De Goudse tollenaar Dirck van Reynegom en zijn voorname familie

Bij veilinghuis Arenberg in Brussel zijn in deze maand oktober twee zeer interessante boeken onder de hamer gekomen, die beide een relatie hebben met de in Gouda bekende bierbrouwer en tolgaarder Dirck Cornelisz van Reynegom. Hij speelde een prominente rol in de Goudse samenleving voor en na de overgang van de stad naar de prins van Oranje. Hij was telg uit een voornaam, belangrijk en vermogend geslacht, dat via connecties met de graven van Arenberg in Naaldwijk belandde, als heerlijkheid in bezit van gravin Margaretha van der Mark-Arenberg en Jan de Ligne.

De zoon van Dirck, Cornelis van Reynegom werd in 1538 in Gouda geboren en trad op 1 september 1575 in het huwelijk met Josina van Hoof, dochter van Willem van Hoof, ontvanger-generaal en rentmeester van de graven van Arenberg, woonachtig op het slot te Honsholredijk (Honselersdijk). Cornelis volgde zijn schoonvader na diens dood in 1616 op in de ambten en trad in dienst van het huis van Arenberg. Uit hun huwelijk werden negen kinderen geboren.

Via dezelfde Arenberg-lijn kwam ook een broer van Dirck, genaamd Cornelis Cornelisz van Reynegom, naar Naaldwijk. Hij studeerde theologie in Bologna en zou de laatste deken zijn van het kapittel van de Sint-Adriaenskerk van Naaldwijk. Hij bleef ook na de komst van de geuzen in Naaldwijk wonen, tot de heerlijkheid ten tijde van het Twaalfjarig Bestand door de familie Arenberg verkocht werd.

Daarna trok hij zuidwaarts, eerst naar Zevenbergen (ook een heerlijkheid van de Arenbergs) en in 1617 werd hij biechtvader bij de Victorinnen te Antwerpen. Dit klooster – Sint-Margrietendaal – schonk hij een gebrandschilderd glas met opschrift en zijn familiewapen. Later trok hij weer noordwaarts en vestigde zich in Delft. Hier trad hij op 17 februari 1634 op als getuige en gaf een in het Latijn opgestelde verklaring over twee van de Brielse martelaren, de norbertijnen Jacobus Lacoupe en Adrianus van Hilvarenbeek. Cornelis van Reynegom overleed te Delft in 1636.

Van Cornelis is bekend dat hij in het bezit is geweest van het in België beroemde Van Reynegom-getijdenboek uit circa 1425-1435, dat nu bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel (zie foto’s boven). Dat was blijkbaar niet het enige getijdenboek dat in zijn bezit was, want op de Arenberg-veiling (hoe toepasselijk) wordt en andere getijdenboek te koop aangeboden, dat ook in het bezit is geweest van de Naaldwijkse Cornelis. Dat is zeker, omdat hij zijn naam op diverse bladen heeft gemeld. Het gaat hier niet om een handgeschreven exemplaar, maar om een gedrukte Venetiaanse Missale Romanum uit 1607. De handgekleurde afbeeldingen zijn wonderschoon en telkens voorzien van de handgeschreven naam van Cornelis en telkens een andere naam. Om wie het bij deze personen gaat is niet bekend. Dit getijdenboek bracht op de Brusselse veiling maar liefst €9500 (exclusief veilingkosten) op.

d

De naam van de Goudse Dirck van Reynegom komt in dit getijdenboek niet voor. Dat is wel het geval in een uitgebreide handgeschreven genealogie van de familie Van Reynegom, die op dezelfde veiling onder de hamer kwam en €900 opbracht (exclusief veilingkosten). dit handschrift draagt de titel “Livre des extraits originaux des baptistaires, des mariages et des morts de la très noble et très ancienne famille de van Reynegom originaire d’Hollande”. Op een van de pagina’s wordt een afschrift van de huwelijksacte van zijn zoon weergegeven, die voor de notaris een rooms-katholiek huwelijk sloot in Delft.

Boven het document wordt gemeld dat Dircks zoon, de eerdergenoemde Corneille (Cornelis) van Reynegom in februari 1538 geboren is in “Tergoude”, Gouda dus. Vervolgens wordt ook verwezen naar vader Dirck, de “malheureux Thyry” (de ongelukkige Thierry), de Franse benaming voor Dirck. Van hem wordt gezegd, dat hij “pour la fidilité a Dieux eta son prince mourut en prison á Delft l’an 1584 et eut toutes ses terres et biens confisqué par les etats rebelles” (Hij stierf voor zijn trouw aan God en zijn prins in de gevangenis in Delft in het jaar 1584 en al zijn land en goederen werden in beslag genomen door de opstandige staten).

De samensteller van de Van Reynegom-genealogie is goed geïnformeerd, zij het dat Dirck niet in de gevangenis belandde. Hij werd wel verbannen uit Gouda. Al zijn bezittingen, inclusief zijn fraaie woonhuis aan de Westhaven 12, werden verbeurd verklaard, vanwege zijn betrokkenheid bij de eerste van twee pogingen om Gouda terug te brengen onder het gezag van de koning van Spanje. Als overtuigd katholiek had Van Reynegom met lede ogen aangezien hoe de stad in 1572 in handen was gevallen van de geuzen, die zich met veel geweld vergrepen aan de geestelijkheid en het kerkelijke bezit. Zijn met andere vooraanstaande Gouwenaars gesmede plan mislukte echter tragisch, toen een betrokken hopman argwaan wekte, werd opgepakt en doorsloeg. Van Reynegom kon daarna ternauwernood zijn vege lijf redden en vond een veilig heenkomen bij zijn familie in Naaldwijk.

d

Alle inspanningen van Dirck van Reynegom om de in 1552 door een catastrofale brand getroffen Sint-Janskerk in oude glorie te herstellen en aan een fraai samenstel van gebrandschilderde glazen te helpen, moeten op dat moment in zijn ogen tevergeefs zijn geweest. Op 29 oktober 1553 was hij nog samen met burgemeester Gijsbert Jan Martenszoon en de bekende glazenier Dirck Pieterszoon Crabeth met succes naar Utrecht gereisd, waar zij oud-Gouwenaar Herman Lethmaet, deken van Sint Marie en vicaris-generaal van de bisschop, bewogen hadden enkele glasschenkingen voor het koor van de Sint-Janskerk te doen. Wat zou daarvan overblijven?

De duivel lijkt onder de mantel van Dirck van Reynegom gekropen…

Wonderlijk genoeg overleefden de inmiddels geplaatste ramen de kerkwisseling naar het protestantisme. Als schenker van het glas ‘ De bespotting van Christus’ aan het Goudse Regulierenklooster aan de Raam, vervaardigd in 1556, zal Dirck ook nooit hebben kunnen bevroeden, dat zelfs dit glas met in de schenkersrand de portretten van hemzelf, zijn vrouw Aechte Jansdochter en hun kinderen ( de jongen links naast hem zou heel goed Cornelis kunnen zijn) nog tijdens zijn leven, in 1581, in de Sint-Janskerk aangebracht zouden worden. De Gouwenaren lijken zijn rol bij de mislukte coup echter niet helemaal vergeten te hebben, getuige het fel gekleurde duiveltje (op de ontwerptekening onopvallend onderdeel van een tafeltje) dat hem tot op de dag van vandaag – nu in de Van der Vormkapel – vergezelt.

Sint-Anna met een boek

Hoe herken je heiligen? Als ze geen duidelijk attribuut bij zich hebben, dat veelal een verwijzing is naar de wijze waarop hij of zij een marteldood heeft gevonden, is het moeilijk de identiteit van heiligen te achterhalen van wie een beeld of afbeelding is gemaakt. Dat is ook het geval met een klein heiligenbeeldje waarop ik de hand heb weten te leggen. Nog in de ban van het pas verworven getijdenboek van de Goudse claris Maritghen Dirckx, stuitte ik op dit kleinood dat uit dezelfde zestiende eeuw zou stammen. Het uit eikenhout fijn gesneden vrouwfiguur zou volgens de verkoper afkomstig zijn uit de Duitse gebieden en Sint-Anna voorstellen.

Als het beeldje inderdaad van Duitse oorsprong is, ligt Sint-Anna wel voor de hand. Zij genoot in de zestiende en zeventiende eeuw grote populariteit bij onze Oorsterburen. Omdat zij op latere leeftijd moeder werd, wordt zij op veel plaatsen vereerd en aangeroepen door vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen. Maar zij is ook beschermheilige van onder meer bezembinders, borduursters en brandweerlieden. Vaak is zij onderdeel van een beeldengroepje van drie generaties, Anna, Maria en Jezus, in het Duits aangeduid als Anna Selbstdritt (Anna-te-Drieën). Soms maakt ze zelfs deel uit van een kwartet, als ook haar moeder, Esmeria geheten, wordt afgebeeld. Een andere iconografie rond Anna, die ook veelvuldig is aan te treffen, is een scene waarin Anna Jezus leert lezen of de Schrift uitlegt.

Op afbeeldingen en bij beelden van haar is zij een oudere vrouw en draagt zij doorgaans een groene mantel, de kleur van de hoop. In dat opzicht voldoet ons beeldje aan deze Anna-kenmerken, want ook zij is zeker niet de jongste en haar gewaad laat veel groensporen zien. Onder de mantel draagt zij een lang en ruim gewaad, met om haar hoofd en hals een sluier. De halsdoek is in dit geval bijzonder fraai uitgesneden.

Een ‘vrijstaande’ Anna komt voorzover valt na te gaan echter zelden voor. Het is dus maar de vraag of we hier te maken hebben met de moeder van Maria. Dat zij een boek draagt zou kunnen verwijzen naar de wijze waarop zij als oma aan Jezus voorleest, te interpreteren als een metafoor voor kennisoverdracht. Evelyne Verheggen, kenner van vroegmoderne vrouwelijke religiositeit, laat mij echter weten dat een boek een breder symbool is voor bidden, en dat het beeldje dus in principe elke heilige of zalige zou kunnen voorstellen.

Het attribuut geeft in dit geval dus geen zekerheid over haar identiteit. Duidelijk is wel dat het om een oudere vrouw gaat met een gegroefd gelaat en een getormenteerde blik. Zij kan om die reden ook deel hebben uitgemaakt van een andersoortig beeldengroepje. De verkoper opperde daarom ook nog de mogelijkheid dat het een onderdeel zou kunnen zijn geweest van een Calvariegroepje, de rouwende personen onder de gekruisigde Jezus. Ook dat is niet op voorhand uit te sluiten, al vormt het boek in haar handen dan geen voor de hand liggend attribuut.

