The making of.……the Walvis (1712–2012)

5 januari 2012

Dit jaar is het op de kop af driehon­derd jaar gele­den dat pas­toor Ignatius Walvis de pen neer­legde, waarmee hij zijn Goud­sche en andere daar­toe dienende katolijke kerk-zaaken schreef. Jaren­lang had hij in zijn studeerkamer in de sta­tie Johannes Bap­tist aan de Hoge Gouwe archivalia uit­ge­plozen en op basis daar­van de lot­gevallen van de Goudse katholieke priesters vanaf de Refor­matie beschreven. Met dit mon­niken­werk wilde hij aan­to­nen dat hij en zijn seculiere ambtgenoten steeds zorg had­den gedra­gen voor de con­tin­uïteit in de ziel­zorg. Dat Rome de Hol­landse kerkprovin­cie had aangewezen als missiege­bied en daarmee diverse orden (jezuïeten, fran­cis­ca­nen of min­der­broed­ers) ruimte bood om er ook ziel­zorg te ver­lenen, was Walvis een doorn in het oog. De paters waren er naar zijn oordeel slechts op uit zoveel mogelijk zielt­jes — en daarmee inkom­sten — af te pakken van de pas­toors, om het geld ver­vol­gens linea recta door te sluizen naar de ordelei­d­ing in de Zuidelijke Ned­er­lan­den. Het geestelijk welz­ijn van de gelovi­gen in de sta­ties (parochies) stond daar­bij vol­gens Walvis bij de paters op de tweede plaats, reden waarom nauwelijks eisen wer­den gesteld aan de gelovi­gen. Het con­flict tussen de pas­toors aan de ene kant en de door Rome ges­te­unde paters liep aan het begin van de acht­tiende eeuw zo hoog op, dat het uitein­delijk tot een scheur­ing kwam. Walvis zou uitein­delijk ook breken met Rome, waarmee hij aan de wieg heeft ges­taan van de tot op van­daag bestaande Oud-Katholieke parochie in Gouda.

Zijn man­u­script over de Goudse kerkza­ken was zijn hoofd­w­erk en bedoeld als ver­weer­schrift. Toch werd het na afrond­ing in 1712 nooit in druk uit­gegeven. Dat gebeurde wel met een bijpro-duct van zijn noeste navorsin­gen. Twee jaar later, nog net voor zijn dood op 6 mei 1714, ver­scheen van zijn hand de eerste Goudse stads­geschiede­nis. Het kerk­con­flict van zijn dagen moest hij daar­bij noodged­won­gen buiten beschouwing laten, eve­nals de meeste lot­gevallen van zijn geloof­sgenoten na de Refor­matie, aangezien hij over­hei­d­scen­suur moest ver­mi­j­den in een tijd dat de gere­formeerde kerk de enig offi­cieel door de over­heid toege­laten en bevoor­rechte kerk was en de katholieken naar het achter­erf ver­ban­nen waren.

In de vorige eeuw zijn eerste voorzichtige pogin­gen gedaan om de Goudse kerkza­ken van Walvis alsnog in druk te laten ver­schi­j­nen. Pas­toor F. Smit begon met een tran­scrip­tie, maar zijn werk bleef door zijn plot­selinge over­li­j­den verre van voltooid. Daarna gold het man­u­script een tijd­lang als ver­mist, tot het in de jaren ’ 90 weer opdook in het archief van de Oud-Katholieke Kerk in Amers­foort. De over twee boek­ban­den verdeelde aan­tekenin­gen van Walvis keer­den daarna weer naar Gouda terug, waar Jan Halle­beek en Mar­tin Par­men­tier de idee opvat­ten om een nieuwe poging tot tran­scrip­tie te onderne­men. Voor die enorme klus zochten zij onder­s­te­un­ing, die zij von­den in de Goudse kerkhis­tori­cus Paul Abels en Dick Schoon, inmid­dels Oud-Katholieke biss­chop van Haar­lem. Par­men­tier moest helaas door ziekte afhaken, ter­wijl Halle­beek en Schoon door nieuwe werkza­amhe­den ook min­der tijd over­hielden voor het project. Een besluit om de voor Gouda rel­e­vante Lati­jnse pas­sages te ver­talen in heden­daags Ned­er­lands zorgde voor nieuwe vertraging.

