Vlöggln, een levende Paastraditie in Ootmarsum

Gis­ter­avond belde neef Hans uit Oot­mar­sum met Gouda. In nor­male doen is hij de Twentse nuchter­heid zelve, maar dit keer klonk er opwind­ing in zijn stem. Of wij over een uur in Oot­mar­sum kon­den zijn? Natu­urlijk wist hij dat wij die twee­hon­derd kilo­me­ter vanaf Gouda onmo­gelijk in zo’n korte tijd kon­den over­bruggen. Dat begreep hij ook wel, maar hij wilde toch maar even kwijt dat zijn oud­ste zoon Bram op het punt stond om – om exact tien voor zeven — op het kerk­plein van Oot­mar­sum als Poaskearl aan den volke gep­re­sen­teerd te wor­den. Alleen wie enigszins bek­end is met de rijke Paastra­di­tie van Oot­mar­sum kan invoe­len welke vader­lijke trots onze neef hier­mee voelde opzwellen. Zelf had hij deze eer nooit mogen smaken, maar dat heeft hem er nooit van weer­houden elk jaar met volle over­gave mee te doen aan de rit­ue­len en telkens als een van de eerste Oot­mar­sum­mers achter de acht Poaskearls aan te haken in de slinger die al Vlög­glnd door de smalle straatje en rond de stie­pels van de opstaande huis­deuren trekt, onder­wijl blij twee oer­oude Opstand­ingsliederen zin­gend (Hal­leluja den bli­j­den toon en Chris­tus is opge­s­tanden)

Twee van de acht Poaskearls voor de deur van de Simon en Judaskerk van Ootmarsum. Rechts neef Bram

Twee van de acht Poaskearls voor de deur van de Simon en Judaskerk van Oot­mar­sum. Rechts neef Bram

 

Vanaf het moment dat ik 38 jaar gele­den als Almelose buiten­staan­der via mijn lief en haar Oot­mar­sumse fam­i­lies onderge­dom­peld ben in de plaat­selijke Paastra­di­ties, bestaat er tussen neef Hans en mij een bij­zon­dere ver­stand­houd­ing, die gebaseerd is op een gedeeld warm gevoel voor tra­di­tie. Tegelijk voel ik bij hem een licht onderhuids

Vlöggln rond 1910, met opa Bernard

Vlög­gln rond 1910, met opa Bernard

wantrouwen jegens mij, gebaseerd op de gedachte dat ik als buiten­staan­der nooit echt een bin­nen­staan­der zal wor­den en wellicht de oude ver­halen over de Oot­mar­sumse tra­di­ties met his­torisch onder­zoek in twi­jfel ga trekken. Nu moet ik toegeven dat ik zelf van meet af aan ook dit wantrouwen gevoed heb. De bus­ladin­gen vol toeris­ten die elk jaar naar Oot­mar­sum trekken om het Vlög­gln te aan­schouwen wek­ten op mij aan­vanke­lijk sterk de indruk van een ‘invented tra­di­tion’, bedoeld om de lokale mid­den­stand te spekken. Mijn schoonfam­i­lies – en in het bij­zon­der opa Bernard en neef Hans – hielden echter bij hoog en laag vol dat het gebruiken waren die al gen­er­aties lang door de Oot­mar­sum­mers gekoes­terd wer­den. Waarop ik dan weer plagerig beweerde dat ik zou bewi­jzen dat het een uitvin­d­ing van de VVV was.

Als his­tori­cus én jour­nal­ist bij de Twentsche Courant had ik echter wel een eer op te houden. Geprikkeld door genoemde dis­cussies én door ronk­ende tek­sten over mid­deleeuwse of zelfs voorchris­telijke wor­tels van het feest in de zoge­heten Paas­brieven met de liedtek­sten, die door de Poaskearls aan toeris­ten verkocht wor­den, besloot ik tot een diep­gravend onder­zoek naar de herkomst het Vlög­gln. Pas in 1840 werd voor het eerst op schrift meld­ing gemaakt van dit gebruik, in een vraag van een lezer van de Over­i­js­selsche Almanak, die ook al op zoek was naar de oor­sprong. Hoe ik ook zocht in thumb2_ac965cf0-b9c1-11e3-82e9-365f7c98724fde Oot­mar­sumse archieven, maar zelfs in twee dag­boeken van dom­i­nees uit het stadje wordt er niets over geschreven. Een van hen zegt zelfs dat hij met Pasen gewan­deld heeft en dat het zeer rustig was in de stad. Dom­i­nees en kerken­raden klaag­den in de 17de en 18de eeuw voort­durend over zoge­heten ‘paapse super­sti­tiën’, zoals het ver­eren van heili­gen­beelden of het knie­len bij een graf. Zelfs over Paasvuren werd diverse keren geklaagd, dus dit veel breder dan in Oot­mar­sum gebruike­lijke rit­ueel kent wel een zeer lange geschiedenis.

Folk­lore­his­tori­cus P.J. Meertens (Mijn­heer Beerta uit Voskuils Het Bureau) bleef uit­gaan van een mid­deleeuwse oor­sprong en veron­der­stelde dat de Oot­mar­sum­mers de gewoonte en (ellen­lange) liederen eeuwen­lang in herin­ner­ing had­den gehouden en het gelei­delijk weer had­den opgepikt. Dit Wun­schdenken, nogal ken­merk­end voor dit slag Blut und Boden–fok­loris­ten, mist elke bewi­js­grond. Van­daar dat ik op zoek ben gegaan naar een moment in de Oot­mar­sumse geschiede­nis, waar­bij de stad rond Pasen in rep en roer was. En zo’n moment bleek er nadrukke­lijk te zijn; in 1795. Net voor Pasen nader­den de Franse troepen het stadje en leek voor de over­grote meerder­heid van katholieken na twee eeuwen achter­stelling de vri­jheid en gelijkheid nabij. Euforisch begaf een grote groep katholieken zich naar het huis van de koster van de grote Simon en Judaskerk, die nog steeds in gebruik was van een zeer klein groepje gere­formeer­den, ter­wijl de katholieken zich moesten behelpen met veel te kleine schu­urk­erk­jes. Met geweld werd de sleu­tel van de kerk opgeëist en werd de kerk openge­maakt voor de pas­toor. Wat ligt er meer voor de hand, dan dat de Oot­mar­sumse katholieken deze wederop­stand­ing van hun geloof hebben gevierd met het zin­gen van Paasliederen, waar­van een nog maar kort daar­voor nog afge­drukt was in een nieuwe gezan­gen­bun­del. Dat zij daar­bij ook zin­gend door de straten zijn getrokken, zou wel eens een uitda­gende man­i­fes­ta­tie van hun her­won­nen zelfvertrouwen geweest kun­nen zijn tegen­over de gere­formeerde inwon­ers van de stad.