Zekerheid is dus niet te verkrijgen. Blijft staan dat we te maken hebben met een fraai gestoken vroegmodern beeldje, met sporen van polychromie. Het gelaat, de plooien van haar kleding en zelfs haar handen en het boek zijn overtuigend; de kleuren groen, blauw en goud zijn nog goed te herkennen. Al met al een fraaie aanwinst, dat mijn oude boekjes op een andere wijze reliëf geeft.

Marighen Dirckx in de Goudse Post

De Bijbel van Gutenberg, de beentjes van Sint-Hildegard en een vijf eeuwen oud getijdenboek van een Goudse claris

Voor een verzamelaar van oude boeken is soms geen berg te hoog om een nieuwe aanwinst te bemachtigen. Verzamelwoede heeft mij de afgelopen decennia al op vele plaatsen in Nederland en daarbuiten gebracht, terwijl het internet mij ook geregeld tot virtuele grensoverstijgende boekenexpedities aanzet. Toch blijft het in het laatste geval moeilijk de staat en waarde van het begeerde kleinood goed in te schatten. Er gaat niets boven het zelf vastpakken, doorbladeren, ruiken en voelen van een oud boek. Toen ik deze zomer op het spoor kwam van een wel heel bijzonder boekwerkje met bijzondere Goudse sporen, wist ik dat ik stevig in de buidel zou moeten tasten om het te bemachtigen. In zo’n geval wil je zeker zijn dat je geen miskoop doet en durf je het absoluut niet via de niet altijd betrouwbare post toe laten sturen. Daarom zat er niets anders op dan af te reizen naar de verkoper, in dit geval in de Rijnstreek nabij Mainz.

Bij het horen van de naam Mainz begint het uiteraard meteen te tintelen bij elke rechtgeaarde bibliofiel. Daar is immers de basis gelegd voor zijn liefhebberij, met de uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg. Alle reden dus om de boekenjacht te combineren met een kleine ontdekkingsreis naar deze bron. Uiteindelijk maakten we er zelfs een heuse Wahlfahrt (bedevaart) van: niet alleen naar de persen van Gutenberg, maar ook naar het nabijgelegen Eibingen, waar de beenderen van de grote vrouwelijke Duitse mystica Hildegard von Bingen in een gouden schrein worden bewaard. Deze ‘beentjes van Sint-Hildegard’ inspireerden eerder mijn voormalige stad- en schoolgenoot Herman Finkers tot een zeer succesvolle humoristische Twentse film met een serieuze ondertoon. Waar de opa in de film te voet met zijn ezel niet verder komt dan Bentheim, wisten wij op alle drie fronten ons doel te bereiken: beeld, beentjes en boek.

Het beeld van Johannes Gutenberg in Mainz is niet te missen. Pontificaal en manshoog staat hij daar op een sokkel. Hoewel erg weinig bekend is over de goede man, net als overigens over zijn Nederlandse ‘concurrent’ Dirck Jansz Coster die een even groot standbeeld heeft op de Haarlemse markt, wordt er internationaal in brede kring inmiddels van uitgegaan dat de boekdrukkunst niet in Haarlem, maar in Mainz is uitgevonden. Met als absolute hoogtepunt de zogeheten Gutenbergbijbel, een imposant staaltje vakmanschap, waarvan nog slechts 46 exemplaren bewaard zijn gebleven. Deze bijbels zijn daardoor zo kostbaar, dat de twee exemplaren – waarvan een incompleet – in het Gutenbergmuseum in Mainz worden bewaard in een kluis en bewaakt als de Bank van Amerika. De toeschouwer mag er exact vijf minuten een blik op werpen. Mede daardoor, maar ook door de panische angst voor licht bij de Duitse conservatoren en hun gebrek aan fantasie bij het tentoonstellen van boeken (eindeloze reeksen boeken in ouderwetse vitrines), wist men zelfs bij deze bibliofiel het boekenvuur te doven in plaats van aan te wakkeren. Dat daarnaast alleen Duitse drukken getoond werden en Coster volkomen werd doodgezwegen, deed ons al snel besluiten het daglicht weer op te zoeken en de koers te verleggen naar Bingen.

Hildegard mag dan afkomstig zijn in Bingen, maar wie daar de auto parkeert om in haar voetsporen te treden zal toch de veerpont naar de overzijde van de Rijn moeten nemen. In Eibingen, een stadsdeel van Rüdesheim, ligt hoog op de berg het klooster dat zij heeft gesticht. Dat is ook per auto bereikbaar, maar wij besloten – indachtig de bedevaartgedachte – te voet de tocht naar boven te maken over rotsachtige en zanderige wegen. Het klooster zelf stamt uit 1165, maar het huidige complex stamt uit 1905 en is op zijn Duits ‘als nieuw’ gerestaureerd; kraak noch smaak. Toch geven de her en der in habijt rondlopende nonnen de indruk van een levendige kloostergemeenschap. In de kloosterkerk, met muurschilderingen over het leven van de heilige Hildegard, worden de getijden nog nauwgezet gevolgd  In de tuin staat een prachtig (modern) beeld van de heilige dat min of meer de weg wijst naar de plek van ons einddoel van deze tocht: de beentjes. Die liggen namelijk niet in het klooster, maar beneden in de Wahlfahrskirche van Eibingen. De gouden schrijn met de beenderen van de heilige Hildegard blinkt ons tegemoet. In de 850 jaar oude kerk dring zich vervolgens onweerstaanbaar het besef op in een lange traditie te staan; een besef dat aanzet tot nederigheid, relativering en contemplatie.

Het moet de voorzienigheid of een grillige speling van het lot zijn geweest, dat ik uitgerekend in deze streek een spoor terug vindt van een van de roerigste episodes uit de kloostergeschiedenis van mijn eigen stad Gouda, die volgend jaar haar 750-jarig bestaan viert. Het boek dat ik hier in handen mag nemen is ooit in het bezit geweest van mijn toenmalige ‘overbuurvrouw’, de laatste abdis van het clarissenklooster, gelegen tussen Turfmarkt en Nieuwehaven. Het is niet zomaar een boek, maar het werk geeft een intieme blik in haar diepste geloofsleven. Ik tintel dan ook van opwinding als ik op afgesproken dag en tijdstip op de stoep sta bij Silvia Morch-Israel, eigenares van antiquariaat In Opus in het Rijnstadje Oppenheim. Met een royaal gebaar opent zij de voordeur en wijst mij het tafeltje, waar onder een felle lamp het boekje al klaar ligt.

In mijn handen opent zich een getijdenboek, dat je doet binnentreden in een laat-middeleeuwse religieuze wereld. Het is een Latijnstalig werk, de Hore intemerate Marie virginis, dat is opgebouwd volgens een min of meer vast stramien. In die zin is het geen uitzonderlijk werk, ook niet wat betreft de afbeeldingen. De kalender-houtsnedes en de paginagrote illustraties volgen grotendeels het vaste patroon dat gevolgd wordt in getijdenboeken uit die tijd. De houtsnedes en – vooral – de handmatige inkleuring zijn van middelmatige kwaliteit, maar wel ontroerend primitief. Vergelijking met een ander identiek exemplaar is niet mogelijk, want deze in 1511 door Raoul Cousturier in Parijs gedrukte editie blijkt wereldwijd in geen enkele bibliotheek aanwezig te zijn. Dat maakt het boekje op zichzelf al uniek, maar het meest bijzonder voor deze verzamelaar van Goudana zijn toch de zogeheten provenance-gegevens; aantekeningen van een eerdere eigenaar of lezer.

Op de titelpagina staat met heldere hand de volgende tekst geschreven:  “dit boec hoert tot gebruic va(n) E. marighe(n) dirckx va(n) die clarisse(n) vander gou”. Daarnaast heeft zij ook enkele aantekeningen in het boekje gemaakt. Eigen vertalingen van specifieke verzen, onderaan de pagina opgeschreven. Met de wetenschap dat deze Marighen Dirckx een bijzondere rol heeft gespeeld bij een mislukte poging de geuzen weer uit de stad te verjagen en de stad terug te brengen onder het gezag van de Spaanse koning – vanuit winnaarsperspectief uiteraard voorzien van het pejoratieve etiket ‘verraad’ – is mij duidelijk dat ik hier een document in handen heb, dat van groot belang is voor de Goudse geschiedenis. Zij moest Gouda in 1573 ontvluchten en keerde nooit meer terug. Nu breng ik het boekje terug naar die stad, een boekje dat zij dagelijks gebruikte en al die tijd bij haar gedragen moet hebben. De Rijnreis is niet voor niets geweest en opent mooie wegen tot vervolgonderzoek.

De fondslijsten van de boekdrukkers van de Goudse Vrijheid gereconstrueerd

De Goudse Vrijheid, een term ontleend aan Dirck Volckerszoon Coornhert, was een voor Nederland unieke periode van bijna een halve eeuw (1572-1618), waarin het stadsbestuur van Gouda vrijheid van consciëntie (geweten) als leidend principe hanteerde voor zijn beleid. Negatieve ervaringen met het Spaanse gezag brachten de Goudse regenten ertoe elke vorm van gewetensdwang af te wijzen. Dat was zo opmerkelijk, dat zelfs felle jezuïeten in de Zuidelijke Nederlanden Goudse bestuurders bestempelden als ‘zoetemelcxe geuzen’ en gereformeerden de stad verafschuwden als ‘het rattenest ende den dreckwaghen van alle ketterijen’.

De Goudse Vrijheid kreeg op allerlei manieren vorm. Gereformeerden kregen weliswaar de beschikking over de Sint-Janskerk, maar hun bemoeienis met gelovigen werd aan banden gelegd vanuit de opvatting dat er na een Roomse inquisitie geen Geneefse inquisitie mocht komen. Aanhangers van andere geloofsstromingen, zoals de katholieken en lutheranen, werd geen strobreed in de weg gelegd om hun geloof te belijden. De Hollandse plakkaatwetgeving bleef in Gouda een dode letter. De boekdrukkunst was misschien wel een van de meest opvallende terreinen waarop de Goudse Vrijheid volledig tot wasdom kwam.

In de genoemde periode waren er drie boekdrukkers in Gouda actief, wier productie een indrukwekkende weerslag in inkt vormt van de vrijheid die in Gouda bestond om afwijkende opvattingen te koesteren en uit te dragen: Jaspar Tournay, (drukkersmerk hierboven) Jan Zas Hoens en Jacobus Migoen. Ten behoeve van een studie naar hun werk en invloed – binnenkort te verschijnen in het tijdschrift Boekenwereld – zijn de fondslijsten van deze drie drukkers door mij gereconstrueerd. Hun productie blijkt veel groter te zijn geweest, dan voorheen gedacht. Dankzij determineringstechnieken van Paul Valkema Blouw en Paul Dystelberge konden namelijk diverse anoniem uitgegeven werken toegeschreven worden aan een van de genoemde drukkers.

