Zomaar een donderdag op de Haagse boekenmarkt

Een van de stille genoegens van een Haagse ambtenaar is het wekelijkse bezoekje aan de boekenmarkt. In de winter hebben de handelaren in oud papier hun plek op het Plein, tegenover de bezoekersingang van de Tweede Kamer. In de zomer verhuizen zij naar de Korte Voorhout, waar ook antiek- en curiosaverkopers dan een plek hebben. Ik ben niet de boekenige trouwe bezoeker. Na verloop van tijd haal je de vaste klanten er zo uit. Soms zijn het echte verzamelaars, die vooral te herkennen zijn aan de geconcentreerde blik waarmee zij heel precies de uitgestalde boeken schouwen; het hoofd licht gebogen om de titels te kunnen lezen. Meestal zijn het mannen, vaak met lange regenjas en een plastic of stoffen tas in de hand. Daarnaast zijn er de ambtenaren, strak in het pak, die de middagpauze benutten om quasi nonchalant even langs de kramen te lopen en dan het liefst van de tafels met boeken voor 1 of 2 euro enkele exemplaren meegraaien. Dan is er ook de categorie ‘bekende Nederlanders’. Zij doen doorgaans hun uiterste best om onbekende Nederlander te lijken, maar ontkomen niet aan blikken van herkenning en semi-grappige opmerkingen van omstanders. Piet Hein Donner scharrelde er in zijn ministerstijd vaak even rond, net als oud-staatssecretaris Aad Kosto, oud-minister Ad van der Steur, en D’66-fractievoorzitter Pechtold. Maar ook de historicus Han van der Horst en de Leidse hoogleraar Edwin Bakker laten zich er geregeld zien. De meest markante bezoeker, die bijna elke week even opduikt – al dan niet in gezelschap van zijn vrouw – is Wim de Bie. Deze cultheld uit mijn jeugd begint met het klimmer der jaren steeds meer te lijken op de typetjes die hij vroeger speelde. Geen idee naar welke boeken hij op zoek is, maar als een ware bibliofiel monstert hij zorgvuldig alle kramen. Iets kopen heb ik hem nooit zien doen.

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

 

 

De handelaren zelf weten precies wie ze voor zich hebben en grijpen elke kans de bibliofielen te wijzen op een exemplaar dat niet in hun collectie mag ontbreken. Minzaam wordt zo’n boek dan in de hand genomen en doorgebladerd.  Na de standaardverzuchting dat hij eigenlijk geen plek meer in de boekenkast heeft en zich eigenlijk had voorgenomen niks meer aan te schaffen, begint toch altijd het loven en bieden. De ene handelaar is daar meer bedreven in dan de andere: die schat in tot welke prijs hij redelijkerwijs moet zakken om de koper te verleiden en dat lukt dan ook meestal. Anderen houden stug vast aan hun prijs en zien belangstellenden dan weer snel afhaken. Interessant zijn ook de onderlinge  gesprekken tussen de handelaren. Het zijn beroepsklagers, die geen gelegenheid onbenut laten met een sombere gezichtsuitdrukking luid te verklaren dat de handel waardeloos is en dat ze liever vandaag dan morgen ermee zouden stoppen. Maar de week erop staan ze er weer; weer of geen weer.

Toegegeven. De handel in oude boeken is geen vetpot. Het zogeheten ‘modern antiquariaat’, dat wil zeggen boeken vanaf circa 1900, is volledig ingestort. Waar vroeger grif tientallen guldens werden betaald voor zo’n antiquarisch boek, daar gaan dezelfde boeken nu vaak voor enkele euro’s van de hand. Als koper is dat enerzijds natuurlijk geweldig, want vele fraaie boeken zijn nu voor een prikkie aan te schaffen. Anderzijds is er voortdurend het knagende, ongemakkelijke gevoel dat het eigen huis wordt volgestouwd met waardeloos oud papier, waar je nazaten straks geen weg mee weten. Maar als dan weer hele bibliotheken van gerenommeerde boekbezitters bij de euroknaller worden uitgestald – zoals onlangs nog een keur aan standaardwerken over de boekdrukkunst – dan ga je als koper toch weer heel opgewekt met een tas vol naar huis.

