook wel Das große Schillerfest of de Schillerfeier genoemd, het grootste dichtersfeest dat ooit in Duitsland is gehouden. Op alle Duitse universiteiten en hogescholen vonden herdenkingen plaats en ook elders in het land werden feesten en fakkeloptochten georganiseerd. In Berlijn, op de Gendarmenmarkt, werd op die dag de eerste steen gelegd voor een groot standbeeld voor de dichter.

De vieringen hadden naast een culturele achtergrond ook een politieke lading. In het jaar van de viering was het ook precies tien jaar geleden dat de Revolutie van 1848/49 plaatsvond en veel deelnemers waren er heilig van overtuigd dat de eenheid en de vrijheid van Duitsland een stuk dichterbij was gekomen. De festiviteiten worden dan ook beschouwd als een belangrijke psychologische en symbolische stap in de Duitse staatsontwikkeling. Ook in Zwitserland werd Schiller, auteur van Wilhelm Tell, groots herdacht en daar werd hij geëerd als de stichter van de moderne Zwitserse staat. Ook elders in Europa, bijvoorbeeld in Antwerpen, werden op deze datum overigens grote Schillerfeesten gehouden. Niet in Nederland, al weet de Rotterdamsche Courant van die dag te melden dat her en der in het land groepjes Schiller-liefhebbers stilstaan bij diens honderdste verjaardag.

Waar de taartschep is vervaardigd, door wie en in welke aantallen, is onbekend. Op internet zijn talrijke herinneringsmunten te vinden naar aanleiding van het Schillerfest, maar een taartschep, Tortenheber Tortenschaufel of Vorlegebesteck kwam ik niet tegen. Maar dat lukte wel Peter Thissen, die mij er naar aanleiding van deze blog op attendeerde dat een soortgelijke taartschep werd aangeboden op een veiling in Duitsland voor €95. Hoe het ook zij, door het feestelijke voorwerp krijg ik weer een prachtige blik in een bijzonder stukje geschiedenis.

Ovittius Abbema junior (bijna) naar Ethiopië?

Ovittius (Wytze) Abbema, zoon van de beruchte dominee-dokter-pastoor Pibo Ovittius Abbema (c.1542-1618), heeft een minstens zo markant leven geleid als zijn vader, dat was ons al duidelijk geworden na eerdere ontdekkingen over zijn verblijf als ziekentrooster in Oost- en West-Indië en in Rusland (Moskou). Net als in het geval van zijn vader kunnen we zijn levensloop reconstrueren aan de hand van steeds weer nieuwe splinters archiefmateriaal. Tot nu toe leek het erop dat hij na zijn omzwervingen over de wereld in 1631 definitief was neergestreken in Utrecht om daar zijn laatste jaren als gelei- of tegelbakker – zijn oude ambacht – te slijten. Dankzij de zegeningen van Delpher – het digitale kranten-, tijdschriften- en boekenarchief van de Koninklijke Bibliotheek, moet daar toch nog een nieuwe buitenlandse episode aan toegevoegd worden.

Na zijn terugkeer van een verblijf in Moskou, waar hij de kleine Nederlandse gemeenschap diende als ziekentrooster en zelfs deel uitmaakte van een delegatie die werd ontvangen aan het hof van de tsaar, kwam Ovittius Abbema in zijn nieuwe woonplaats Utrecht blijkbaar in contact met Dirck van Helsdingen. Deze regentenzoon was van 1627 tot 1630 de Utrechtse representant geweest in de Kamer van de West-Indische Compagnie (WIC), door de Utrechtse magistraat aangesteld omdat hij in West-Indië was geweest en de “zeevaert wel verstonde”. Wellicht dat beiden elkaar al uit Indië kenden, want ook Abbema verbleef daar – onbekend waar precies – tussen 1624 en 1626. Van Helsdingen was was berucht om zijn eigengereidheid en nam na het zoveelste conflict in mei 1630 zelf ontslag bij de WIC. Samen met Ovittius Abbema vatte hij het plan op een een geheel nieuw geografisch gebied te gaan verkennen op winstgevende handelsmogelijkheden. Om mogelijke obstructie te omzeilen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) zochten beiden daarvoor de steun van een externe mogendheid, in de persoon van Ulrich II, graaf van Oost-Friesland in Emden.[i]

Hun plan lieten Van Helsdingen en Abbema op 3 oktober 1631 op schrift vastleggen bij de Utrechtse notaris Wolfhard Zwaerdecroon:

“Diederick van Helsingen, oud-bewindhebber van de WIC tot Amsterdam ende Ovittius Abbema, verclaerden alszo dat Sijne Genade den Grave van Oost-Vrieslant van meninge was, door hun comparanten te doen oprichten sekere compagnie, omme op Sijne Genades name te negotieeren op sekere partijen van Arabia deserta ende andere plaetsen daer omtrent, waertoe zij comparanten eerstdaechs verhopen jeder in sijn qualité, van Sijne voorgemelte Genade commissie ende octroy te sullen impetreren”.

Op dat moment hadden beiden al tot twee keer toe bij de VOC-Kamer van Amsterdam octrooi gevraagd voor de “negotie” op dit gebied en tot twee keer toe – op 8 oktober 1630 en 5 februari 1631-  hadden de Staten-Generaal  deze Kamer laten weten geen consent te willen verlenen. Bij de afwijzing van het consent werd iets specifieker aangegeven dat het zou gaan om een missie naar het Land van Abbyssinië “anders genaemt Paep Jans Landt, beoosten Cape de Bonne Esperance [Kaap de Goede Hoop]”. Erg specifiek is deze aanduiding overigens ook weer niet, want Kaap de Goede hoop ligt mijlenver af van Ethiopië en Paap Jan Land was omgeven door mysterie.

Paap Jan regeert over zijn land (l) en graaf Ulrich II van Oost-Friesland voelde hier ook wel voor.