Het fonds van de Zuid-Nederlander Jaspar Tournay is veruit het omvangrijkst, maar zijn arbeidzame leven omvatte dan ook meer dan een halve eeuw. Het grootste deel van die jaren bracht hij door in Gouda, waar hij een keur aan heterodoxe schrijvers op de persen kon leggen zonder te hoeven vrezen voor vervolging door het stadsbestuur. De vrijheid die hij hier genoot was lange tijd schier onbegrensd, in tegenstelling tot Delft, Enkhuizen en Leiden, waar hij ook zijn geluk beproefde.

In de rubriek Bronnen zijn alle fondslijsten vanaf nu raadpleegbaar. Zij vormen de basis voor verder onderzoek naar de Goudse Vrijheid, die gedurende de viering van Gouda750 en Coornhert 500 in het jaar 2022 ook volop aandacht zal krijgen.

Anne Frank in de Goudse Sint-Janskerk

Het is kaarsjesavond 2019 in Gouda. Grote drommen bezoekers van dit Goudse evenement – nog onwetend van het feit dat dit voorlopig voor de laatste keer zal zijn – zwerven door de binnenstad. In afwachting van de apotheose – het aansteken van de kaarsjes in en rond het middeleeuwse stadhuis – doen bezoekers zich tegoed aan lekkernijen, laten zich door stadsgidsen rondleiden of brengen een bezoek aan de kerstmarkt in de Sint-Janskerk. Deze grootste kerk van Nederland (123m lang) is voor enkele dagen omgetoverd tot een reusachtige markthal met eettentjes, muziekpodia en kraampjes met snuisterijen, antiek en streekproducten. Zoals elk jaar heeft de protestantse gemeente, voor wie deze kerk op zondagen in de ochtend en middag kerkelijk onderdak biedt, er een grote kraam met oude boeken. Dicht op elkaar gestapeld liggen daar Smytegeld en W.G. van der Hulst naast Jan Wolkers en Harry Mulisch, gebedenboeken naast pockets, bijbels naast techniekboeken. Al vanaf de vroege ochtend proberen koopjesjagers daar voor een habbekrats wat leesvoer te vinden of gaten in hun verzameling te vullen.

Ook Gouwenaar Ruud Verkerk schuifelt in zijn halflange grijze winterjas langs de kraam. Als fijnschilder kijkt hij met andere ogen. Niet de inhoud, maar de doorleefdheid van boekjes trekt hem aan, omdat ze als modellen kunnen dienen voor zijn stillevens. Ooit kocht hij op de Oranjevrijmarkt op de Raam voor een paar euro een achttiende-eeuws catechismusboekje, waarvan de rug was verdwenen. Hierdoor was het bindwerk helemaal zichtbaar, wat hem inspireerde tot een compositie waarin het lijnenspel van de touwtjes die het boek bij elkaar hielden vloeiend overliepen in lijnen op een grote schelp die hij er bovenop legde. Ook nu zoekt Verkerk weer naar boekjes die het patina van de tijd dragen. In een grote doos met paperbacks valt zijn oog op een uitgave van Het Achterhuis, het beroemde dagboek van Anne Frank. De randen van de omslag zijn wat vergeeld en de rug verraadt veelvuldig lezen. Ongetwijfeld een van de vele herdrukken denkt hij, maar voor een euro kan hij er geen buil aan vallen, dus verdwijnt het in zijn tas.

Thuis wordt het boekje tamelijk achteloos in de kast gelegd en als een wonder overleeft het een jaar later een verhuizing naar een ander pand. Verhuizingen zijn altijd goede aanleidingen om op te schonen en ook Verkerk en zijn Iraanse echtgenote Fereshteh doen dat ijverig. Het exemplaar van Het Achterhuis krijgt echter een plekje in de kast in hun nieuwe huis. Het duurt echter tot april van dit jaar voor hij het eens in de hand neemt om er doorheen te bladeren. Pas dan valt het hem op dat het niet zomaar de zoveelste herdruk is van het dagboek, maar een zeer vroege versie.  Sterker nog, het blijkt om de eerste druk te gaan, verschenen op 25 juni 1947. Pas op dat moment dringt het langzaam tot de Goudse schilder door dat hij misschien wel een heel bijzonder – en kostbaar – boekje heeft opgevist van de tafel met 1-Euro-boeken in de Goudse Sint-Janskerk.

Wat vooraf ging

Na de verrassende ontdekking dat het om een eerste druk van Het Achterhuis gaat, vraagt  Ruud Verkerk mij of ik misschien meer kan achterhalen over de achtergrond en de waarde van het boek. Dat is voor mij de aanleiding eens dieper in de ontstaansgeschiedenis van dit bekendste dagboek ter wereld te duiken, in de drukgeschiedenis van de eerste uitgave en in de provenance (eigenaarsgeschiedenis) van dit ‘Goudse’ exemplaar. Dat is het begin van een ontdekkingstocht met verrassende contacten en een toch wel heel bijzonder verhaal met vooralsnog een open eind.

De algemene voorgeschiedenis is bekend en dikwijls beschreven.[1] Hoe het joodse tienermeisje Anne Frank met haar ouders en zus en enkele anderen zich op 6 juli 1942 moeten verstoppen in een achterhuis van het kantoor van haar vader aan de Prinsengracht in Amsterdam, om zo te ontkomen aan deportatie en uitroeiing door de nazi’s en hun handlangers. Drie weken eerder, op 12 juni, heeft ze voor haar verjaardag een dagboek met roodgeruite band gekregen, en ze begint meteen met het bijhouden van een dagboek over de gebeurtenissen, ook nadat ze met haar familie moet onderduiken achter een draaibare boekenkast. En hoe ze gaandeweg de idee krijgt om daar na de oorlog een boek van te maken en voor dat doel al grote delen in het net heeft overgeschreven. De levens van de onderduikers en daarmee ook de plannen van Anne smoren in wat waarschijnlijk verraad is geweest, als de schuilplaats op 4 augustus 1944 door de Duitsers wordt ontdekt en allen op transport worden gesteld naar de vernietigingskampen. Het achterhuis blijft verlaten achter, met als meest tastbare herinnering de persoonlijke ontboezemingen die Anne Frank op schrift heeft gesteld en nu verstrooid over de vloer liggen. Miep Gies en Bep Voskuijl, medewerksters op het kantoor van Frank, die de familie steeds van voedsel en andere benodigdheden hebben voorzien, rapen de papieren op en leggen ze ongelezen in een la om ze terug te geven aan Anne, mocht ze behouden terugkeren.[2]

Anne Frank zou echter nooit meer terugkomen, want ze overlijdt in februari 1945 onder erbarmelijke omstandigheden in het concentratiekamp Bergen Belsen, net als kort daarvoor haar zus Margot. Ook moeder Edith komt om. De enige die levend terugkeert uit deze hel is vader Otto Frank. In Amsterdam trekt hij tijdelijk in bij Miep Gies en haar man Jan.  Als half juli 1945 duidelijk wordt dat Anne het concentratiekamp niet heeft overleefd, drukt Miep Gies het dagboek in handen van Otto Frank en voegt hem de troostrijke woorden toe dat dit de erfenis is van zijn dochter.[3]

Op zoek naar een uitgever

Otto Frank krijgt bij het lezen van de dagboekaantekeningen van zijn dochter meteen de idee dat deze uitgegeven zouden moeten worden. Hij begint te redigeren en maakt er een geheel van, in eerste instantie om het aan familieleden te laten lezen.[4] Als handelsman in grondstoffen heeft hij echter geen idee hoe hij het uitgeven van een boek moet aanpakken. Uitgeverijen worden in de eerste jaren na de oorlog overstelpt met manuscripten waarin overlevenden van de oorlog verslag doen van hun leed en ervaringen. Daarnaast is er grote papierschaarste, die uitgeverijen dwingt strikte keuzes te maken in wat ze wel en niet willen uitgeven.[5]

Op 26 maart 1946, zo blijkt uit zijn agenda, heeft Frank een afspraak met Werner Cahn, die als redacteur werkt voor de ENSIE-encyclopdie, aan wie hij het manuscript ter lezing heeft gegeven. Deze raakt ook in vervoering van wat hij leest en doet zijn uiterste best om enkele uitgeverijen te interesseren. Zonder succes; Querido en Fischer Verlag zijn niet geïnteresseerd.[6] Op aanraden van Cahn geeft Frank een typoscript van het dagboek ook aan het bekende historici-echtpaar Jan en Annie Romein. Zij zijn evenzeer onder de indruk en Jan Romein schrijft er een column over in dagblad het Parool, onder de titel “Kinderstem”. Dat stuk verschijnt op 3 april 1946. Zijn waardering voor Anne’s dagboek is voor diverse uitgeverijen aanleiding nu zelf bij Frank aan te kloppen met de vraag om het te mogen uitgeven.[7]

Het is uiteindelijk Fed Batten, redacteur bij Uitgeverij Contact, die met zijn enthousiasme Frank weet te bewegen om met zijn werkgever in zee te gaan. Op 1 augustus 1946 krijgt de vader van Anne een contract toegestuurd van Contact, waarbij hij een voorschot krijgt van 440 gulden. Hij is niet tevreden, want hij wil onder meer ook afspraken over uit te geven vertalingen. Een geamendeerde versie van het contract tekent hij pas half september. [8]

De eerst druk van Het Achterhuis

Otto Frank had wel moeite met bepaalde passages in het dagboek van zijn dochter. Bij het redigeren van het manuscript schrapte hij enkele passages over het slechte huwelijk tussen hem en Edith. De voor die tijd vrijmoedige uitlatingen over haar eigen geslachtelijke ontwikkeling werden niet door hem uit de tekst gehaald, maar door de uitgever. In het slotwoord op de eerste gedrukte editie van het dagboek omschrijft Frank deze ingrepen in een “Slotwoord” als het weglaten “van enkele gedeelten die van weinig waarde voor den lezer zijn”.

