Preek van de Leek over mijn liefde voor het B(b)oek

Een langgekoes­terde wens van mij zal op zondag 15 maart in vervulling gaan. Dan betreed ik een kansel om de goedge­meente stichtelijk toe te spreken en wel in de Lutherse Kerk, ook wel Sint-Joostkapel genoemd. Ik ben daar­voor gevraagd van­wege mijn kerkhis­torische achtergrond.  Met mijn leken­preek wordt het 3e seizoen van de Goudse Preek van de Leek afges­loten. Ik ben van plan te spreken over ‘de liefde voor het (B)boek’, zowel met een kleine– als met een grote let­ter. In feb­ru­ari is in Museum Gouda de ten­toon­stelling UITGELEZEN! geopend, gewijd aan boek­drukkunst, boeken en lezen. Ik ben één van de vier gastcu­ra­toren die de kans heeft gekre­gen in deze exposi­tie de fas­ci­natie voor het boek ten­toon te spreiden.

A3_poster_PAUL ABELS

De Goudse Preek van de Leek is inmid­dels een beproefd con­cept. Bek­ende Gouwe­naars –uit de wereld van kunst en cul­tuur, poli­tiek, sport of het bedri­jf­sleven– betre­den de preek­stoel. Bin­nen het for­mat van een kerk­di­enst preken ze over wat hen inspireert. Eerdere prek­ers waren onder andere Ger­ard de Kleijn, Tania Kross, Mohammed Mohan­dis, Jaap Mul­der en Willem Hes­sel­ing. De Goudse Preek van de Leek is een ini­ti­atief van de Fed­er­atie Gouda, een geloof­s­ge­meen­schap die haar inspi­ratie vindt daar waar chris­ten­dom, com­passie en cul­tuur elkaar raken. Een leken­preek begint om 16.00 uur in de St. Joost­kapel (Lage Gouwe 134) en duurt ongeveer een uur. Net als bij een nor­male kerk­di­enst is de toe­gang vrij en is reserveren niet mogelijk. Na afloop wordt er gebor­reld in de Koffiefab­riek. Op facebook.com/goudsepreekvandeleek is meer infor­matie te vinden.

Erasmusbrief voor Chahid el Haddouti

Vooruit­lopend op het Goudse Eras­mus­jaar 2016, waarin de grote human­ist met onder meer een ten­toon­stelling in Museum Gouda en een nieuw gebrand­schilderd raam in de Sint-Janskerk wordt geëerd, is een ket­ting­brief van Eras­musvrien­den ges­tart. In het komende jaar schri­jven mensen die geïn­spireerd zijn door Eras­mus steeds weer een nieuwe brief aan een vriend of bek­ende, zoals Eras­mus dat zelf ook deed in zijn tijd. Deze brieven zullen uitein­delijk ook gebruikt wor­den voor de ten­toon­stelling. Muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn beet drie weken het spits af, met een brief aan bovengetek­ende. Van­daag heb ik op mijn beurt een brief geschreven en over­handigd aan Chahid el Hadd­outi, voorzit­ter van Sticht­ing Boug­haz, met wie ik samen­werk om dit najaar de ten­toon­stelling Lalla Golda te organ­is­eren naar aan­lei­d­ing van 50 jaar Marokka­nen in Gouda.

DSC09386De brief aan Chahid is opge­bouwd rond Eras­mus’ boek ‘De Turkenkrijg’ uit 1530, waarin de human­ist antwo­ord geeft op de vraag of het westen oor­log moet voeren tegen de moslims.

De Marokkaanse vrouw in de schijnwerpers op tentoonstelling Museum Gouda

 