Deze the­o­rie werd op de redac­tie van de Twentsche Courant  met ent­hou­si­asme ont­van­gen. Hoof­dredac­teur JOB veror­don­neerde dat de Paas­bi­jlage van de krant op Paasza­ter­dag met het ver­haal moest ope­nen. De vol­gende dag besloot ik met enige schroom weer aan te schuiven aan de Paastafel van de aangetrouwde fam­i­lie, wel­be­wust dat mijn ‘debunk­ing’ van het Vlög­glver­haal niet door iedereen geap­pre­cieerd zou wor­den. Zoals gebruike­lijk in Twente werd mij dat niet recht­streeks voor de voeten gewor­pen, maar door mid­del van indi­recte humor. Toen ik het schouwspel langs de kant gadesloeg, zag neef Hans mij staan. Even onder­brak hij het Paaslied en riep hij naar mij: “Dow’t zo wa goot?”, daarmee niet meer en niet min­der te ver­staan gevend dat ik als buiten­staan­der niet moest denken de Oot­mar­sum­mers de wet voor te kun­nen schrijven.

Poaskearls3

Mijn Vlöggl-theorie heeft niet­temin in ver­schil­lende folk­loris­tis­che stud­ies en pop­u­laire boek­jes over dit Paas­ge­bruik inmid­dels een plek gekre­gen en zij is tot op heden niet onderuit gehaald met nieuw bewi­js­ma­te­ri­aal. Zij heeft even­min gezorgd voor een ver­wi­jder­ing; eerder voor een inten­siver­ing van de interne fam­i­liecon­tacten rond deze dagen. Om de tra­di­tie in haar volle omvang en inten­siteit te door­voe­len, hebben wij een aan­tal jaren gele­den met ons gezin het hele Paasweek­end doorge­bracht in het oude huis van de inmid­dels overleden opa Bernard, pre­cies gele­gen aan het start­punt van de Vlöggl-route. We waren er al op zater­dag bij, toen twee door paar­den getrokken kar­ren, vol­be­laden met hout voor het Paasvuur op de Poaskamp, het stadje bin­nen­den­der­den. We waren er ook bij toen de Poaskearls in alle vroegte op Paas­mor­gen de bek­ende liederen zin­gend ter kerke gin­gen, eve­nals ’s mid­dags bij het lof – als de grote Simon en Judaskerk stam­pvol is en dezelfde liederen aan het eind luid door de Oot­mar­sumse man­nen wor­den gezon­gen. En voor de afwis­sel­ing bleven we niet aan de kant, maar haak­ten we in toen het eigen­lijke Vlög­gln om 5 uur in de mid­dag begon met het aansteken van een grote sigaar door de Poaskearls en slinger­den we door straat­jes en open­staande huizen, om uitein­delijk ineenge­draaid op de Eier­markt nog één keer beide liederen volledig te zin­gen. Ook wij tilden daarna onze kinderen drie keer omhoog als teken van hoop voor de toekomst.

Ter­wijl de toeris­ten zich daarna huiswaarts begaven of een etab­lisse­ment opzochten, spoed­den wij ons huiswaarts om met de hele fam­i­lie ongelooflijke hoeveel­he­den gekookte eieren te eten. Tegen de tijd dat het donker werd wan­delde iedereen naar de Poaskamp, waar het Paasvuur ontsto­ken werd en Oot­mar­sum in een oranje gloed zette.

De jaren­lange betrokken­heid bij de Oot­mar­sumse Paas­ge­bruiken via de fam­i­lie van de koale kaant heeft mij duidelijk gemaakt dat het alles­be­halve een ‘invented tra­di­tion’ is. Het is een rooms-katholieke tra­di­tie met wor­tels en een hart, oprecht en diepgevoeld, wellicht iets min­der oud dan som­mi­gen zouden willen, maar dat wordt het vanzelf wel als de huidige gen­er­atie erin slaagt de waarde ervan door te geven aan de kinderen. Neef Hans is hier cum laude in ges­laagd en zijn trots over de uitverkiez­ing van zijn zoon tot Poaskearl is dan ook volkomen gerechtvaardigd.

Gave Goudse prijsband uit Franse kasteelbibliotheek

Enige weken gele­den kondigde ik aan, dat ik de hand heb weten te leggen op een bij­zon­der Gouds boek, afkom­stig uit een Franse prive­bib­lio­theek, die met een omweg via PrijsbandCanada op weg was naar de stad waar hij werd ver­vaardigd. Althans, waar de boek­band werd ver­vaardigd. Inmid­dels is het klein­nood veilig gear­riveerd en gecol­la­tion­eerd en kan ik onthullen om welke uit­gave het gaat. Het gaat hier om een uit­zon­der­lijk gaaf zoge­heten pri­js­boek van de Lati­jnse School in Gouda, met in het perka­ment van de voor– en achter­plat­ten het stadswapen van Gouda in goud­druk weergegeven. Het boek zelf betreft een rijk-geïllustreerd klassiek werk over ‘de toe­s­tand in de wereld’ (De situ orbis) van de hand van de uit Zuid-Spanje afkom­stige Pom­po­nius Mela, die schreef rond 43 na Chr., met com­mentaren van diverse achttiende-eeuwse clas­sici en geredi­geerd door Abra­ham Gronovius. Het werk is gedrukt in Lei­den bij Samuel Lucht­mans in het jaar 1722. Vijf jaar later is dit werk in Gouda in de fraaie pri­js­band gebon­den en uit­gereikt aan een excel­lente leer­ling van de Lati­jnse School, als blijk van waarder­ing voor zijn prestaties.

