Een Rammazeynbijbel uit 1644? Raadsels rond een jaartal

Op de Duitse veilingsite Ebay wordt door een Zwitserse verkoper een curieuze Statenbijbel aangeboden, die in 1644 gedrukt zou zijn in Amsterdam en Gouda. “Sie bieten auf eine Ausgabe aus dem Verlag von Snellaert (Amsterdam) und Iohan Rammazeyn (Gouda) aus dem Jahre 1644”, zo luidt de advertentie. Van Johannes Rammazyn en zijn vader Pieter is inderdaad een roofdruk van de Statenbijbel bekend, maar die werd gedrukt in de jaren 1647-1648. Uiteindelijk vertilden de Goudse boekdrukkers zich aan deze enorme klus en leidde het tot het faillissement van Johannes. Alle reden dus om dit kavel eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.

De naam Snellaert komt in elk geval bekend voor. Dat was Esdras Willemsz. Snellaert, boekhandelaar in Utrecht. Met hem sloot de in financiële nood verkerende Johannes Rammazeyn in 1648 een overeenkomst om deze Goudse Statenbijbel “in Compagnij” – dus gezamenlijk – uit te geven. Op het laatste deel van de bijbels die de drukkerij van Rammazeyn aan de Korte Groenendaal verlieten prijkt op de titelpagina dan ook beider namen. Ook dat mocht uiteindelijk niet baten en in de failliete boedel van Rammazeyn zat uiteindelijk nog een flinke voorraad (ongebonden) bijbels.

Op de titelpagina van de nu op Ebay aangeboden Amsterdams-Goudse Bijbel staan de naam van de Amsterdamse drukker Theunis Jacobsz, “in compagnie met Esdras Snellaert, het stadswapen van Amsterdam met de drie andreaskruisen en het silhouet van de stad. Geen enkele verwijzing naar Gouda op dit Oude-Testamentdeel. De titelbladen van het Nieuwe Testament en van de Apocriefe boeken komen echter bekend voor, in het eerste geval zelfs met het Goudse stadswapen met de zes sterren. Alleen het jaartal luidt in beide gevallen niet 1647 of 1648, maar 1644. En dat is vreemd, omdat het hele proces van het drukken van deze Bijbel in dat jaar nog niet eens gestart was.

Alle aanleiding om eens contact te zoeken met de verkoper, Sven Heininger, om betere foto’s te vragen van de titelbladen. Hij stuurde die per omgaande. En inderdaad bevatten beide pagina’s het jaartal 1644. Bij wat verder inzoomen op deze getallen zijn er toch oneffenheden te zien die erop duiden dat het laatste cijfer moedwillig veranderd is van een zeven in een vier, tamelijk professioneel en vermoedelijk al in de zeventiende eeuw. Verondersteld zou kunnen worden dat Snellaert hier de hand in heeft gehad. Hij had immers nog een flinke partij bladen met de Rammazeynbijbel en zou die samen met een partij van het Oude Testament van een andere drukker, Theunis Jacobsz. tot een nieuwe volledige bijbeleditie gesmeed kunnen hebben. Blijft de vraag waarom het dan nodig was om het Nieuwe Testament en de Apocrief boeken te anti-dateren?

Een blik in Bijbel en Prent, het standaardwerk over Bijbelvertalingen van Wilco Poortman, leert echter dat er geen Statenbijbel bekend is uit 1644 die in compagnie gedrukt zou zijn door Theunis Jacobsz en Snellaert; ook geen afzonderlijk Oude Testament. Er staat wel een volledige Bijbel uit 1648 op beider naam. Daarom toch ook nog maar eens nauwkeurig gekeken naar het jaartal op het eerste titelblad van de Ebay-bijbel. Dan blijkt dat ook hier met met het laatste cijfer van het jaartal geknoeid is. Daarmee is een evidente poging gedaan de Bijbel drie of vier jaar ouder te laten lijken dan zij werkelijk is. De reden of het belang daarvan wordt daarmee nog raadselachtiger, want dit minieme verschil lijkt te verwaarlozen.

Aan het eind van het Nieuwe Testament benutte Rammazeyn nogmaals de kans om zijn naam en woonplaats in het boek achter te laten. Daarbij vermeldde hij nog een keer het jaartal, maar dan in Latijnse aanduiding. Nu ben ik nog wel benieuwd of en hoe het anti-dateren daarbij is gebeurd. De verkoper reageert echter niet meer. Het zal toch niet dat…..?

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2020

Het Coronavirus, dat in maart van dit jaar ongenadig toesloeg, heeft het maatschappelijk leven – ook in Gouda – grotendeels lamgelegd. Ook tal van activiteiten met een historisch tintje moesten daardoor worden afgelast of doorgeschoven. Maar ook voor evenementen die in een wat verder verschiet liggen heeft deze zich voortslepende ramp onvermijdelijk gevolgen. De onzekerheid of en wanneer ons land zal terugkeren naar het ‘oude normaal’ legde een verlammende deken over plannenmakerij. De met veel partijen en dito energie gestarte voorbereiding van 2022, het jubeljaar waarin zowel de verlening van 750 jaar stadsrechten als de 500ste verjaardag van Dirck Volkertszoon Coornhert  groots gevierd zullen worden, kwam krakend en piepend tot stilstand. Zouden er nog wel genoeg sponsoren zijn voor deze evenementen als een economische crisis het bedrijfsleven keihard gaat treffen, kunnen bijeenkomsten met grote groepen mensen überhaupt wel doorgang vinden en hoe kunnen voorbereidingen vorm krijgen als de verschillende partijen fysiek niet bij elkaar kunnen en mogen komen? De voorbereidingen werden daarom tijdelijk gestaakt en er werd tijd gekocht: de feesten, die al in juli 2021 zouden starten, werden in zijn geheel verplaatst naar  de eerste helft van 2022 in de hoop op betere tijden.

Na van de eerste Coronaschrik te zijn bekomen, toen het aantal besmettingen even een zomerdip liet zien, werd de draad weer opgepakt. De twee Goudse projectleiders, Ronald van Rossum en Marien Brand, kregen een eigen uitvalsbasis in de kosterswoning naast de Jeruzalemkapel. In kleine plukjes ontvingen zij deelnemende partijen om met hen plannen en subsidiemogelijkheden door te spreken. Onder het motto “Geef Gouda door” werd een nieuwe feestkalender opgezet, die geleidelijk steeds verder wordt ingevuld. Op die kalender heeft Coornhert500, ‘getrokken’ door Historische Vereniging Die Goude, ook een plek gekregen met onder meer een ‘Kraamkamer van de Vrijheid’ in het Remonstrantse Poortgebouw, toneelstukken, een stadswandeling, een speciale Goudologie II-cursus, een publicatie en een feestelijke herdenking in de Sint-Jan op 29 oktober 2022.

            Ook Museum Gouda, dat door de noodzakelijke Coronamaatregelen een groot deel van dit jaar gesloten moest blijven voor publiek, liet zich – ondanks de hierdoor dramatisch teruggelopen inkomsten – niet ontmoedigen. Nadat ook de gemeente aangaf de grootse plannen van het museum voor het feestjaar te willen blijven steunen, werd de draad weer opgepakt. Nog steeds is het de bedoeling om het koor van de Sint-Janskerk met behulp van de bewaard gebleven altaarstukken in te richten als voorreformatorische rooms-katholieke kerk en tegelijkertijd de Gasthuiskapel te gebruiken om cartons (ontwerptekeningen) van de Goudse Glazen te tonen. Inmiddels wordt gewerkt aan een wetenschappelijke publicatie over het kerkinterieur en is een wetenschappelijke begeleidingscommissie samengesteld die het museum adviseert in dit boeiende traject.

In de tussentijd slaagde het Museum er wel in de populaire stadsmaquette, waarmee de situatie van Gouda in 1562 wordt getoond, nog beter voor het publiek toegankelijk te maken. Met hulp van Henkjan Sprokholt werd het mogelijk gemaakt de stadsplattegrond via schermen interactief te benaderen en te koppelen aan historische gebeurtenissen in die dagen. In de maanden dat het museum wel open was, zorgde een tentoonstelling over stillevens gelukkig meer publiek dan verwacht.