En dan zijn er nog de oude drukken. De prijs hiervan is niet zo dramatisch gedaald als die van modernere drukwerken, maar op sommige terreinen zit er ook op dit gebied de klad behoorlijk in. Door de razendsnelle secularisering en sluiting van kerk- en kloosterbibliotheken komen theologische werken in groten getale op de markt. Het aanbod van Statenbijbels, gebedsboeken en andere vrome lectuur is zo groot, en de vraag zo klein, dat de prijzen hiervoor stevig zijn gedaald. Bijzondere exemplaren worden doorgaans nog wel voor hoge prijzen in de (nog resterende) gespecialiseerde veilinghuizen verkocht, maar steeds grotere restpartijen vinden via deze veilingen hun weg naar de boekhandelaren op markten als die in Den Haag. Veelal gaat dat dan om exemplaren met kleinere of grotere mankementen, zoals ontbrekende prenten, beschadigde boekbanden of een boek zonder titelpagina. Maar voor de volhouder zijn er ook nog altijd juweeltjes te vinden.

Afgelopen donderdag hield een van mijn favoriete boekenisten een soort uitverkoop van winkeldochters en lelijke eendjes. Oude boekjes uit vervlogen eeuwen die de tand des tijds slechts met moeite hadden doorstaan, werden door hem verkocht voor een of twee tientjes. Vaak waren het losse deeltjes of obscure werkjes met een even obscure inhoud. Handelaar Peter, zoals ik Erik altijd abusievelijk noem, vertelde dat hij die ochtend al heel veel van deze partij verkocht had, bijvoorbeeld aan mensen die een cursus boekbinden volgden en hiermee mooi oefenmateriaal hadden om te restaureren. Op de kraam lag ook nog een groot boek in folioformaat, waar een klant geïnteresseerd in stond te bladeren. Ik kon de verleiding niet weerstaan over diens schouder mee te kijken en mee te luisteren welke vragen hij stelde. Of het oud was en hoe die drukletter eigenlijk genoemd werd. Dat trok ook de aandacht van een andere klant, die omslachtig begon uit te leggen dat dit wel eens een heel oud boek kon zijn en dat er ook oude aantekeningen in de marge stonden.

Eras1

Eras3Voor mij was op dat moment al duidelijk dat het een zeer oude, zestiende-eeuwse druk was; weliswaar met een zwaar beschadigde band, ontbrekende titelpagina, losliggende eerste katernen en diverse ontbrekende pagina’s aan het eind. Even leek het erop dat de geïnteresseerde beschouwer tot aanschaf zou overgaan, vooral nadat Peter meldde dat het boek voor het luttele bedrag van 25 euro weg mocht. Ik hield de adem in, maar de man liep gelukkig door. Dat was voor mij het moment om toe te slaan: zonder te weten om welk werk het ging en hoe oud het precies was (ik schatte 1540), besloot ik dit zwaar getormenteerde boek te kopen en een poging te wagen het nader te determineren.

Eras10

Dankzij de zegeningen van het internet en alle digitaliseringsprojecten van grote bibliotheken kostte het weinig moeite om te achterhalen welk werk ik had aangeschaft. Het bleek een bundeling van Latijnstalige geschriften te zijn over de vroege geschiedenis van Rome. Die geschriften zijn in de loop der jaren in vele edities uitgegeven, dus nu was het zaak te achterhalen om welke uitgave het hier ging. Na vergelijking van diverse bladzijden en diverse initialen (fraai gegraveerde beginletters) ontdekte ik dat het zowaar om een editie ging die was bewerkt door onze grote Gouwenaar Desiderius Erasmus; een uitbreiding dus van mijn collectie Goudana! De eerste uitgave van dit werk dateert uit 1518 en verscheen bij Erasmus’ lijfdrukker Johannes Froben in Basel. Maar die uitgave was het niet, want de lay-out was aanmerkelijk anders. Uiteindelijk kon ik vaststellen dat het bij mijn exemplaar gaat om een Keulse druk uit 1527; een vroege postincunabel dus en nog tijdens het laven van Erasmus gedrukt (hijEras7 stierf in 1536). Van de Rotterdamse geleerde is bekend dat hij bleef sleutelen aan zijn teksten en vertalingen en zijn boekdrukkers tot wanhoop dreef door steeds weer nieuwe edities op de persen te laten leggen.

Nu het boek gedetermineerd is, is het voor mij extra waardevol, ondanks alle beschadigingen en mankementen. Het grootste deel van het boek is nog intact en de bladzijden zijn uiterst fraaie voorbeelden van vroege boekdrukkunst. De band bevat nog het originele geblindstempelde leer dat over houten platten is gespannen en ook de rug is deels nog origineel. Van de koperen boekklampen resteren alleen nog kleine gedeeltes op de platten. Het meest betreurenswaardig is het ontbreken van het zeer fraaie titelblad. Dankzij de zegeningen van het internet kon dat gelukkig nog wel in fotokopie voorin het boek gelegd worden.

En zo leverde mijn donderdagse bezoek aan de Haagse boekenmarkt weer een fraaie aanwinst voor de boekenkast op, met een bijzonder verhaal.