Toch lijkt voltooi­ing van het Walvis-project nu zeer dicht­bij. Met hulp van Aviva Bois­se­vain, Steven Leefers en Ger­ben Schoon­eveldt van het Ned­er­lands Genootschap voor Pale­ografie zijn de laat­ste ‘pluk­jes’  Latijn ver­taald. Nu dit werk gereed is, wordt het geheel per­sklaar gemaakt wor­den. De inlei­d­ing en alle bijla­gen zijn immers ook al gereed. Van­daar dat alle betrokke­nen nu voorzichtig de hoop begin­nen te koesteren dat de katholieke Walvis nog pre­cies in dit driehon­derd­ste kroon­jaar gep­re­sen­teerd kan wor­den (wordt vervolgd)

Founding Father van de VNK, Henk ten Boom, overleden

14 december 2011

Het jaar 2011 blijkt een bij­zon­der slecht jaar te zijn voor his­torici. Nadat eerder al mijn kerkhis­torische inspi­ra­tor prof. Dr. A.Th. van Deursen over­leed en ook een van mijn com­pagnons in de Goudse geschied­schri­jv­ing, Jan Kom­pag­nie, ontv­ing ik nu het droeve bericht dat op 11 decem­ber 2011 in zijn woon­plaats Wagenin­gen dr. Henk ten Boom is overleden. Hoewel Ten Boom al 87 jaar was, is hij tot het laatst actief gebleven als his­tori­cus. Nog maar nauwelijk een week gele­den bood hij mij een artikel van zijn hand aan voor plaats­ing in het Tijd­schrift voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. In het tele­foonge­sprek dat wij naar aan­lei­d­ing hier­van voer­den heb ik hem nog het com­pli­ment gegeven dat zijn stem klonk als die van een jonge god. Lachend antwo­ordde hij daarop dat het weliswaar goed met hem ging, maar dat hij ’s mor­gens wel moeite had om op gang te komen.  Hij benadrukte dat het betr­e­f­fende artikel echt het laat­ste van zijn hand zou zijn, maar dat had hij mij ook bij zijn vorige artike­len al verzek­erd. Ik kon toen dus niet bevroe­den dat hij dit keer wel gelijk had en dat dit ons laat­ste van vele tele­foonge­spreken zou zijn.

Mijn eerste ont­moet­ing met Ten Boom, een voor­ma­lig predikant in de Ned­er­landse Her­vor­mde Kerk die zich later spe­cialiseerde in het vak van archivaris en char­ter­meester werd in Rot­ter­dam, vond plaats in 1987. In zijn statige won­ing aan de Spoorsin­gel in Rot­ter­dam, legde hij toen net de laat­ste hand aan zijn proef­schrift over de Refor­matie in Rot­ter­dam. Samen met mijn co-promovendus Ton Wouters zocht ik hem toen op om ideeën op te doen voor ons eigen onder­zoek naar de Refor­matie in het nabi­jgele­gen Delft en Delfland. Van meet af aan maakte hij indruk op ons door zijn rustige uit­stral­ing en zijn beschaafde maar zeer gepas­sioneerde manier van spreken over ons vak.