De eerst druk van Het Achterhuis wordt opgenomen in de zogeheten Proloogreeks, die gekoppeld is aan het in 1945 opgerichte tijdschrift Proloog. Cultureel en literair tijdschrift van de jonge generatie. Als Anne Franks dagboek verschijnt, is dit tijdschrift overigens alweer ter ziele, maar de reeks wordt voortgezet. De uitgeverij staat er op dat moment allesbehalve florissant voor. Het is ook niet zeker dat er überhaupt verdiend kan worden aan dit project, dus wordt er gekozen voor een zeer voorzichtige uitgeefstrategie. Die houdt in dat de eerste druk van het boek in een niet al te grote oplage verschijnt. Lang is gedacht dat die oplage 1500 exemplaren gekend heeft. Zelfs de uitgevers van de wetenschappelijke uitgave van de drie versies van het dagboek (de originele van Anne, de door haarzelf in het net uitgeschreven tekst en de door haar vader geredigeerde versie) gaan nog uit van dit aantal. Inmiddels is uit onderzoek in de administratie van Contact duidelijk geworden, dat die eerste druk meer dan het dubbele van dit aantal heeft gekend, te weten 3036 exemplaren.[9]

De uitvoering van het boek is, geheel passend voor deze tijd van schaarste, zeer sober. De band is van goedkoop vezelrijk karton, met op het voorplatten een donkerrood verticaal vlak, waarin in lichte letters in kapitaal de naam ANNE FRANK, de titel HET ACHTERHUIS en de naam en vestigingsplaats van de uitgever, CONTACT, AMSTERDAM staan vermeld. Daarmee is logischerwijs gekozen voor de bestaande lay-out van de Proloog-reeks. Op de rug staat in gouden drukletters in kapitaal “ANNE FRANK – HET ACHTERHUIS”. Ook het binnenwerk is sober. De tekst en in totaal zes afbeeldingen zijn gedrukt op slechte kwaliteit na-oorlogs papier. De eerste afbeelding is de bekende portret/schoolfoto van Anne Frank, die tegenover de titelpagina is geplaatst, met haar naam eronder. Voor het begin van het eigenlijke dagboek is een facsimile opgenomen van Anne’s handschrift. Tussen pagina 6 en 7 bevind zich een blad met aan de voorzijde een tekening van de plattegrond van het achterhuis en aan de achterzijde een foto van de draaikast voor de schuilplaats. Tussen pagina 22 en 23 een blad met aan de voorzijde een foto van de geopende draaikast naar Het Achterhuis en op de achterzijde van deze pagina nog een facsimile van Anne’s handschrift, nu van de laatste pagina van het dagboek.

Stofomslag en buikbandje

De eerste drukken van Het Achterhuis kregen ook een stofomslag, ontworpen door Helmoet Salden (1910-1996), een Duits-Nederlandse letter- en boekontwerper. Bij de meeste overgeleverde exemplaren van Het Achterhuis is deze stofomslag in de loop der jaren verdwenen of ernstig beschadigd geraakt. Dat maakt – zeker in de Verenigde Staten waar bibliofielen bijzonder hechten aan zo’n stofomslag – exemplaren met dit bijzondere omhulsel extreem gewild en daarmee kostbaar. Zo werd een eerste druk met zo’n – enigszins sleetse – stofomslag in mei 2021 bij veilinghuis Burgersdijk & Niermans in Leiden verkocht voor maar liefst 10.000 € (en daar komen dan de veilingkosten nog bij.

De voorzijde van het stofomslag van Anne’s dagboek laat donkere wolken zien, waar achter vandaan heel voorzichtig een zonnetje tevoorschijn komt. De titel Het Achterhuis is in zwierige letters voor de donkere wolken geschoven. Helemaal bovenin, boven het waterige zonlicht, staat in gele letters de naam van ANNE FRANK, anders dan de titel in strakke kapitale letters. Helemaal onderin staat wederom in strakke hoofdletters, maar dan dunner, de ondertitel. Op de eerste regel: DAGBOEKBRIEVEN en op de tweede regel: VAN 14 JUNI 1942 – 1 AUGUSTUS 1944. Op de rug van het stofomslag is -horizontaal onder elkaar – Anne / Frank / Het / Achter- / huis te lezen.

Bijzonder is de ontdekking van bibliofiel Perkamentus, die in een blog op zijn site laat zien dat de naam van Anne Frank in de eerst druk in het geel is afgedrukt op het stofomslag, in de tweede druk in het blauw en bij de derde druk in het rood. Hij laat ook zien dat om de stofomslag ook nog weer een zogeheten buikbandje heeft gezeten, waarop bij wijze van reclame een citaat uit de column van professor Jan Romein is afgedrukt.

Ook de buikbandjes blijken bij elke druk weer een andere kleur te hebben gehad, die correspondeert met de kleur waarin de naam van Anne op het stofomslag is afgedrukt.[10]

Vergelding in de rug

Een bijzondere ontdekking doet een paar jaar geleden een Amerikaanse boekrestaurator bij het herstel van een eerste druk van Het Achterhuis. Zoals altijd gebruiken boekbinders ter versteviging van de rug stroken papier. Al in de vroegmoderne tijd is daarvoor oud papier of perkament gebruikt, vaak zelfs met daartoe versneden middeleeuwse manuscripten die van geen waarde meer werden geacht. Waarschijnlijk in verband met de heersende na-oorlogse papierschaarste doet de boekbinder iets soortgelijks met exemplaren van Het Achterhuis die hij in 1947 moet inbinden. Hij gebruikt daarvoor de rug van een in 1944 bij de Arbeiderspers in Amsterdam gedrukt boek, met de titel Die Vergeltung.

Inmiddels zijn er al vier exemplaren ontdekt met een dergelijke tekst in de rug. Het is verleidelijk om aan te nemen dat de betreffende boekbinder hiermee het statement heeft willen afgeven, dat het dagboek van deze jonge, door de nazi’s en hun handlangers verraden en vermoorde vrouw een verheven vorm van vergelding is voor het leed dat haar, haar familie en het joodse volk is aangedaan. Maar het kan ook gewoon toeval zijn geweest. [11]

Nadere bestudering van de ruggen van de eerste edities brengt ook nog een ander verschil aan het licht. De rug van de eerste druk is van dun beige papier, waarbij inderdaad een vorm van extra versteviging noodzakelijk moet zijn geweest. Dat is niet het geval bij de tweede druk, een half jaar later. Dan is de rug van hetzelfde stevige karton als voor- en achterplat. Vanaf de derde en vierde druk, die respectievelijk verschenen in februari en september 1948, werd een kwalitatief beter karton gebruikt voor de hele boekband.

Van onder naar boven de eerste, de tweede en de vierde druk van Het Achterhuis

Verder zijn de verschillen tussen deze drukken overigens miniem. Vanaf de tweede druk wordt op de titelpagina vermeld om welke druk het gaat. Verder zijn op de achterzijde van de titelpagina maand en jaar van uitgave van de betreffende editie toegevoegd. Op de laatste pagina van de tekst is het in de eerste editie ontbrekende paginanummer 252 nog aangebracht. Maar tot tekstaanpassingen komt het niet.

Marketing

Een buikbandje is uiteraard bedoeld om het boek extra attentiewaarde te geven bij het potentiële koperspubliek. Dat daarvoor het echtpaar Romein gebruikt wordt door de uitgever is niet verwonderlijk. Het is immers de column van Jan Romein in het Parool geweest, die in bredere kring de aandacht heeft gevestigd op dit bijzondere oorlogsdocument. Zijn naam prijkt dan ook niet alleen op het buikbandje, maar siert ook de voorflap van de binnenzijde van het stofomslag. Daar plaatst de uitgever in een smalle column-achtige strook een groot deel zijn column over de “Kinderstem”. Erboven staat ook de verkoopprijs van het boek vermeld, te weten drie gulden en negentig cent. Deze flap van de stofomslag is in het Goudse exemplaar van het stofomslag afgeknipt en op de binnenkant van het voorplat geplakt. Op de binnenflap van de achterkant van het stofomslag wordt reclame gemaakt voor andere delen uit de Proloog-reeks. De achterzijde van het stofomslag is overigens geheel blanco, wat toch een gemiste kans lijkt om de potentiële koper nader te informeren over de inhoud.

In het binnenwerk wordt het dagboek van Anne voorafgegaan door een woord vooraf door Annie Romein-Verschoor, de echtgenote van Jan. Ook dat zal primair bedoeld zijn als aanprijzing. In de inhoud van dit voorwoord kiest de historica ervoor vooral Anne’s kind zijn en vrouw worden naar voren te halen, om de puurheid van de tekst te benadrukken. Tegelijk relativeert zij opvallend genoeg toch ook het belang van de tekst door te stellen dat het “niet het werk van een groot schrijfster is”. Haar schrijfkwaliteiten relativeert ze vervolgens nog verder door op te merken dat ze in ieder geval “die éne belangrijke kwaliteit van de grote schrijfster had: het onbevangen blijven, het niet wennen aan en daardoor blind worden voor de dingen zoals ze zijn”.

Mogelijk is Annie Romein als gevierde historica – dan nog onwetend van de roem die Anne met haar dagboek zou gaan vergaren en op de hoogte van de moeite die het gekost heeft om een uitgever te vinden – bang om haar goede naam op het spel te zetten door al te lovend over het ‘kinderdagboek’ te spreken. Het gemak waarover zij en haar man schrijven over Anne als een kind – terwijl een 13 tot 15-jarige in de huidige tijd eerder als puber of adolescent zou worden aangemerkt met een sterke eigen wil – is ook opvallend en tijdgebonden.

Een dergelijk woord vooraf laat zien dat de initiatiefnemers van deze eerste uitgave van Het Achterhuis met de handrem erop reclame voor het boek maken.  Voor Otto Frank geldt dit niet. Trots schrijft hij op 25 juni 1947, de dag waarop de boeken van de persen komen bij de firma Ellerman Harms N.V. aan de Warmoesstraat in Amsterdam, een grote B van boek in zijn agenda. De lovende woorden van Jan Romein hebben hun effect dan niet gemist. De complete voorraad, op 34 exemplaren na, kan meteen gedistribueerd worden naar de boekhandel.[12] Frank zelf gebruikt zijn presentexemplaren om deze weg te geven aan familie en vrienden. Miep Gies krijgt er twee, waarvan er een tegenwoordig als een soort relikwie is tentoongesteld in het Holocaust Memorial Museum in Washington.[13] Andere presentexemplaren van het dagboek van zijn dochter stuurt Otto Frank naar hoogmogenden, onder wie leden van het Koninklijk Huis en naar ministers. Op die manier doet hij er alles aan om de literaire erfenis van zijn dochter bredere bekendheid te geven.

Met die bekendheid loopt het in 1947 redelijk, maar niet spectaculair. Een tweede druk ziet nog in hetzelfde jaar het licht, nu met een verdubbeling van de oplage tot 6830 exemplaren. Weer schrijft Otto Frank, op 26 november, een grote B in zijn agenda. De tweede druk zelf draagt december 1947 als moment van verschijning. Nu wordt er ook een folder gedrukt, met weer de lovende woorden van Romein over het Achterhuis. In februari 1948 verschijn een derde ongewijzigde editie, in een oplage van 10.500. De echte doorbraak komt pas als het boek in 1950 wordt vertaald in het Duits en het Frans en een jaar later ook in het Engels, door vertaalster Barbara Mooyaart-Doubleday (die daarvoor zelfs een eredoctoraat krijg in New York). Daarna bezorgen in 1956 in Amerika een toneelstuk en in 1959 een film Anne Frank pas echt wereldfaam.[14] Inmiddels is het dagboek vertaald in zeker zeventig talen en binnenkort verschijnt er ook een voor de jeugd hertaalde versie, uitgegeven door het Anne Frank Huis.[15]

De Goudse vondst

Terug nu naar de Goudse Sint-Jan en naar de daar door Ruud Verkerk tussen de oude boeken gevonden eerste druk van Het Achterhuis uit juni 1947. Het boek is in goede conditie, gegeven de slechte kwaliteit van het papier. Dat betekent amper vochtvlekjes in boek; alleen wat lichte vergeling van de randen van het voorplat en de eerste pagina’s. Het stofomslag ontbreekt helaas. Daar staan echter bijzondere provenance-gegevens – verwijzingen naar vorige eigenaars – tegenover, die dit exemplaar toch zeer bijzonder en uniek maken.