De naam van de pri­jswin­naar is ook bek­end, omdat ook de orig­inele ex praemio (pri­j­sop­dracht) is meege­bon­den. Deze werd na zijn exa­men in decem­ber 1728 uit­gereikt prijsbladaan de leer­ling Sebas­ti­aan van Nooten, wegens ver­toonde grote pro­gressie in het vijde leer­jaar. De oorkonde is ondertek­end door twee schol­archen (schoolbestu­ur­ders), de regen­ten W. van Ker­ck­hoven en Arent van der Burch, en onder­aan door de rec­tor van de school, Arnoldus Hen­ri­cus West­er­hovius. Van Nooten was geen Gouwe­naar, maar was een op 3 april 1713 geboren zoon van schepen Sebas­ti­aan Willemsz van Nooten en diens tweede vrouw Agnes van der Geer uit het naburige dorp Haas­trecht. De uit­mun­tende leer­ling ging een bloeiende maatschap­pelijke loop­baan tege­moet en zou uitein­delijk vele jaren deel uit­maken van het stads­bestuur van Gorinchem.

De uit­zon­der­lijk goede kwaliteit van de band en het boek­blok zelf, alsmede de prove­nance (eige­naars­geschiede­nis) van het werk, maken deze uit­gave zeer bij­zon­der. Het boek heeft blijk­baar ook de bib­lio­the­caris van de her­to­gen DSC07130van De Luynes – behorend tot de vertrouwelin­gen van opeen­vol­gende Franse konin­gen – kun­nen beko­ren, want hij heeft het weten te ver­w­er­ven en onderge­bracht in een bredere verza­mel­ing pri­js­ban­den die een plek had­den in het kas­teel van Dampierre. Deze bib­lio­theek uit het stadje Dampierre-en-Yvelines, in de vallei van de Chevreuse, was eeuwen­lang een van de meest vooraanstaande par­ti­c­uliere bib­lio­theken in Frankrijk. Helaas zagen de eigenaren zich in 2013 genoodza­akt de totale bib­lio­theek te veilen. Het zegel met het wapen van kas­teel Dampierre, in 1675–1683 gebouwd door Jules Hardouin-Mansart, is op het bin­nen­plat­ten van de Goudse pri­js­band geplakt en vormt het bewijs dat dit boek ooit deel uit­maakte van deze voor­name collectie.

Prijswapen

De uit­mun­tende kwaliteit van de stem­pel­ing van het gouden stadswapen op beide plat­ten heeft er waarschi­jn­lijk ook mee te maken, dat de Goudse Lati­jnse School net in het jaar daar­voor een nieuw stem­pel daar­voor had laten ver­vaardi­gen. In het notu­len­boek van de schol­archen, bewaard in het Streekarchief Midden-Holland te Gouda, lezen wij dat op 22 juli 1727 werd besloten “de nieuwe stem­pel of plaat, gemaackt om te teeck­e­nen de boecken die tot pri­jzen aan de discipe­len gegeven wor­den” in bewar­ing gegeven zal wor­den aan rec­tor West­er­hovius. Diezelfde rec­tor bewaarde ook de boeken die in aan­merk­ing kwa­men om als pri­js­band te dienen, zo blijkt uit een aan­teken­ing in het­zelfde notu­len­boek van 1 sep­tem­ber 1726. Het eigen­lijke bind– en stem­pel­w­erk werd overge­laten aan een vak­man, de boek­binder Abra­ham Staal, ook als boek­drukker werkzaam in Gouda tussen 1709 en 1745. Dankzij het notu­len­boek weten wij dus zelfs dat hij degene is geweest die de fraaie pri­js­band heeft aange­bracht. De keuze van de lau­re­aten lag in han­den van de schol­archen, die zich daar­bij uitaard lieten advis­eren door de rector.

(meer…)

Opsporing verzocht: wie ontvreemdde dit boek uit de Goudse Librije?

Op de Catawiki-veiling van 6 novem­ber 2013 werd een boek verkocht dat eeuwen­lang ac899cd2-41ac-11e3-939b-904589e08402deel heeft uit­ge­maakt van de Goudse Lib­rije. De herkomst van het boek staat onom­stotelijk vast dankzij de bek­ende rode lib­ri­jestem­pel op het titel­blad. Daarmee is het de tweede keer bin­nen enkele jaren dat een zeldzame oude druk uit deze col­lec­tie in de han­del opduikt, zon­der dat het ooit door de Lib­ri­je­meesters is afgestoten of ander­szins door hen uit de col­lec­tie gehaald. Te vrezen valt dat het gaat om boeken die bezoek­ers van de stads­boek­erij hebben ontvreemd tij­dens een moment van ono­plet­tend­heid van de cus­tos (opzichter) of bijvoor­beeld om boeken die, voor restau­ratie naar een boek­binder zijn gebracht en nim­mer zijn gere­tourneerd. Dat laat­ste is ook aan­nemelijk omdat het in beide gevallen ging om werken met een zeer beschadigde boekband.

3e863bfe-420c-11e3-834f-a678968ce415

De slechte con­di­tie van de band had niet direct een negatieve invloed op de prijs van het eind vorig jaar verkochte boek, want het bracht maar liefst 700 euro op. Het ging daar­bij om een parallel-editie van het  Griekse en Lati­jnse werk van Philo Judaeus, Omnia quae extant opera, uit­gegeven in 1640 in Par­ijs door de zoge­heten Com­pag­nie de la Grande Navire. De naam van de drukkerij wordt op het titel­blad fraai ver­beeld met een grote gravure van een zeilschip. Bij­zon­der aan dit 1275 pagina’s tel­lende exem­plaar is verder dat het naast de Lib­ri­jestem­pel een handgeschreven ex-libris bevat van nie­mand min­der dan Eti­enne Baluze (‘Stiphanus Baluz­ius Tute­len­sis’), de beroemde bib­lio­the­caris van de Franse min­is­ter Jean-Baptiste Col­bert uit de dagen van Lodewijk XIV.