Twee jaar later raakte ik betrokken bij een ini­ti­atief dat Ten Boom samen met een andere archivaris, Jan van Booma, nam tot opricht­ing van een Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK). Dergelijke niet-confessioneel gebon­den verenigin­gen beston­den al in veel Duitse ‘län­der’ en de Duits ‘ange­hauchte’ Van Booma vond het de hoog­ste tijd dat er een Ned­er­landse equiv­a­lent zou komen. Waar hij de diplo­matieke gaven ont­beerde om dit project suc­cesvol vond de grond te tillen, wist hij in Henk ten Boom een mede­stander te vin­den die dat wel voor elkaar wist te bren­gen. Op 22 april 1989 vond de opricht­ingsver­gader­ing plaats in de Goudse Sint-Janskerk, in aan­wezigheid van 220 kerkhis­torisch geïn­ter­esseer­den. Bin­nen het bestuur dat toen aantrad was het voor iedereen vanzelf­sprek­end, dat Ten Boom de eerste voorzit­ter zou worden.

Henk ten Boom (r.) en Jan van Booma (l.), ini­ti­atiefne­mers tot de opricht­ing van de VNK, tij­dens een pro­motiediner in 1994. In het mid­den Henks vrouw Joke Ten Boom-Spijkerboer.

Op de voor hem ken­merk­ende char­mante wijze wist Henk ten Boom de VNK in de eerste jaren van haar bestaan een geheel eigen plek te geven in het (kerk)historische veld. Op kerkhis­torische dagen in onder­meer Gronin­gen en Mid­del­burg wist hij tal van liefheb­bers van de Ned­er­landse kerkgeschiede­nis te inter­esseren voor de verenig­ing en onder zijn lei­d­ing ver­sch­enen enkele fraaie artike­len­bun­dels. Ook kreeg de verenig­ing een eigen blad, waarin Ten Boom zich eve­neens roerde, bijvoor­beeld met bij­dra­gen aan een fun­da­mentele dis­cussie over het bestaan­srecht van kerkgeschiede­nis als aparte discipline.

Ten Boom nam geen afscheid van het bestuur zon­der te zor­gen voor een uit­stek­ende opvol­ger, die hij vond in de doops­gezinde prof.dr. Sjouke Vool­stra. Het bestuur dankte hem voor al zijn inspan­nin­gen met het ere­lid­maatschap van de verenig­ing. Ook nadien bleef hij altijd zeer betrokken bij het wel en wee van de VNK. Hij was een vaste bezoeker van con­gressen en ver­gaderin­gen van de verenig­ing en pub­liceerde van tijd tot tijd nog kleine par­elt­jes van zijn kerkhis­torisch onder­zoek in het verenig­ings­blad. Ik denk met dankbaarheid terug aan onze samen­werk­ing en goede con­tacten en zal hem zeer mis­sen bij VNK-activiteiten.

Herman Herbers heeft eindelijk zijn biografie!

25 november 2011

Her­man Her­bers mag beschouwd wor­den als de grond­leg­ger van de Goudse Refor­matie. De heer C. Plaizier uit Stol­wijk schreef een boek over deze bij­zon­dere dom­i­nee, dat werd uit­gegeven door de His­torische Verenig­ing die Goude. Daarmee heeft deze bij­zon­dere voor­ganger uit de Sint-Janskerk na vier eeuwen ein­delijk de biografie die hij verdient.

Kees Plaizier vol­gde de cur­sus Goudolo­gie (ver­zorgd door het His­torisch Plat­form, waar die Goude deel van uit­maakt) en raakte daar­bij in de ban van de figuur Her­bers. Docent Goudolo­gie en kerkhis­tori­cus dr Paul Abels gaf tij­dens een lez­ing aan dat er ten onrechte nog geen biografie over Her­man Her­bers was ver­sch­enen en dat zette Kees Plaizier aan het werk. Hij gaf Her­bers het gezicht dat er nog niet was, want er is geen portret van de dom­i­nee bewaard gebleven. In nauwe samen­werk­ing met het stads­bestuur zorgdeHer­bers in het begin van de 17de eeuw voor een mild geestelijk kli­maat in de stad, dat grote ruimte bood voor het indi­vidu­ele geweten. Gouda werd zo de kraamkamer van de vri­jzin­nigheid of – zoals fel-gereformeerde tegen­standers van Her­bers het noemde – het ket­ternest van Hol­land. De ideeën van Her­bers vor­m­den zelfs de basis voor een eigen Goudse cat­e­chis­mus, door zijn vijan­den smal­end aange­duid als een schoen die iedereen past.