Het Zuid-Hollands Verzetsmuseum, dat zijn stek in een oud bankgebouw aan de Turfmarkt al eerder had opgegeven, probeert onder een nieuwe naam – Libertum – een nieuwe start te maken in de Chocoladefabriek. Ook daarbij gooide Corona behoorlijk roet in het eten, omdat er weinig tot niets concreets tot stand gebracht kon worden. Daar kwam bij dat er nog geen helder concept voor de toekomst ligt. Inmiddels is er een verkenner aangesteld die de mogelijkheden moet onderzoeken. Even moeilijk was het afgelopen jaar voor een nieuwe attractie die de stad rijk is, de Cheese Experience in het voormalige kazernegebouw/bioscoop aan de Nieuwe Markt. De honderdduizenden toeristen die jaarlijks afkomen op de stad dankzij de naamsbekendheid van de Goudse Kaas, bleven door Corona weg, en daarmee ook de inkomsten voor dit pas opgestarte bedrijf.

Op het vlak van de geschiedschrijving over Gouda was de verschijning van de allereerste biografie van Cornelis Joan de Lange van Wijngaerden (1752-1820) absoluut een hoogtepunt. Helaas kreeg deze gebeurtenis door Corona niet de aandacht die het verdiende. Het levensverhaal van deze Goudse patriot, bovenal bekend vanwege zijn betrokkenheid bij de aanhouding van Wilhelmina van Pruisen bij Goejanverwellesluis, werd opgetekend door Jean-Philippe van der Zwaluw.  Als ondertitel voor het boek koos de auteur voor “De patriot die geschiedenis schreef”, goed getroffen omdat deze bewoner van een pand aan de Westhaven begin negentiende eeuw ook de tweede grote stadsgeschiedenis van Gouda schreef.

Geschiedenis schrijven doet zijn biograaf overigens ook zelf, en met een enorme productie, want eerder schreef hij al een boek over Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. Naast boeken schreef Van der Zwaluw, zelf niet in Gouda woonachtig, ook diverse artikelen over uiteenlopende onderwerpen voor de Tidinge, het tijdschrift van Historische Vereniging Die Goude. In dit blad verscheen dit jaar ook de 25ste aflevering van de rubriek Goudana, handelend over boeken die in Gouda gedrukt zijn, door Gouwenaars geschreven of over de stad handelen. De jubileumaflevering handelt over het leven en faillissement van boekdrukker Lukas Kloppenburg. Een andere rubriek, Gouwe verhalen, waarin Gouwenaars op leeftijd hun herinneringen aan de stad ophalen, is inmiddels tot een vaste waarde geworden in het tijdschrift en roept tal van positieve reacties op.

Het hoeven niet altijd doorwrochte historische studies te zijn die belangstelling voor de geschiedenis van de stad opwekken. Dat bleek ook dit jaar weer, toen een hardlopende niet-historicus Hans van de Water de 25 steegjeswandeling samenstelde en fraai geïllustreerd in een handzaam boekje liet uitgeven. Dit keer was de Coronapandemie geen last, maar een voordeel, omdat wandelen een van de weinige activiteiten was die onbelemmerd doorgang kon vinden. Vele Gouwenaars en buitenstaanders hebben toen de kans gegrepen deze bijzondere wandeling door de Goudse binnenstad te maken. Van het boekje verschenen vele drukken en zelfs in een Engelse en Duitse vertaling. Sinds het oudste toeristische gidsje van Nederland – het Goudse Glazengidsje (van 1681-1880) – is er waarschijnlijk geen gidsje over deze stad geschreven dat zo’n grote oplage heeft gekend.

Historische kennis over Gouda werd verder ook weer verspreid door de leergang Goudologie, georganiseerd door het Historisch Platform Gouda (HPG). Voorzitter Ineke Verkaaik en haar mensen slaagden er op onnavolgbare wijze in om de voor- en najaarseditie tot een goed eind te brengen, ondanks tijdelijke onderbrekingen als gevolg van de lock down en andere beperkende maatregelen. Wel moesten de verdiepende Goudologie-II-edities doorgeschoven worden naar betere tijden, zoals die over de Goudse boekdrukkunst.

Gouda750 laat zich ook op monumentengebied  steeds nadrukkelijker zien in de stad. Mede dankzij subsidiëringsmogelijkheden, die de gemeente Gouda biedt om de stad in 2020 zo fraai mogelijk te presenteren, zijn inmiddels de eerste historische gevels van particuliere eigenaren opgeknapt. Maar ook de bekende Goudse publieke monumenten krijgen in dit kader soms (meer dan) een likje verf. Zo werden de houten overkappingen van het Waaggebouw gerestaureerd en geverfd. Ook projectontwikkelaar White House Development laat zich wat dat betreft niet onbetuigd. De verbouwing en herbestemming van het Weeshuis tot een restaurant, woningen en hotel is het afgelopen jaar flink gevorderd en nadert de voltooiing. Een volgend groot project dient zich alweer aan. De Gouwekerk wacht ook op herbestemming, terwijl in de naastgelegen grote pastorie de verbouwing tot appartementen al begonnen is.

Apropos Turfmarkt. Die was dit jaar weer volop in het nieuws. Natuurlijk weer met de tragedie van de half gesloopte gereformeerde kerk, waaraan weer een nieuw opmerkelijk bedrijf is toegevoegd. In de juridische procedure tussen eigenaar Boutachekourt Holding en de gemeente Gouda schakelde de rechtbank een onafhankelijk onderzoeksbureau, StAB, in, om de redelijkheid en noodzaak van de noodverordening te onderzoeken, waarmee de gemeente de sloop uit handen nam van de eigenaar.  StAB, dat in dit soort onderzoeken overheden zelden afvalt, kwam tot de spijkerharde conclusie dat de kerk niet op instorten stond, zoals de gemeente beweerde. Als de rechtbank deze conclusie overneem vervalt de rechtsgrond onder het handelen van de gemeente en zal de eigenaar schadeloos gesteld moeten worden. En passant stelde StAb ook vast dat de sloopkosten die de gemeente bij de eigenaar in rekening heeft gebracht een keer zo hoog zijn als de reële kosten moeten zijn geweest.

Deze draai om de oren van de gemeente (en het sloopbedrijf) leidt vooralsnog niet tot verandering van de opstelling van Gouda, want in reacties in de media wordt tegen beter weten in volgehouden dat men alle vertrouwen heeft in een goede afloop. De slepende kwestie is daarmee nog lang niet ten einde en de Ruïne van het Recht, zoals de voormalige – en dit jaar naar Amsterdam gevluchte – voormalige stadsdichter Pieter Stroop van Renen – het in een ter plekke aangebracht gedicht noemde, zal nog lang een rotte tand zijn in het aangezicht van de Turfmarkt. Als de sloop ten onrechte door de gemeente is afgedwongen zou het in theorie zelfs nog mogelijk zijn de kerk in oude glorie te herstellen, maar dit wil op dit moment niemand meer. Dus zal er op enig moment nieuwbouw komen, kleiner en lager dan voorheen mogelijk omdat het bestemmingsplan in de tussentijd ook is aangepast. In dat geval zal het belangrijk zijn ‘de plint te sluiten’, waarbij met een historiserend gebouwd poortgebouw het zicht op deze nieuwbouw weggenomen wordt.

Op de Markt zijn de appartementen boven het voormalige Herthuis – voorheen herenlogement voor voorname gasten in Gouda, zoals prins Maurits – gerestaureerd en de lelijke Etos-voorgevel wordt eveneens onderhanden genomen. Het is de bedoeling dat de oude gevelsteen met het Hert weer een plek in de gevel krijgt. Iets verderop aan de Markt is de leegstaande oude ijssalon van Italia na een kwart eeuw eindelijk voor hergebruik opgeknapt.  Er is een fraaie winkelpui aangebracht met geglazuurde groenen stenen. Aan de Turfmarkt is niet alleen het oude gebouw van het Leger des Heils herbestemd tot wooneenheden, maar werd de erachter gelegen buurtspeeltuin ontdaan van schadelijke stoffen in de bodem.