boughazDit jaar is het pre­cies 50 jaar gele­den dat de eerste Marokka­nen zich ves­tig­den in Gouda. Een halve eeuw later telt de Marokkaanse gemeen­schap in de stad ongeveer 7000 DeOntheemdenper­so­nen, 10% van de bevolk­ing. Sticht­ing Boug­haz, die al in de jaren ’90 al aan­dacht trok met gefilmde portret­ten van migranten die her en der in de stad ver­toond wer­den in con­tain­ers, wil niet onopge­merkt voor­bi­j­gaan aan die halve eeuw Goudse migratiegeschiede­nis van de Marokka­nen. In samen­werk­ing met het Museum Gouda en diverse andere part­ners in de stad zal op cre­atieve wijze stilges­taan wor­den bij dit jubileum. Daar­bij is gekozen voor een orig­inele en bij­zon­dere inval­shoek: de vrouw als stille kracht achter de migratie. Hoewel het de man­nen waren die vanaf 1965 als eerste in Gouda arriveer­den om hier aan de slag te gaan in fab­rieken, waren het immers de vrouwen die min­stens even zoveel inspan­nin­gen moesten lev­eren. Zij waren het die alleen achterbleven en hun kinderen moesten opvoe­den. Zij waren het ook die jaren later met de opgroeiende kinderen naar Ned­er­land wer­den gehaald en in een volkomen nieuwe en onbek­ende wereld hun weg moesten vin­den, zon­der hulp van een werkgever en met een zware huishoudelijke last. Velen van hen leg­den een opmerke­lijke over­lev­ingskracht aan de dag, maar er waren ook vrouwen die wegk­wi­jn­den achter de ramen, vervuld van heimwee en zor­gen over uit de band sprin­gende kinderen. Leed en vreugd zullen dan ook beide aan bod komen.

Vertrekpunt voor alle activiteiten wordt een exposi­tie in Museum Gouda, waar de vrouw op cre­atieve wijze tot mid­delpunt gemaakt wordt van de bewogen Marokkaans-Goudse migratiegeschiede­nis. Het idee van een dergelijke ten­toon­stelling komt nog van Nico Haber­mehl, de Goudse his­tori­cus die door een ern­stige ziekte getrof­fen werd en vorig jaar over­leed. Een aan­tal Gouwe­naars van Marokkaanse en Ned­er­landse afkomst heeft het stokje van hem overgenomen. De exposi­tie, in het najaar van 2015, zal wor­den omli­jst met een groot aan­tal neve­n­ac­tiviteiten. Voorzit­ter Chahid el Hadd­outi van Sticht­ing Boug­haz is zelf geïn­trigeerd door de overeenkom­sten tussen het bek­ende Goudse aardew­erk en keramiek uit Marokko. Hij zal dit in de keramiekzaal van het museum tot uit­drukking laten komen. De his­tori­cus Paul Abels zal de moeizame begin­jaren in beeld bren­gen, zowel voor de man­nen als de vrouwen. Daar­naast zullen tal van kun­s­tu­itin­gen getoond wor­den die de the­matiek ver­beelden. Beeldend kun­ste­naar Willem Hes­sel­ing werkt daar­bij samen met Marokkaanse kunstenaars.

Sticht­ing Boug­haz en het Museum Gouda stellen zich tot doel om zowel bezoek­ers met een Ned­er­landse, als met een Marokkaanse achter­grond te trekken. Om dit te bereiken wordt muse­um­be­zoek gekop­peld aan andere activiteiten buiten het museum, in de sfeer van muziek, dans, lit­er­atuur, film en debat. Boven­dien zal er een edu­catief pro­gramma ontwikkeld wor­den, om zo ook de jeugd ken­nis te laten maken met dit nog steeds actuele verleden van Gouda. De organ­isatoren weten zich ges­te­und door een Comité van Aan­bevel­ing, waar­van onder meer de Goudse burge­meester Milo Schoen­maker, het PvdA-kamerlid Mohammed Mohan­dis, de voor­ma­lige directeur van Uniqema Jan Löwik, de in Gouda opge­groeide Fatima Kalai – El Masaoui, onderneem­ster en raad­slid D’66 in Waddinxveen, Naïma Zefzafi, Samira El Yacoubi en Laila Abid, doc­u­men­taire­maak­ster, deel uit­maken. De ten­toon­stelling zal lopen van eind sep­tem­ber tot begin januari.

Zie voor het laat­ste nieuws over Lalla Golda de web­site van Sticht­ing Boughaz

Roskam over de tentoonstelling Uitgelezen!

RoskamGouda20022015 002

Oproep tot een stedelijke discussie over een Erasmusglas voor de Sint-Jan

Het voorne­men van het Col­lege van Kerkrent­meesters en Museum Gouda om ter gele­gen­heid van het Eras­mus­jaar 2016 een nieuw gebrand­schilderd glas te laten aan­bren­gen in de Sint-Janskerk is opmerke­lijk. Sinds de Tweede Werel­door­log is er geen nieuw raam ont­wor­pen en toegevoegd. Even opmerke­lijk is het uit­bli­jven van elke dis­cussie over dit besluit en over het gekozen ontwerp. Het glas vormt in meerdere opzichten een breuk met het verleden, hoezeer de argu­menten ervoor juist in het verleden gezocht wor­den. Alle tijd dus voor een dis­cussie, die breder moet zijn dan de kleine kring van ingewijden. .