De vraag is nu of ook dit boek terugge­bracht zou kun­nen wor­den op de plek waar het hoort: in de Lib­rije. Daar­toe moet nage­gaan wor­den hoe het zoekger­aakt is. Dat zal niet een­voudig zijn. Inmid­dels is duidelijk dat het boek in 1874 nog gewoon in de kast van de 84f06fc0-41ac-11e3-820a-ca0d855f8360stads­boek­erij stond en dat er nadien geen onderde­len van dit boeken­bezit geveild zijn. Nalez­ing van de notulen van de zoge­heten Lib­ri­je­meesters tot 1934 lev­ert ook geen ver­meld­ing van ver­miss­ing op. Via het dig­i­tale veil­inghuis Catawiki blijkt het niet mogelijk de gevens te kri­j­gen van de verkopende of aankopende par­tij; bei­den wor­den afgeschermd. Via tussenkomst van de veil­ing­meester heb ik van de verkoper – die kost wat kost anon­iem wil bli­jven — inmid­dels wel ver­nomen dat hij het boek gekocht heeft van een weduwe van een boek­drukker, die het boek als oefen­ma­te­ri­aal gebruikt zou hebben. Dat brengt de al aangestipte mogelijkheid in beeld dat het boek op enig moment ter restau­ratie aan een boek­binder is aange­bo­den, maar nim­mer is terugge­bracht. Wie het boek uitein­delijk gekocht heeft in novem­ber 2013 is even­min onduidelijk. Wellicht wil hij zich melden en is via hem te rege­len dat het boek met het schip terug­keert in de haven. De zoek­tocht gaat verder.

Prentkunst geeft blik in brein van Coornhert

Dirck Vol­ck­ert­zoon Coorn­hert was een veelz­i­jdig man. Hij ver­taalde klassieke auteurs als Seneca en Home­rus, schreef filosofis­che en the­ol­o­gis­che werken, hield zich bezig met poezie en toneel­stukken, was een taalpurist, speelde muziek en was vaardig in het scher­men. Hij vold­eed in menig opzicht aan het klassieke ideaal van de homo uni­ver­salis. Daar­bij paste ook dat hij zich met beeldende kun­sten bezighield, in zijn geval met het grav­eren. Hij heeft tal­rijke gravures ver­vaardigd, die laten zien dat hij tech­nisch vaardig was. Of hij ook uit­blonk in orig­i­naliteit en kun­stzin­nigheid moet betwi­jfeld wor­den. Het meeste werk dat bek­end is van zijn hand, betreft gravures naar ontwer­pen van anderen, in het bij­zon­der van zijn Haar­lemse vriend Maarten van Heemskerck. Van diens ontwerptekenin­gen heeft hij vanaf 1547 vele tien­tallen prenten gesto­ken. Maar ook het werk van vele andere teke­naars, zoals Jan van der Noot, Frans Florits, Adri­aan de Weert, Lam­bert Lom­bart en Willem Thibaut, wer­den door Coorn­hert in koper gesto­ken. Het lijkt erop dat het graveer­w­erk voor Coorn­hert vooral een ambacht is geweest waarmee hij in zijn onder­houd kon voorzien. Hij hield zich er met name mee bezig gedurende zijn verblijf in Haar­lem en tij­dens zijn lat­ere ballingschap in Xan­ten (her­tog­dom Kleef). In laat­stge­noemde plaats had hij een leer­ling die zou uit­groeien tot absolute meester in de graveerkunst, namelijk Hen­drick Goltz­ius. Deze leer­ling ver­vaardige ook enkele fraaie portret­ten van zijn leer­meester Coorn­hert. Ook na terug­keer naar de Ned­er­lan­den bleef Coorn­hert bezig met de pren­tkunst, maar dan als han­de­laar. In zijn won­ing aan de Oost­haven te Gouda, waar hij zijn laat­ste lev­en­s­jaren sleet, dreef hij immers een prentenwinkeltje.

Coornhertprent

De gravures van Coorn­hert zijn voor de heden­daagse beschouwer niet altijd makke­lijk te begri­jpen en te waarderen. Zij hebben een maniëris­tis­che stijl, geken­merkt door bewe­gende, lang­gerekte en slangvormige fig­uren. Geïn­spireerd door de klassieke oud­heid wordt met deze stijl geprobeerd ideaal-typen van mensen neer te zetten, met gepronon­ceerde spier­bun­dels, karak­ter­istieke gezich­tu­it­drukkin­gen en the­atrale houdin­gen. Daar­bij hebben de prenten vaak een sterk moral­is­tis­che inslag, waar­bij de bood­schap niet zelden ver­pakt is in een alle­gorie met tal van vreemde wezens. Het moral­is­tis­che gehalte van Coorn­herts graveerkunst bracht hij overi­gens ook tot

imagesuit­drukking in het door hemzelf ont­wor­pen drukkersmerk voor zijn boeken die halver­wege de zestiende eeuw in Haar­lem van de persen kwa­men bij een drukkerij die hij samen met Jan van Zuren had opgezet. Het drukkersmerk ver­toont een roos met een bijtje, ver­wi­jzend naar liefde, en een sluip­spin, als sym­bool naar gevaar. Al met al geven de prenten van Coorn­hert en zijn geestver­wan­ten dan ook geen beeld van het leven in hun eigen zestiende eeuw, maar wel van hun hun moraal-filosofische en the­ol­o­gis­che denkbeelden. De pren­tkunst van Coorn­hert is daarmee toch niet los te zien van zijn geschriften. De prenten zijn de beeldende doorver­tal­ing van de opvat­tin­gen over de mens, zijn ver­mo­gen om al op aarde de per­fecte staat te bereiken door goed te doen – de welleven­skunst – en zijn afkeer van het kwaad. Daaruit blijkt ook dat er nadrukke­lijk sprake is geweest van invloed van Coorn­hert op de ontwerpteke­naars en dat hij meer is geweest dan een ander­mans werk repro­duc­erend ambachtsman.