Een tweede kwestie die de Turfmarkt raakt is de door de gemeente Gouda en het Waterschap Rijnland voorgenomen verlaging van het waterpeil, om de effecten van bodemdaling op te vangen. Cameraploegen verdrongen elkaar dit jaar rond deze gracht, omdat nergens anders een zo spectaculair plaatje geschoten kan worden van ‘hoog water’, hoewel dit al eeuwen het normale beeld is van de Turfmarkt. De uiteindelijk gekozen en door de gemeenteraad goedgekeurde variant houdt in dat voor het eerst in de geschiedenis van Gouda een deel van de oude binnenstad afgeschot gaat worden om daarbinnen het waterpeil 25cm te laten dalen. Dit om verdere wateroverlast in en buiten het gebied te voorkomen en de door de daling onvermijdelijk veroorzaakte rot aan houten heipalen onder sommige woningen te beperken tot een gering(er) aantal huizen. Deze oplossing werd besproken met de bewoners en leden van het Watergilde – dat zich namens de Historische Vereniging Die Goude  bekommert om watergerelateerde  zaken in de oude binnenstad – en gepresenteerd als de uitkomst van goed overleg. In werkelijkheid keerde een grote groep bewoners en uiteindelijk ook het Watergilde zich tegen de gekozen variant, maar ondanks diverse acties ging de raad toch akkoord met het voorstel. Hiermee heeft het de gemeente Gouda een tweede (financiële en juridische) molensteen om haar eigen nek gelegd, mocht de argumentatie voor de peilverlaging op even dubieuze gronden berusten als de sloop van de Turfmarktkerk. De toekomst zal het uitwijzen, maar resultaten uit het verleden bieden hier waarschijnlijk weinig hoop en zeker geen garantie voor de toekomt.

Om dit treurige jaar toch positief af te sluiten, kan hier de herinrichting van het stationsgebied gemeld worden als een goede ontwikkeling wat betreft het enigszins terugbrengen van de sfeer van het oude – begin jaren tachtig – afgebroken station. De beelden die dat oude gebouw sierden waren beland in het depot en daar ontdekt door de architect Hans Verweij, eigenaar van het Remonstrantse Poortgebouw van de voormalige Remonstrantse Kerk aan de Kiezerstraat. Hij liet de beelden op de oprijlaan naar dit gebouw plaatsen, waar ze decennialang een plek in de schaduw hadden. Daar zijn ze nu weggehaald voor restauratie, waarna ze een plek zullen krijgen op de grote fietsenstalling-met-stroopwafelruit-motief naast het station.

Rentebrief bracht Pibo Ovittius naar Groningen

Al meer dan veertig jaar is hij mijn metgezel. Tussen de talrijke historische onderzoeken die ik in de afgelopen vier decennia heb verricht, duikt hij op de meest onverwachte momenten en plekken toch weer op. Over deze raadselachtige en fascinerend figuur, wiens naam Pibo Ovittius Abbema bij iedereen meteen al vragen oproept, heb ik in 2003 een boek geschreven dat onder de titel Ovittius’ metamorphosen werd uitgegeven door de Fryske Akademie. Maar ook daarna liet hij mij niet met rust, want hoewel ik dacht dat ik elke snipper archief waarop zijn naam zou kunnen voorkomen wel had gezien, zijn er sindsdien toch nog kleine of grotere bijzonderheden over hem of over zijn al even markante zoon Wytze (Ovittius Abbema) naar boven gekomen. Daarbij bleef één bijzonderheid in mijn achterhoofd rondspoken, omdat ik daar geen nadere bijzonderheden of vindplaats bij had, namelijk dat mijn held in 1575 ook nog korte tijd in het Friese Kollum had gewoond.

Onno Hellinga tijdens zijn lezing over Pibo Ovittius en Feicke Tetmans in de Doelhofkerk van Oldeboorn op 2 oktober 2004. Zijn spreekgestoelte staat pal voor de grote grafsteen van grietman Tetmans. Links, peinzend met de hand onder de kin, de auteur dezes.

De informatie over deze Kollumse episode dank ik aan Onno Hellinga, de in 2011 zo tragisch jong overleden kenner par excellence van de Friese archieven, die daarmee op de proppen kwam tijdens een lezing die hij op 2 oktober 2004 hield in de kerk van Oldenboorn ter gelegenheid van een themadag over mijn boek. Ik had de indruk dat het ging om de opvulling van een kleine lacune in het levensverhaal van Pibo, die geen grote gevolgen had voor de strekking van mijn verhaal. Toch vroeg ik hem na afloop of ik de bron van hem kon krijgen om de informatie te kunnen verwerken in een eventuele tweede druk of andere publicatie over mijn Friese held. Die toezegging deed de altijd vriendelijke en beminnelijke Onno zonder aarzelen, maar nadat onze wegen weer scheidden kwam het er nooit van.

Zo bleef ik onwetend over de details en moest ik het doen met de herinnering aan de lezing, waarvan ik mij met name het hoofdonderwerp herinnerde. De kern van het betoog van Onno had betrekking op de roemruchte landdag van 1579 in Leeuwarden, toen de tot op het bot verdeelde Friezen moesten kiezen voor of tegen aansluiting bij de Unie van Utrecht. Ik had betoogd dat Pibo, die daar als eigenerfde aanwezig was, zijn grietman Feicke Tetmans links had gepasseerd door voor de Unie te stemmen. Onno, die het archief van Tetmans had geïnventariseerd en uit zijn broekzak kende, veegde deze veronderstelling van tafel: Tetmans was afwezig op die vergadering en het lag veel meer voor de hand te veronderstellen dat Pibo namens hem had opgetreden en gestemd.

Enige tijd nadat Onno, lezend in oude stukken, door een hartstilstand werd getroffen en was overleden, kwam ik in contact met zijn zus Anneke Hellinga. Zij bleek druk doende de nalatenschap van haar broer zo zorgvuldig mogelijk uit te zoeken ten behoeve van een herinneringsbundel met artikelen over en van hem. Dat boekje verscheen in maart 2012 onder de titel Onno Hellinga, ’t Hat west, it is; it stiet beskreaun, met daarin ook zijn beste artikel, gewijd aan It register fan Feicke Tetmans (± 1537-1601). Frysk politikus en grytman fan Utingeradiel, dat in 1997 was verschenen in De Vrije Fries. Bij die gelegenheid vroeg ik Anneke of zij, mocht zij bij het opruimen wellicht ook zijn aantekeningen of tekst van de lezing over Pibo tegenkomen, mij daarvan een kopie zou willen doen toekomen. Zij zegde dit toe, maar omdat het daarna stil bleef, ging ik ervan uit dat zij niets van die strekking was tegengekomen.

Maar dan, acht jaar later. Tot mijn grote vreugde meldde Anneke zich per mail bij mij met de verheugende mededeling dat zij de stukken over Onno’s lezing had gevonden. Eindelijk kon ik dan nu in detail lezen wat Onno destijds in zijn lezing presenteerde. Feitelijk gaat het zelfs om de teksten van twee lezingen: het verhaal dat Onno een jaar eerder, op 21 november 2003, al hield bij de presentatie van mijn boek bij de Fryske Akademie in Leeuwarden en de tekst uit 2004, die hij uitsprak in Oldeboorn. De tweede blijkt een uitgebreidere versie te zijn van de eerst, waaruit blijkt dat zijn vondst over Kollum stamt van na zijn eerste optreden en dat dit voor hem een sleutel is geweest tot een diepere analyse van de relatie tussen Pibo en grietman Tetmans en tevens een zeer interessante en geloofwaardige hypothese opleverde over de achtergronden van de ‘vlucht’ van Pibo van Oldeboorn naar Groningen, waarmee zijn grote Odyssee begon.

Onno is blijkbaar van plan geweest die tweede lezing om te werken tot een artikel. De tekst is volledig uitgeschreven, voorzien van voetnoten en zelfs suggesties voor illustraties. In zijn handschrift zijn enkele correcties aangebracht in het typoscript en enkele inhoudelijke suggesties in de marge geschreven. Tot publicatie is het echter om onduidelijke redenen nooit gekomen, mogelijk omdat Onno er rekening mee hield dat verder archiefonderzoek in Groningen – waar hij in de tekst voor pleit – nog meer aan het licht zou kunnen brengen. Hoe het ook zij, het stuk bleef op de plank liggen tot het dankzij zijn zus Anneke na zestien jaar nu toch bij mij is beland.