Erasmus in glas. Detail uit een gebrandschilderd glas in het hoofdgebouw van de Universiteit  van Manchester

Eras­mus in glas. Detail uit een gebrand­schilderd glas in het hoofdge­bouw van de Uni­ver­siteit van Manchester

Detail van het nieuw te plaatsen glas van Marc Mulders

Detail van het nieuw te plaat­sen glas van Marc Mulders

 

De kwets­baarheid van glas
Het prog­nos­tisch inzicht en han­de­lend ver­mo­gen van de Goudse kerkvoogdij van de Sint-Janskerk waren in 1939 werke­lijk verbluffend. Ter­wijl het Duitse Rijk zijn agressie alleen nog maar ver­baal etaleerde en de Ned­er­landse pre­mier zijn onder­da­nen vertelde dat zij rustig kon­den gaan slapen, besloten de Goudse kerkbestierders toch maar het zekere voor het onzekere te nemen. Zij lieten de kost­bare gebrand­schilderde glazen zorgvuldig uit de kerk halen en brachten de glas­pan­e­len onder in boerder­i­jen in de omgev­ing en in bunkers in de duinen. In plaats van het gek­leurde glas kwam blank nood­glas. Uitein­delijk ontsnapte Gouda — anders dan het twintig kilo­me­ter verderop gele­gen Rot­ter­dam — aan het verni­eti­gende oor­logs­geweld van de Duit­sers. Maar met de waakza­amheid en voor­zorgs­maa­trege­len gaf de kerkvoogdij blijk van goed en ver­ant­wo­ord rentmeesterschap.

Uitein­delijk lijkt het groot­ste gevaar voor de Goudse Glazen in de gedaante van beelden­storm­ers, oor­logs­geweld of ander onheil (bijvoor­beeld een felle brand in een schilder­skeet, pal onder het Kon­ings­glas in 2003) niet van buiten te komen, maar van bin­nenuit. In 1621 ver­greep de gere­formeerde kerken­raad zich aan drie ramen, omdat daarin afbeeldin­gen te zien waren van de Heere God, het­geen aanstoot­gevend zou zijn en in strijd met de Schrift. Het was maar een klein­schalige zuiv­er­ings­ac­tie, maar die ging wel zover dat zelfs de ontwerptekenin­gen van betr­e­f­fende glazen, de zoge­heten car­tons, ‘ont­god­delijkt’ wer­den. In 1667 meende een scherp­sli­jpende dom­i­nee niet iets uit te wis­sen in een glas, maar er juist iets toe te moeten voe­gen: een fel anti-paaps vers.

De ijdel­heid van een restau­ra­teur
Veel ingri­jpen­der waren de ingrepen in de Glazen, ver­richt in het kader van een imageslang­durige restau­ratie (1899–1936) onder lei­d­ing van de Delftse glaze­nier Jan Schouten. Hij bracht de drie afbeeldin­gen van God weer terug in de glazen, maar moest daar­bij de invulling uit zijn duim zuigen. Een dergelijke fan­tasier­ijke ‘restau­ratie’ zou heden ten dage niet door de Mon­u­menten­zorg­beugel kun­nen. Boven­dien maakte hij hier­mee een his­torisch gegeven ongedaan, dat inmid­dels ste­vig deel uit­maakte van het icono­grafisch ver­haal van de kerk.

Nog sterker gold dat voor zijn omgang met de glazen uit het Reg­ulieren­klooster aan de Raam, die in 1581 — nota bene bijna tien jaar nadat de Sint-Jan was overge­gaan in protes­tantse han­den — in een col­lage boven de huidige ingang waren aange­bracht. Met hulp van een rijke reder, Van der Vorm, wist Schouten gedaan te kri­j­gen dat deze glazen werd uit de kerk ver­wi­jderd wer­den en een plek kre­gen in een spe­ci­aal daar­voor tegen het koor aange­bouwde kapel (de worm van Van der Vorm). Ook hier­mee werd een belan­grijk his­torisch besluit uitgewist.