Paap of Priester Jan was een uit de 13de eeuw stammende legende over een middeleeuwse koning van een groot en machtig rijk ten Oosten van Azië dat nooit heeft bestaan en die vanaf de 14de eeuw toegepast werd op delen van Afrika in het algemeen en op Ethiopië in het bijzonder. De Ethiopische keizer stond in die dagen onder Europeanen bekend als Pape Jan. In de plannen van Van Helsdingen en Abbema werd klaarblijkelijk gedoeld op Oost-Afrika, zoals weergegeven op een kaart van Abraham Ortelius uit 1564 in zijn Theatrum Orbis Terrarium. Daar heet het gebied “Presbiteri Johannis, sive, Abissinorum Imperii descripto”.

Of het ondanks de bezwaren van de Staten-generaal toch gekomen is tot een verkennende tocht naar dit gebied is onduidelijk. In elk geval bleef Van Helsdingen vasthouden aan zijn plannen, want op 23 september 1632 werd een Abyssinische Compagnie opgericht, met hem als gouverneur-generaal en ene Johan de Prindre als zijn plaatsvervanger. De acte werd opnieuw verleend door notaris Zwaerdecroon, maar ditmaal wordt Ovitius Abbema niet vermeld, ook niet bij de ondertekenaars.

Een brief van de bewindhebbers van de VOC aan de Staten-Generaal van 9 juli 1637 werpt een ander licht op de hele onderneming:

“So voor desen eenen Dirck van Helsdingen onder de titel van Abbessinische Compagnie Sijne Genade van Oost-Friesland wijsgemaackt hadde, dat aldaar in delanden van Abbisinia (anders genaampt Paep Jans Landt) goude minen en meer andere rijckdommen soude te vinden sijn”.

Volgens de Staten-Generaal was de feitelijk bedoeling van Van Helsdingen echter om met enige schepen in zee te geraken en op de Rode Zee Moorse schepen en goederen te roven.[ii] Een dergelijke vorm van ‘misleiding’ zou geheel passen in de modus operandi van de vader van Ovittius Abbema, maar het is onzeker of hij bij deze invulling van de onderneming betrokken is gebleven. Zeker is alleen dat deze compagnie geen lang leven beschoren was. Na deze laatste lokroep uit den vreemde heeft Ovittius Abbema zich ten langen leste waarschijnlijk neergelegd bij een bestaan als tegelbakker in Utrecht, nabij zijn moeder, twee zussen en zijn vrouw.


[i] L.J. van Beuningen, ‘Het geslacht Van Helsdingen’, in: De Wapenheraut, maandblad gewijd aan geschiedenis, geslachts-, wapen-, oudheidkunde enz. 12 (1908) 483-485.

[ii] H. de Balbian Verster, ‘De Abessynische Compagnie. Een Nederlandsche Maatschappij in 1632’, in: Haarlem’s Dagblad, 15-1-1936.

Kringloopvondst: originele linosnede Willem van Norden met Goudse monumenten

Kringloopwinkels mogen zich verheugen in onze grote belangstelling. Deze eindmorene van onze doorgedraaide economie levert niet zelden verrassende vondsten op. Vaak zijn dat in ons geval boeken, die voor luttele bedragen aan een tweede leven beginnen, maar ook op andere gebieden valt er met enig zoeken veel moois op te duikelen. Vandaag leverde een bezoekje aan de Goudse Kringloop aan de Fluwelensingel weer eens een verrassende vondst op. Dit keer was het een prachtig ingelijste grote linosnede van de Gouds-Amsterdamse kunstenaar Willem Hendrik van Norden, met een collage van de belangrijkste Goudse monumenten.

De afbeelding kwam mij bekend voor. Ik herinner me dat de Oudheidkundige Kring Die Goude deze met de hand genummerde linosnedes in 1986 in een beperkte oplage van tweehonderd exemplaren voor 25 gulden aan de man probeerde te brengen, vergezeld van een boekje over Van Norden dat werd geschreven door oud-journalist en bestuurder van die Goude, Theo de Jong. De kopers kregen de verzekering dat het genoemde aantal bij de bij Drukkerij Van Tilburg BV in Gouda gedrukte exemplaren nooit groter zou worden, omdat de drukvorm was vernietigd. Het eerste exemplaar werd op 6 november 1986 aangeboden aan mw. Nicolette Sluijter, directeur van Museum Het Catharinagasthuis en Willem van Norden, zoon van de kunstenaar. Ter gelegenheid van deze uitgave werd ook een kleine expositie ingericht in Museum De Moriaan.

Het origineel was in bezit van de toenmalige voorzitter van Die Goude, Anton Houdijk, toen inmiddels burgemeester van Zoeterwoude. Ik woonde toen net twee jaar in (een nieuwbouwwijk van) Gouda, na onze emigratie uit Twente. Mijn verbondenheid met de stad was destijds nog niet zo groot dat ik deze prent kost wat kost wilde aanschaffen, ook al zat ik toen al in het bestuur. Dat gold voor meer Gouwenaars, want enkele jaren later lagen er nog exemplaren te koop in het winkeltje van Die Goude aan de Dubbele Buurt 4. Inmiddels ben ik volledig verknocht aan de stad en haar geschiedenis en kan ik het bijzondere van deze prent op waarde schatten.

In mijn herinnering was het papier van de nadruk iets witter. Mijn nieuwe aanwinst is gelig. Aan de achterzijde van de fraai ingelijste prent is een fotokopie van de prent geplakt met in een onderschrift het relaas over de nadruk door Die Goude. Daar is met pen aan toegevoegd: “origineel gekregen van Anton en Mieke, aug. 2013”. Bij nadere beschouwing van de prent wordt duidelijk dat het niet om een in de drukkerij strak afgesneden exemplaar gaat. Het papier is licht glooiend aan de bovenzijde. Bovendien ontbreekt de handmatige nummering. Ik concludeer hieruit voorzichtig dat ik vanmiddag in de kringloopwinkel geen nadruk heb aangeschaft van de linosnede, maar een originele afdruk!