Ik beschouw het als mijn plicht tegenover Onno, maar ook als een logisch vervolg op mijn niet aflatende zoektocht naar ontrafeling van het Pibo-mysterie, om de tekst van zijn lezing te publiceren op mijn website.

Niet Onno’s afwijkende visie op het stemgedrag van Pibo op de Friese landdag van 1579 blijkt zijn grootste onthulling te zijn geweest, maar de ontdekking van de stukken over het korte verblijf van Pibo en diens vrouw Waeb in Kollum. Zij kochten daar in 1575 een grote boerderij met toebehoren voor 250 goudgulden om daar te gaan wonen, maar zouden dit perceel al na een maand weer verkopen met een verlies van 40 goudgulden. De koper, Sjoerd Saeckma – die getrouwd was met de zus van Feicke Tetmans –  kon of wilde dit bedrag niet contant betalen. De koop werd afgesloten op basis van een rentebrief, waarin de koper toezegde het bedrag binnen vijf jaar af te lossen tegen een rentepercentage van 5½ %. De afloop van deze periode viel samen met gereformeerde omwenteling in Friesland in 1580, die honderden rooms-katholieken uit dit gewest deed besluiten een veilig heenkomen te zoeken in de stad Groningen. Ook Sjoerd Saeckma nam de wijk naar de Martinistad.

Pibo staat niet op de naamlijst van katholieke vluchtelingen die is overgeleverd. Met zijn keuze voor de Unie van Utrecht zat hij zeker niet in het katholieke, maar in het gereformeerde kamp, net als zijn grietman (en zoals Onno aantoont: zijn ‘stiefoom’) Feicke Tetmans. Toch ging Pibo ook naar Groningen, naar alle waarschijnlijkheid om bij Saeckma aan te dringen op inlossing van zijn schuld. Eenmaal in Groningen moet hij ingesloten zijn geraakt door de belegering van de stad en te maken hebben gekregen met een hevige pestepidemie die daar weldra uitbrak. Als medicus kon hij zich in die situatie onmogelijk onttrekken aan ‘de eed van Hippocrates’ en in die infernale situatie moet hij tot die amoureuze aberratie gekomen zijn, die hem zijn verdere leven achtervolgd heeft: hij verwekte een kind bij een vrouw, die hij vervolgens ook gehuwd heeft, waarmee hij als getrouwde man bigamie pleegde.

Twee van de vier gedaanten van een arts, waar Pibo in zijn leven op eigen wijze invulling aan gaf. Te zien in museum Boerhaave

Zijn geld kreeg Pibo niet terug van Sjoerd Saeckma. Of hij hem daadwerkelijk nog heeft kunnen aanklampen om hem de rentebrief te tonen is onzeker. De Kollemer vluchteling had huis en haard moeten verlaten en werd weldra ingelijfd in het Spaanse leger van  Rennenberg. Hij trok in dat leger mee en zou een jaar later, in 1581, overlijden of sneuvelen bij Oldenzaal. Het zou uiteindelijk niemand minder dan Feicke Tetmans zijn, die de schuld van zijn zwager op de woning in Kollum in 1583 zou aflossen. Dat is het jaar waarin Pibo uit Friesland werd verbannen en zijn vrouw Waeb Syrcksdr met haar twee kinderen achterbleef in Oldeboorn. Dit geld kon zij waarschijnlijk goed gebruiken om in haar levensonderhoud voorzien na het gedwongen vertrek van haar man.

Dankzij deze postume bijdrage van Onno Hellinga is er weer een klein deel van het raadsel dat Pibo heeft opgelost. Lees zijn hele verhaal onder het kopje “Bronnen” op deze site.

Poort bij de kerk van Pibo’s geboorteplaats Grouw. De Latijnse tekst betekent “Begraaf wat is geweest”. In doe er echter alles aan om het verleden van Ovittius – dat hij zelf het liefst begroef – te onthullen. Dankzij Onno Hellinga zijn er weer enkele mysteries rond zijn persoon opgelost.

Lucas Kloppenburg. Goudse boekdrukkunst gesmoord in drank, vrouwen en schulden

In de 25ste aflevering van GOUDANA, de rubriek over boeken over en uit Gouda in de Tidinge, het tijdschrift van de Historische Vereniging Die Goude, wordt het tragische verhaal verteld over de laatste boekdrukker uit de zeventiende-eeuwse bloeiperiode van de Goudse boekdrukkunst, Lucas Klopppenburg. Hij was in deze stad werkzaam van 1694 tot 1713. De wijze waarop zijn bedrijf ten gronde ging is symbolisch voor het einde van deze zo bloeiende Goudse bedrijfstak. Het zou duren tot in de negentiende eeuw, voordat met de komst van B.J. van Goor een nieuwe bloeiperiode aanbrak voor dit ambacht.

Ten behoeve van dit artikel is het fonds van Kloppenburg gereconstrueerd en beschreven. In totaal kwamen ten minste 47 werken van zijn persen, uiteenlopend van een enkel blad, pamfletten van bescheiden omvang tot vele boeken in octavo, kwarto en een enkele keer ook een folioformaat. De belangrijkste auteur in zijn fonds was de belastingambtenaar-dichter Jan van Hoogstraten. Een geschil met een collega-drukker over de uitgave van een van diens geschriften, over de apostel Paulus, leidde uiteindelijk het einde in van zijn bedrijf.

Kloppenburg en zijn vrouw sloegen uiteindelijk op de vlucht voor de schuldeisers, waarna curatoren nauwgezet een inventaris opmaakten van de inboedel van zijn boekenbedrijf. Deze bron geeft unieke informatie hoe een zeventiende-eeuwse boekdrukkerij was georganiseerd. Daarmee liet Kloppenburg naast zijn omvangrijke fonds nog een andere waardevolle nalatenschap achter voor de hedendaagse historicus. Die maakte het mogelijk dat deze jubileumeditie van Goudana een bijzonder verhaal opleverde over een markante Goudse boekdrukker.

Coornhert kruist het pad van Xaviera Hollander

Het was een bijzondere avond half maart van dit jaar. De regen kwam in bakken uit de hemel, maar de lucht was zwanger van verwachtingen. Onze dochter in Utrecht had gebeld. De weeën waren nu echt begonnen en of wij Martha, haar oudste meisje van twee, wilden ophalen. We stonden net klaar om met de auto naar Amsterdam te rijden om een bijzonder boek op te halen dat ik na weinig loven en veel bieden had kunnen bemachtigen via de onvolprezen veilingsite Catawiki. Het ging om een heel oud boek, gedrukt in de jaren 1610-1612, vlak bij mij om de hoek aan Achter de Vismarkt in Gouda. Een boek waarvan ik zelfs in mijn stoutste dromen nooit gedacht had dat ik het ooit zou kunnen bemachtigen, omdat het zeldzaam is, in weinig bibliotheken is aan te treffen en daardoor onbetaalbaar. Deze Wercken van mijn zestiende-eeuwse held Dirck Volckertszoon Coornhert had ik wel veelvuldig in handen gehad, maar dan in de unieke collectie van de Goudse Librije in het stadsarchief. Nu was het dan toch gelukt om een eigen exemplaar te bemachtigen, al was de staat ervan waarschijnlijk niet best. Afgaand op de foto’s had het vocht de afgelopen vier eeuwen een slopende uitwerking gehad op het boek. Maar dat deerde mij evenmin als de regen die op deze dag onophoudelijk bleef neerdalen.