Na de Tweede Werel­door­log werd het Glazen­pro­gramma in de Sint-Jan voor het eerst in eeuwen uit­ge­breid met een volledig nieuw glas. De ver­schrikkin­gen van de Tweede Werel­door­log ston­den zo sterk op ieders  netvlies gebrand, dat de behoefte bestond om een glaze­nier te vra­gen een spe­ci­aal Bevri­jd­ings­glas te maken. Charles van Eyck ontwierp toen een felk­leurig raam, waarin de diepe ellende van de oor­log en de grote vreugde na de bevri­jd­ing uit­bundig in beeld gebracht wer­den. Hoewel de opzet en kleurstelling van het raam sterk afwijkt van de rest van de glazen, passen het fig­u­ratieve karak­ter en de  his­torische the­matiek toch nog redelijk bij de rest.

Een san­tenkraam in de Sint-Jan?
Inmid­dels zijn wij in de 21ste eeuw aan­be­land. De Goudse Glazen trekken jaar­lijks nog steeds duizen­den bezoek­ers uit de hele wereld. Kerk en stad koesteren daarmee nog steeds een cul­tu­urschat van ongek­ende waarde. Toch blijkt ook nu hoe kwets­baar dit erf­goed is en hoe waakzaam iedereen moet zijn voor ingrepen die het ‘groot­ste stripver­haal in glas-in-lood’  - zoals dat tegen­wo­ordig in het mar­ket­ing­jar­gon heet — geweld aan­doen of schade berokke­nen. Er lijkt inmid­dels een andere wind te waaien in de groot­ste kerk van Ned­er­land. Apos­tel­beeld­jes in de Van der Vorm-Kapel, een Kruiswegsta­tie aan de kerk­muren en een nogal ama­teuris­tis­che kopie van een zeventiende-eeuws schilderij van de Sint-Jan in fel licht onder het Bevri­jd­ings­glas, doen het interieur  van deze protes­tantse kerk al behoor­lijk geweld aan, maar nu is ook de komst van een nieuw glas aangekondigd.

De geest van Eras­mus gevan­gen?
De aan­lei­d­ing voor het nieuwe glas is dit keer geen gebeurte­nis die Ned­er­land en Gouda op haar grond­vesten deed schud­den. Een (te) fan­tasier­ijke koster van de Sint-Jan heeft de aanzet gegeven tot het toe-eigenen van de grote human­is­tis­che geleerde Desiderius Eras­mus, wat ook tot uit­drukking zou moeten komen in een spe­ci­aal glas voor hem. Het is op zichzelf al een dis­cussie waard of deze man, die alles deed om hier weg te komen en niet aan Gouda herin­nerd wilde wor­den, wel recht gedaan wordt met zo’n raam. Boven­dien heeft er eeuwen­lang al wel een tast­bare en herken­bare herin­ner­ing aan hem gehangen in de Sint-Jan, te weten het portretmedail­lion dat in de Lib­rije hing (en nu bij de buren van het Museum Gouda). Dat heeft de ini­ti­atiefne­mers er niet van weer­houden de bek­ende glaze­nier Marc Mul­ders te vra­gen een ontwerp voor een Eras­mus­glas te maken en de feestelijke plaats­ing ervan in het Goudse ‘Eras­mus­jaar’ al breed aan te kondigen.

marcmulders Inmid­dels is bek­end gewor­den hoe het glas er uit gaat zien. Anders dan in de andere ramen zullen er geen herken­bare per­so­nen of voor­w­er­pen te zien zijn. Het zal een abstract kleuren­spel wor­den. Als het de bedoel­ing is om hier­mee ‘de geest van Eras­mus’ te van­gen, dan is daar wat voor te zeggen. Toch is het de vraag of we blij moeten zijn met deze aan­vulling op de Goudse Glazen. Het raam past immers absoluut niet in de  icono­grafie die het glazen­pro­gramma eeuwen­lang geken­merkt heeft. Een non-figuratief raam zon­der schenker­srand door­breekt een patroon en doet het totaal daarmee geweld aan. Als Eras­mus dan zonodig genaast moet wor­den door Gouda, doe het dan op een manier zoals bijvoor­beeld de Uni­ver­siteit van Man­ches­ter heeft gedaan. Er zijn genoeg portret­ten van de geleerde Rot­ter­dammer met een Gouds sausje om als basis te gebruiken. Maar als het aan mij ligt voeren we in Gouda hierover eerst een bredere dis­cussie. De tijd dat regen­ten in hun een­tje de besluiten namen over dit soort beeld­bepal­ende zaken ligt immers ver achter ons.