Op het schutblad staat bovenaan een datum: 13 juli 1947, geschreven met vulpen en in helder zwarte inkt. Dat is minder dan drie weken nadat het boek officieel verscheen en door Otto Frank in ontvangst wordt genomen. Direct daaronder staat een handtekening in licht vervaagde inkt, die duidelijk te lezen is als M. Mobach. Daar weer onder staat het woordje ‘van’, dat met dezelfde inkt en hand is geschreven als de naam Mobach. Direct daar achter staat in weer zwartere inkt de naam Miep, met een streep eronder, daar weer onder de naam Wil, met weer en streep en onderaan de onderstreepte naam Greet. De drie namen zijn door verschillende handen geschreven, ongetwijfeld eigenhandig door de drie genoemde vrouwen. Wat verder naar onderen is nog een naam geschreven, nu met blauwe balpen-inkt: G.J. van Kampen met het jaartal 1978; ongetwijfeld een latere eigenaar van het boekje.

Het meest fascinerend aan deze inschrijvingen is de naam Miep. Uiteraard denk je daarbij meteen aan de hulp van de familie Frank in het Achterhuis, degene die de dagboekpapieren wist op te rapen en veilig te stellen en die Otto Frank na zijn terugkeer liefdevol opnam in haar huis: Miep Gies. Met hulp van Gertjan Broek, medewerker van de Anne Frank Stichting en het Anne Frankhuis – die zelf op dit moment werkt aan een studie over het ontstaan van de herinneringscultuur rond Het Achterhuis – krijg ik de beschikking over een kopie van een handtekening van Miep Gies uit 1959, weliswaar van twaalf jaar later, maar toch redelijk dichtbij in tijd (foto hieronder rechts). De gelijkenis met het handschrift in het boek is verbluffend. Dezelfde grote letter M met een forse haal aan het begin en aan het eind de letter P met een vanaf beneden opgehaalde ronding aan de steel. Voor mij staat daarmee wel vast dat we hier te maken hebben met de handtekening van Miep Gies. Gertjan Broek houdt echter nog een slag om de arm, maar volgens zijn collega Teresien da Silva, hoofd collecties van de Anne Frank Stichting die Miep Gies lang en zeer goed gekend heeft, is het onmiskenbaar haar handschrift.            

Een jaar later, in 1948, verscheen de vierde druk van het Achterhuis. Blijkbaar was Miep Gies in latere jaren desgevraagd bereid om exemplaren die haar voorgelegd werden te signeren. Dat blijkt althans uit een exemplaar dat in september 2021 op Catawiki te koop werd aangeboden. In dit geval is haar volledige naam in een ingeplakt exlibris geschreven. De verkoper geeft aan te hebben genoten van een lange correspondentie met mevrouw Gies in het midden van de jaren tachtig. Zij was toen “zo vriendelijk om enkele Anne Frankboeken en efemere verschijnselen voor mij te signeren”. Het gaat hier dus niet om een handtekening van vlak na de oorlog, maar van dertig jaar later.

Miep heeft het boek van Ruud Verkerk echter overduidelijk op 13 juli 1947 geschonken aan degene die zijn handtekening in het boek heeft gezet, M. Mobach. Zij doet dit echter niet alleen, maar samen met twee anderen vrouwen: Wil en Greet. Het betreft in elk geval niet een van de twee exemplaren die Miep Gies ontving uit handen van Otto Frank. Dat valt af te leiden uit het zegeltje van boekhandel W. ten Have in de Amsterdamse Kalverstraat 154, dat aan de binnenzijde van het voorplat is geplakt. Dit exemplaar is dus klaarblijkelijk gekocht in deze boekhandel.

Wie was M. Mobach?

De volgende stap in het onderzoek naar de herkomst van het boek is de identificatie van M. Mobach. Aanvankelijk leidt het spoor via een artikel in het Algemeen Dagblad naar Marten Mobach, die ook een heldenrol heeft vervuld in de oorlog.[16] Hij is afkomstig uit het Utrechtse Westbroek en heeft tien jaar geleden op hoge leeftijd zijn herinneringen aan die tijd in het verzet op schrift gesteld. Daaruit blijkt dat hij in de oorlog niet in Amsterdam actief is geweest, maar in Utrecht en Zuid-Holland. Een relatie met Miep Gies en het Amsterdamse verzet lijkt daarmee erg onwaarschijnlijk. Deze Marten Mobach blijkt bij de verschijning van zijn boek een eigen website gekregen te hebben, waarop zelfs een mailadres staat vermeld. Hij is inmiddels 101 jaar en de kans dat ik een antwoord krijg lijkt mij daarom uiterst gering. Maar volgens het oude verzetsadagium ‘niet geschoten altijd mis’ waag ik het erop en schrijf hem een mailtje met de vraag of hij misschien degene is geweest die in 1947 dit boek cadeau heeft gekregen. Tot mijn grote verbazing krijg ik bijna per omgaande een antwoord van hem uit zijn huidige woonplaats De Bilt: ”De door u genoemde namen zijn mij niet bekend. Ook weet ik niet om welke Mobach dit gaat”.

Ik zoek verder en stuit op internet op nog een andere persoon met een vergelijkbare naam: Martin Tjebbe Mobach uit Amsterdam, lid van de verzetsgroep Nieuwsbode. Hij werd opgepakt op 28 april 1944 bij een razzia en naar Neuengamme gedeporteerd. Hij overleefde dit kamp en keerde terug naar Apeldoorn. Later emigreerde hij naar de VS, waar hij op 12 maart 2008 op 86-jarige leeftijd overleed in Princeton. Hij was getrouwd met Geertruida Wilhelmina van Deemter, die in 1995 overleed.[17] Ik sluit aanvankelijk niet uit dat ‘Geertruida’ de roepnaam Greet kan hebben gehad en dat zij dus een van de twee andere vrouwen zou kunnen zijn die naast Miep haar naam in het boek geschreven heeft. Uit een genealogie van deze familie Mobach lees ik echter dat haar roepnaam “Truus” of “Puck” is geweest, waardoor mijn veronderstelling weer aan kracht verliest.[18]

Op zoek naar bevestiging dat deze Martin Tjebbe Mobach de eigenaar van het boek is geweest, doe ik nog een keer navraag bij Marten Mobach. Ik stuur hem ook een afbeelding van de handtekening. Dat leidde tot het volgende antwoord en een versterking van de idee dat het wel eens om deze Martin Tjebbe Mobach kon gaan:

“Geachte heer Abels,
Twee neven van mij, Martin Tjebbe en Willem Mobach, studeerden in de oorlog aan de Universiteit van Amsterdam.  Beiden behoorden ze tot de Verzetsgroep Nieuwsbode, zijn door de S.D gearresteerd en naar Duitsland gedeporteerd. Helaas is Willem in kamp Neuengamme overleden [op 9 december 1944, zo blijkt uit zijn persoonskaart in het Gemeentearchief Amsterdam, P.A.] . Martin verbleef eerst in kamp Husum Schwesing, daarna in Ladelund en van 6 december 1944 tot 28 april 1945 in Neuengamme. Vanuit Neuengamme is hij met ongeveer 5000  gevangenen overgebracht naar het SS Camp Ascona dat door de Engelsen is getorpedeerd. Martin is een van de weinigen die niet verdronken is maar naar de Duitse kust is gezwommen en opnieuw gearresteerd. Hij is in het Landeskrausziekenhuis opgenomen geweest en van daaruit naar Nederland teruggekeerd en later naar Amerika vertrokken. Hoe dan ook, gezien het vorenstaande is mijn conclusie dat het vrij zeker is dat de handtekening van mijn neef Martin Mobach is.

Met een vriendelijke groet,

Marten Mobach.

P.S.
Ik heb hem voor zijn vertrek naar Amerika een paar keer gesproken.  Hij had toen lichte phychische klachten en wilde daarom beslist niet over zijn kampbelevenissen praten.

Op zoek naar Wil (en Greet)

Met de identificatie van Martin Mobach, Miep Gies en (wellicht) Greet (van Deemter), blijft hun onderlinge relatie nog steeds een raadsel. Waarom krijgt Mobach zo snel na verschijning van Het Achterhuis dit dagboek cadeau van deze drie vrouwen? Kennen zij elkaar uit het verzet, misschien wel uit de kringen van de Nieuwsbode? Gertjan Broek van het Anne Frank Huis vindt in zijn bestanden niet zo snel aanknopingspunten, maar blijft zoeken. Uit de memoires van Miep Gies blijkt dat de verschijning van de eerste druk van Het Achterhuis min of meer samenvalt met haar vertrek bij de firma Opekta en Pectacon van Otto Frank aan de Prinsengracht, een bedrijf in vruchtenpoeder voor jam (waarvan de naam in de oorlog werd veranderd in Handelsvereeniging Gies & Co.). Zij wil haar handen volledig vrij hebben voor de zorg van haar man Jan, de inwonende Otto Frank en een huisvriend, ‘mijnheer Van Caspel’. Ze schrijft: “Op een mooie warme dag in 1947 fietste ik voor het laatste naar de Prinsengracht en nam zonder ophef afscheid van iedereen. Ik had zelf ontslag genomen. Ik was niet langer het jonge meisje dat via haar werk vrijheid en onafhankelijkheid zocht. Alles in Amsterdam was veranderd, en ik ook”.[19]

Een optie die nader onderzoek verdient zou zijn dat het boek iets met het vertrek  van Miep Gies bij de firma Frank te maken kan hebben gehad. Verschijning van het boek en haar afscheid vallen min of meer samen. Daar staat tegenover dat de namen Mobach, Wil en Greet niet opduiken met betrekking tot deze firma.  Miep Gies heeft op dat moment Het Achterhuis zelf nog niet gelezen, ondanks sterk en herhaald aandringen van Otto Frank, omdat ze vindt dat ze er nog niet aan toe is. Dat zou betekenen dat ze dit boek cadeau zou hebben gedaan zonder het zelf gelezen te hebben. Pas na het uitkomen van de tweede druk, in december 1947, raapt zij de moed bij elkaar, trekt zich terug op haar kamer en leest het boek in één ruk uit.