Voor ik mij in Amsterdam over deze nieuwe aanwinst kon ontfermen, moest er dus eerst een tussenstop gemaakt worden in Utrecht, om de kleine dreutel op te pikken. Een zenuwachtige vader hielp mee haar spulletjes in de auto te zetten, terwijl moederlief ons verzekerde dat het spel nu echt op de wagen was. Blijmoedig en onwetend van wat er stond te gebeuren, stapte de kleine bij ons in de auto om bij opa en oma te gaan logeren. Met gezwinde spoed werd vervolgens koers gezet richting nat en donker Amsterdam, waar we uiteindelijk in de Stadionbuurt belandden, volgebouwd met riante villa’s. Ik sprong uit de auto, met de gedachte even snel onder het afdakje bij de voordeur het boek in ontvangst te nemen. De deur zwaaide echter wijd open en ik werd door een vriendelijke heer van harte uitgenodigd binnen te komen. Terwijl mijn vrouw en kleinkind in de auto wachtten, ontvouwde zich voor mijn ogen een wonderlijk tafereel. Coornhert bracht mij in contact met een icoon uit een heel andere wereld en tijd, dat in mijn jeugd wereldfaam genoot.

Op een chaisse longue in de woonkamer, met aan haar zijde twee dienstige mannen, lag daar een vriendelijk glimlachende chique dame op leeftijd, half onder een deken, die zich voorstelde als Xaviera Hollander. Zij bleek de eigenares van het door mij zo begeerde boek. Ze vertelde zelf ook boeken geschreven te hebben, net als Coornhert, die grif verkocht waren. Ik ken uw werk, was mijn antwoord. Het kostte mij namelijk weinig moeite scherp te krijgen wie ik voor mij had, want haar naam ging in mijn jeugd over vele tongen. Haar opus magnum, The Happy hooker, verscheen in 1971, toen ik net zestien jaar oud was. Voor mij in de ligstoel lag dus de ‘hoerenmadam’ uit New York, die destijds wereldfaam verwierf door openhartig over haar erotische avonturen te schrijven. Inmiddels was ze overduidelijk van onstuimig in kabbelend vaarwater beland, al gebruikte ze haar reputatie nog maar al te graag om reclame te maken voor haar Bed and Breakfast.

Veel tijd om door te praten met Vera de Vries, zoals de werkelijke naam van Xaviera Hollander luidt, had ik helaas niet, want mijn ongetwijfeld ongeduldige medepassagiers wachtten in de auto. Het lukte mij nog wel de eigenares informatie te ontfutselen hoe Coornhert in deze onverwachte ‘happy hoek’ was beland. Het werk bleek afkomstig uit de nalatenschap van de Neerlandicus Jan Kamerbeek jr. (1905-1977), hoogleraar literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (foto links) en door hem geschonken aan zijn leerling Peter van Zonneveld, hoogleraar Nederlands in Leiden. Bij mijn afscheid kreeg ik nog een vriendelijke uitnodiging toch vooral een keer terug te komen als logee in haar Happy House B&B, waarna ik – met mijn nieuw aanwinst dicht tegen mij aangedrukt om het boek te beschermen tegen de aanhoudende regenvlagen – weer in mijn auto dook.

Prof.dr. Jan Kamerbeek jr.

Mijn eigen vrouwen waren tamelijk ongeduldig geworden van het wachten, maar begrepen na enige uitleg waarom het even had geduurd. Dat gold dus ook voor de tweejarige Martha, die immers vriendelijk keuvelend bleef wachten op wat kwam. Toch raakte haar geduld op enig moment ook op, nadat wij door een wegafsluiting verdwaald raakten in het tranendal dat Alphen aan den Rijn heet. Toen we daar voor de derde keer langs hetzelfde punt kwamen, klonk er vanaf de achterbank met een iel stemmetje op een smekend ongeduldige toon de hartewens “bijna thuis?”. Het kind had gelijk. Er zijn grenzen aan elke spanningsboog van verwachtingen.

Eenmaal thuis bleek dat de weeën bij mijn dochter even abrupt waren gestopt als de plensbuien buiten en kon de logeerpartij zich verder in ontspannenheid voltrekken. Nu had ik eindelijk de kans mijn trofee zorgvuldig te bestuderen. De foto’s op Catawiki bleken de hardvochtige waarheid te hebben getoond. Het boek was inderdaad in zeer slechte staat en alle pogingen tot herstel waren klungelig uitgevoerd. Het meest onbegrijpelijk was er omgesprongen met het prachtige portret van Coornhert, een gravure vervaardigd door Jan Harmensz Muller (1571-1628) uit Haarlem. Die prent was om duistere reden uitgeknipt en weer ingeplakt, met diverse scheuren als gevolg. Het eerste katern was aangevreten door vocht en vuil, met het nodige tekstverlies als gevolg. De boekband mocht nauwelijks die naam meer hebben; de rug was praktisch weg, evenals het leer om de platten. Wat overbleef was kaal karton en een goedkope sticker met de titel in slordig handschrift. Niet bepaald een parel om in de boekenkast te zetten.

Zwaar beschadigde rug en voorplat van Coornherts Wercken

Toch was het grootste deel van de kloeke foliant gelukkig onaangetast en bleek zij nog achttien van de twintig gebundelde werken te bevatten, met op elk titelblad het fraaie drukkersmerk van de Goudse boekdrukker Jasper Tournay. Alleen de laatste twee werken die oorspronkelijk in deze band moeten hebben gezeten, Zedekunst en Opperste Goedts nasporinghe, beide in 1612 gedrukt en met voortgezette folionummering (tot fol. 352v), bleken verdwenen te zijn. Toch was het alleszins de moeite waard om het boek te laten herstellen door een vakkundig boekrestaurator. Ik klopte daarvoor aan bij Wilma van Ipenburg van boekbinderij De Waterjuffer aan de Korte Raam in Gouda. Omdat er aan de band niks meer te redden viel heb ik haar gevraagd er een nieuwe, maar kunstzinnige lederen band omheen te doen en de beschadigingen zo goed mogelijk te repareren.

Mijn verwachtingen waren hooggespannen. Ik ken Wilma als een echt vakvrouw, die het boekbinden graag benadert als kunstvorm. Diverse keren heeft zij bijzondere creaties vervaardigd, die speciaal voor klanten werden ontworpen en soms ook werden tentoongesteld in musea en galeries. Ik ben ook van plan het boek te exposeren, namelijk in de Kraamkamer van de Vrijheid, die ter gelegenheid van de 500ste geboortedag van Coornhert in 2022 ingericht zal worden in het Remonstrantse Poortgebouw aan de Keizerstraat. Daarom heb ik niet gekozen voor een simpele band, maar voor een bruin lederen variant met opvallende blindstempeling. Het portret van Goltzius moest daarbij de inspiratie opleveren het belangrijkste element van de blindstempeling.

Maar voor Wilma toekwam een de buitenkant moest eerst het binnenwerk stevig onder handen genomen worden. Het resultaat was verbluffend. Heel voorzichtig heeft ze het grote Coornhertportret van Muller losgeweekt van de ondergrond waarop hij geplakt was. Alle schuren en kreukels (links) zijn daarna zorgvuldig weggewerkt. Alleen de vochtvlek rechtsonder is gebleven, omdat dergelijke vlekken en vochtringen niet meer weg te poetsen zijn. De beschadigde en deels vergane delen van de daaropvolgende pagina’s, met onder meer de titelpagina, de levensbeschrijving van Coornhert door zijn vriend Cornelis Boomgaert en het befaamde Protest teghen den slaap, werden vervolgens zorgvuldig aangevijzeld en verstevigd.

Nadat alle beschadigingen van het boekblok op deze manier gereparerd waren, kon begonnen worden met de band. Het vervaardigen van een mal voor de blindstempeling bleek niet eenvoudig. Na enig zoeken werd uiteindelijk Maarten Streefland, een talentvol tekenaar uit Moordrecht, benaderd die hiervoor de basis kon leveren. Hij slaagde erin Coornhert in een paar strakke lijnen uit een donkere ondergrond naar boven te halen. Met dit portret centraal op de voorplatten, werd vervolgens ter omlijsting een lijnenspel ontworpen dat afgewisseld werd met kleine ornamenten. Naar oude gewoonte werd daarnaast het jaartal van uitgave – 1612 – in en rechthoekig blokje op het onderste deel van het voorplat gedrukt. De rug bevat de gebruikelijke ribben, waarin de bindtouwen zijn samengebonden. Met een kleine stempel is daarop in het bovenste deel de auteursnaam en het woord “Wercken” gedrukt. Op de achterzijde is een simpel lijnenspel gedrukt, met rechts onderin in Romeinse cijfers het jaartal 2020 en een subtiel waterjuffertje als signatuur van de boekbindster.