De uit de Achter­hoek afkom­stige predikant werd tot priester opgeleid in een cis­ter­ciënzer klooster, geleid door een prior met sym­pa­thie voor de her­vorm­ings­be­weg­ing. Hij was achtereen­vol­gens priester in Win­ter­swijk, ‘prediker naar de nieuwe wijze’ in Bocholt en luthers predikant in Wezel. In 1577 werd hij predikant van de Gere­formeerde Kerk in Dor­drecht. Deze kerk ontwikkelde zich tot een ortho­doxe geloof­s­ge­meen­schap met hoge drem­pels voor het lid­maatschap. Her­bers werd al snel beschouwd als een dis­senter, wat lei­dde tot zijn ontslag in 1582. Hij werd met open armen in Gouda ont­van­gen, omdat hij hier werd gezien als een gematigd predikant, die – in tegen­stelling tot de ‘scherp­sli­jpers’ – goed paste bij de eras­mi­aanse gezind­heid van de stads­bestu­ur­ders en hun streven naar vrede en een brede volkskerk. Het werk Beken­tenisse des Gheloofs, waarin Her­bers zich verzette tegen beschuldigin­gen van onrechtzin­nigheid, vormt het hart van deze pub­li­catie. Er blijkt een mystieke geloofs­belev­ing uit, die door de kerk als een bedreig­ing voor haar gezag werd beschouwd. Her­bers vol­gde vri­j­moedig zijn eigen weg, ges­te­und door het Gouds stads­bestuur. In zijn per­soon komen zowel de vri­jhei­ds­drang van de remon­stran­ten als de bevin­delijkheid van de Nadere Refor­matie samen. Deze unieke com­bi­natie beves­tigt zijn beteke­nis voor de Ned­er­landse kerkgeschiedenis.

Het boek over dom­i­nee Her­man Her­bers is te koop via die Goude en kost € 22,50 voor leden van de verenig­ing (niet-leden betalen € 25,00).

Bij de dood van A.Th van Deursen; een slijkgeus met onderkoelde humor

21 november 2011

His­torisch Ned­er­land heeft van­daag, 21 novem­ber, opnieuw afscheid moeten nemen van een kleur­rijk his­tori­cus. Op 80-jarige leeftijd over­leed in een ver­zorg­ing­ste­huis in Oegst­geest prof. dr. A. Th. [Arie] van Deursen, emi­nent ken­ner van de zeven­tiende eeuw. Met zijn baan­brek­ende werk Bavia­nen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Mau­rits en Old­en­barn­evelt legde hij in 1974 de grond­slag voor een vernieuwende kerkgeschied­schri­jv­ing van de vroeg­mod­erne tijd. Sinds de ver­schi­jn­ing van dit werk waren het niet langer de the­olo­gen, die hun stem­pel druk­ten op de bestud­er­ing van refor­matie en con­trar­efor­matie, maar werd deze rol overgenomen door soci­aal ‘ange­hauchte’ his­torici. Ook voor de schri­jver dezes, die zijn studie geschiede­nis in 1976 in Nijmegen begon, was genoemde studie een belang-rijke inspi­ratiebron om zich te storten op deze the­matiek. Veelzeggend voor de enorme invloed die Bavia­nen en Slijkgeuzen was, dat daarmee zelfs aan de Rooms-Katholieke Uni­ver­siteit de aan­dacht werd gewekt voor de geschiede­nis van de vroege refor­matie. Onder de stu­den­ten van prof. dr. Mattheu Spiertz maakte Van Deursen ook daar school, wat lei­dde tot een hele reeks scrip­ties en dis­ser­taties over deze thematiek.