Een kast, een kast, een koninkrijk voor een kast

Bibliofielen zijn een raar slag mensen. Ze kenmerken zich door een niet te stillen honger naar boeken, maar lezen zelf weinig. Daar hebben ze eigenlijk geen tijd voor. Steeds zijn zij op zoek naar nieuwe aanwinsten voor hun collectie, want die is nooit compleet. Als bibliofielen namelijk iets niet kunnen, dan is het wel afgrenzen en inperken; focussen heet dat tegenwoordig. Dat komt omdat ze bij het afstruinen van boekenmarkten, kringloopwinkels, veilingen en beurzen voortdurend stuiten op exemplaren die dan wel VanderVinneniet in hun collectie passen, maar er toch ook prachtig uitzien, fraai vormgegeven zijn of een bijzondere signatuur hebben. Je bent nu eenmaal boekenliefhebber of je bent het niet. En als de prijs dan ook nog meevalt, dan kun je ook zo’n buitenbeentje natuurlijk niet laten liggen.

Gevolg is, dat de bibliofiel ondanks zijn heilige voornemen zich voortaan in te houden en zich te beperken tot zijn daadwerkelijke interessegebied, voortdurend te kampen heeft met geld- en ruimtegebrek. In plaats van het geld te reserveren voor het moment dat dat unieke boek, waarnaar hij al jaren op zoek is, op de markt komt, stilt hij zijn honger tussentijds met buitenkansjes en koopjes. Als dan het daadwerkelijke droomboek voor het grijpen c.q. kopen ligt, schieten de middelen niet zelden tekort om mee te blijven bieden. Bovendien nemen die ‘ook mooi’-aanwinsten een groot deel van de ruimte in de boekenkasten in beslag, waardoor er voor de fraaie exemplaren van de feitelijke collectie steeds minder ruimte is om ze optimaal tot hun recht te laten komen.

Gisteren had ik het voorrecht een oog te mogen werpen op de verzameling van een collectioneur die het anders aanpakt. In zijn appartement staan aan de wanden geen boekenkasten, maar grote vitrinekasten, met daarin boeken met de fraaist denkbare boekbanden vanaf de late middeleeuwen tot heden. Dat is dan ook zijn verzamelgebied: boekbanden. De inhoud doet er bij hem minder toe; het is de vorm die het doet. Fraaie leren en perkamenten geblindstempelde bijbels en theologische werken staan zij aan zij met gebedenboeken van allerlei formaat met schildpadomkleding of voorzien van kostbaar goud of zilver. Maar ook moderne boekomslagen, art deco of jugendstil, uit de negentiende of vroeg twintigste eeuw krijgen bij hem een plek. Een collectie om je vingers bij af te likken, al kun je dit beter niet doen omdat vocht slecht is voor boeken.

Het opbouwen van zo’n collectie vereist precisie, kennis, smaak en natuurlijk ook geld. Hoewel ik over al deze zaken wel enigermate denk te beschikken, denk ik niet dat het mij zou lukken zo gericht te werk te gaan. Daarvoor is mijn interessegebied eenvoudigweg te groot, evenals mijn honger voor boeken. Ik spits mij dan wel toe op enkele terreinen (Goudana, Bestandstwisten, Bijbels, stadsgeschiedenissen, katholieke polemieken en algemene geschiedwerken), maar ook daarbuiten heb ik nog vele boeken die mij dierbaar zijn en waar ik nooit afstand van zou willen doen. Mijn grootste vijand daarbij is steeds opnieuw ruimte. ‘Waar laat je al die boeken?’ is na ‘heb jij dat allemaal gelezen?’ de vraag die het meest aan mij gesteld wordt.

Bij onze verhuizing van de nieuwbouw naar de binnenstad van Gouda, nu acht jaar geleden, dacht ik voor lange tijd verlost te zijn van mijn ruimtevrees. Ik kreeg voor mijn boeken immers een hele benedenverdieping als bibliotheek beschikbaar, die schier oneindige mogelijkheden leek te bieden voor mijn verzamelwoede. Toch bleek ook dezeKast1 ruimte als snel weer te klein. Door het instorten van het modern antiquariaat kon ik het niet laten elke donderdag op de Haagse boekenmarkt, maar ook op de jaarmarkten in Dordrecht, Deventer en elders, grote aantallen prachtige boeken aan te schaffen tegen ridicuul lage prijzen. Daarnaast weten mensen mij steeds meer te vinden als zij van boeken van zichzelf of van overleden familieleden afwillen. En zeg dan maar eens nee.