En zo kon ik na acht maanden wachten en smachten – mijn een week later geboren kleinzoon Tom kan inmiddels kruipen – deze herboren boreling in mijn bibliotheek opnemen, bewaard voor zeker weer vier eeuwen.

Spionkoppen gelanceerd

Inlichtingenleiderschap – een term ontleend aan de Angelsaksische intell-literatuur, waarin het wordt aangeduid als Intelligence leadership – vormt het onderwerp van het boek Spionkoppen dat ik in september het licht mocht laten zien. Met deze publicatie heb ik een belofte ingelost die ik deed in mijn oratie ter gelegenheid van mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence and security Services aan de Universiteit Leiden. In het boek wordt aan de hand van elf portretten van de opeenvolgende hoofden BVD/AIVD geschetst hoe deze civiele Nederlandse geheime dienst is geleid en hoe deze mannen (vrouwen zijn opvallend genoeg nog niet in beeld geweest om deze organisatie te leiden) zowel binnen als buiten de organisatie hebben gefunctioneerd. Dankzij Mai Spijkers, directeur van uitgeverij Prometheus, is het boek op de markt gebracht door deze grote publieksuitgever, waardoor een brede afzet gegarandeerd is.

Het schrijven van het boek was voor mij ook min of meer een vorm van Vergangenheitsbewältigung. Als oude-medewerker van de BVD/AIVD (van 1984 tot 2005) en medewerker van de NCTb/NCTV (van 2005 tot heden) heb ik acht van de elf geportretteerde diensthoofden van nabij zien functioneren. Dat had voor deze studie zowel voordelen als nadelen. Voordeel was dat ik zelf al een oordeel had kunnen vormen, dat ik acces had tot de nog levende inlichtingenleiders en ook makkelijker kon spreken met personen uit hun entourage. Voorstelbaar nadeel was dat mijn beelden te gekleurd of vertekend konden zijn door persoonlijke ervaringen. Om die reden was het prettig samen te kunnen werken met twee getalenteerde oud-studenten, David Mendelsohn en Marijn Adams, die delen van het onderzoek voor hun rekening namen en ook concept-teksten schreven. Mede dankzij hun hulp en gesprekken met direct betrokkenen kwamen alle hoofden uiteindelijk scherp uit de verf.

De waarde van Spionkoppen – de titel is een knipoog naar Spy Chiefs een vergelijkbare tweedelige studie in Groot-Brittannië van Christopher Moran – is onder meer dat het een geschiedenis van de AIVD en zijn voorgangers schetst vanuit het perspectief van het hoofd. Daarbij wordt duidelijk dat de inlichtingencultuur in Nederland nog steeds onderontwikkeld is, wat soms leidde tot ondoordachte benoemingen die zorgden voor discontinuïteit en schade aan het beeld en functioneren van de organisatie. Bijzonder is ook dat de lezer zicht krijgt op de interne cultuur, die door de jaren heen gedomineerd werd en wordt door een onderstroom die wars is van externe bemoeienis en openheid.

Vlak voor de verschijning van het boek overleed Arthur Docters van Leeuwen. Dit markante oud-hoofd van de BVD was verantwoordelijk voor de grootste ommezwaai die de dienst in zijn geschiedenis heeft gemaakt. Vandaar dat het portret van hem ook het meest omvangrijk is in Spionkoppen. Ten behoeve daarvan hebben wij onder meer kunnen putten uit enkele gesprekken met hem en twee colleges die hij in Leiden gaf voor mijn leergang ‘Geheime diensten in de moderne context’. Waar ik niet uit heb kunnen putten waren zijn Memoires, die vlak na zijn dood het licht zouden zien onder de toepasselijke titel Een spoor van vernieuwing. nog even hadden we overwogen de manuscripten uit te wisselen, maar gaven er uiteindelijk de voorkeur aan de beide publicaties voor zichzelf te laten spreken. Achteraf bezien is dat ook goed geweest, want beide hoofdstukken over zijn tijd bij de BVD zijn in hoge mate complementair omdat ze vanuit verschillend perspectief zijn geschreven.

Het boek is op 15 september in het gebouw van de AIVD aangeboden aan pas benoemde – twaalfde – hoofd van de organisatie, Erik Akerboom. Hij toonde zich content met het boek en sprak de hoop uit dat er interessante leerpunten uit te halen zijn, die van nut kunnen zijn voor de toekomst van zijn organisatie, die dit jaar op de kop af 75 jaar bestaat. Vanwege de heersende corona-pandemie was een grootschaliger bijeenkomst met het personeel helaas niet mogelijk, zoals het boek ook extern niet kon worden gepresenteerd tijdens publieksbijeenkomsten. Dat gemis werd enigszins gecompenseerd door de aandacht die diverse media schonken aan de verschijning van het boek en de auteur.

Een taartschep voor Schiller

Zoals in eerdere blogs al aangegeven, ben ik een fervent liefhebber van rommelmarkten en kringloopwinkels. In ‘oude rommel’ kom je de meest curieuze of bijzondere spullen tegen, die je aanzetten tot een zoektocht naar de herkomst, de maker of de context. Een fraai voorbeeld hiervan is een (verzilverde?) taartschep die ik deze zomer op de Goudse rommelmarkt kon aanschaffen voor luttele €10, met daarop de beeltenis van de grote Duitse dichter, filosoof en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Hij is daarop ten voeten uit afgebeeld, met wapperende manen en gekleed in een kostuum met lange jas. In zijn linkerhand houdt hij een papierrol vast. Zijn rechterhand rust op een boek. Ver boven zijn hoofd zweeft een gelauwerd harpje. Het hele tafereel is omzoomd met een krans van bladeren. Onder Schillers voeten staat de datum 10 november 1859. De achterzijde van de schep is glad, met wat lichte beschadigingen. De steel is stevig en geornamenteerd; bij de aansluiting van de schep is enig restauratiewerk verricht.

Een zoektocht naar de aanleiding tot de vervaardiging van deze taartschep hoefde niet lang te duren. De genoemde datum van 10 november 1859 staat gegrift in het geheugen van Duitsland en aanpalende gebieden. Op die dag werd de honderdste geboortedag van Friedrich Schiller gevierd, en niet in stilte. De gebeurtenis was aanleiding voor Das Schillerfest, ook wel Das große Schillerfest of de Schillerfeier genoemd, het grootste dichtersfeest dat ooit in Duitsland is gehouden. Op alle Duitse universiteiten en hogescholen vonden herdenkingen plaats en ook elders in het land werden feesten en fakkeloptochten georganiseerd. In Berlijn, op de Gendarmenmarkt, werd op die dag de eerste steen gelegd voor een groot standbeeld voor de dichter.

De vieringen hadden naast een culturele achtergrond ook een politieke lading. In het jaar van de viering was het ook precies tien jaar geleden dat de Revolutie van 1848/49 plaatsvond en veel deelnemers waren er heilig van overtuigd dat de eenheid en de vrijheid van Duitsland een stuk dichterbij was gekomen. De festiviteiten worden dan ook beschouwd als een belangrijke psychologische en symbolische stap in de Duitse staatsontwikkeling. Ook in Zwitserland werd Schiller, auteur van Wilhelm Tell, groots herdacht en daar werd hij geëerd als de stichter van de moderne Zwitserse staat. Ook elders in Europa, bijvoorbeeld in Antwerpen, werden op deze datum overigens grote Schillerfeesten gehouden. Niet in Nederland, al weet de Rotterdamsche Courant van die dag te melden dat her en der in het land groepjes Schiller-liefhebbers stilstaan bij diens honderdste verjaardag.

Waar de taartschep is vervaardigd, door wie en in welke aantallen, is onbekend. Op internet zijn talrijke herinneringsmunten te vinden naar aanleiding van het Schillerfest, maar een taartschep, Tortenheber Tortenschaufel of Vorlegebesteck kwam ik niet tegen. Maar dat lukte wel Peter Thissen, die mij er naar aanleiding van deze blog op attendeerde dat een soortgelijke taartschep werd aangeboden op een veiling in Duitsland voor €95. Hoe het ook zij, door het feestelijke voorwerp krijg ik weer een prachtige blik in een bijzonder stukje geschiedenis.