Tot slot

Ook al heeft de zoektocht naar de handtekeningen in de Goudse Anne Frank-editie nog geen compleet beeld opgeleverd, duidelijk is wel dat Ruud Verkerk letterlijk een gouden vondst heeft gedaan in de Sint-Janskerk. Eerste edities van Het Achterhuis worden voor veel geld verkocht, in Europa, maar in het bijzonder ook in de Verenigde Staten. Hoewel daar het ontbreken van het stofomslag een nadeel is, zal met een handtekening van Miep Gies in dit exemplaar in combinatie met de erbij geschreven datum van 13 juli 1947, de aantrekkelijkheidswaarde fors doen toenemen. Dit boekje verdient het om – zoals in Amerika vaker wordt gedaan – bewaard te worden in een speciaal daarvoor ontworpen bewaardoos met fluwelen binnenzijde. Dat is dit bijzondere egodocument uit de Tweede Wereldoorlog immers meer dan waard.


NOTEN:

[1] Compact en gebaseerd op mooi bronnenonderzoek is het artikel van Lisa Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis van Anne Frank’, in De Boekenwereld 24 (2007-2008) 18-27.

[2] Miep Gies en Alison Leslie Gold, Herinneringen aan Anne Frank. Het verhaal van Piep Gies, de steun en toeverlaat van de familie Frank in het Achterhuis  (Amsterdam 1987) 191-192.

[3] Gies, Gold, Herinneringen aan Anne Frank, 225.

[4] G. van der Stroom, ‘De dagboeken, Het Achterhuis en de vertalingen’, in: H. Paape e.a. (red.), De Dagboeken van Anne Frank (Amsterdam 1990) 73

[5] Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis’, 19-20.

[6] Van der Stroom, ‘De dagboeken’, 78.

[7] Van der Stroom, ‘De dagboeken’, 78.

[8] Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis’, 24. De informatie over het uitstel van de ondertekening van het contract kreeg ik van Gertjan Broek van de Anne Frank Stichting.

[9] Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis’, 21-23.

[10] http://perkamentus.blogspot.com/2016/03/de-kleuren-van-het-achterhuis.html

[11] https://www.jewishindependent.ca/retribution-and-restoration/

[12] Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis’, 22-23.

[13] https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn652080

[14] Kuitert, ‘De uitgave van Het Achterhuis’, 26-27; Van der Stroom, ‘De dagboeken’, 86-88.

[15] https://www.parool.nl/amsterdam/dagboek-anne-frank-hertaald-in-eenvoudig-nederlands~b4025e47/

[16] https://www.ad.nl/utrecht/na-tachtig-jaar-wachten-krijgt-oorlogsheld-marten-mobach-101-alsnog-een-onderscheiding-opgespeld-door-zijn-dochter~a196918c/

[17] https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/403317/martin-tjebbe-mobach

[18] https://www.genealogieonline.nl/stamboom-mobach-de-waij/I415.php

[19] Gies, Gold, Herinneringen aan Anne Frank, 234.



Bart Ibelings vindt oudste stadszegel van Gouda (1321)

Vandaag is het op de kop af 700 jaar geleden dat een document werd, waarin een stadszegel van Gouda werd bevestigd dat tot op heden niet bekend was. De in het zuidelijkste puntje van Limburg woonachtige historicus Bart Ibelings deed deze ontdekking in het Utrechts Archief. Ibelings is geen onbekende in Gouda, want als student en medewerker van prof. Koen Goudriaan van de Vrije Universiteit Amsterdam deed en doet hij veel onderzoek naar het Middeleeuwse verleden van Gouda. Hij werkte mee aan de grote stadsgeschiedenis, Duizend jaar Gouda, die in 2002 verscheen en schreef ook talrijke artikelen over de stad.

Bijzonder aan deze zegel is, dat in het midden de rivier de Gouwe is verbeeld door middel van een balk met golfjes. Aan weerszijden is een ster te zien. Pas in de zeventiende eeuw veranderde Gouda zijn stadswapen en maakte van twee sterren zes sterren om daarmee de zesde plek in de rangorde van oudste steden van Holland te illustreren.

De organisatoren van Gouda750 hebben de ontdekking van Ibelings aangrepen als mooie ‘Ankeiler’ voor dit jubileumjaar.

Een Rammazeynbijbel uit 1644? Raadsels rond een jaartal

Op de Duitse veilingsite Ebay wordt door een Zwitserse verkoper een curieuze Statenbijbel aangeboden, die in 1644 gedrukt zou zijn in Amsterdam en Gouda. “Sie bieten auf eine Ausgabe aus dem Verlag von Snellaert (Amsterdam) und Iohan Rammazeyn (Gouda) aus dem Jahre 1644”, zo luidt de advertentie. Van Johannes Rammazyn en zijn vader Pieter is inderdaad een roofdruk van de Statenbijbel bekend, maar die werd gedrukt in de jaren 1647-1648. Uiteindelijk vertilden de Goudse boekdrukkers zich aan deze enorme klus en leidde het tot het faillissement van Johannes. Alle reden dus om dit kavel eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.

De naam Snellaert komt in elk geval bekend voor. Dat was Esdras Willemsz. Snellaert, boekhandelaar in Utrecht. Met hem sloot de in financiële nood verkerende Johannes Rammazeyn in 1648 een overeenkomst om deze Goudse Statenbijbel “in Compagnij” – dus gezamenlijk – uit te geven. Op het laatste deel van de bijbels die de drukkerij van Rammazeyn aan de Korte Groenendaal verlieten prijkt op de titelpagina dan ook beider namen. Ook dat mocht uiteindelijk niet baten en in de failliete boedel van Rammazeyn zat uiteindelijk nog een flinke voorraad (ongebonden) bijbels.

Op de titelpagina van de nu op Ebay aangeboden Amsterdams-Goudse Bijbel staan de naam van de Amsterdamse drukker Theunis Jacobsz, “in compagnie met Esdras Snellaert, het stadswapen van Amsterdam met de drie andreaskruisen en het silhouet van de stad. Geen enkele verwijzing naar Gouda op dit Oude-Testamentdeel. De titelbladen van het Nieuwe Testament en van de Apocriefe boeken komen echter bekend voor, in het eerste geval zelfs met het Goudse stadswapen met de zes sterren. Alleen het jaartal luidt in beide gevallen niet 1647 of 1648, maar 1644. En dat is vreemd, omdat het hele proces van het drukken van deze Bijbel in dat jaar nog niet eens gestart was.

Alle aanleiding om eens contact te zoeken met de verkoper, Sven Heininger, om betere foto’s te vragen van de titelbladen. Hij stuurde die per omgaande. En inderdaad bevatten beide pagina’s het jaartal 1644. Bij wat verder inzoomen op deze getallen zijn er toch oneffenheden te zien die erop duiden dat het laatste cijfer moedwillig veranderd is van een zeven in een vier, tamelijk professioneel en vermoedelijk al in de zeventiende eeuw. Verondersteld zou kunnen worden dat Snellaert hier de hand in heeft gehad. Hij had immers nog een flinke partij bladen met de Rammazeynbijbel en zou die samen met een partij van het Oude Testament van een andere drukker, Theunis Jacobsz. tot een nieuwe volledige bijbeleditie gesmeed kunnen hebben. Blijft de vraag waarom het dan nodig was om het Nieuwe Testament en de Apocrief boeken te anti-dateren?

Een blik in Bijbel en Prent, het standaardwerk over Bijbelvertalingen van Wilco Poortman, leert echter dat er geen Statenbijbel bekend is uit 1644 die in compagnie gedrukt zou zijn door Theunis Jacobsz en Snellaert; ook geen afzonderlijk Oude Testament. Er staat wel een volledige Bijbel uit 1648 op beider naam. Daarom toch ook nog maar eens nauwkeurig gekeken naar het jaartal op het eerste titelblad van de Ebay-bijbel. Dan blijkt dat ook hier met met het laatste cijfer van het jaartal geknoeid is. Daarmee is een evidente poging gedaan de Bijbel drie of vier jaar ouder te laten lijken dan zij werkelijk is. De reden of het belang daarvan wordt daarmee nog raadselachtiger, want dit minieme verschil lijkt te verwaarlozen.

Aan het eind van het Nieuwe Testament benutte Rammazeyn nogmaals de kans om zijn naam en woonplaats in het boek achter te laten. Daarbij vermeldde hij nog een keer het jaartal, maar dan in Latijnse aanduiding. Nu ben ik nog wel benieuwd of en hoe het anti-dateren daarbij is gebeurd. De verkoper reageert echter niet meer. Het zal toch niet dat…..?

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2020

Het Coronavirus, dat in maart van dit jaar ongenadig toesloeg, heeft het maatschappelijk leven – ook in Gouda – grotendeels lamgelegd. Ook tal van activiteiten met een historisch tintje moesten daardoor worden afgelast of doorgeschoven. Maar ook voor evenementen die in een wat verder verschiet liggen heeft deze zich voortslepende ramp onvermijdelijk gevolgen. De onzekerheid of en wanneer ons land zal terugkeren naar het ‘oude normaal’ legde een verlammende deken over plannenmakerij. De met veel partijen en dito energie gestarte voorbereiding van 2022, het jubeljaar waarin zowel de verlening van 750 jaar stadsrechten als de 500ste verjaardag van Dirck Volkertszoon Coornhert  groots gevierd zullen worden, kwam krakend en piepend tot stilstand. Zouden er nog wel genoeg sponsoren zijn voor deze evenementen als een economische crisis het bedrijfsleven keihard gaat treffen, kunnen bijeenkomsten met grote groepen mensen überhaupt wel doorgang vinden en hoe kunnen voorbereidingen vorm krijgen als de verschillende partijen fysiek niet bij elkaar kunnen en mogen komen? De voorbereidingen werden daarom tijdelijk gestaakt en er werd tijd gekocht: de feesten, die al in juli 2021 zouden starten, werden in zijn geheel verplaatst naar  de eerste helft van 2022 in de hoop op betere tijden.

Na van de eerste Coronaschrik te zijn bekomen, toen het aantal besmettingen even een zomerdip liet zien, werd de draad weer opgepakt. De twee Goudse projectleiders, Ronald van Rossum en Marien Brand, kregen een eigen uitvalsbasis in de kosterswoning naast de Jeruzalemkapel. In kleine plukjes ontvingen zij deelnemende partijen om met hen plannen en subsidiemogelijkheden door te spreken. Onder het motto “Geef Gouda door” werd een nieuwe feestkalender opgezet, die geleidelijk steeds verder wordt ingevuld. Op die kalender heeft Coornhert500, ‘getrokken’ door Historische Vereniging Die Goude, ook een plek gekregen met onder meer een ‘Kraamkamer van de Vrijheid’ in het Remonstrantse Poortgebouw, toneelstukken, een stadswandeling, een speciale Goudologie II-cursus, een publicatie en een feestelijke herdenking in de Sint-Jan op 29 oktober 2022.