Hoe het ook zij, de linosnede is krachtig, door de scherpe zwarte lijnen en de opwaartse beweging van het geheel. Van Norden (1883-1978) was dan ook geen ‘amateur’. Hij speelde een belangrijke artistieke rol in de Goudse plateelindustrie. Als 15-jarige als leerlingschilder begonnen in dienst van de Amsterdamse plateelfabriek De distel, ontwikkelde hij zich gaandeweg tot een vaardig plateelschilder. In zijn vrije tijd ontwikkelde hij zijn bekwaamheden verder door het volgen van lessen aan de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. In 1902 werd hij ontwerper bij De Distel en in 1911 artistiek leider. In 1922 werd het bedrijf overgenomen door de plateelfabriek Goedewaagen in Gouda, reden voor Van Norden om een jaar later met zijn gezin te verhuizen naar Gouda. Ook daar bleef hij een voorname rol spelen in het ontwerpen van dessins voor het aardewerk, zoals tegeltableaus en zelfs een servies ‘Van Norden’. Hij stopte pas in 1961 met dit werk, toen hij 78 jaar was ook geen ‘amateur’. Hij speelde een belangrijke artistieke rol in de Goudse plateelindustrie. Als 15-jarige als leerlingschilder begonnen in dienst van de Amsterdamse plateelfabriek De distel, ontwikkelde hij zich gaandeweg tot een vaardig plateelschilder.

In zijn vrije tijd ontwikkelde hij zijn bekwaamheden verder door het volgen van lessen aan de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. In 1902 werd hij ontwerper bij De Distel en in 1911 artistiek leider. In 1922 werd het bedrijf overgenomen door de plateelfabriek Goedewaagen in Gouda, reden voor Van Norden om een jaar later met zijn gezin te verhuizen naar Gouda. Ook daar bleef hij een voorname rol spelen in het ontwerpen van dessins voor het aardewerk, zoals tegeltableaus en zelfs een servies ‘Van Norden’. Hij stopte pas in 1961 met dit werk, toen hij 78 jaar was.

Van Norden was gehuwd met de joodse Bets Hakkert. Zij woonden in Gouda aan de A.G. de Vrijestraat.  Zijn vrouw werd in 1944 gearresteerd en belandde in Westerbork. Zij wist te ontkomen en overleefde daardoor de oorlog.

Pakpapier meegedrukt

Het verzamelen van oude boeken levert soms verrassende ontdekkingen op, maar ook raadsels. Gelukkig bestaat er dan Twitter om bij het zoeken naar een antwoord de inmiddels groeiende groep bibliofiele vrienden te hulp te roepen. Zo vond ik deze week op Marktplaats een Frans-Nederlands woordenboek van Marin en Holtrop uit 1786. Mijn aandacht werd getrokken door het mooie perkamenten bandje, maar meer nog door een leeg eerste blad, met onderaan een gedrukte regel met de tekst “Dit blaadje om de tytel te slaen”. Ik had dat nog niet eerder in een boek gezien en hoewel woordenboeken niet tot mijn verzamelgebied horen, was ik zo gefascineerd door die raadselachtige tekst, dat ik besloot deze dictionaire voor het luttele bedrag van €20 aan te schaffen. Bovendien past een mooi perkamenten bandje altijd in mijn trofeeënkast.

Eenmaal in handen bleek mij dat aan de achterzijde van dat bijna lege blaadje ook een tekst gedrukt was. Daarin richt de drukker, Blusse uit Dordrecht, zich tot de koper met een verklaring waarom deze negende druk zoveel duurder was uitgevallen dan de voorgaande edities. Pas op het blad daarachter stond de titelpagina, gevolgd door een bericht aan de lezer over de inhoud. Aanvankelijk ging ik ervan uit dat er wellicht een titelgravure ontbrak, die in veel achttiende-eeuwse boeken voorafgaat aan de eigenlijke titelpagina (en soms nog gevolgd wordt door een gedicht om de titelgravure uit te leggen). Toch vond ik de uitdrukking “tytel slaen” wat merkwaardig. In een tweet vroeg ik wat die uitdrukking kon betekenen.

Binnen een mum van tijd had ik diverse suggesties van boekenvrienden. De bekende Perkamentus veronderstelde dat het een bindaanwijzing was, die werd verwijderd als er een definitieve luxere band omheen werd gedaan. Het zou volgens hem wellicht ook een soort omslagblad kunnen zijn geweest. Dat het nog in het boek aanwezig was noemt hij een ‘curiosum’. Paul Dystelberge, boekhistoricus en curator van een prachtige boekencollectie van het Allard Pierson Museum in Amsterdam, denkt het met meer zekerheid te weten. Het is volgens hem een verpakking om het gebundelde maar ongebonden boek netjes te houden. Dat het blad vervolgens door de boekdrukker is mee gebonden in het boek noemt hij “ultra zeldzaam”. Wat er dus eigenlijk staat: een blaadje om als kaft om het nog ongebonden boek te gebruiken.

Met hulp van deze deskundigen ben ik ervan overtuigd geraakt dat mijn collectie weer een uitzonderlijk boekwerkje rijker is met dit woordenboek. Minpuntje is dat het alleen het eerste deel van een tweedelige uitgave is. Een jaar later, in 1787, verscheen deel 2, een Nederlands-Franse pendant. Het zal niet eenvoudig zijn om dat er bij te vinden, dacht ik. Maar dat leek mee te vallen; wederom dankzij de zegeningen van het internet. Via boekwinkeltjes.nl bleek zo’n los tweede deel voor een vergelijkbaar laag bedrag te krijgen. Helaas werd ik blij gemaakt met een dode mus: de slordige aanbieder meldde in reactie op mijn bestelling, dat hij het al verkocht had. We blijven zoeken.

Naschrift: Dat zoeken hoefde uiteindelijk niet lang te duren. Bij een bezoek aan het pop-up antiquariaat van Paul Gaemers in Baarn, een vaste deelnemer aan de Haagse boekenmarkt die zijn voorraad op deze manier in snel tempo wil verkopen, stuitte ik tot mijn gerote vreugde op een los tweede deel van dit woordenboek; dit keer in een mooie originele bruin-lederen band. En dat voor het luttele bedrag van 5 euro. Ik kon mijn geluk niet op.