Het unieke van Van Deursen was, dat hij met zijn bestud­er­ing van kerken­raad­s­acta en clas­si­cale pro­to­collen terug­ging tot de basis van de kerkge­meen­schap­pen en zo het geloof­sleven van de ‘kleine man’ uit de duis­ter­nis van de geschiede­nis opdiepte. Nooit ver­borg hij daar­bij zijn eigen rotsvaste over­tuig­ing dat de pre­ciezen in de vroege zeven­tiende eeuw het gelijk aan hun zijde had­den. Maar apolo­getisch werd zijn ver­haal nooit, mede dankzij een vlotte pen en een magis­trale onderkoelde humor. Met deze zeldzame com­bi­natie trok hij een breed lez­er­spub­liek, ook buiten de eigen vak– en geloof­skring. Dat bleek voor het eerst, toen hij het vele archief­ma­te­ri­aal dat hij voor Bavia­nen en Slijkgeuzen had verza­meld, gebruikte voor een serie van vier boek­jes over het alledaagse leven in de zeven­tiende eeuw, ver­sch­enen onder de prachtige titel Het kop­ergeld van de Gouden Eeuw.

Door zijn in humor en rel­a­tiver­ing ver­pakte prin­cip­iële opstelling werd Van Deursen op zeker moment enigszins ver­heven tot een ‘cult­figuur’ onder intel­lectue­len van uiteen­lopende schnitt. Met name rond de ver­schi­jn­ing van zijn dorps­geschiede­nis over het zeventiende-eeuwse Graft was zijn roem wijd­ver­breid en sprak hij volle zalen en kerken toe over de vroege gere­formeerde kerkgeschiede­nis in de Ned­er­lan­den. Zijn oog voor detail en voor de belev­ingswereld van de ‘gewone man’ leed er niet onder, getu­ige zijn laat­ste werk over het kerkvolk in Katwijk dat nog onlangs verscheen.

Hoewel een van mijn belan­grijk­ste inspi­ra­toren, bleef er altijd een diepe kloof gapen tussen zijn en mijn geschiedop­vat­ting. In zijn recen­sie van mijn proef­schrift over de Refor­matie in Delft en Delfland, dat ik in 1994 samen met Ton Wouters verdedigde, gaf hij met de voor hem ken­merk­ende onderkoelde humor aan, dat onze afs­tandelijke benader­ing en tech­nis­che analyse van de vroege kerk bepaald niet de zijne was. Maar het was ons vol­ste recht om zo met de geschiede­nis om te gaan. Ik zal deze erken­ning van een van mijn leer­meesters tot in lengte van dagen koesteren.

Gouds historicus Jan Kompagnie overleden

20 november 2011

Ter­wijl de wereld steeds kleiner en stiller werd door de mist, is  Jan Kom­pag­nie op zondag 20 novem­ber overleden. Een onge­neeslijke ziekte heeft ver­hin­derd dat deze in 1947 geboren Goudse his­tori­cus en archivaris zijn arbei­dzame leven bij het Nation­aal Archief wegens het bereiken van de pen­sio­en­gerechtigde leeftijd heeft kun­nen inruilen voor een ongetwi­jfeld even actief leven als his­torisch onder­zoeker. Jan was een archivaris van het steeds zeldza­mer wor­dende soort, die zijn ken­nis van de archieven wist aan te wen­den ten beho­eve van een groot aan­tal belang­wekkende his­torische pub­li­caties. Zo schreef hij ver­schil­lende hoofd­stukken voor de in 2002 ver­sch­enen Goudse stads­geschiede­nis en schreef hij boeken en artike­len over het social­isme, bor­de­len in de negen­tiende eeuw en de Tweede Werel­door­log. Een van de belang­wekkend­ste stud­ies van zijn hand ver­scheen in 2009 en han­delt over ‘De schrik van Gouda’, de oor­logsmis­dadi­ger Han Blavert. Jan was ook jaren­lang bestu­urslid van His­torische Verenig­ing ’ Die Goude’ en hoofd-redacteur van het verenig­ings­blad ‘Tidinge van die Goude’. Ook was hij, met zijn uit duizen­den herken­bare stemgeluid, docent voor de leer­gang Goudolo­gie van het His­torisch Plat­form Gouda. His­torisch Gouda zal hem dan ook zeer mis­sen, maar dat valt volledig in het niet bij het gemis dat zijn vrouw, dochters, schoonzoons en kleinkinderen zullen voelen.