            Ook Museum Gouda, dat door de noodzakelijke Coronamaatregelen een groot deel van dit jaar gesloten moest blijven voor publiek, liet zich – ondanks de hierdoor dramatisch teruggelopen inkomsten – niet ontmoedigen. Nadat ook de gemeente aangaf de grootse plannen van het museum voor het feestjaar te willen blijven steunen, werd de draad weer opgepakt. Nog steeds is het de bedoeling om het koor van de Sint-Janskerk met behulp van de bewaard gebleven altaarstukken in te richten als voorreformatorische rooms-katholieke kerk en tegelijkertijd de Gasthuiskapel te gebruiken om cartons (ontwerptekeningen) van de Goudse Glazen te tonen. Inmiddels wordt gewerkt aan een wetenschappelijke publicatie over het kerkinterieur en is een wetenschappelijke begeleidingscommissie samengesteld die het museum adviseert in dit boeiende traject.

In de tussentijd slaagde het Museum er wel in de populaire stadsmaquette, waarmee de situatie van Gouda in 1562 wordt getoond, nog beter voor het publiek toegankelijk te maken. Met hulp van Henkjan Sprokholt werd het mogelijk gemaakt de stadsplattegrond via schermen interactief te benaderen en te koppelen aan historische gebeurtenissen in die dagen. In de maanden dat het museum wel open was, zorgde een tentoonstelling over stillevens gelukkig meer publiek dan verwacht.

Het Zuid-Hollands Verzetsmuseum, dat zijn stek in een oud bankgebouw aan de Turfmarkt al eerder had opgegeven, probeert onder een nieuwe naam – Libertum – een nieuwe start te maken in de Chocoladefabriek. Ook daarbij gooide Corona behoorlijk roet in het eten, omdat er weinig tot niets concreets tot stand gebracht kon worden. Daar kwam bij dat er nog geen helder concept voor de toekomst ligt. Inmiddels is er een verkenner aangesteld die de mogelijkheden moet onderzoeken. Even moeilijk was het afgelopen jaar voor een nieuwe attractie die de stad rijk is, de Cheese Experience in het voormalige kazernegebouw/bioscoop aan de Nieuwe Markt. De honderdduizenden toeristen die jaarlijks afkomen op de stad dankzij de naamsbekendheid van de Goudse Kaas, bleven door Corona weg, en daarmee ook de inkomsten voor dit pas opgestarte bedrijf.

Op het vlak van de geschiedschrijving over Gouda was de verschijning van de allereerste biografie van Cornelis Joan de Lange van Wijngaerden (1752-1820) absoluut een hoogtepunt. Helaas kreeg deze gebeurtenis door Corona niet de aandacht die het verdiende. Het levensverhaal van deze Goudse patriot, bovenal bekend vanwege zijn betrokkenheid bij de aanhouding van Wilhelmina van Pruisen bij Goejanverwellesluis, werd opgetekend door Jean-Philippe van der Zwaluw.  Als ondertitel voor het boek koos de auteur voor “De patriot die geschiedenis schreef”, goed getroffen omdat deze bewoner van een pand aan de Westhaven begin negentiende eeuw ook de tweede grote stadsgeschiedenis van Gouda schreef.

Geschiedenis schrijven doet zijn biograaf overigens ook zelf, en met een enorme productie, want eerder schreef hij al een boek over Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. Naast boeken schreef Van der Zwaluw, zelf niet in Gouda woonachtig, ook diverse artikelen over uiteenlopende onderwerpen voor de Tidinge, het tijdschrift van Historische Vereniging Die Goude. In dit blad verscheen dit jaar ook de 25ste aflevering van de rubriek Goudana, handelend over boeken die in Gouda gedrukt zijn, door Gouwenaars geschreven of over de stad handelen. De jubileumaflevering handelt over het leven en faillissement van boekdrukker Lukas Kloppenburg. Een andere rubriek, Gouwe verhalen, waarin Gouwenaars op leeftijd hun herinneringen aan de stad ophalen, is inmiddels tot een vaste waarde geworden in het tijdschrift en roept tal van positieve reacties op.

Het hoeven niet altijd doorwrochte historische studies te zijn die belangstelling voor de geschiedenis van de stad opwekken. Dat bleek ook dit jaar weer, toen een hardlopende niet-historicus Hans van de Water de 25 steegjeswandeling samenstelde en fraai geïllustreerd in een handzaam boekje liet uitgeven. Dit keer was de Coronapandemie geen last, maar een voordeel, omdat wandelen een van de weinige activiteiten was die onbelemmerd doorgang kon vinden. Vele Gouwenaars en buitenstaanders hebben toen de kans gegrepen deze bijzondere wandeling door de Goudse binnenstad te maken. Van het boekje verschenen vele drukken en zelfs in een Engelse en Duitse vertaling. Sinds het oudste toeristische gidsje van Nederland – het Goudse Glazengidsje (van 1681-1880) – is er waarschijnlijk geen gidsje over deze stad geschreven dat zo’n grote oplage heeft gekend.

Historische kennis over Gouda werd verder ook weer verspreid door de leergang Goudologie, georganiseerd door het Historisch Platform Gouda (HPG). Voorzitter Ineke Verkaaik en haar mensen slaagden er op onnavolgbare wijze in om de voor- en najaarseditie tot een goed eind te brengen, ondanks tijdelijke onderbrekingen als gevolg van de lock down en andere beperkende maatregelen. Wel moesten de verdiepende Goudologie-II-edities doorgeschoven worden naar betere tijden, zoals die over de Goudse boekdrukkunst.

Gouda750 laat zich ook op monumentengebied  steeds nadrukkelijker zien in de stad. Mede dankzij subsidiëringsmogelijkheden, die de gemeente Gouda biedt om de stad in 2020 zo fraai mogelijk te presenteren, zijn inmiddels de eerste historische gevels van particuliere eigenaren opgeknapt. Maar ook de bekende Goudse publieke monumenten krijgen in dit kader soms (meer dan) een likje verf. Zo werden de houten overkappingen van het Waaggebouw gerestaureerd en geverfd. Ook projectontwikkelaar White House Development laat zich wat dat betreft niet onbetuigd. De verbouwing en herbestemming van het Weeshuis tot een restaurant, woningen en hotel is het afgelopen jaar flink gevorderd en nadert de voltooiing. Een volgend groot project dient zich alweer aan. De Gouwekerk wacht ook op herbestemming, terwijl in de naastgelegen grote pastorie de verbouwing tot appartementen al begonnen is.

Apropos Turfmarkt. Die was dit jaar weer volop in het nieuws. Natuurlijk weer met de tragedie van de half gesloopte gereformeerde kerk, waaraan weer een nieuw opmerkelijk bedrijf is toegevoegd. In de juridische procedure tussen eigenaar Boutachekourt Holding en de gemeente Gouda schakelde de rechtbank een onafhankelijk onderzoeksbureau, StAB, in, om de redelijkheid en noodzaak van de noodverordening te onderzoeken, waarmee de gemeente de sloop uit handen nam van de eigenaar.  StAB, dat in dit soort onderzoeken overheden zelden afvalt, kwam tot de spijkerharde conclusie dat de kerk niet op instorten stond, zoals de gemeente beweerde. Als de rechtbank deze conclusie overneem vervalt de rechtsgrond onder het handelen van de gemeente en zal de eigenaar schadeloos gesteld moeten worden. En passant stelde StAb ook vast dat de sloopkosten die de gemeente bij de eigenaar in rekening heeft gebracht een keer zo hoog zijn als de reële kosten moeten zijn geweest.

Deze draai om de oren van de gemeente (en het sloopbedrijf) leidt vooralsnog niet tot verandering van de opstelling van Gouda, want in reacties in de media wordt tegen beter weten in volgehouden dat men alle vertrouwen heeft in een goede afloop. De slepende kwestie is daarmee nog lang niet ten einde en de Ruïne van het Recht, zoals de voormalige – en dit jaar naar Amsterdam gevluchte – voormalige stadsdichter Pieter Stroop van Renen – het in een ter plekke aangebracht gedicht noemde, zal nog lang een rotte tand zijn in het aangezicht van de Turfmarkt. Als de sloop ten onrechte door de gemeente is afgedwongen zou het in theorie zelfs nog mogelijk zijn de kerk in oude glorie te herstellen, maar dit wil op dit moment niemand meer. Dus zal er op enig moment nieuwbouw komen, kleiner en lager dan voorheen mogelijk omdat het bestemmingsplan in de tussentijd ook is aangepast. In dat geval zal het belangrijk zijn ‘de plint te sluiten’, waarbij met een historiserend gebouwd poortgebouw het zicht op deze nieuwbouw weggenomen wordt.

Op de Markt zijn de appartementen boven het voormalige Herthuis – voorheen herenlogement voor voorname gasten in Gouda, zoals prins Maurits – gerestaureerd en de lelijke Etos-voorgevel wordt eveneens onderhanden genomen. Het is de bedoeling dat de oude gevelsteen met het Hert weer een plek in de gevel krijgt. Iets verderop aan de Markt is de leegstaande oude ijssalon van Italia na een kwart eeuw eindelijk voor hergebruik opgeknapt.  Er is een fraaie winkelpui aangebracht met geglazuurde groenen stenen. Aan de Turfmarkt is niet alleen het oude gebouw van het Leger des Heils herbestemd tot wooneenheden, maar werd de erachter gelegen buurtspeeltuin ontdaan van schadelijke stoffen in de bodem.

Een tweede kwestie die de Turfmarkt raakt is de door de gemeente Gouda en het Waterschap Rijnland voorgenomen verlaging van het waterpeil, om de effecten van bodemdaling op te vangen. Cameraploegen verdrongen elkaar dit jaar rond deze gracht, omdat nergens anders een zo spectaculair plaatje geschoten kan worden van ‘hoog water’, hoewel dit al eeuwen het normale beeld is van de Turfmarkt. De uiteindelijk gekozen en door de gemeenteraad goedgekeurde variant houdt in dat voor het eerst in de geschiedenis van Gouda een deel van de oude binnenstad afgeschot gaat worden om daarbinnen het waterpeil 25cm te laten dalen. Dit om verdere wateroverlast in en buiten het gebied te voorkomen en de door de daling onvermijdelijk veroorzaakte rot aan houten heipalen onder sommige woningen te beperken tot een gering(er) aantal huizen. Deze oplossing werd besproken met de bewoners en leden van het Watergilde – dat zich namens de Historische Vereniging Die Goude  bekommert om watergerelateerde  zaken in de oude binnenstad – en gepresenteerd als de uitkomst van goed overleg. In werkelijkheid keerde een grote groep bewoners en uiteindelijk ook het Watergilde zich tegen de gekozen variant, maar ondanks diverse acties ging de raad toch akkoord met het voorstel. Hiermee heeft het de gemeente Gouda een tweede (financiële en juridische) molensteen om haar eigen nek gelegd, mocht de argumentatie voor de peilverlaging op even dubieuze gronden berusten als de sloop van de Turfmarktkerk. De toekomst zal het uitwijzen, maar resultaten uit het verleden bieden hier waarschijnlijk weinig hoop en zeker geen garantie voor de toekomt.