(meer…)

Uniek Goud boek uit Frans kasteel duikt op in Canada

Een van de groot­ste par­ti­c­uliere bib­lio­theken van Europa, opge­bouwd door de graven van PrijsbandbibliotheekDe Luynes en onderge­bracht in het Chateau De Dampierre werd vorig jaar bij het veil­inghuis Sothebey’s in Par­ijs geveild. Daar­bij werd een unieke verza­mel­ing bij­zon­dere boeken uiteen­gereten. Vanuit cultureel-historisch oog­punt was dit een regel­rechte ramp, maar voor de recht­geaarde bib­liofiel — waar­toe ik mijzelf ook reken — biedt zo’n liq­ui­datie een unieke kans om boeken te bemachti­gen die zelden op de markt te koop wor­den aange­bo­den. Hoewel mijn verza­mel­ge­bied ‘Goudana’ klein is en je op grond daar­van niet zou verwachten dat zich in genoemde adel­lijke bib­lio­theek iets van mijn gad­ing zou bevin­den, blijkt de werke­lijkheid toch altijd weer ver­rassin­gen op te lev­eren. Via een omweg naar Canada zal een uniek Gouds boek bin­nenkort terugk­eren in de stad waar hij bijna driehon­derd jaar gele­den feestelijk werd aange­bo­den. Bin­nenkort zal ik onthullen om welke papieren schat het gaat.

TNK viert zilveren jubileum met themanummer over geestelijke liederen

In het roerige jaar 1989 verd­we­nen niet alleen het IJz­eren Gordijn, de Berli­jnse Muur en de Chi­nese hoop op het Plein van de Hemelse Vrede, maar verd­we­nen ook de tra­di­tionele 2014-1schei­d­sli­j­nen tussen mensen van uiteen­lopende con­fes­sionele achter­grond, die zich beroeps­matig of uit liefheb­berij bezighielden met de kerkgeschiede­nis.  Op 22 april van dat jaar werd in de Goudse Sint-Janskerk de lan­delijke Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis opgericht. Ruim twee­hon­derd aan­wezi­gen von­den elkaar in een streven om de bestud­er­ing van de kerkgeschiede­nis in ons land op alle niveau’s te stim­uleren en de ken­nis erover te ver­sprei­den. Nu, 25 jaar later, gaat de VNK op 11 okto­ber aanstaande terug naar de plek waar het alle­maal begon, om terug te kijken wat er in die kwart eeuw bereikt en veran­derd is op het vlak van de kerkgeschied­schri­jv­ing. Dat wordt gedaan met een inmid­dels beproefde for­mule van een ‘Dag van de Kerkgeschiede­nis’, bestaande uit enkele lezin­gen, rondlei­din­gen en de pre­sen­tatie van een spe­ci­aal voor deze dag samengesteld boek.

Plaats van samenkomst is dit keer niet de grote, maar de kleine Sint-Jan, toe­be­horend aan de Oud-Katholieke parochie in Gouda. Aan het pro­gramma wordt op dit moment nog hard gew­erkt door een jubileum­com­missie, maar zeker is al wel dat prof.dr. Willem Fri­jhoff, emer­i­tus hoogler­aar van achtereen­vol­gens de Eras­musuni­ver­siteit van Rot­ter­dam en de Vrije Uni­ver­siteit van Ams­ter­dam, als hoofd­spreker zal optre­den. Ook staat vast dat er een nieuwe bun­del gep­re­sen­teerd zal wor­den met algemene bij­dra­gen over de kerkgeschiede­nis, pub­li­caties van de VNK en gesprekken met per­so­nen die bij de opricht­ing betrokken zijn geweest. De bun­del zal ook een aan­tal bij­dra­gen over de Goudse kerkgeschiede­nis bevat­ten, die duidelijk maken welke nieuwe inzichten er op dit vlak in de afgelopen 25 jaar zijn opgedaan. Zoals altijd wordt bij de organ­isatie nauw samengew­erkt met een lokale organ­isatie, in dit geval de His­torische Verenig­ing ‘Die Goude’.

Ook dit tijd­schrift wil het jubileum niet onge­merkt voor­bij laten gaan. Op het pro­gramma staan dit jaar maar liefst twee the­manum­mers. Omdat de lof wordt gezon­gen op de VNK is als eerste hier­van toepas­selijk het the­manum­mer over het geestelijke lied ver­sch­enen. In deze aflev­er­ing wordt, geheel in lijn met de brede basis van de verenig­ing, aan­dacht besteed aan gere­formeerde gezan­gen in de 16de eeuw, lutherse lied­boeken, remonstrants-getinte liederen en een rooms-katholieke gezan­gen­bun­del uit Gouda.

De overleving van een compleet parochiearchief uit Gouda

Vorige week was ik ein­delijk in de gele­gen­heid in de studiezaal van het Streekarchief Midden-Holland enkele archief­s­tukken uit de jaren 1815–1819 te raad­ple­gen, die betrekking had­den op de toewi­jz­ing van de Gasthuiskapel aan de Goudse katholieken. Deze stukken waren lang moeil­ijk raad­pleeg­baar, omdat er geen inven­taris van het betr­e­f­fende archief was gemaakt. Gelukkig is deze archiefli­jst van dit bij­zon­dere archief nu ein­delijk gereed en te gebruiken door onder­zoek­ers. De archiver­ing kent een lange voorgeschiede­nis, waarin ik zelf een inter­me­di­aire rol heb mogen spelen.

DSC07103

Het moet ergens in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw zijn geweest. Bij een bezoekje aan een anti­quar­i­aat wilde de oud­pa­pierverkoper mij een curio­sum laten zien. Hij wist dat ik kerkhis­torisch geïn­ter­esseerd was en daarom dacht hij dat ik wel wilde zien wat hij zojuist aange­bo­den had gekre­gen. Op tafel stond een groot aan­tal kar­ton­nen dozen, boorde­vol met vergeelde brieven, noti­ties, notar­iële doc­u­menten en andere schriftelijk mate­ri­aal. Na enig bladeren werd mij al snel duidelijk dat het om Goudse archief­s­tukken ging; veel negentiende-eeuws mate­ri­aal, maar ook veel oud­ere doc­u­menten, waaron­der zelfs zeventiende-eeuwse stukken. Verder was duidelijk dat het om kerke­lijke stukken ging van katholieke sig­natuur. Die con­clusie kon de anti­quaar beves­ti­gen, want het ging vol­gens hem om het com­plete archief van de Onze Lieve Vrouwe-Hemelvaartparochie, die tot de afbraak onder­dak had in een grote kerk aan de Kleiweg.