Maarten van Rossem houdt warm pleidooi voor het gedrukte boek

In het kader van de ten­toon­stelling Uit­gelezen in Museum Gouda hield de historicus

Maarten van Rossum tijdens zijn lezing over de lezende zusjes. Rechts museumdirecteur Gerard de Kleijn

Maarten van Rossum tij­dens zijn lez­ing over de lezende zus­jes. Rechts muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn

Maarten van Rossem op vri­jda­gavond 20 feb­ru­ari een causerie rond zijn favori­ete schilderij: de lezende zus­jes Arntze­nius van Willem Bas­ti­aan Tholen. In zijn ander­half uur durende voor­dracht hield hij op de hem ken­merk­ende iro­nis­che wijze een warm plei­dooi voor het gedrukte boek. Vol­gens hem kan geen mod­erne tech­niek op tegen de voorde­len van deze wijze van bun­de­len van infor­matie en ideeën. Mod­erne gegevens­dragers zijn immers gedoemd na ver­loop van tijd buiten gebruik te raken, waar­door de infor­matie onbereik­baar wordt. Het boek daar­ente­gen, zelfs als dat zo oud is als de incun­abe­len van Ger­aert Leeu die op de ten­toon­stelling te zijn zijn, behoudt vol­gens de vader­landse ‘aartsmop­per­aar’ zijn intrin­sieke waarde.

Boeiend was ook Van Rossems uiteen­zetting over zijn eigen leesgeschiede­nis. Met pakkende voor­beelden toonde hij aan hoeveel invloed de in zijn jonge jaren gelezen — en

Twee dwarsdenkers in beeld. Van Rossum en Coornhert in de zaal over de Goudse Vrijheid

Twee dwars­denkers in beeld. Van Rossem en Coorn­hert in de zaal over de Goudse Vrijheid

de hem voorgelezen — boeken hebben gehad op zijn voorkeuren. Verder con­sta­teerde hij dat de huidige tijd geteis­terd wordt naar een con­tinue hang naar span­ning. In TV-series, maar ook in veel gelezen thrillers, moeten gebeurtenis­sen elkaar in hoog tempo opvol­gen omdat de kijker of lezer anders al snel zijn belang­stelling ver­li­est. Het dagelijkse leven, dat in veel boeken beschreven wordt, kent echter veel min­der span­ning en afwis­sel­ing. Daar­door zijn de oude boeken in onze ogen ook vaak traag en saai. We zijn vol­gens Van Rossem gewoon niet meer gewend om dergelijke ver­halen tot ons te nemen. Man­nen van boven de 37 zouden zelfs nauwelijks meer boeken lezen. Het boek moet het vol­gens hem bijna volledig hebben van vrouwen van mid­del­bare leeftijd. Die lezen nog en kopen nog boeken.

Na afloop nam Van Rossem uit­ge­breid de tijd om de ten­toon­stelling Uit­gelezen te bek­ijken. Naast zijn fas­ci­natie voor negentiende-eeuwse schilder­i­jen, bleek hij ook zeer geboeid door de vele oude boeken die op deze ten­toon­stelling te zien zijn.