Kort voor de Deventer markt, zoals altijd op de eerste zondag in augustus, leek het moment aangebroken dat ik tegen mijzelf moest zeggen: vol = vol. Dat kon niet waar zijn. Tompoes verzin een list. Ik dacht al aan het inrichten van een boekenkast in onze garage of een tijdelijke opslag op het werk, toen een inbrengwinkel – in elk geval tijdelijk – een oplossing bood. Daar zag ik in de etalage een wonderlijke kast staan, die precies bood wat ik zocht: dubbele ruimte. Deze Chinese kast, met donkere buitenkant en fraai kersenhouten binnenzijde, was ongetwijfeld niet bedoeld voor boeken, maar is er uitstekend voor geschikt. En met enig passen en meten was er nog net plek voor te maken in mijn bibliotheek, binnen de randvoorwaarden die mijn lief van meet af aan heeft gesteld: we moeten net genoeg ruimte overhouden om er met ons boodschappenkarretje langs te kunnen richting keuken. En zo heb ik met Chinese hulp voorlopig weer ruimte om mijn verzameling uit te breiden. Een hele troost.

Kast2

De laatste hand van de meester

Op de dag dat Jan Six, kunsthandelaar en telg uit een roemrucht Jannengeslacht, wereldkundig maakte dat hij in eigen persoon een nieuwe Rembrandt had ontdekt bij een onoplettend veilinghuis, legde een eigentijdse Rembrandt bij ons thuis de laatste hand aan een duoportret dat hij van Christa  en mij heeft gemaakt. Het schilderij hangt al enige tijd in onze kamer, maar moest nog voor een laatste keer door de kunstenaar, Reinout Krajenbrink uit Groningen, worden afgelakt om het zijn finale glans en bescherming te geven.

Vernis3

Bij het nieuw ontdekte portret van een onbekende jongeman, wordt met stelligheid door Six gesteld dat het werk is geschilderd door Rembrandt van Rijn. In een door hem handjegeschreven boek legt hij uitvoerig uit hoe hij de meesterhand heeft herkend, met name door de blik van de afgebeelde persoon die de beschouwer recht in de ogen kijkt en door de wijze waarop de kraag van de man is geschilderd. Die kraag stelt hem in staat het doek zelfs zeer nauwkeurig te dateren op 1634. Toch zijn er ook twijfels. Met name de merkwaardige hand roept vragen op, zeker op Twitter. Bij goede beschouwing blijkt het te gaan om een hand met een handschoen. Dat doet echter niets af aan het gegeven dat dit gedeelte van het portret weinig overtuigend is.

 

Hoe anders zijn de handen op ons portret. Er wordt wel eens gezegd dat handjesweinig kunstenaars bedreven zijn in het schilderen van handen. Dat kan niet gezegd worden van onze schilder, die aan de Groningse academie Minerva geschoold is in de traditie van de Noordelijke realisten. Vanavond in Museum Gouda leerde de bekende Volkskrant-recensente Wieteke van Zeil in een lezing hoe je moet kijken naar details in een schilderij om de diepere waarde van een kunstwerk goed te kunnen onderkennen. Als wij dat toepassen op ons dubbelportret, dan valt pas goed op hoe belangrijk onze handen daar zijn. Rembrandt zou er jaloers op zijn.

Geestelijken op de Hollandse tegel; geloof achter de voordeur

Eerder is op deze blog al eens gewezen op bijzondere aspecten van de oud-Hollandse tegel als bron voor historisch onderzoek. Wat betreft afbeeldingen is het een onuitputtelijke bron, want je kunt het zo gek niet bedenken of het is wel afgebeeld op een tegel. In de vuistdikke ‘bijbel’ voor tegelverzamelaars, De Nederlandse tegel. Decors en benamingen, 1570-1930 van Jan Pluis, wordt een uitputtend overzicht gegeven van afbeeldingen (decors), formaten, ornamenten, omlijstingen, hoekmotieven en de voornaamste productiecentra (tegelbakkerijen). Tegels zijn niet gesigneerd, maar op basis van verschillende bovengenoemde elementen kunnen zij met een zekere marge gedateerd worden.  Voor mij als kerkhistoricus kunnen de tegels een interessante bron zijn, die naast schriftelijke bronnen, schilderijen en religieuze voorwerpen, op een andere manier zicht kunnen bieden op het religieuze leven in de Republiek, gedurende de zeventiende en achttiende eeuw.