Voor mij stond meteen vast dat deze voor Gouda belan­grijke bron­nen niet in de han­del hoor­den. De Klei­wegk­erk was des­ti­jds, in 1964,  nogal respect­loos en ruw ges­loopt en blijk­baar had haar papieren rep­re­sen­tatie een­zelfde lot onder­gaan. Uit­er­aard liet de anti­quaar niet los wie hem dit archief te koop had aange­bo­den, maar ongetwi­jfeld was het (een nazaat van) iemand die betrokken is geweest bij het kerkbestuur van deze parochie.  Mijn eerste impuls was dat er een poging onder­nomen moest wor­den om het bis­dom Rot­ter­dam te informeren over deze vondst, omdat dit ver­ant­wo­ordelijk is voor alle kerke­lijke archieven in het dio­cees. Miss­chien kon het bis­dom een stokje steken voor een ‘ver­mark­t­ing’ van de stukken? Dat vond de anti­quaar niet zo’n goed idee, want hij had fors geld betaald om het te bemachti­gen. Daarom besloot ik zelf een bod uit te bren­gen. Voor 4000 gulden wer­den wij het eens en ver­huis­den de dozen naar mijn zolder. Met rode oort­jes las ik daar prachtige brieven van pas­toor Sem, die er per­soon­lijk ver­ant­wo­ordelijk voor was dat zijn parochi­a­nen de oude en ver­vallen kerk in de Keiz­er­straat kon­den ver­ruilen voor de ruimere en goed onder­houden Gasthuiskapel, die tot op dat moment nog in gebruik was van een kleine Franstal­ige Waals-gereformeerde gemeente. Felle tegen­werk­ing van de gere­formeer­den en van de stedelijke over­heid kon­den hem niet afhouden van dit voorne­men, dat slaagde met hulp van Kon­ing Willem I.

Toch vond ik van meet af aan dat dit archief niet in privéhan­den mocht bli­jven. Van­daar dat ik con­tact zocht met het bis­dom Rot­ter­dam. Daar was men zeer ver­heugd over de ‘red­ding’ van het archief en toonde men zich bereid het archief voor het­zelfde bedrag van mij over te nemen en de stukken ver­vol­gens in bruik­leen af te staan aan het Goudse archief. Zo bleef het archief bewaard en beschik­baar voor onder­zoek en ook nog in de plaats van oor­sprong. Het heeft nog bijna een kwart eeuw gedu­urd voor­dat er een degelijke inven­taris van is gemaakt, met dank aan Eve­line van der Hulst, maar dat betaalt zich nu uit door mid­del van een artikel dat ik kon schri­jven met behulp van enkele zeer inter­es­sante archief­s­tukken. Dit artikel, bestemd voor de jubileum­bun­del van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis die op 11 okto­ber 2014 zal ver­schi­j­nen, zal han­de­len over rooms-katholieke over­lev­ingsstrate­gieën in Gouda. De omgang van het archief van de OLV-Hemelvaartparochie zou je met even­veel recht een over­lev­ingsstrate­gie kun­nen noemen.

Lazarus als verbeelding van overvloed en onbehagen

Toen het klooster van de Non­nen op de Gouwe, ter hoogte van het Bol­w­erk, door het

10956159ingestelde kloost­er­ver­bod ged­won­gen moest sluiten, werd er naarstig gezocht naar een alter­natieve bestem­ming. Het aan de stad­srand gele­gen gebouwen­com­plex werd uiter­mate geschikt bevon­den voor de huisvest­ing van lep­rozen. De mis­maak­ten, die leden aan deze besmet­telijke ziekte, dien­den min of meer buiten de samen­lev­ing te bli­jven en mochten alleen de stad in als zij omstanders van verre waarschuw­den met een klep­per. Het voor­ma­lige klooster werd daarom omge­doopt tot Lep­rooshuis. Zoals gebruike­lijk bij hof­jes en andere instellin­gen van lief­dadigheid, kreeg ook dit com­plex een fraai ver­sierde toe­gangspoort. De zeer pro­duc­tieve stads­beeld­houwer Gre­go­rius Cool (ca. 1570–1629), ontwierp en ver­vaardigde hier­voor in 1609 een Lazaruspoortje.

Het gebeeld­houwde reliëf boven de ingang toont de gelijke­nis van Lazarus en de rijke man uit het evan­gelie van Lucas (hoofd­stuk 16,vs 19–31). Te zien is hoe de arme en melaatse Lazarus bij een rijke man, die aan een goed gevulde dis zit, bedelt om eten. Aan beide zij­den van het tafer­eel zijn nog twee melaat­sen te zien, de een met een bedel­napje in de hand, de ander met een lazarusklep­per. De rijke negeert Lazarus volkomen.  Als bei­den ster­ven komt Lazerus in de hemel maar de rijke man niet. Daarom is Lazarus boven het tafer­eeltje nog een keer afge­beeld, maar dan in de armen van God.

Het Lazarus­poortje stond eeuwen­lang aan het Non­nen­wa­ter, maar moest in 1940 wijken voor nieuw­bouw van het Gemeen­telijke Energie Bedrijf (GEB). Zoals vaker in Gouda werd er ook met dit mon­u­men­tje gesleept (net als bijvoor­beeld met het Joodse Poortje en met diverse poort­jes van hof­jes). Het werd geschonken aan het stedelijk museum, waarna het her­rees Achter de Kerk bij de achteringang van het museum. Aan de bin­nen– en achterz­i­jde zijn diverse gevel­ste­nen toegevoegd aan het poortje, zoals het reliëf van het voor­ma­lige Oude Vrouwen­huis, dat stond aan de Kleiweg.

Catharijneconvent2

De the­matiek van Lazarus en de overvloed en onbe­ha­gen van de rijken komt ook in de schilderkunst vaak terug. Een zeer bij­zon­dere weer­gave van dit thema is momenteel te zien in de exposi­tie Thuis in de Bij­bel in het Museum Cathar­i­jnecon­vent in Utrecht. Te zien is een over­dadig stilleven. Het genot en de bijna tast­bare begerigheid die de uit­gestalde lekkerni­jen bij de beschouwer oproepen, wor­den door de schilder onmid­del­lijk beteugeld met de Bij­belse waarschuwing die is ver­pakt in de weer­gave van het ver­haal van Lazarus in de rechter­boven­hoek. Ook het kruisje rechts en het ver­pul­verde kruisje links op de voor­grond ver­wi­jzen naar de uitkomst van het ver­haal. Overvloed wordt hier op beeldende wijze beteugeld door het gevoel van onbe­ha­gen dat zich opdringt bij het zien van de arme lep­roos. Aan datzelfde gevoel werd geap­pelleerd door Gre­go­rius Cool, toen hij het reliëf voor het Lazarus­poortje ontwierp. De vraag is of de bezoek­ers van het huidige muse­um­restau­rant deze beeld­taal ook nog verstaan.