Om dit treurige jaar toch positief af te sluiten, kan hier de herinrichting van het stationsgebied gemeld worden als een goede ontwikkeling wat betreft het enigszins terugbrengen van de sfeer van het oude – begin jaren tachtig – afgebroken station. De beelden die dat oude gebouw sierden waren beland in het depot en daar ontdekt door de architect Hans Verweij, eigenaar van het Remonstrantse Poortgebouw van de voormalige Remonstrantse Kerk aan de Kiezerstraat. Hij liet de beelden op de oprijlaan naar dit gebouw plaatsen, waar ze decennialang een plek in de schaduw hadden. Daar zijn ze nu weggehaald voor restauratie, waarna ze een plek zullen krijgen op de grote fietsenstalling-met-stroopwafelruit-motief naast het station.

Rentebrief bracht Pibo Ovittius naar Groningen

Al meer dan veertig jaar is hij mijn metgezel. Tussen de talrijke historische onderzoeken die ik in de afgelopen vier decennia heb verricht, duikt hij op de meest onverwachte momenten en plekken toch weer op. Over deze raadselachtige en fascinerend figuur, wiens naam Pibo Ovittius Abbema bij iedereen meteen al vragen oproept, heb ik in 2003 een boek geschreven dat onder de titel Ovittius’ metamorphosen werd uitgegeven door de Fryske Akademie. Maar ook daarna liet hij mij niet met rust, want hoewel ik dacht dat ik elke snipper archief waarop zijn naam zou kunnen voorkomen wel had gezien, zijn er sindsdien toch nog kleine of grotere bijzonderheden over hem of over zijn al even markante zoon Wytze (Ovittius Abbema) naar boven gekomen. Daarbij bleef één bijzonderheid in mijn achterhoofd rondspoken, omdat ik daar geen nadere bijzonderheden of vindplaats bij had, namelijk dat mijn held in 1575 ook nog korte tijd in het Friese Kollum had gewoond.

Onno Hellinga tijdens zijn lezing over Pibo Ovittius en Feicke Tetmans in de Doelhofkerk van Oldeboorn op 2 oktober 2004. Zijn spreekgestoelte staat pal voor de grote grafsteen van grietman Tetmans. Links, peinzend met de hand onder de kin, de auteur dezes.

De informatie over deze Kollumse episode dank ik aan Onno Hellinga, de in 2011 zo tragisch jong overleden kenner par excellence van de Friese archieven, die daarmee op de proppen kwam tijdens een lezing die hij op 2 oktober 2004 hield in de kerk van Oldenboorn ter gelegenheid van een themadag over mijn boek. Ik had de indruk dat het ging om de opvulling van een kleine lacune in het levensverhaal van Pibo, die geen grote gevolgen had voor de strekking van mijn verhaal. Toch vroeg ik hem na afloop of ik de bron van hem kon krijgen om de informatie te kunnen verwerken in een eventuele tweede druk of andere publicatie over mijn Friese held. Die toezegging deed de altijd vriendelijke en beminnelijke Onno zonder aarzelen, maar nadat onze wegen weer scheidden kwam het er nooit van.

Zo bleef ik onwetend over de details en moest ik het doen met de herinnering aan de lezing, waarvan ik mij met name het hoofdonderwerp herinnerde. De kern van het betoog van Onno had betrekking op de roemruchte landdag van 1579 in Leeuwarden, toen de tot op het bot verdeelde Friezen moesten kiezen voor of tegen aansluiting bij de Unie van Utrecht. Ik had betoogd dat Pibo, die daar als eigenerfde aanwezig was, zijn grietman Feicke Tetmans links had gepasseerd door voor de Unie te stemmen. Onno, die het archief van Tetmans had geïnventariseerd en uit zijn broekzak kende, veegde deze veronderstelling van tafel: Tetmans was afwezig op die vergadering en het lag veel meer voor de hand te veronderstellen dat Pibo namens hem had opgetreden en gestemd.

Enige tijd nadat Onno, lezend in oude stukken, door een hartstilstand werd getroffen en was overleden, kwam ik in contact met zijn zus Anneke Hellinga. Zij bleek druk doende de nalatenschap van haar broer zo zorgvuldig mogelijk uit te zoeken ten behoeve van een herinneringsbundel met artikelen over en van hem. Dat boekje verscheen in maart 2012 onder de titel Onno Hellinga, ’t Hat west, it is; it stiet beskreaun, met daarin ook zijn beste artikel, gewijd aan It register fan Feicke Tetmans (± 1537-1601). Frysk politikus en grytman fan Utingeradiel, dat in 1997 was verschenen in De Vrije Fries. Bij die gelegenheid vroeg ik Anneke of zij, mocht zij bij het opruimen wellicht ook zijn aantekeningen of tekst van de lezing over Pibo tegenkomen, mij daarvan een kopie zou willen doen toekomen. Zij zegde dit toe, maar omdat het daarna stil bleef, ging ik ervan uit dat zij niets van die strekking was tegengekomen.

Maar dan, acht jaar later. Tot mijn grote vreugde meldde Anneke zich per mail bij mij met de verheugende mededeling dat zij de stukken over Onno’s lezing had gevonden. Eindelijk kon ik dan nu in detail lezen wat Onno destijds in zijn lezing presenteerde. Feitelijk gaat het zelfs om de teksten van twee lezingen: het verhaal dat Onno een jaar eerder, op 21 november 2003, al hield bij de presentatie van mijn boek bij de Fryske Akademie in Leeuwarden en de tekst uit 2004, die hij uitsprak in Oldeboorn. De tweede blijkt een uitgebreidere versie te zijn van de eerst, waaruit blijkt dat zijn vondst over Kollum stamt van na zijn eerste optreden en dat dit voor hem een sleutel is geweest tot een diepere analyse van de relatie tussen Pibo en grietman Tetmans en tevens een zeer interessante en geloofwaardige hypothese opleverde over de achtergronden van de ‘vlucht’ van Pibo van Oldeboorn naar Groningen, waarmee zijn grote Odyssee begon.

Onno is blijkbaar van plan geweest die tweede lezing om te werken tot een artikel. De tekst is volledig uitgeschreven, voorzien van voetnoten en zelfs suggesties voor illustraties. In zijn handschrift zijn enkele correcties aangebracht in het typoscript en enkele inhoudelijke suggesties in de marge geschreven. Tot publicatie is het echter om onduidelijke redenen nooit gekomen, mogelijk omdat Onno er rekening mee hield dat verder archiefonderzoek in Groningen – waar hij in de tekst voor pleit – nog meer aan het licht zou kunnen brengen. Hoe het ook zij, het stuk bleef op de plank liggen tot het dankzij zijn zus Anneke na zestien jaar nu toch bij mij is beland.

Ik beschouw het als mijn plicht tegenover Onno, maar ook als een logisch vervolg op mijn niet aflatende zoektocht naar ontrafeling van het Pibo-mysterie, om de tekst van zijn lezing te publiceren op mijn website.

Niet Onno’s afwijkende visie op het stemgedrag van Pibo op de Friese landdag van 1579 blijkt zijn grootste onthulling te zijn geweest, maar de ontdekking van de stukken over het korte verblijf van Pibo en diens vrouw Waeb in Kollum. Zij kochten daar in 1575 een grote boerderij met toebehoren voor 250 goudgulden om daar te gaan wonen, maar zouden dit perceel al na een maand weer verkopen met een verlies van 40 goudgulden. De koper, Sjoerd Saeckma – die getrouwd was met de zus van Feicke Tetmans –  kon of wilde dit bedrag niet contant betalen. De koop werd afgesloten op basis van een rentebrief, waarin de koper toezegde het bedrag binnen vijf jaar af te lossen tegen een rentepercentage van 5½ %. De afloop van deze periode viel samen met gereformeerde omwenteling in Friesland in 1580, die honderden rooms-katholieken uit dit gewest deed besluiten een veilig heenkomen te zoeken in de stad Groningen. Ook Sjoerd Saeckma nam de wijk naar de Martinistad.

Pibo staat niet op de naamlijst van katholieke vluchtelingen die is overgeleverd. Met zijn keuze voor de Unie van Utrecht zat hij zeker niet in het katholieke, maar in het gereformeerde kamp, net als zijn grietman (en zoals Onno aantoont: zijn ‘stiefoom’) Feicke Tetmans. Toch ging Pibo ook naar Groningen, naar alle waarschijnlijkheid om bij Saeckma aan te dringen op inlossing van zijn schuld. Eenmaal in Groningen moet hij ingesloten zijn geraakt door de belegering van de stad en te maken hebben gekregen met een hevige pestepidemie die daar weldra uitbrak. Als medicus kon hij zich in die situatie onmogelijk onttrekken aan ‘de eed van Hippocrates’ en in die infernale situatie moet hij tot die amoureuze aberratie gekomen zijn, die hem zijn verdere leven achtervolgd heeft: hij verwekte een kind bij een vrouw, die hij vervolgens ook gehuwd heeft, waarmee hij als getrouwde man bigamie pleegde.

Twee van de vier gedaanten van een arts, waar Pibo in zijn leven op eigen wijze invulling aan gaf. Te zien in museum Boerhaave

Zijn geld kreeg Pibo niet terug van Sjoerd Saeckma. Of hij hem daadwerkelijk nog heeft kunnen aanklampen om hem de rentebrief te tonen is onzeker. De Kollemer vluchteling had huis en haard moeten verlaten en werd weldra ingelijfd in het Spaanse leger van  Rennenberg. Hij trok in dat leger mee en zou een jaar later, in 1581, overlijden of sneuvelen bij Oldenzaal. Het zou uiteindelijk niemand minder dan Feicke Tetmans zijn, die de schuld van zijn zwager op de woning in Kollum in 1583 zou aflossen. Dat is het jaar waarin Pibo uit Friesland werd verbannen en zijn vrouw Waeb Syrcksdr met haar twee kinderen achterbleef in Oldeboorn. Dit geld kon zij waarschijnlijk goed gebruiken om in haar levensonderhoud voorzien na het gedwongen vertrek van haar man.

Dankzij deze postume bijdrage van Onno Hellinga is er weer een klein deel van het raadsel dat Pibo heeft opgelost. Lees zijn hele verhaal onder het kopje “Bronnen” op deze site.

Poort bij de kerk van Pibo’s geboorteplaats Grouw. De Latijnse tekst betekent “Begraaf wat is geweest”. In doe er echter alles aan om het verleden van Ovittius – dat hij zelf het liefst begroef – te onthullen. Dankzij Onno Hellinga zijn er weer enkele mysteries rond zijn persoon opgelost.