Op ontdekkingtocht naar een oude liefde

Zo’n 35 jaar geleden kwam ik met enige regelmaat in Bentheim-Steinfurt-Tecklenburg, een nabij Twente gelegen graafschap. In mijn studie naar de eerste gereformeerde dominees van Twente trof ik menige evangeliedienaar aan die was opgeleid in Steinfurt (tegenwoordig Burgsteinfurt geheten), waar graaf Arnold II van Bentheim in 1588 een Gymnasium Illustre had gevestigd in een speciaal daarvoor gebouwd onderkomen. Deze humanistisch geschoolde gereformeerde landsheer wilde met deze school kader opleiden dat in zijn gebieden aan de slag kon als ambtenaar, jurist, predikant of medicus. Op deze school werd onderwijs op academisch niveau gegeven, maar zij miste het promotierecht van een universiteit. De graaf wist niettemin geleerden van naam aan te stellen, zoals de filosoof Clemens Timpler, de jurist Johannes Althusius en de theoloog Conradus Vorstius. Hun aanwezigheid trok niet alleen studenten uit de graafschappen aan, maar ook jongelieden uit alle windstreken, zelfs uit Polen, Zevenburgen en Hongarije. Een fors deel van de studenten aan deze calvinistisch gereformeerde school was afkomstig uit de nabij gelegen oostelijke delen van de Nederlanden. Daarmee werd het Arnoldinum op haar beurt weer een van de belangrijkste ‘leveranciers’ van predikanten in Twente en de Achterhoek na de doorvoering van de Reformatie aldaar.

Het gebouw van het Gymnasium Arnoldinum in (Burg)Steinfurt

Matrikels (inschrijvingslijsten van studenten) zijn niet bewaard gebleven, dus ik moest destijds proberen in allerlei andere bronnen te ontdekken welke Twentse predikanten in Steinfurt hun opleiding hadden genoten. Daarbij ging het om rekeningen, de senaatsbesluiten, brieven en drukwerken. Veel hulp daarbij kreeg ik van Graaf Oscar, nazaat van Arnold II, die mij toegang verschafte tot het huisarchief dat was opgeslagen in de middeleeuwse waterburcht van het stadje. Ook de voorzitter van de Heimatverein Bentheim, de geoloog dr. Heinrich Voort was zeer behulpzaam. Mijn interesse in het gebied was zelfs zo groot dat ik in het jaarboek van deze vereniging publiceerde, jarenlang lid was en in 1988 zelfs gevraagd werd mee te werken aan de feestbundel die werd samengesteld ter gelegenheid van het vierhonderdjarig bestaan van de school (die tot op de dag van vandaag nog voortbestaat als een gewoon gymnasium). Dat resulteerde in het artikel ‘Das Arnoldinum und die Niederlande während seiner ersten Blütezeit: Das verhältnis einer Hassliebe’, verschenen in 400 Jahre Arnoldinum 1588-1988. Festschrift, Greven 1988, p.78-97). In 2003 ben ik naar aanleiding van een in Bentheim gehouden kerkhistorische dag opnieuw in dit onderwerp gedoken, wat resulteerde in het artikel ‘Een kweekvijver met troebel water’ in een bundel van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (VNK).

De Waterburcht van Burgsteinfurt (l) en de band van de disputatie uit 1610

Na deze publicatie werd mijn aandacht meer en meer opgeëist door andere onderwerpen en bezigheden en verloor ik deze jeugdliefde een beetje uit het oog. Het is aan de corona-crisis te danken dat ik haar voor even weer heb teruggevonden. Zoals altijd – maar in deze dagen van huisarrest meer dan ooit – speurend op het internet naar oude boeken stuitte ik op het Duitse Ebay op een zeer zeldzaam drukwerkje van een oude bekende van mij, Theophil Ceasar (de Latijnse naam voor Gottlieb Kaiser), die drukker was voor het Arnoldinum in Steinfurt. Zijn gedrukte disputatie van studenten met hun hoogleraar waren destijds voor mij een belangrijke bron om namen van studenten te achterhalen, dus mijn interesse was meteen gewekt. Toen ik ook nog eens ontdekte dat deze disputatie niet genoemd werd in de door Günther Richter gereconstrueerde fondslijst van Caesar (Günter Richter, Theophil Caesar. Drucker am Gymnasium Illustre zu (Burg-) Steinfurt, Nieuwkoop 1967), besloot ik het niet al te duur geprijsde werkje dan toch maar aan te schaffen.

Het boekwerkje dat enkele dagen later al bezorgd werd is getiteld: Decades tres theorematum controversorum, ex philosophia practica desumptorum. Quarum prima est ethica, altera oeconomica, tertia politica. Quas Deo duce, & auspice Christo in Illustri Arnoldino, quod est Steinfurti, sub praesidio Clarissimi, Doctissimiq Viri Dn. Clementis Timpleri, philosophiae professoris ordinarii [.] ad publicam syztesin proponit, ac defendere conatur, ad diem [25] augusti [.] Arnoldus Hauszbrant Teclaburg, [Orn.].Steinfurti [Steinfurt] excudebat Theop. Cäsar [Theophil Caesar], Anno 1610, 4o, [xvi] p.