T1

T2T3

 

 

 

 

Tijdens mijn zoektocht naar tegels op veilingen, webshops, rommelmarkten en in antiekzaken viel mij op dat er nog al wat tegels uit met name de periode 1630-1670 bestaan, waarop een of meer geestelijken te zien zijn. Dat is een opvallende constatering, want in de Republiek was de gereformeerde kerk de enige door de overheid bevoorrechte kerk. Andere religies waren officieel verbonden en de aanhangers werden verbannen naar het kerkelijk achtererf, in schuur- en schuilkerken. Kerken werden afgepakt van de katholieken en overgedragen aan de gereformeerden. Kloosters werden gesloten en de goederen geconfisqueerd. Elke openbare manifestatie van het rooms-katholieke geloofsleven – zoals processies, knielen en bidden bij graven, het dragen van priesterkleding etc. – was bij wet verboden. Overtredingen werden fors bestraft met boetes en in sommige periodes zelfs met verbanning.  Tegen die achtergrond zou je dan ook niet verwachten dat tegelbakkerijen tegels lieten beschilderen met heiligen of geestelijken. Toch is dat in aanzienlijke mate gebeurd.

T4

T5T7

 

 

 

 

Ik heb mij bij mijn speurtocht toegespitst op tegels met geestelijken (pastoors, paters, nonnen, klopjes). Inmiddels heb ik er zeven in mijn bezit gekregen, waarbij ik moet aantekenen dat ik diverse heb laten liggen omdat er voor tegels vaak zeer hoge prijzen gevraagd worden. Ik zoek weliswaar geen zeldzame Goudse spijkertegels, zo genoemd omdat er vogels op afgebeeld staan die op een spijker zitten, die vele honderden tot duizenden euro’s kosten, maar ook voor mijn geestelijke vogels wordt soms toch tegen de honderd euro gevraagd. De prijs hangt af van de populariteit van de afbeelding (in dat opzicht heb ik geluk met mijn verzamelgebied), de ouderdom van de tegel, eventuele schade of restauratie en bovenal de kwaliteit van de afbeelding. Het is opvallend hoe sommige tegelschilders er met een paar verfstreken in slaagden geen geloofwaardige figuur neer te zetten, terwijl anderen zelfs met dikke kwasten niet echt uit de verf komen.

T6

 

Een verklaring voor het toch geregeld voorkomen van deze eerwaarde broeders en zusters op de tegels zou gezocht kunnen worden in het gebruik van dit steengoed in de private omgeving. Openbare uitingen van het katholicisme of manifestaties van de geestelijkheidGeestelijkeKruis waren taboe, maar wat de gelovigen binnenshuis aan religieuze uitingen of andere aan naar de rooms-katholieke kerk  gerelateerde voorwerpen blijf uit de greep van de overheid. Zolang religie ‘achter de voordeur’ beleden werd, kende de Republiek der Verenigde Nederlanden, zo blijkt ook uit andere bronnen, daadwerkelijk vrijheid.

Van oude documenten en oude adel

Een van mijn geheime genoegens in het leven zijn de donderdagse lunchpauzes, waarin ik al enkele tientallen jaren een bezoekje breng aan de Haagse boekenmarkt. Deze markt wordt in de zomer gehouden op de Korte Voorhout, waar zij wordt gecombineerd met een antiekmarkt. In de winter zetten alleen de boekhandelaren – ook in weer en wind – hun nering voort, maar dan op het Plein. Als vaste bezoeker ken je op den duur alle handelaren

Adolph Philip Zeyger, graaf van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg.

Adolph Philip Zeyger, graaf van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg.

(bij hun voornaam), hun specialismen en hun onderhandelingsruimte. Omgekeerd kennen ze jou ook, evenals jouw interessegebieden en zwaktes in begeerte. Ook een aanzienlijk deel van de bezoekers ken je, meestal van gezicht, maar in sommige gevallen ook bij naam, omdat het collega’s uit de eigen departementale wereld zijn of bekend zijn van radio en tv. Zo snuffelt Wim de Bie elke donderdag tussen de oude boeken. De historicus Han ter Horst en – als de tijd het toelaat – onze ‘onderkoning’ Piet Hein Donner doen hetzelfde.

Ook in de voorraad oud papier komt de vaste bezoeker vele bekenden tegen. Boeken waarvoor hij ooit als student vele tientallen guldens bijeen gespaard heeft, liggen nu achteloos bij de euroknallers voor 1 of 2 euro’s. Maar er vinden ook andersoortige ontmoetingen plaats met oude papieren bekenden, die soms zeer verrassend zijn. Zeldzame drukjes, waarvan je het bestaan kent maar denkt dat zij nooit in je handen zullen vallen, liggen soms achteloos tussen de stapels. Of – zoals in mijn geval – boekwerkjes die in Gouda gedrukt zijn en nu de kans krijgen terug te keren naar hun ‘geboorteplaats’, in mijn collectie Goudana.