Boeken op schilderijen: (gepretendeerde) wijsheid in olieverf

De Gron­ingse schilder Her­man Tulp, rep­re­sen­tant van het Noord-Nederlandse real­isme, dat vooral bek­end is gewor­den door het werk van Henk Hel­man­tel, liet mijn lief in 2002 een portret van mij schilderen dat louter bestond uit boeken. Indachtig het oude gezegde “toon mij uw boeken en ik zeg u wie gij zijt” gaf zij hem een aan­tal van mijn favori­ete oude boeken om daar­voor te gebruiken. Her­man Tulp koos voor de Ram­mazeyn­bi­j­bel (een Goudse roof­druk van de Staten­bi­j­bel uit 1647), een deel van Ger­aert Brandt, His­to­rie der Refor­matie (1674), Een deel van Chris­ti­aen Bor, Oor­sprongk, begin, en ver­volgh der Ned­er­land­sche oor­logen (1684), een boekje van de remon­strantse predikant Paschier de Fijne (1735), die wegens zijn schaat­sende preken op de Gouwe de bij­naam ‘Het IJsvo­gelken’ had, het rooms-katholieke kerk­boekje Sur­sum Corda (1878) van mijn oma Han­nah, een boekje met gefin­geerde gesprekken “tuss­chen eenen Hol­land­schen min­is­ter [predikant] ende eenen Room­schen catholy­cken” (1637) en nog een ander deel van Brandts werk (1671), openges­la­gen bij het portret van Dirck Vol­ck­ertsz Coorn­hert. Bij alle boeken­pracht miste de schilder echter toch nog iets: kleur. Boeken alleen waren voor hem te somber; hij snakte naar kleur. Eens sug­gestie van mijn dochter Marieke, om ook een Mari­abeeld uit ons huis te gebruiken, viel meteen in goede Gron­ingse aarde.  Haar hemelse blauw, smet­teloze wit en zachte rose zorgden voor de juiste bal­ans in het schilderij, teza­men met de wijze waarop de schilder zijn com­posi­tie wist op te bouwen met ver­ti­cale en hor­i­zon­tale lijnen.

DSC07006

Het schilderij kreeg te titel “Vri­jheid van Con­sciën­tie” mee, ontleend aan Coorn­hert en ver­wi­jzend naar het voor Hol­land unieke beleid van het Goudse stads­bestuur tussen 1572 en 1618. Het schilderij maakt zicht­baar dat tegen de ste­vige achter­grond van de gere­formeerde Staten­bi­j­bel in mijn woon­plaats ook ruimte werd gebo­den aan de rooms-katholieken, de remon­stran­ten en andere stro­min­gen, zoals spir­i­tu­al­is­ten en vri­jgeesten als Coorn­hert. In die geest van vri­jheid en nieuws­gierigheid ben ik zelf ook al bijna veer­tig jaar gefasci­neerd door de worstel­ing door de eeuwen heen van de mens met zijn heilsbestemming.

Boeken en ander druk­w­erk zijn vanouds veelvuldig te vin­den op schilder­i­jen. Zij vor­men door­gaans een indi­catie van belezen­heid van een geportret­teerde of onder­s­te­unen een andere bood­schap die de schilder wil uit­drukken. In het Goudse stadsmu­seum zijn bijvoor­beeld bij­zon­der veel lezende vrouwen op schilder­i­jen te zien. Op zestiende-eeuwse werken houden zij boeken in hun hand als illus­tratie dat zij de bood­schap van God tot zich namen. Deze frag­menten zijn tevens een indi­catie dat leken­vroomheid en de daar­bij behorende lees­cul­tuur in die tijd wijd­ver­breid was. Maar het museum heeft ook werken uit andere tij­den in haar bezit waarop lezende vrouwen te zien zijn, zoals het bek­ende schilderij van Willem Bas­ti­aan Tholen uit 1895 met twee meis­jes die lan­guit liggend verdiept zijn in een boek.

1

WtenbogaertDe boeken op het schilderij van Tholen zijn niet te herken­nen als bestaande werken. Op som­mige schilder­i­jen is dat wel het geval. Eerder werd op deze site al aan­dacht besteed aan een in Gouda bij Jasper Tour­nay gedrukt boek uit 1617, dat te zien zou zijn op een portretschilderij van Jacobus DSC07002Armi­nus, de uit Oude­wa­ter afkom­stige grond­leg­ger van de remon­strantse kerk (zie De-ontdekking-van-de-boekenhemel-arminius-zedich-ondersoeck-uit-1617). Op de ten­toon­stelling over ver­draagza­amheid in het Cather­i­jnecon­vent was een ander schilderij te bewon­deren met een herken­baar druk­w­erk. Het betrof een schilderij van ook al een remon­strant, hun grote voor­man en voor­ma­lige hof­prediker Joannes Wten­bo­gaert. Van hem is vooral een prachtig schilderij bek­end dat is ver­vaardigd door Rem­brandt. Het in Utrecht getoonde schilderij is echter van de hand van Jacob Adriaensz. Backer en stamt uit 1638. Het toont een zit­tende predikant die de toeschouwer aankijkt, maar tegelijk­er­tijd bezig lijkt te zijn met schri­jven. Hij houdt een veer in de ene hand en een bril in de andere. Voor hem liggen papieren en staat een ink­t­s­tel. Naar de kijker toe ligt op dezelfde tafel een gedrukt pam­flet, dat zijn naam draagt en duidelijk herken­baar is als zijn Ghebedt ofte Schriftuer­li­jcke med­i­tatie ofte over­denckinge over ’t Vader Onse uit 1619. Met behulp van dit pam­flet drukt de schilder de hoop uit van de geportret­teerde, dat hij en zijn aan­hang­ers met hulp van de Aller­hoog­ste na hun vero­ordel­ing door de Syn­ode van Dor­drecht hun eigen opvat­tin­gen zullen mogen uit­dra­gen, wat door hun afzetting, ver­ban­ning en buiten de wet stellen uitein­delijk niet is gebeurd. De herken­bare titel­pag­ina van het druk­w­erkje onder­s­te­unt op dit schilderij nadrukke­lijk de inhoudelijke bood­schap van de schilder en/of geportretteerde.