Het betreft een disputatie van de uit Tecklenburg afkomstig student Arnold Hauszbrant met zijn hoogleraar filosofie Clemens Timpler, verbonden aan het Arnoldinum in Steinfurt. De disputatie vond volgens de titelpagina plaats in augustus 1610; in oud handschrift is daar ‘25’ als exacte datum aan toegevoegd. Timpler (1563-1624) was een uit Stolpen (Dtl.) afkomstige filosoof, natuurkundige en theoloog, die wordt beschouwd als de grondlegger van de gereformeerde neo-scholastiek. De grote kenner van diens werk, de Amerikaan Joseph S.Freedman heb ik destijds nog ontmoet bij mijn bezoeken aan het archief in de Waterburcht van Burgsteinfurt in 1987-1988. De biografie waaraan Freedman toen werkte, verscheen in 1988 in Hildesheim (European Academic Philosophy in the Late Sixteenth and Early Seventeenth Centuries the Life, Significance and Philosophy of Clemens Timpler, 1563/4-1624)

De rond 1563 in Augsburg geboren Theophil Caesar werd in 1597 naar Steinfurt gehaald om geschriften van de hoogleraren en de disputaties van de studenten te drukken. Hij zou tot 1622 als drukker aan het Arnoldinum verbonden blijven. Deze disputatie van Hauszbrant is dan ook door Caesar gedrukt. Het jaar van verschijnen, 1610, zou overigens voor de school in Steinfurt een omslagpunt vormen. Conradus Vorstius werd in dat jaar namelijk naar Leiden gehaald om aan de universiteit aldaar Jacobus Arminius op te volgen als hoogleraar theologie. Rond de persoon Vorstius zouden weldra hevige debatten uitbreken, omdat hij onder verdenking stond dat hij sociniaan zou zijn; iemand die de Goddelijke Drieëenheid loochende, wat gezien werd als een van de zwaarste ketterijen. Hierdoor kwam ook de school in Steinfurt in een kwade reuk te staan en werd in de Nederlanden gewaarschuwd geen studenten uit dit graafschap meer tot de kansel toe te laten. Hauszbrant ondervond hier geen hinder van, want hij was geen theoloog maar een jurist.

Arnoldus Hauszbrant was niet van eenvoudige komaf. Hij werd op 9 november 1593 in Tecklenburg geboren als zoon van Wilhelm Hausbrand, “Tecklenbürgischer Kornschreiber” en jonkvrouwe Anna von Dedem, zu Esch und Zwoll. Zijn grootouders waren aan vaderszijde Georg Hausbrandt (Richter in Tegte) en Catharina von Backe. Aan moederszijde waren dit Gisbert von Dedem zu Esch und Zwoll en Elsabein von Ham. De kleine Arnoldus kreeg huisonderricht van een preceptor en werd daarna als student ingeschreven aan het Arnoldinum “welche damals in ihrem besten Flor war” [in een bloeiperiode verkeerde]. In zijn studietijd legde hij de basis voor zijn grote belangstelling voor oudheden en geschiedenis. Hij vervolgde zijn studie aan de lutherse universiteit van Marburg. Van daar trok hij voor zijn verdere scholing naar Giessen, Heidelberg en Speier om uiteindelijk in 1620 in Marburg te promoveren als doctor in de rechten. Ondertussen was hij in 1617 teruggekeerd naar zijn geboortestreek om zich te vestigen in Lengerich. Daar werd hij door graaf Adolf van Bentheim, Tecklenburg, Steinfurt en Limburg eerst als Raad en Secretaris aangesteld en in 1619 als Raad en Landrichter. Onder graaf Maurits werd hij in 1651 benoemd tot “Canzler, Geheim Rath und Landrichter”. In deze functies heeft hij veelvuldig diplomatieke missies uitgevoerd naar diverse landen en gebieden, zoals naar de Staten-Generaal in Den Haag. Ook werd hij afgevaardigd naar de onderhandelingen over de Vrede van Münster en Osnabrück. Hij wordt nog genoemd in de correspondentie van Constantijn Huygens. Op 3 december 1622 trad hij in het huwelijk met Regina Agnes Schnitters, dochter van Johan Schnitters, Osnabrücks Kamerheer. Zij schonk hem acht kinderen: drie zonen en vijf dochters.

Arnold Hausbrant overleed op 24 februari 1669 op 76-jarige leeftijd. Hij werd op 16 maart daaropvolgend in aanwezigheid van talrijke adellijke en burgerlijk hoogwaardigheidsbekleders begraven in de kerk van Tecklenburg. De lijkpredikatie werd verzorgd door dominee Bernhardus Erasmus Schrammius. De tekst verscheen in druk bij Emanuel Wellenberg in Steinfurt. Deze uitgave is in fotokopie bij de disputatie ingebonden. In dit boekwerkje worden al zijn functies en werkzaamheden uitvoerig opgesomd, alsmede bijzonderheden over zijn studie, huwelijk en kinderen. Het werkje wordt afgesloten met troostgedichten van de predikant – en schrijver van de geschiedenis van Tecklenburg – Gerhard Arnold Rumpius en de predikant Alhard Theodorus Snetlage.

De in een nieuwe perkamenten band gebonden disputatie, met daarachter in fotokopie de lijkpredikatie voor Arnold Hauszbrant uit 1669 is een zogeheten ‘doorschoten’ exemplaar, dat wil zeggen na elke bedrukte pagina een lege bladzijde volgt, meestal bedoeld voor het maken van aantekeningen. Een vorige eigenaar schreef in het blad ervoor: “Unsere Alwin Anna Hausbrand war die Schwester des Arnold Hausbrand, dessen Doktorarbeit und Leichenpredigt in diesem Buch enthalten sind. Die Leichenpredigt ist wichtig wegen der Abstammung von den v. Dedem”, ondertekend door Hans Krüsy. De naam “Hausbrand” staat in grote zwarte letters op het voorplat afgedrukt, met daaronder het familiewapen. Het titelblad is aan de bovenzijde licht beschadigd en vakkundig gerestaureerd met Japans papier. Op deze titelpagina is in handschrift een klein Andreaskruis aangebracht met de cijfers 31 en 78, waarvan de betekenis onduidelijk is. Op de binnenzijde van het voorplat is een heraldisch ex-libris ingeplakt van Hans Krüsy . Op de verso-zijde van de titelpagina is een opdracht aan Arnoldus afgedrukt van Joannis en Wilhelmus (Guilie[l]mo) Hauszbrant, respectievelijk zijn oom en vader. Op de laatste bladzijde staat een opdracht aan de student van Georgius Brinckhoff (Brinckhovius), hoogleraar logica en later ook rector van het Arnoldinum.