Ovittius Abbema junior (bijna) naar Ethiopië?

Ovittius (Wytze) Abbema, zoon van de beruchte dominee-dokter-pastoor Pibo Ovittius Abbema (c.1542-1618), heeft een minstens zo markant leven geleid als zijn vader, dat was ons al duidelijk geworden na eerdere ontdekkingen over zijn verblijf als ziekentrooster in Oost- en West-Indië en in Rusland (Moskou). Net als in het geval van zijn vader kunnen we zijn levensloop reconstrueren aan de hand van steeds weer nieuwe splinters archiefmateriaal. Tot nu toe leek het erop dat hij na zijn omzwervingen over de wereld in 1631 definitief was neergestreken in Utrecht om daar zijn laatste jaren als gelei- of tegelbakker – zijn oude ambacht – te slijten. Dankzij de zegeningen van Delpher – het digitale kranten-, tijdschriften- en boekenarchief van de Koninklijke Bibliotheek, moet daar toch nog een nieuwe buitenlandse episode aan toegevoegd worden.

Na zijn terugkeer van een verblijf in Moskou, waar hij de kleine Nederlandse gemeenschap diende als ziekentrooster en zelfs deel uitmaakte van een delegatie die werd ontvangen aan het hof van de tsaar, kwam Ovittius Abbema in zijn nieuwe woonplaats Utrecht blijkbaar in contact met Dirck van Helsdingen. Deze regentenzoon was van 1627 tot 1630 de Utrechtse representant geweest in de Kamer van de West-Indische Compagnie (WIC), door de Utrechtse magistraat aangesteld omdat hij in West-Indië was geweest en de “zeevaert wel verstonde”. Wellicht dat beiden elkaar al uit Indië kenden, want ook Abbema verbleef daar – onbekend waar precies – tussen 1624 en 1626. Van Helsdingen was was berucht om zijn eigengereidheid en nam na het zoveelste conflict in mei 1630 zelf ontslag bij de WIC. Samen met Ovittius Abbema vatte hij het plan op een een geheel nieuw geografisch gebied te gaan verkennen op winstgevende handelsmogelijkheden. Om mogelijke obstructie te omzeilen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) zochten beiden daarvoor de steun van een externe mogendheid, in de persoon van Ulrich II, graaf van Oost-Friesland in Emden.[i]

Hun plan lieten Van Helsdingen en Abbema op 3 oktober 1631 op schrift vastleggen bij de Utrechtse notaris Wolfhard Zwaerdecroon:

“Diederick van Helsingen, oud-bewindhebber van de WIC tot Amsterdam ende Ovittius Abbema, verclaerden alszo dat Sijne Genade den Grave van Oost-Vrieslant van meninge was, door hun comparanten te doen oprichten sekere compagnie, omme op Sijne Genades name te negotieeren op sekere partijen van Arabia deserta ende andere plaetsen daer omtrent, waertoe zij comparanten eerstdaechs verhopen jeder in sijn qualité, van Sijne voorgemelte Genade commissie ende octroy te sullen impetreren”.

Op dat moment hadden beiden al tot twee keer toe bij de VOC-Kamer van Amsterdam octrooi gevraagd voor de “negotie” op dit gebied en tot twee keer toe – op 8 oktober 1630 en 5 februari 1631-  hadden de Staten-Generaal  deze Kamer laten weten geen consent te willen verlenen. Bij de afwijzing van het consent werd iets specifieker aangegeven dat het zou gaan om een missie naar het Land van Abbyssinië “anders genaemt Paep Jans Landt, beoosten Cape de Bonne Esperance [Kaap de Goede Hoop]”. Erg specifiek is deze aanduiding overigens ook weer niet, want Kaap de Goede hoop ligt mijlenver af van Ethiopië en Paap Jan Land was omgeven door mysterie.

Paap Jan regeert over zijn land (l) en graaf Ulrich II van Oost-Friesland voelde hier ook wel voor.

Paap of Priester Jan was een uit de 13de eeuw stammende legende over een middeleeuwse koning van een groot en machtig rijk ten Oosten van Azië dat nooit heeft bestaan en die vanaf de 14de eeuw toegepast werd op delen van Afrika in het algemeen en op Ethiopië in het bijzonder. De Ethiopische keizer stond in die dagen onder Europeanen bekend als Pape Jan. In de plannen van Van Helsdingen en Abbema werd klaarblijkelijk gedoeld op Oost-Afrika, zoals weergegeven op een kaart van Abraham Ortelius uit 1564 in zijn Theatrum Orbis Terrarium. Daar heet het gebied “Presbiteri Johannis, sive, Abissinorum Imperii descripto”.

Of het ondanks de bezwaren van de Staten-generaal toch gekomen is tot een verkennende tocht naar dit gebied is onduidelijk. In elk geval bleef Van Helsdingen vasthouden aan zijn plannen, want op 23 september 1632 werd een Abyssinische Compagnie opgericht, met hem als gouverneur-generaal en ene Johan de Prindre als zijn plaatsvervanger. De acte werd opnieuw verleend door notaris Zwaerdecroon, maar ditmaal wordt Ovitius Abbema niet vermeld, ook niet bij de ondertekenaars.

Een brief van de bewindhebbers van de VOC aan de Staten-Generaal van 9 juli 1637 werpt een ander licht op de hele onderneming:

“So voor desen eenen Dirck van Helsdingen onder de titel van Abbessinische Compagnie Sijne Genade van Oost-Friesland wijsgemaackt hadde, dat aldaar in delanden van Abbisinia (anders genaampt Paep Jans Landt) goude minen en meer andere rijckdommen soude te vinden sijn”.

Volgens de Staten-Generaal was de feitelijk bedoeling van Van Helsdingen echter om met enige schepen in zee te geraken en op de Rode Zee Moorse schepen en goederen te roven.[ii] Een dergelijke vorm van ‘misleiding’ zou geheel passen in de modus operandi van de vader van Ovittius Abbema, maar het is onzeker of hij bij deze invulling van de onderneming betrokken is gebleven. Zeker is alleen dat deze compagnie geen lang leven beschoren was. Na deze laatste lokroep uit den vreemde heeft Ovittius Abbema zich ten langen leste waarschijnlijk neergelegd bij een bestaan als tegelbakker in Utrecht, nabij zijn moeder, twee zussen en zijn vrouw.


[i] L.J. van Beuningen, ‘Het geslacht Van Helsdingen’, in: De Wapenheraut, maandblad gewijd aan geschiedenis, geslachts-, wapen-, oudheidkunde enz. 12 (1908) 483-485.

[ii] H. de Balbian Verster, ‘De Abessynische Compagnie. Een Nederlandsche Maatschappij in 1632’, in: Haarlem’s Dagblad, 15-1-1936.

Kringloopvondst: originele linosnede Willem van Norden met Goudse monumenten

Kringloopwinkels mogen zich verheugen in onze grote belangstelling. Deze eindmorene van onze doorgedraaide economie levert niet zelden verrassende vondsten op. Vaak zijn dat in ons geval boeken, die voor luttele bedragen aan een tweede leven beginnen, maar ook op andere gebieden valt er met enig zoeken veel moois op te duikelen. Vandaag leverde een bezoekje aan de Goudse Kringloop aan de Fluwelensingel weer eens een verrassende vondst op. Dit keer was het een prachtig ingelijste grote linosnede van de Gouds-Amsterdamse kunstenaar Willem Hendrik van Norden, met een collage van de belangrijkste Goudse monumenten.

De afbeelding kwam mij bekend voor. Ik herinner me dat de Oudheidkundige Kring Die Goude deze met de hand genummerde linosnedes in 1986 in een beperkte oplage van tweehonderd exemplaren voor 25 gulden aan de man probeerde te brengen, vergezeld van een boekje over Van Norden dat werd geschreven door oud-journalist en bestuurder van die Goude, Theo de Jong. De kopers kregen de verzekering dat het genoemde aantal bij de bij Drukkerij Van Tilburg BV in Gouda gedrukte exemplaren nooit groter zou worden, omdat de drukvorm was vernietigd. Het eerste exemplaar werd op 6 november 1986 aangeboden aan mw. Nicolette Sluijter, directeur van Museum Het Catharinagasthuis en Willem van Norden, zoon van de kunstenaar. Ter gelegenheid van deze uitgave werd ook een kleine expositie ingericht in Museum De Moriaan.