Klopjes en andere geestelijke dochters op de boekenmarkt

20 november 2011

His­torische Verenig­ing Die Goude, voorheen bek­end onder de eerbied­waardige naam ‘Oud­hei­d­kundige Kring’ , houdt op 26 novem­ber haar jaar­lijkse boeken­markt. De leden kun­nen daar niet alleen oude bun­dels en aflev­erin­gen van het verenig­ings­blad ’ Tidinge van die Goude’  aan­schaf­fen, maar ook enkele nieuwe werken over de geschiede­nis van Gouda. Onlangs ver­scheen de studie van Marieke Abels over religieuze vrouwen (klop­jes), met een opmerke­lijk nieuwe blik op dit (kerk)historische fenomeen.

Tij­dens de boeken­markt zal ook de fonkel­nieuwe bun­del over het leven van de markante Goudse predikant Her­man Her­bers voor het eerst te koop zijn. (zie hieronder).

Jezus als tuinman ontmoet Maria Magdalena

23 september 2011

De oud-katholieke parochie van Joannes Bap­tist in Gouda heeft in haar bezit een prachtig gebor­du­urde koorkap, die eind 15de eeuw gemaakt werd en oor­spronke­lijk deel uit­maakte van de col­lec­tie litur­gis­che gewaden van de voor-reformatorische Sint-Janskerk in deze stad. Op de koorkap is een scène afge­beeld waarin Jezus, verkleed als een tuin­man, Maria Mag­dalena ont­moet (zie bericht hieron­der over de cur­susGoudolo­gie). Bij een bezoek aan het stadsmu­seum van Edam (om de ten­toon­stelling over de Edamse lib­rije te bewon­deren) ont­dekte ik dat ook uit de litur­gis­che gewaden­col­lec­tie van de voor-reformatorische St.-Nicolaasparochie in deze Noord-Hollandse stad een gewaad bewaard is gebleven met dezelfde the­matiek. Op een kazuifel uit de peri­ode 1500–1525 is ook een tuinierende Jezus gebor­du­urd, die Maria Mag­dalena in zijn hof ont­moet. De gelijke­nis tussen beide tafer­e­len is opval­lend. Wellicht was het dus een ‘mod­e­trend’ aan het begin van de 15de eeuw. Miss­chien weet iemand of dezelfde the­matiek ook voorkomt op schilder­i­jen uit die tijd?

Zuster There­sia Saers, die onder­zoek doet naar de devotie rond Maria Mag­dalena, stu­urde mij twee fraaie schilder­i­jen met het­zelfde thema. De afbeeldin­gen zijn een ver­wi­jz­ing naar Joh. 20: 14–18. Een andere lezer van deze site wees mij op een tegeltje met dezelfde scène.