Deze nieuwe aanwinst voor mijn bibliotheek bleek nog een verrassing te bevatten. Na de disputatie en de lijkpredikatie trof ik aan de binnenzijde van het achterplat, achter een insteekstrook, een originele acte, gedateerd 2 januari 1624 aan en een afschrift daarvan op de achterzijde van een kalenderblad uit 1947. De acte betreft een handgeschreven begunstiging (“Bewilligung”) van 32 Reichsthalers aan Johannes Oortcamp en zijn echtgenote Catharina Veltmans, als compensatie voor het overlijden van de vader van Oortcamp en de inkwartiering van soldaten in Lengerich. Op de buitenzijde staat vermeld dat de “Bewilligung” in 1634 door Johannes Oortcamp is bestemd voor de armen ‘alhier’. Onder de acte sporen van drie zegels van ondertekenaars, met hun handtekening.

De middelste handtekening is van “Arnolt Hauszbrant”. In de zegel erboven is zijn familiewapen herkenbaar, zoals dat ook op het voorplat van het boekje staat afgedrukt.

Links de voorzijde van de opgevouwen acte, waarop staat dat Oortcamp de 32 Reichsthaler schenkt aan de armen; rechts de acte.

De aanwezigheid van dit document bleef blijkbaar onopgemerkt voor de antiquaar die het boekje verkocht, want in de uitvoerige beschrijving op Ebay werd hier geen melding van gemaakt. Het boekwerkje was al bijzonder vanwege de zeldzame disputatie, de bijzonderheden over de student – die een vooraanstaand lid van de hofhouding zou worden van de graaf van Tecklenburg – en de provenance (kenmerken van vorige eigenaars). Een nazaat – mogelijk Hans Krüsy – heeft de disputatie blijkbaar zo bijzonder gevonden dat hij het werkje in een luxe band met wapenopdruk heeft laten inbinden, samen met een kopie van de lijkpredikatie en het genoemde document. Het geheel maakt mijn nieuwe aanwinst tot een bijzondere historische bron. Met dank aan corona zal ik maar zeggen.

Boek over inlichtingenleiderschap bij BVD/AIVD in aantocht

Mocht u zich afvragen waarom ik de afgelopen tijd maar een beperkt aantal historische artikelen heb geschreven; zie hier de oorzaak. Het afgelopen jaar heb ik – naast mijn twee banen – veel tijd gestoken in het schrijven van dit boek over inlichtingenleiderschap. Omdat ik al 35 jaar meedraai in deze merkwaardige wereld, heb ik 8 van de 11 diensthoofden van nabij zien functioneren. Die herinneringen en ervaringen heb ik ook nadrukkelijk in dit boek verwerkt. In september zal dit boek verschijnen; rampen als corona voorbehouden. In de zomerfolder van uitgeverij Prometheus staat het boek al aangekondigd. [NB: blijkbaar is de invloed van mijn kleinkinderen momenteel groot op mijn taalvaardigheid: oeteren moet oesteren zijn]

Gouda 700 jaar stadsrechten: een feest dat niet is vergeten

Gouda loopt langzaam warm voor de viering van 750 jaar stadsrechten. Vanuit de schoolmeesterswoning naast de Jeruzalemkapel is een voorbereidingsgroep hard bezig om de Gouwenaren warm te maken voor dit feestjaar en de talrijke initiatieven om dit jubileum kracht bij te zetten in goede banen te leiden. “Geef Gouda door” is het motto voor deze viering. Vijftig jaar geleden werd het zevende eeuwfeest van Gouda’s bestaan als stad ook met veel enthousiasme gevierd.

Oudheidkundig Kring ‘Die Goude’ – onder invloed van modieuze vernieuwingsdrang in de jaren negentig omgedoopt in Historische Vereniging – had in die tijd nog nadrukkelijk het voortouw bij de organisatie. Een poging om met een ‘nieuwe Walvis’ te komen, een nieuwe stadsgeschiedschrijving, liep echter stuk op goede bedoelingen. Met kunst en vliegwerk wist ‘De Kring’ uiteindelijk met een artikelenbundel te komen, met daarin een aantal inderhaast door archivaris Geselschap geschreven artikelen en een uitgebreide serie bijdragen over de kerkgeschiedenis van Gouda, die blijkbaar wel op tijd klaar waren.

Links de omslag van de bundel van die Goude; boven het feestprogramma

De bundel Gouda 1272-1972 is een van de vele tastbare herinneringen aan de viering van Gouda700. De stad stond dat jaar dan ook bol van de activiteiten. Uit een speciale folder Gouda 700 jaar stad blijkt dat op 27 mei begonnen werd met een demonstratie parachutespringen. In de maanden daarna volgden onder meer sportwedstrijden, concerten van koren en drumbands, tentoonstellingen, beiaard- en orgelconcerten, kerkdiensten, filmvertoningen, lezingen (onder meer over Erasmus) en tekenwedstrijden. Het jubeljaar werd afgesloten met een feestweek, niet rond de eigelijke jubileumdatum van 19 juli, maar in de week van 19 tot en met 26 augustus.

Op de openingsdag van die week, een zaterdag, trokken leden van de gemeenteraad, gekleed in historische kostuums, per voet van museum Catharinagasthuis naar het stadhuis, waar een buitengewone raadsvergadering plaatsvond. Bij die gelegenheid werd het genoemde ‘gedenkboek’ van Die Goude aangeboden. Na de officiële opening van de feestweek trokken herauten de stad in om de bevolking te informeren wat er allemaal op het programma stond. Gedurende de hele week was er kermis (op de Veemarkt dit keer). Verder vonden er allerlei muzikale evenementen plaats, sportdemonstraties en een tentoonstelling van ‘antieke spaarpotten’ in het Catharinagasthuis. Het programma komt naar de normen van nu tamelijk belegen over. Toch is het slotakkoord wel blijven in het collectieve geheugen van de Gouwenaar, namelijk en historische optocht, onder de titel ’t Herte van Holland (van 1572-1816).