Maar soms kom je bekenden tegen die je niet onmiddellijk herkent of kunt plaatsen. Vaak komt dat omdat je ze niet op deze plek verwacht. Het gevoel is dan vergelijkbaar met de

Huize Almelo, woonstee van de grafelijke familie Van Rechteren, herbouwd in 1652

Huize Almelo, woonstee van de grafelijke familie Van Rechteren, herbouwd in 1652

situatie waarin je op vakantie in een ver land plots een collega of buurman voorbij ziet lopen. Ook dan duurt het even voordat het kwartje valt. Soms is zo iemand al om de hoek uit het zicht verdwenen, voordat het besef doordringt dat het een bekende was die in een andere wereld thuishoort. Datzelfde kan ook gebeuren met oud papier. Tussen een oude stapel paperassen zag ik een document uit de achttiende eeuw liggen. Omdat ik eigenlijk principieel tegen het aankopen van archiefstukken ben, had ik het stuk perkament al achteloos terzijde geschoven, toen het tot mij doordrong dat de naam van de ondertekenaar mij wel heel bekend voorkwam. Toen werd mij duidelijk dat het ging om een telg uit het geslacht Van Rechteren, heer van Almelo en Vriezenveen, uit de adellijke familie waarvoor mijn ouders jarenlang hebben gewerkt als kokkin en toezichthouder / jachtopziener op het landgoed. Ondanks mijn huiver om archiefstukken te kopen, besloot ik om redenen van nostalgie voor een keer van die regel af te wijken.

Het voor een luttel bedrag aangekochte document betreft een op 15 juli 1743 door graaf Adolph Philip Zeyger van Rechteren ondertekende leenbrief, waarin hij Berent Ennemans als voogd van Elsken Loeveling, dochter van de overleden Lambert Loeveling, beleent met een derde deel van erve Groot Luevink (Loeveling), gelegen in het gericht Kedinge in het kerspel Markelo. Hieruit blijkt dat het Huis Almelo ook ver buiten het eigen landgoed grote percelen grond in eigendom had. Het besluit tot belening wordt genomen in overleg met de zogeheten “mannen van leene”. Dat waren de jurist en richter van Almelo dr. Joan Frederik Nilant en rentmeester Gerard Boom. Ennemans legt tegenover de graaf en genoemde mannen de verplichte eed van trouw af, waarmee hij beloofde alles te zullen doen wat van een goed en getrouw vazal tegenover zijn leenheer verwacht mag worden.

Grafelijk

De inhoud van de akte is historisch niet uniek of bijzonder, want de vermelde gegevens corresponderen met de informatie die is terug te vinden in de leenprotocollen (leenregisters) van Overijssel, die bewaard worden in het provinciaal archief (Historisch Centrum) in Zwolle. In deze registers zijn vier eeuwen lang (van 1528 tot 1805) de beleningen opgetekend van ongeveer 2500 boerderijen, landerijen, tiend- en visrechten in het gewest. Bijzonder is wel dat het document een autograaf bevat van een belangrijke telg uit het geslacht Van Rechteren en de namen van zijn twee voornaamste raadsheren vermeldt.

Adolph Philip Zeyger van Rechteren was geboren op 19 februari 1699 als oudste zoon van graaf Adolf Hendrik van Rechteren en Sophia Juliana, gravin von Castell-Rudenhausen. Zijn vader was een vooraanstaand diplomaat, die als gevolmachtigde van de Staten-Generaal in Den Haag een prominente rol speelde in de onderhandelingen die leidden tot de Vrede van Utrecht (1713). Zoon Adolph ontving waarschijnlijk eerst onderricht op het Huis, waarna hij zich als 17-jarige liet inschrijven aan de Illustre School van Deventer. In 1724 verkreeg hij aan de zijde van zijn vader een plek in de Landdag. Na het overlijden van senior in april 1731 werd de jonge Adolph beleend met de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Hij was op dat moment al weduwnaar, want Augustina Florentina, gravin Von Ysenburg Budingen, met wie hij op 11 september 1722 in het huwelijk was getreden, overleed reeds zeven jaar later, op 18 oktober 1729. Zij schonk hem twee kinderen, van wie een zoon, Frederik, zeer jong overleed en een dochter, Sophia Caroline Florentina, hem zou opvolgen.