Expositie over boekdrukkunst, boekschandalen en naakte lezeressen

Met een korte inlei­d­ing van Bir­git Slan­gen, een van Ned­er­lands bek­end­ste vor­mgeef­ster van boeken, werd op zondag 15 feb­ru­ari in Museum Gouda de ten­toon­stelling UITGELEZEN offi­cieel geopend. In vier muse­umzalen, ingericht door vier gast­con­ser­va­toren (Jan Willem Klein, Petera Luijkx, Mau­rice Wery en bovengetek­ende) wor­den uiteen­lopende aspecten van het boek(en)lezen getoond. Waar Klein zich con­cen­treert op de vroege Goudse boek­drukkunst van Ger­aert Leeu en de Col­latiebroed­ers, toont Wery ons schilder­i­jen van lezende vrouwen (en enkele man­nen). Natu­urlijk hangt in deze zaal het beeld­merk van de exposi­tie en Gouda’s trots, de lezende zus­jes Arntze­nius van B.J. Tholen, maar het oog van de bezoeker zal ongetwi­jfeld eerst getrokken wor­den door een spec­tac­u­laire naakte lez­ers, Swaan­tje van Ingen, geschilderd door Isaac Israels. Swaantje In mijn eigen zaal is de absolute blik­vanger het vier meter brede Lib­ri­je­meesters­bord uit 1648–1649. Deze herin­ner­ing aan een ingri­jpende mod­erniser­ing van de lib­ri­jezaal in de Sint-Janskerk heeft pre­cies de vorm van het hal­fronde gewelf van deze ruimte. Het hing daar eeuwen­lang, tot­dat rond 19..? besloten werd de stads­boek­erij te ver­huizen naar de Gasthuiskapel. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw ver­huis­den boeken en bord naar het Goudse stad­sarchief. De oude Lib­ri­jekas­ten wer­den ver­van­gend oor stalen archiefkas­ten en het bord kreeg een plek aan de muur in een archiefzaal. Nadat het archief eind 2013 ver­huisde naar de Choco­lade­fab­riek en de lokalen in gebruik wer­den genomen door een basiss­chool, bleef het bord er hangen. Dankzij de ten­toon­stelling is deze mon­u­men­tale herin­ner­ing nu uit deze ‘onveilige’ omgev­ing gehaald. Het is ver­ste­vigd en schoonge­maakt en zal na de exposi­tie een (voor­lop­ige) plek kri­j­gen in het Gouwede­pot van het Streekarchief in Moor­drecht. DSC09340 Geprobeerd is om de bezoek­ers van de ten­toon­stelling een glimp te lezen zien van de ooit zo fraaie Goudse Lib­rije, door beeld­bepal­ende ele­menten als het genoemde bord, de metUitgelezen1 oude boeken gevulde ken­merk­ende boekenkas­ten (waar­van twee replica’s van het Tre­soar in Leeuwar­den in bruik­leen ver­wor­ven kon­den wor­den), de plankcat­a­logi, een bord met namen van sleutel­rechthoud­ers en enkele delen van het absolute top­stuk uit de col­lec­tie, een negen­delige Atlas Maior van Bleau, te tonen. En uit­er­aard het portretmedail­lion van Eras­mus, dat eeuwen­lang de herin­ner­ing aan Gouda’s beroemd­ste zoon in de leeszaal lev­end hield. Eron­der stond altijd een kistje, waarin enkele brieven van Eras­mus aan Her­man Leth­maet bewaard wer­den. Dat kistje ont­breekt uit­er­aard even­min in de opstelling. De Librije-opstelling vormt in deze zaal een van de drie delen van een ‘ver­haal’, dat is opge­bouwd rond een per­soon, de rechtzin­nige dom­i­nee Jacobus Sceperus.

Dat ver­haal begin met de peri­ode van De Goudse Vri­jheid, toen Gouda wijd en zijd bek­end­stond als een vri­j­plaats voor schri­jvers en drukkers. In de peri­ode 1572–1618 mochten hier, dankzij een zeer lib­er­ti­jnse koers van het stads­bestuur, boeken gedrukt wor­den die elders in de Repub­liek ver­bo­den waren. Schri­jvers en denkers die te lij­den had­den van ver­vol­ging, von­den in Gouda een gastvrij onthaal. In de exposi­tie zijn bijvoor­beeld werken te zien van de human­ist Coorn­hert en van de remon­strant Eduard Pop­pius. Veel van deze werken kwa­men van de persen van Jasper Tour­nay, Gouda’s meest pro­duc­tieve drukker uit die tijd.

Genoemde Scepe­rus was een rechtzin­nig gere­formeerd dom­i­nee van na die peri­ode. Als DSC09342neven­func­tie was hij ook Lib­ri­je­meester. In die func­tie was hij nauw betrokken bij de mod­erniser­ing en uit­brei­d­ing van de stads­boek­erij. Dankzij zijn inzet kreeg Gouda ook die unieke Atlas van Bleau. Maar hij richtte ook een rav­age aan in het boekenbe­stand. Deze steile calvin­ist kon het niet verkrop­pen dat de Lib­rije ook vele oude, laat-middeleeuwse katholieke boeken bevatte, eve­nals werken van het­ero­doxe schri­jvers uit lat­ere tijd, zoals remon­stran­ten en socini­a­nen. Op zijn aan­drin­gen wer­den daarom maar liefst 320 boeken uit de Lib­rije ver­wi­jderd en in drie veilin­gen verkocht. Om die reden heb ik voor de man een ‘Scan­d­paal voor Scepe­rus’ opgericht, met bovenop een stron­tem­mer. Dit sym­bool gaat terug op een pas­sage uit de Goudse kerken­raad­s­acta, waaruit blijkt dat twee jonge vrouwelijke lid­maten ooit geprobeerd hebben de inhoud van zo’n stront­pot op zijn hoofd te gooien. Aan de paal zijn vier goud­kist­jes gehangen, waar­van de inhoud ref­er­eert aan even­zovele schan­dalen rond Goudse boeken.