Calvinistisch Nederland in een foto gevat

16 september 2011

In het Volk­skrant Mag­a­zine maakt Theo Aude­naerd, hoofd van de fotoredac­tie, al geruime tijd furore met het selecteren en toelichten van bij­zon­dere foto’s. Het zijn foto’s die — hoewel een momen­top­name — een heel ver­haal vertellen aan de beschouwer. Hij leert de lez­ers kijken naar bij­zon­dere fotografis­che details. Deze details zeggen iets over de achter­grond, sfeer of omstandighe­den van de gebeurte­nis die op de gevoelige plaat is vast­gelegd. Soms stuit je als kran­ten­lezer ook zelf op zo’n foto, die in een oogop­slag soms meer zegt dan een vuist­dik boek. Zo’n foto, gemaakt door Bram Gebuys, trof ik van­daag aan in de Groene Hart edi­tie van het Alge­meen Dag­blad, bij een artikel van Anne Kom­pag­nie waarin zij ver­slag doet van een tax­atiemid­dag van anti­quaar en veil­ing­meester Arie Molendijk.

Aan de ruwe eiken­houten tafel zit de tax­a­teur met een oud boek rech­top in de hand voor zich. Anders dan menig ander han­de­laar in oude boeken is hij keurig gek­leed. Hij draagt een donker kos­tuum met vest, dat tegen­wo­ordig alleen nog gedra­gen wordt door min­is­ter Piet Hein Don­ner en de gemid­delde gere­formeerde oud­er­ling. Omdat de tax­atie over­duidelijk in een refor­ma­torische kerk plaatsvindt — we herken­nen de Goudse Sint-Jan — detoneert zijn kled­ing niet. Dat geldt ook voor zijn gezicht­suit­drukking, waarin bedachtza­amheid en zake­lijke cal­cu­latie verenigd zijn. Tegen­over hem zit een statige dame, die door haardracht, bril en gri­jze kled­ing vol­doet aan alle ken­merken van een vrouwelijk lid­maat van de gere­formeerde gemeente. Haar gezicht­suit­drukking is verwacht­ingsvol, maar lijkt al plaats te maken voor teleurstelling. De waarde van de door haar — waarschi­jn­lijk in de fiet­stas — meege­brachte boeken ligt lager dan zij altijd stiekem heeft gehoopt. De boeken die voor haar op tafel liggen ogen negentiende-eeuws en zullen daarmee waarschi­jn­lijk geen hoge tax­atiebedra­gen oplev­eren. Vooraan op de tafel is de porte­mon­naie van de han­de­laar herken­baar, met een openges­la­gen briefje van 5 euro. Uit het bor­dje dat ervoor op tafel ligt valt af te lei­den dat het geld­bil­jet hoogst­waarschi­jn­lijk door de vrouw aan de tax­a­teur moest wor­den gegeven om van hem te horen dat de boeken van weinig waarde zijn. De twee plas­tic bek­ert­jes en de waterkan op tafel benadrukken de spreek­wo­ordelijke calvin­is­tis­che zuinigheid die deze foto uit­drukt. De kerk als locatie op de achter­grond ver­sterkt het gere­formeerde karak­ter van het tafer­eel. Rest alleen de vraag hoe gere­formeer­den deze vorm van han­deldri­jven in de tem­pel op bij­belse gron­den kun­nen verantwoorden…

Canon-venster Coornhert nu op Gouwestad TV

8 september 2011

Vanaf 5 sep­tem­ber zendt Gouwes­tad TV in de serie over de Goudse canon het ven­ster uit over de human­ist en vri­j­denker Dirck Volk­ert­szoon Coorn­hert. In deze aflev­er­ing, die drie keer per dag wordt uit­ge­zon­den, wor­den de achter­grond en beteke­nis van zijn per­soon toegelicht door Paul Abels. Ook is een over­tu­igend door de acteurs gespeeld twist­ge­sprek tussen Coorn­hert en Jus­tus Lip­sius te zien, waarover hieron­der meer is te lezen. De uitzend­ing is vanaf 12 sep­tem­ber ook via inter­net te zien op de web­site van Gouwes­tad: http://www.gouwestad.nl/index.php/archief

Een week later is de aflev­er­ing over de Goudse pas­toor en stads­geschied­schri­jver Ignatius Walvis te zien, opgenomen in de kerk en pas­to­rie van de Oud-Katholieke Kerk Johannes Bap­tist aan de Hoge Gouwe. Het toneel­stuk bestaat dan uit een monoloog van een klopje, een onge­huwde vrouw die geen geestelijk leven wilde lei­den onder bescherming van een biechtvader.