Adolph Philip Zeyger van Rechteren op oudere leeftijd. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

Adolph Philip Zeyger van Rechteren op oudere leeftijd. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

De tragisch jong overleden echtgenote van graaf Adolph, Augusta Florentina. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

De tragisch jong overleden echtgenote van graaf Adolph, Augusta Florentina. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

 

Adolph Philip Zeyger van Rechteren bleef de rest van zijn leven ongehuwd, maar zwaaide met verve de scepter over Huis en Landgoed. Hij zette zich vastberaden in voor handhaving van allerlei rechten van zijn hoge heerlijkheid, als deze werden aangevochten. Een belangrijk geschilpunt vormde het zogeheten hoge of lijfstraffelijke gericht over de ingezetenen van zijn heerlijkheid. De strijd ging in het bijzonder over criminele daden die zijn ‘onderdanen’ gepleegd hadden buiten de heerlijkheid. Een dergelijk geval deed zich voor in juni 1747, toen twee Almeloose schippers zich in Ootmarsum schuldig hadden gemaakt aan doodslag. Beide mannen werden voor de criminele vierschaar op Huize Almelo gedaagd en bij hun verschijnen onmiddellijk in de boeien geslagen. De Landdrost van Twente tekende echter protest aan, omdat hij vond dat hij bevoegd was het tweetal voor het gerecht te dagen en hij eiste dan ook hun uitlevering. De zaak liep hoog op toen de verdachten in februari 1748 uit hun cellen op het kasteel wisten te ontsnappen. Ridderschap en Steden, het gewestelijk bestuur van Overijssel, koos in de procedure de kant van de drost. Voor graaf Adolph was dat aanleiding een topjurist in de arm te nemen, de destijds alom bekende mr. J. Schrassert, die een verweerschrift opstelde onder de titel Deductie van de rechten en gerechtigheden van het Huis Almelo (1749). Hiertegen schreven de juristen S.E. ten Brink en G. Jordens voor Ridderschap en Steden een repliek, onder de titel Consideratiën (1751), wat voor Schrassert nog in het zelfde jaar weer aanleiding was voor een dupliek of Contra-Consideratiën. De procedure bracht geen oplossing, waarna beide partijen in 1754 tot een minnelijke schikking kwamen.

De heerlijke rechten wist de Almelose graaf met zijn vasthoudendheid toch grotendeels te

Sophia Carolina Florentina, gravin van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

Sophia Carolina Florentina, gravin van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

waarborgen. Dat gold ook zijn opvolging, die aan de orde was toen hij op 4 november 1771 overleed en werd bijgezet in de grafkelder van de familie in de Gravenallee. De grafelijke rechten gingen over op zijn enige dochter, Sophia Carolina Florentina. Hij zal haar ongetwijfeld het belang van goede juristen hebben bijgebracht, want naast de hulp van de fameuze Schrassert had hij jarenlang ook dagelijks assistentie van mr. Joan Frederik Nilant (1680-1750). Deze uit Deventer afkomstige gepromoveerde jurist – ook genoemd in de op de Haagse boekenmarkt gevonden leenakte – werd door graaf Adolph ‘weggekocht’ uit het graafschap Lingen, waar hij leraar Geschiedenis en Retorica was aan het Academisch Gymnasium. Nilant werd aangesteld als richter van Almelo en Vriezenveen, en had dus tot taak de heerlijke rechten in de praktijk uit te voeren.

Net als haar vader, maakte ook gravin Sophia, zich sterk voor het behoud van de eeuwenoude rechten. Als vrouw moest zij zich daarbij vooral druk maken over het recht van opvolging. De erfopvolging van gravin Sophia werd namelijk aangevochten door haar ooms en neven. Zij vonden dat de heerlijkheid Almelo alleen via de mannelijke lijn kon vererven. Dat leidde tot een jarenlange opvolgingsstrijd, die uiteindelijk in 1786 in het voordeel van gravin Sophia werd beslecht. De arme kasteelvrouwe had het overigens niet alleen te stellen met afgunstige familieleden, maar ook met weerspannige Almelose burgers. Onder invloed van de ideeën van de Franse Revolutie probeerden ook zij te morrelen aan de aloude grafelijke rechten.

Abelsboek

Bij de zoektocht naar het verhaal achter de mensen die genoemd worden in de aangekochte leenakte, kwam ik via het verhaal van gravin Sophia terecht bij een boek dat ik bijna een kwart eeuw geleden cadeau kreeg van mijn vader bij mijn promotie aan de universiteit Nijmegen. Dat boek kreeg door dit verhaal ook veel meer context, want het betreft een in 1790 in Kampen verschenen geschrift op naam van gravin Sophia, met als titel Recht van opvolging. Daarin zijn alle documenten zijn terug te vinden die zij in haar juridische strijd heeft aangevoerd. Zij grijpt daarbij uiteraard ook terug op de Deductie van haar vader en ook de naam van richter Nilant komt in het boek een aantal keren voor. Zo brengt een vondst op de Haagse boekenmarkt in kort tijdsbestek een hele adellijke familiegeschiedenis in beeld en ook de ontroerende boodschap die mijn eigen vader – die vorige maand overleed – in 1994 voorin het boek schreef. Waar een lunchwandeling in Den Haag allemaal niet toe kan leiden.