Aan de optocht namen honderden Gouwenaars deel, zingend, dansend, spelend – en op de achtergrond – door kostuums te maken, wagens op te tuigen, decors te schilderen, het doen van historisch onderzoek en het schrijven van teksten. In 19 hoofdstukken beeldden zij hoogtepunten uit de Goudse geschiedenis uit. Graaf Floris V – die de stad haar rechten gaf –  wandelde voorop met zijn hofhouding. Dan volgde Nicolaas Cats die namens de graaf het handvest voor de stadsrechten overhandigde aan de president-schepen. Verder in de stoet bouwmeesters die de bouwtekening voor de Sint-Janskerk toonden, Jacoba van Beieren en een jachtgezelschap, boekdrukker Gheraert Leeu, een over de stad en het vochtige klimaat mopperende Desiderius Erasmus, de gebroeders Crabeth met ontwerpen voor Goudse Glazen, Goudse rederijkers, de pest in Gouda, de eerste Goudse pijpenmaker Willem Barentsz, stadhouder Willem III met opstandige boeren, Wilhelmina van Pruisen en de patriotten, een paardenmarkt en de begrafenis van Paulina Soekpenning (een spaarzaam weeskind dat graf in de Sint-Janskerk wist te bemachtigen). De stoet eindige met een wagen waarop de wapenspreuk van Gouda, Per aspera ad astra (door de doornen naar de sterren) verbeeld werd. Opvallend afwezig was overigens Dirck Volkertsz. Coornhert, naar wie notabene het stedelijk gymnasium genoemd was. Mogelijk was deze vrijdenker destijds nog te omstreden voor de grote midden-orthodoxe meerderheid in Gouda.

Een bijzonder aandenken aan Gouda700 werd op vrijdag 16 juni aan de burgemeester van Gouda, mr. P. van Dijke, aangeboden. Het betrof een voor deze gelegenheid door Willem Vis uit Hazerswoude ontworpen bronzen gietpenning. Vis (1936-2007) had van 1957 tot 1971 de artistieke leiding over Koninklijke Begeer te Voorschoten, waar ook de Goudse penning werd geslagen. In totaal werden driehonderd exemplaren geslagen, die uiteindelijk minder aftrek vonden dan was gehoopt. Wellicht was de naakte vrouwenfiguur op de munt iets te gewaagd voor de behoudende Gouwenaars. Uiteindelijk werden er amper 220 verkocht, waarna abonnees van het blad ‘De Geuzenpenning’ in de gelegenheid werden gesteld om een exemplaar voor het gereduceerde bedrag van 25 gulden aan te schaffen. Wat de oorspronkelijke prijs is gewest, is mij niet bekend.

De penning weegt 378 gram en meet 65 millimeter. . Aan de voorzijde in de middenbaan is te zien hoe en naakte vrouwenfiguur zich uit de doornenstruiken omhoog reikt naar de sterren. Op de flankerende segmenten de wapenspreuk van Gouda met beide jaartallen: PER ASPERA 1272 – AD ASTRA 1972. De keerzijde van de penning toont het Goudse stadhuis met evenwijdig aan de middenbaan de zes sterren uit het stadswapen en het omschrift GOUDA 700 JAAR STAD. Verder is het ontwerpersmerk ‘visje’ te zien.

]

Twentse parels van de boekdrukkunst

Als bibliofiel begin je doorgaans richtingloos te verzamelen. De opbloeiende liefde voor het boek maakt gretig, niet kieskeurig. Maar naarmate de boekenkasten, boekenmolens en andere bergplaatsen zich vullen met nieuwe aanwinsten wordt de verzamellust gaandeweg getemperd door door het knellende besef dat ruimtegebrek heet. En als je dan ook nog eens zo verknocht bent aan al de liefdes die je in de loop der jaren hebt opgedaan, wordt je uiteindelijk toch gedwongen selectiever te zijn in je aankopen, zelfs als de mooiste drukwerken die je altijd al had willen hebben, maar te duur waren, door de ineenstorting van het moderne antiquariaat bij de euroknallers voor een grijpstuiver voor het oprapen liggen. Zelfs in het accepteren van schenkingen, die met het klimmen der jaren en het wegvallen van betreurde boekenvrienden, snel in aantal toenemen , is – soms pijnlijke – afhoudendheid noodzakelijk.

Ooit begon ik mijn ontdekkingstocht in de geschiedenis, die onvermijdelijk verliep via het gedrukte boek, in Twente. In deze bijna-geboortestreek  stortte ik mij als jonge student-geschiedenis met overgave op de vele boeken en artikelen die over dit gebied verschenen waren, in mijn zoektocht naar een antwoord op de vraag waarom zoveel mensen hier katholiek waren gebleven in een door het calvinisme gekleurde zee om hen heen. Pastoor J. Geerdink hielp mij mooi op weg met zijn Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twenthe, uitgegeven door pastoor E. Geerdink te Vianen en verschenen in 1895. Het oorspronkelijke boek was destijds nog onvindbaar, dus ik moest mij behelpen met een fotografische herdruk in een eenvoudig geplakt bandje, waarvoor ik het onwaarschijnlijke bedrag van 125 gulden moest neertellen. Eenzelfde bedrag was ik kwijt voor het werk van W.G.A.J. Röring over Wereldlijk en kerkelijk Twenthe, ook een herdruk, en zelfs het standaardwerk over mijn woonplaats, Ter Kuile’s De opkomst van Almelo en omgeving, kon ik ook alleen maar in facsimile te pakken krijgen.