UNIEKE BRON UIT 1618–1619 OP DEZE SITE

12 juli 2011


Ter­wijl de Nationale Syn­ode in Dor­drecht op het punt van begin­nen stond, zette de par­ti­c­uliere syn­ode van Zuid-Holland een opmerke­lijke stap om vooruit­lopend op de uitkomst van de lan­delijke kerkver­gader­ing alvast een begin te maken met de zuiv­er­ing van het eigen predikan­tenbe­stand. Evan­gelie­di­en­aren die zich had­den laten ken­nen als remon­strants of die ander­szins ver­dacht wer­den van het­ero­doxe opvat­tin­gen, dien­den zich te ver­ant­wo­or­den voor een rondtrekkende ‘kerke­lijke recht­bank’, bestaande uit vijf gede­puteer­den van de syn­ode  en drie gede­puteer­den namens de Staten van Hol­land en West-Friesland.  De vijf kerke­lijke gede­puteer­den verte­gen­wo­ordig­den de classes van Dor­drecht (ds. Abra­ham Muusholius), Delft (ds. Mar­t­i­nus Nico­lai), Schieland (ds. Michael Hogius), Gor­inchem (ds. Hugo Bei­jerus) en Breda (ds. Edsar­dus Fred­er­i­cus Auri­canus). De drie poli­tieke gede­puteer­den waren Adri­aen Claesz. Mutius, vroed­schap te Delft, Gode­fridus Goed­eredius, vroed­schap te Rot­ter­dam en Sebas­ti­aen Bolle­man, burge­meester in Schiedam.

De opdracht voor dit gezelschap was om predikan­ten aan te wijzen die onwet­tig in hun dienst waren gekomen, “met hare las­terin­gen tegen de leere der ker­cken erg­ernissen had­den gegeven” of zich onstichtelijk had­den gedra­gen. Daar­bij ging het vooral om predikan­ten die geweigerd had­den ter syn­ode te ver­schi­j­nen. De gede­puteer­den mochten met deze man­nen han­de­len met het­zelfde gezag als de syn­ode zelf. Als hun gezag in twi­jfel zou wor­den getrokken, mochten zij zich beroepen op de Nationale Syn­ode. [Acta Syn­ode Zuid-Holland, art. LIX].

Het optre­den van deze ‘kerke­lijke recht­bank’, die par­al­lel aan de Dordtse syn­ode opereerde en belan­grijke zuiv­erin­gen door­vo­erde, is in de geschied­schri­jv­ing tot op heden nauwelijks belicht. Dr. A.Ph.F. (Ton) Wouters, die in 1994 pro­moveerde op de Refor­matie in Delft en Delfland, was van plan het dossier hierover in het zoge­heten Oud Syn­odaal Archief inten­sief te bestud­eren en een uit­ge­breide studie te wij­den aan dit onbek­end facet uit de Ned­er­landse kerkgeschiede­nis. Zijn onti­jdige over­li­j­den, op 50-jarige leeftijd, ver­hin­derde dit. Om recht te doen aan het vele werk dat hij voor dit onder­zoek al heeft gedaan en meer bek­end­heid te geven aan deze ‘recht­bank’, wordt de getran­scribeerde samen­vat­ting (“Som­mier ver­hael”, OSA, Fris, nr. 547) op deze web­site ontsloten voor breder gebruik. Het omvan­grijke dossier telt echter ook nog hon­der­den bijla­gen, doch deze zal de geïn­ter­esseerde onder­zoeker zelf in het archief moeten raad­ple­gen (OSA, Fris, nr. 526).

Zie onder BRONNEN