De ten­toon­stelling UITGELEZEN is nog te zien tot 18 mei aanstaande in Museum Gouda, pal achter de Sint-Janskerk en pre­cies tegen­over de plek waar ooit de Goudse Lib­rije was geves­tigd.  Ter gele­gen­heid van de ten­toon­stelling is een spe­ciale aflev­er­ing ver­sch­enen van de TIDINGE VAN DIE GOUDE, met daarin het com­plete ver­haal over Jacobus Scepe­rus en een ver­haal van Jan Willem Klein over het bij­zon­dere boeken­bezit van een Goudse pot­ten­bakker. Van dezelfde auteur is bij de open­ing van de ten­toon­stelling ook een boekje gep­re­sen­teerd over de vroege boek­drukkunst in Gouda.

Valentijnscadeau CDA voor inzet voor historisch Gouda

Met een del­e­gatie van maar liefst zeven man sterk (onder wie één min­der­jarige) meldde

De CDA-taart wordt uitgereikt door oud-wethouder Kastelein. Achter hem Peter Fasol.

De CDA-taart wordt uit­gereikt door oud-wethouder Kastelein. Achter hem Peter Fasol.

zich op 14 feb­ru­ari (Valen­ti­jns­dag) een del­e­gatie van het Goudse CDA een de deur. Mij was de eer te beurt gevallen om een reusachtige sla­groom­taart met een mier­zoet chris­ten­de­moc­ra­tisch laagje groen marsepein uit­gereikt te kri­j­gen, als dank voor mijn inzet voor his­torisch Gouda.  Op deze liefde­volle dag wer­den, zo werd mij verteld, overal in Zuid-Holland door deze poli­tieke par­tij vri­jwilligers bedankt die zich in het bij­zon­der inspan­nen voor mon­u­menten­be­houd, geschied­schri­jv­ing en andere activiteiten die uit­drukking geven aan goed rent­meester­schap. Wat doe je in zo’n geval? Als recht­geaarde Tukker zwaai je de deur wijd open, geeft het gezelschap koffie en een stuk van de eigen taart en luis­tert iet­wat ver­legen naar alle lof­tu­itin­gen, je toegezwaaid door een oud-wethouder (Marco Kastelein).

In het achter­hoofd speelt in zo’n geval altijd de vraag mee of je door het aan­nemen van een dergelijke blijk van waarder­ing niet niet onge­merkt in een spec­i­fiek poli­tiek vaar­wa­ter wordt getrokken. Gelukkig stond ik vorige week nog in de krant met de lokale frac­tievoorzit­ter van de Chris­ten Unie, Theo Krins, waar­bij ver­slag werd gedaan van een wan­del­ing langs ver­waar­loosde pan­den in de bin­nen­stad.  En enkele weken eerder ging ik  in de Sint-Janskerk in debat met de con­ser­vatief Bart Jan Spruijt, ten over­staan van een groot gehoor van man­nen­broed­ers van de SGP. Toch wordt het tijd om bin­nenkort ook maar eens een politi­cus ter link­erz­i­jde in de armen te sluiten. Dat is al enigszins gelukt.  PvdA-kamerlid Mohammed Mohan­dis heeft toegezegd zit­ting te nemen in het Comité van  Aan­bevel­ing, waarmee de sticht­ing Boug­haz — waar­van ik sec­re­taris ben — dit najaar via een exposi­tie en een reeks even­e­menten wil stil­staan bij het feit dat 50 jaar gele­den de eerste Marokka­nen naar Gouda kwamen.