Portret van Joris Goethals (1584/86-1670), predikant te Blaricum en Hoorn, 1667. Geschilderd door de Goudse kunstenaar Christoffel Pierson

Portret van Joris Goethals (1584/86–1670), predikant te Blar­icum en Hoorn, 1667. Geschilderd door de Goudse kun­ste­naar Christof­fel Pierson

In andere gevallen fun­geren boeken vooral als geleer­den­be­hang. Hun mas­saliteit moet de geleerd­heid van de geportret­teerde afbeelden, waar­bij het van ondergeschikt belang is of de titels ook lees­baar zijn. Feit­elijk doen gefo­tografeer­den dat heden ten dage nog (zie mijn profielfoto)

Goudse accenten bij on-Volmaakte Vormen van Verdraagzaamheid

In miss­chien wel het mooiste museum van Ned­er­land is op dit moment de ten­toon­stelling “Vor­men van ver­draagza­amheid” te zien. Blik­vanger van deze exposi­tie is VrijheidvanConcientiehet man­shoge car­ton (de ontwerpteken­ing) van “De Vri­jheid van Con­sciën­tie”, het beroemde gebrand­schilderde glas num­mer 1 uit de Goudse Sint-Janskerk. Deze getek­ende ver­beeld­ing van het ideeën­goed van Dirck Vol­ck­ert­szoon Coorn­hert is een zeer toepas­selijke bin­nenkomer op het thema, omdat er waarschi­jn­lijk geen andere per­soon in de vroeg­mod­erne geschiede­nis van Ned­er­land is aan te wijzen die zijn leven lang zo prin­cip­ieel heeft gestre­den voor ver­draagza­amheid als deze uitein­delijk naar Gouda uit­geweken human­ist en vri­j­denker. In diezelfde eerste zaal is dan volkomen terecht eve­neens plek ingeruimd voor zijn portret, gegraveerd door zijn leer­ling Goltz­ius en voor een prent van de stad Gouda, waar het stads­bestuur in de zestiende eeuw zeer prin­cip­ieel koos voor  de Vri­jheid van geweten als poli­tiek uitgangspunt.

Na deze Goudse introï­tus ont­beert de ten­toon­stelling een heldere uitwerk­ing van het

Scherpslijper Jacobus Trigland, geboren in Gouda

Scherp­sli­jper Jacobus Trigland, telg uit een Gouds geslacht

thema. Niet de strijd voor ver­draagza­amheid of tol­er­antie, maar de omgan­goe­c­umene tussen de ver­schil­lende religieuze groepen in de Repub­liek komt cen­traal te staan. We maken daar­bij een vreemde stap terug in de tijd met een portret van Desiderius Eras­mus, een andere ‘Gouwe­naar’. Zijn relatie tot het thema van de ten­toon­stelling bli­jft echter onduidelijk. Cre­atief is de wijze waarop met archiefk­isten, gelu­ids­frag­menten en schilder­i­jen getoond wordt hoe vijf religieuze groepen (gere­formeer­den, remon­stran­ten, luther­a­nen, doops­gezin­den en rooms-katholieken) over elkaar dachten, maar dit illus­treert eerder onver­draagza­amheid dan ver­draagza­amheid. Ook in deze hoek komen we een ‘Gouwe­naar’ tegen, de contra-remonstrantse scherp­sli­jper Jacobus Triglandus.

In een derde zaal zijn het de werken van kun­ste­naars met uiteen­lopende religieuze achter­grond die moeten aan­to­nen dat zijn met het aan­nemen van opdrachten ruim­denk­end en ver­draagzaam waren, omdat zij ook werk­ten in opdracht van andere gezindten. Met even­veel recht zou dit een illus­tratie kun­nen zijn van het prag­ma­tisme dat brood­schilders aan de dag leg­den om in hun dagelijks onder­houd te kun­nen voorzien. Over ver­draagza­amheid zegt het waarschi­jn­lijk weinig. Toch tre­f­fen we in deze zaal een uit Berlijn geleend kunst­werk aan, dat alleen al een bezoek aan de exposi­tie loont. Het betreft een door de katholiek Salomon de Bray uit Dor­drecht geschilderd portret van een klopje, een in de wereld lev­ende geestelijke dochter. Haar ver­schi­jn­ing is van een adem­ben­e­mende schoonheid, die wat mij betreft die van het Meisje met de Parel van Ver­meer benadert.

Klopje

Klop­jes hebben er in belan­grijke mate voor gezorgd dat de rooms-katholieke kerk tegen de ver­drukking en achter­stelling in, heeft over­leefd. De ‘betaalde ver­draagza­amheid’ , in de vorm van het voor geld door de vingers zien van clan­destiene katholieke kerkvierin­gen in zoge­heten ‘schuilk­erken’, wordt in de ten­toon­stelling wel goed en cre­atief uit­gew­erkt, in de vorm van een nage­bouwde kerk-op-zolder. Ook hier ont­breekt overi­gens het Goudse ele­ment niet, aangezien een fraai Willi­bror­dus­lied te horen is, dat is geschreven door de Goudse pas­toor Willem de Swaen.

Al met al biedt Vor­men van ver­draagza­amheid veel schoons om te bek­ijken, maar is de exposi­tie voor de meer ingewi­jde bezoek­ers helaas weinig ver­rassend. Voor leken is de infor­matie daar­ente­gen weer te frag­men­tarisch en ongericht om een goed inzicht in de materie te kri­j­gen. Als de samen­stellers iets langer nagedacht had­den over de con­cep­tu­alis­er­ing van het thema en bijvoor­beeld de twist­ge­sprekken tussen Coorn­hert en de Delftse dom­i­nees of andere open­bare debat­ten (als oefenin­gen in tol­er­antie) had­den uit­gew­erkt, was het geheel meer ver­rassend en vernieuwend geweest.