Het origineel was in bezit van de toenmalige voorzitter van Die Goude, Anton Houdijk, toen inmiddels burgemeester van Zoeterwoude. Ik woonde toen net twee jaar in (een nieuwbouwwijk van) Gouda, na onze emigratie uit Twente. Mijn verbondenheid met de stad was destijds nog niet zo groot dat ik deze prent kost wat kost wilde aanschaffen, ook al zat ik toen al in het bestuur. Dat gold voor meer Gouwenaars, want enkele jaren later lagen er nog exemplaren te koop in het winkeltje van Die Goude aan de Dubbele Buurt 4. Inmiddels ben ik volledig verknocht aan de stad en haar geschiedenis en kan ik het bijzondere van deze prent op waarde schatten.

In mijn herinnering was het papier van de nadruk iets witter. Mijn nieuwe aanwinst is gelig. Aan de achterzijde van de fraai ingelijste prent is een fotokopie van de prent geplakt met in een onderschrift het relaas over de nadruk door Die Goude. Daar is met pen aan toegevoegd: “origineel gekregen van Anton en Mieke, aug. 2013”. Bij nadere beschouwing van de prent wordt duidelijk dat het niet om een in de drukkerij strak afgesneden exemplaar gaat. Het papier is licht glooiend aan de bovenzijde. Bovendien ontbreekt de handmatige nummering. Ik concludeer hieruit voorzichtig dat ik vanmiddag in de kringloopwinkel geen nadruk heb aangeschaft van de linosnede, maar een originele afdruk!

Hoe het ook zij, de linosnede is krachtig, door de scherpe zwarte lijnen en de opwaartse beweging van het geheel. Van Norden (1883-1978) was dan ook geen ‘amateur’. Hij speelde een belangrijke artistieke rol in de Goudse plateelindustrie. Als 15-jarige als leerlingschilder begonnen in dienst van de Amsterdamse plateelfabriek De distel, ontwikkelde hij zich gaandeweg tot een vaardig plateelschilder. In zijn vrije tijd ontwikkelde hij zijn bekwaamheden verder door het volgen van lessen aan de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. In 1902 werd hij ontwerper bij De Distel en in 1911 artistiek leider. In 1922 werd het bedrijf overgenomen door de plateelfabriek Goedewaagen in Gouda, reden voor Van Norden om een jaar later met zijn gezin te verhuizen naar Gouda. Ook daar bleef hij een voorname rol spelen in het ontwerpen van dessins voor het aardewerk, zoals tegeltableaus en zelfs een servies ‘Van Norden’. Hij stopte pas in 1961 met dit werk, toen hij 78 jaar was ook geen ‘amateur’. Hij speelde een belangrijke artistieke rol in de Goudse plateelindustrie. Als 15-jarige als leerlingschilder begonnen in dienst van de Amsterdamse plateelfabriek De distel, ontwikkelde hij zich gaandeweg tot een vaardig plateelschilder.

In zijn vrije tijd ontwikkelde hij zijn bekwaamheden verder door het volgen van lessen aan de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. In 1902 werd hij ontwerper bij De Distel en in 1911 artistiek leider. In 1922 werd het bedrijf overgenomen door de plateelfabriek Goedewaagen in Gouda, reden voor Van Norden om een jaar later met zijn gezin te verhuizen naar Gouda. Ook daar bleef hij een voorname rol spelen in het ontwerpen van dessins voor het aardewerk, zoals tegeltableaus en zelfs een servies ‘Van Norden’. Hij stopte pas in 1961 met dit werk, toen hij 78 jaar was.

Van Norden was gehuwd met de joodse Bets Hakkert. Zij woonden in Gouda aan de A.G. de Vrijestraat.  Zijn vrouw werd in 1944 gearresteerd en belandde in Westerbork. Zij wist te ontkomen en overleefde daardoor de oorlog.

Pakpapier meegedrukt

Het verzamelen van oude boeken levert soms verrassende ontdekkingen op, maar ook raadsels. Gelukkig bestaat er dan Twitter om bij het zoeken naar een antwoord de inmiddels groeiende groep bibliofiele vrienden te hulp te roepen. Zo vond ik deze week op Marktplaats een Frans-Nederlands woordenboek van Marin en Holtrop uit 1786. Mijn aandacht werd getrokken door het mooie perkamenten bandje, maar meer nog door een leeg eerste blad, met onderaan een gedrukte regel met de tekst “Dit blaadje om de tytel te slaen”. Ik had dat nog niet eerder in een boek gezien en hoewel woordenboeken niet tot mijn verzamelgebied horen, was ik zo gefascineerd door die raadselachtige tekst, dat ik besloot deze dictionaire voor het luttele bedrag van €20 aan te schaffen. Bovendien past een mooi perkamenten bandje altijd in mijn trofeeënkast.

Eenmaal in handen bleek mij dat aan de achterzijde van dat bijna lege blaadje ook een tekst gedrukt was. Daarin richt de drukker, Blusse uit Dordrecht, zich tot de koper met een verklaring waarom deze negende druk zoveel duurder was uitgevallen dan de voorgaande edities. Pas op het blad daarachter stond de titelpagina, gevolgd door een bericht aan de lezer over de inhoud. Aanvankelijk ging ik ervan uit dat er wellicht een titelgravure ontbrak, die in veel achttiende-eeuwse boeken voorafgaat aan de eigenlijke titelpagina (en soms nog gevolgd wordt door een gedicht om de titelgravure uit te leggen). Toch vond ik de uitdrukking “tytel slaen” wat merkwaardig. In een tweet vroeg ik wat die uitdrukking kon betekenen.

Binnen een mum van tijd had ik diverse suggesties van boekenvrienden. De bekende Perkamentus veronderstelde dat het een bindaanwijzing was, die werd verwijderd als er een definitieve luxere band omheen werd gedaan. Het zou volgens hem wellicht ook een soort omslagblad kunnen zijn geweest. Dat het nog in het boek aanwezig was noemt hij een ‘curiosum’. Paul Dystelberge, boekhistoricus en curator van een prachtige boekencollectie van het Allard Pierson Museum in Amsterdam, denkt het met meer zekerheid te weten. Het is volgens hem een verpakking om het gebundelde maar ongebonden boek netjes te houden. Dat het blad vervolgens door de boekdrukker is mee gebonden in het boek noemt hij “ultra zeldzaam”. Wat er dus eigenlijk staat: een blaadje om als kaft om het nog ongebonden boek te gebruiken.

Met hulp van deze deskundigen ben ik ervan overtuigd geraakt dat mijn collectie weer een uitzonderlijk boekwerkje rijker is met dit woordenboek. Minpuntje is dat het alleen het eerste deel van een tweedelige uitgave is. Een jaar later, in 1787, verscheen deel 2, een Nederlands-Franse pendant. Het zal niet eenvoudig zijn om dat er bij te vinden, dacht ik. Maar dat leek mee te vallen; wederom dankzij de zegeningen van het internet. Via boekwinkeltjes.nl bleek zo’n los tweede deel voor een vergelijkbaar laag bedrag te krijgen. Helaas werd ik blij gemaakt met een dode mus: de slordige aanbieder meldde in reactie op mijn bestelling, dat hij het al verkocht had. We blijven zoeken.

Naschrift: Dat zoeken hoefde uiteindelijk niet lang te duren. Bij een bezoek aan het pop-up antiquariaat van Paul Gaemers in Baarn, een vaste deelnemer aan de Haagse boekenmarkt die zijn voorraad op deze manier in snel tempo wil verkopen, stuitte ik tot mijn gerote vreugde op een los tweede deel van dit woordenboek; dit keer in een mooie originele bruin-lederen band. En dat voor het luttele bedrag van 5 euro. Ik kon mijn geluk niet op.