Inrichting zalen voor Uitgelezen in volle gang

Na een jaar van ver­gaderen, ideeën­vorm­ing, ontwer­pen maken, bruik­le­nen aan­vra­gen en tek­sten schri­jven is het dan ein­delijk zover: op don­derdag 5 feb­ru­ari is een begin gemaakt met de inricht­ing van de zaal over de Goudse boek­drukkunst die ik als gast­con­ser­va­tor mag inrichten in Museum Gouda. Met hulp van de vaste con­ser­va­tor Julia Zwi­j­nen­burg, boekrestau­ra­trice Wilma Iden­burg en twee mensen van de tech­nis­che dienst van het museum kri­jgt de zaal langzaam maar ges­taag het interieur dat ik voor ogen had. Als schri­jver van louter platte tek­sten sta ik ver­steld hoeveel er komt kijken bij de dried­i­men­sion­ale inricht­ing van zo’n muse­umzaal. Uitgelezen! Even sim­pel wat boeken in een vit­rine leggen is het zeker niet. De kost­bare oude drukken wor­den zorgvuldig opengevouwen, onder­s­teun door zuurvrij kar­ton en voorzien van transparante sto­ken om ze op de juiste manier openges­la­gen te houden. Het ophangen van de schilder­i­jen en tek­st­bor­den aan de wan­den gebeurt met een math­e­ma­tis­che pre­cisie, waar­bij ik en pas­sant nog een lesje krijg over de ide­ale ooghoogte. Die blijkt voor schilder­i­jen 1,60 m te zijn, ter­wijl ik geneigd zou zijn ze een behoor­lijk stuk hoger te hangen. Ook de plek waar de voor­w­er­pen opge­hangen wor­den is zorgvuldig gekozen — soms gegroepeerd, soms verder uit elkaar — , waar­bij ook de licht­val steeds goed in het oog wordt gehouden, eve­nals de looproutes van de bezoek­ers. Uitgelezen4 Een apart hoofd­stuk vormt de glimp van de Goudse Lib­rije die ik de toeschouw­ers wil laten zien. Om een geloofwaardige aan­blik in de oude stads­boek­erij te kri­j­gen, die ooit pre­cies aan de overkant van de straat in de Sint-Janskerk was geves­tigd,  zijn zelfs twee replica’s uit het Tre­soar in Leeuwar­den gehaald. Beide door een vri­jwilliger met een busje opge­haalde kas­ten blijken een imposante omvang te hebben, waar heel wat boeken uit de Lib­rije hun fraaie ruggen kun­nen laten zien. Vanuit het Streekarchief Midden-Holland is daar­voor een alleszins rep­re­sen­tatieve hoeveel­heid boeken in dozen aan­geleverd. Een orig­i­neel namen­bord met zoge­heten sleutel­houd­ers van de Lib­rije kri­jgt deze mid­dag al een fraaie plek aan de wand. De boeken bli­jven echter nog in de dozen, tot het grote Lib­ri­je­bord (bijna vier meter breed!) is gear­riveerd en opge­hangen. Dit bord heeft de afgelopen jaren in een klaslokaal van de Casimirschool gehangen, op de plek waar voorheen het Streekarchief huis hield. Na de ten­toon­stelling zal het bord veilig wor­den opge­bor­gen in het nieuwe archiefde­pot in Moor­drecht. Het meest curieuze object in deze zaal is ongetwi­jfeld de ‘Scan­d­paal van Scepe­rus’ , Uitgelezen5waaraan vier Goud­kist­jes zijn beves­tigd die even­zoveel schan­dalen rond Goudse boeken in beeld bren­gen. Bovenop de paal is al een stron­tem­mer geplaatst, waar­van de inhoud ooit gepre­des­ti­neerd was om op het hoofd van de gere­formeerde dom­i­nee Jacobus Scepe­rus te belanden. Het hoe en waarom zal de bezoeker duidelijk wor­den bij zijn bezoek aan de ten­toon­stelling UITGELEZEN, die in totaal vier zalen over het thema boeken en lezen. De exposi­tie gaat 17 feb­ru­ari open voor het pub­liek en is te bezoeken tot en met 17 mei aanstaande. De ten­toon­stelling is omli­jst met tal van neve­n­ac­tiviteiten, waaron­der een heus ‘bal en boek’, een lez­ing van Maarten van Rossum en rondlei­din­gen door de gast­con­ser­va­toren Jan Willem Klein (Ger­aert Leeu), Paul Abels (de strijd om de inhoud van het boek), Mau­rice Wery (negentiende-eeuwse schilder­i­jen van lez­ers) en Petra Luijkx (best ver­zorgde boeken).

Fraaie nieuwsbrief Vereniging Goudse Museumvrienden over UITGELEZEN!

De Verenig­ing voor Goudse Muse­umvrien­den besteedt in haar Nieuws­brief voor de win­ter van 2015 ruim aan­dacht aan de ten­toon­stelling Uit­gelezen. Ten aanzien van twee van de vier zalen die voor deze exposi­tie ingericht zullen wor­den, wordt een tipje van de sluier opgelicht door gast­con­ser­va­toren Jan Willem Klein en Paul Abels.

nieuwsbrief 1nieusbrief