Het aantal serieuze werken over de geschiedenis van Twente is beperkt, maar er is toch bijzonder veel over deze streek geschreven. Het meeste van dit werk is zogeheten ‘grijze literatuur’, eenvoudige uitgaves van amateurhistorici en lokale historische kringen, die ik ook driftig ben gaan verzamelen. Op den duur kon ik de oorspronkelijke edities van de eerdergenoemde werken toch te pakken krijgen, zelfs in diverse uitvoeringen en drukken, zoals het Almelose boek. Dat een van die werken nog de oorspronkelijke – ante-moderne – stofomslag heeft [zie boven], blijkt zelfs waardeverhogend te zijn, zo hoorde ik pas onlangs van een kenner. 

Ds. Johannes Palthe (1639-1702), predikant in de kerk van Denekamp (boven)

Er was één standaardwerk dat ik nooit in bezit wist te krijgen en waarvan ik ook nooit gedacht had dat ik de vier delen ooit nog eens zou kunnen toevoegen aan mijn bibliotheek: de bibliofiele uitgave uit 1934 over de havezathe Singraven bij Denekamp. De eerste keer dat ik deze boeken in handen kreeg was in de jaren tachtig van de vorige eeuw, bij een bezoek aan de kasteelbibliotheek van het Duitse stadje Burgsteinfurt, vlak over de grens bij Denekamp. In mijn onderzoek naar de eerst gereformeerde predikanten van Twente kwam naar voren dat velen van hen hadden gestudeerd aan de Illustere School in die plaats, opgericht door de gereformeerde graaf Arnold van Bentheim en Steinfurt. Vandaar dat ik ook daar op zoek ging naar sporen. In het genoemde werk vond ik een portret van de Denekampse predikant Johannes Palthe.

Toen al bleek mij dat het om zeer bijzondere boeken ging, die verschenen waren in een kleine oplage. Initiatiefnemer was de laatst particuliere bewoner van Singraven, Willem Frederik Jan Laan [foto]. Hij liet de geschiedenis van zijn woonstede minutieus uitzoeken door prof.dr. Karl Döhmann, op dat moment archivaris op het eerdergenoemde kasteel in Burgsteinfurt. Hij werd geassisteerd door de bekende Denekampse schoolmeester en historicus Willem Hendrik Dingeldein. In de inleiding op het werk stelt Laan zichzelf de vraag waarom er zo’n enorm, vierdelig boekwerk moest verschijnen over een schijnbaar onbelangrijke Twentse havezate. Voor hem waren er twee redenen. Allereerst wilde hij recht doen aan de auteur. Deze was door toedoen van eerdergenoemde G.J. ter Kuile op zijn pad gekomen en had op zijn verzoek tien jaar intensief onderzoek gedaan naar alle archiefstukken die er over Singraven bewaard waren gebleven. Daarnaast was Laan gaandeweg tot de overtuiging gekomen dat de geschiedenis van dit Huis van belang was voor de hele streek, omdat zij licht wierp op tal van nog onbekende aspecten van de Twentse geschiedenis. In zijn stellige overtuiging was het daarmee hét standaardwerk voor Twente.

Döhmann deed het leeuwendeel van het archiefonderzoek en schreef de tekst. Maar wel in het Duits. Dingeldein vertaalde de boeken niet alleen in het Nederlands, maar zorgde er ook voor dat lange passages over de Duitse geschiedenis “verknipt en verkort” werden. Het moest immers een Nederlands boek worden. Verder leverde de Denekamper schoolmeester allerlei informatie aan, bijvoorbeeld over veldnamen. Ook ontwierp hij alle kaarten die in het boek zijn afgedrukt, alsmede enkele grote uitvouwbare en ingekleurde kaarten, die achterin het vierde deel in een mapje zijn opgeborgen. Overigens duurde het na afronding van dit omvangrijke onderzoek nog lang, voor het gedrukt kon worden. De druk van het werk moest namelijk wegens de economische crisis, “die voortdurend scherper vormen aannam”, enige jaren worden uitgesteld.

De resultaten van het onderzoek vonden uiteindelijk hun weerslag in vier dikke delen op foliantformaat, waarbij de modernste technieken uit de jaren dertig werden gebruikt. Kosten noch moeite werden daarbij bespaard. Verschillende firma’s uit Nederland, Duitsland, België en Frankrijk werden daarbij ingeschakeld.

De boeken verschenen in een genummerde oplage van 165 sets en zijn volledig gedrukt op handgeschept papier van de firma Van Gelder Zonen, met in elk blad als watermerk SINGRAVEN en de handtekeningen van beide auteurs.

De afbeeldingen in lichtdruk, de gekleurde wapens en kaarten, en de titelplaat van deel 3 zijn gemaakt door de firma J. de Brunoff in Parijs. De firma Carl Schünemann in Bremen leverde de titelplaten van deel 1 en 2, de firma Van Leer & Co in Amsterdam het facsimile van de acte van allodificatie uit 1506. Het bindwerk is van de firma J. de Brunoff in Parijs. De boeken bevatten talrijke paginagrote afbeeldingen, die niet zijn meegenomen in de paginanummering. Voor elke afbeelding zit een vloeiblad, waarop het bijschrift staat afgedrukt. De meeste foto’s zijn zwartwit, maar vele ook in kleur. Achterin deel 4 een mapje met alle kaarten. De stevige band heeft turquoise platten, die met goudopdruk zijn versierd. De rug is beigekleurig, met in goudopdruk Singraven, deelnummer en het jaartal 1934. Dit werk mag beschouwd worden als het mooiste drukwerk dat ooit over (een deel ) van Twente is verschenen en leek wegens zijn zeldzaamheid en kostbaarheid voor mij onbereikbaar.

Na mijn emigratie om den brode naar Holland heb ik mijn deelverzameling boeken over Twente min of meer ‘bevroren’, met uitzondering van nieuwe werken over de plek waar ik opgroeide, het stedeke Almelo. Toen zich vorige maand echter, door toedoen van Robert Kemper Alferink, een boekenvriend uit Haarle, een unieke kans voordeed om die bijzondere set boeken over Singraven te bemachtigen, kon ik het toch niet laten mijn verzameling nog eenmaal te ontdooien en plek in te ruimen voor deze parels van de boekdrukkunst. Mijn collectie Twente is nu ‘compleet’.