Een referendum dat er toe doet: terugblik op drie weken WIV-debatten

Mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence Services aan de Universiteit Leiden kwam op een wel heel bijzonder moment. Kort nadat de lange aanstellingsprocedure was afgerond, kregen vijf studenten van de VU het voor elkaar dat er een raadgevend referendum gehouden zou worden over een nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV), die net door het parlement was aangenomen. Daarmee belandde mijn leerstoelthematiek plots in het middelpunt van de publieke belangstelling en het maatschappelijke debat. Ik stond daarmee voor de keus eerst rustig het academische veld te verkennen en dieper te duiken in de vakliteratuur over inlichtingenstudies, of mij nadrukkelijk te mengen in het debat. Een echte keuze was dat niet, want vele media en organisatoren van debatten wisten mij onmiddellijk te vinden, omdat ik als een van de weinige experts op dit terrein kan bogen op een lange ervaring (34 jaar) als inlichtingenproducent en – consument bij achtereenvolgens de BVD/AIVD en de NCTb/NCTV. Ik besloot de handschoen op te pakken en te doen waarvoor ik onder meer ben aangesteld: inzicht verschaffen in de taken, werkwijzen, aansturing van en controle op de geheime diensten.

Met Karin Alberts van Radio1

Met Karin Alberts van Radio1

In totaal heb ik de afgelopen drie weken aan zeker twintig debatten en talloze interviews (NRC, Leidsch Dagblad, AD, Noord-Holands Dagblad, podcasts, stemwijzers en websites meegewerkt (Radio1, BNR, 1Vandaag, Nieuwsuur, AT5). Dat hadden er nog veel meer kunnen zijn want er is wat afgediscussieerd in den lande over de WIV, door tegenstanders en onwetenden consequent  aangeduid als de ‘Sleepwet’. Mijn inbreng bestond verder uit het actief twitteren over de materie en het schrijven van diverse opinieartikelen en een hoofdstuk in een themanummer van Justitiële Verkenningen, over ‘Intelligence leadership’. Al met al een ongekend heftige vuurdoop, die ook voor mijzelf veel inzichten heeft opgeleverd, maar mij ook deed belanden in soms ingewikkelde belangenafwegingen en dilemma’s. Als wetenschapper, wiens 0,2 leerstoel wordt gefinancierd door de NCTV, en die een deel van zijn tijd ook nog in dienst is als raadadviseur van diezelfde coordinator, is het zaak steeds transparant te zijn in welke hoedanigheid je spreekt en schrijft en te vermijden dat belangenverstrengeling optreedt. Daarbij was het van meet af aan voorspelbaar dat die onafhankelijkheidsvraag door deze en gene gesteld zou worden. Toch gebeurde dat maar sporadisch, wat enerzijds ermee te maken zal hebben gehad dat de NCTV slechts in afgeleide zin belanghebbende is (ontvanger van inlichtingenproducten) en anderzijds dat mijn verbondenheid met die organisatie op geen enkele manier verzwegen is. Mijn consequente reactie op die kritiek is dan ook geweest dat men mij moet beoordelen op basis van mijn bijdragen aan de discussie en mijn argumenten.

Het was een gelukkig toeval, dat mijn oratie gepland stond voor 16 februari, aan het begin

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

van de hele referendumdiscussie over de WIV. Ik heb die gelegenheid aangegrepen door te kiezen voor een onderwerp dat direct met de nieuwe WIV te maken heeft, de zogeheten Geïntegreerde Aanwijzing (GA). Mijn waarschuwingen tegen de gevaren van politisering van inlichtingen door deze nieuwe vorm van aansturing van de diensten door politiek en bestuur werden weliswaar door verschillende media opgepikt, maar vonden in de debatten van de maanden die erop volgden nauwelijks weerklank. Daarin overheerste de ‘sleepnet’- bevoegdheid in de nieuwe wet in alle gesprekken, alsmede enkele aanpalende bevoegdheden, zoals het bewaren van DNA-profielen, het hacken via derden en de bescherming van advocaten en journalisten. De GA-materie was wellicht te ingewikkeld en het bleek moeilijk de politiek en ambtenarij kritisch te laten kijken naar de risico’s die verbonden zijn met hun eigen bemoeienis met de I&V-diensten. Hier keurt niet de slager zijn eigen vlees, maar willen de keurmeesters niet door anderen gekeurd worden.

Met Europarlementarier Stientje van Veldhoven bij Jonge Democraten in Nijmegen

Met Europarlementariër Sophie in ‘t Veld bij Jonge Democraten in Nijmegen

In Tivoli-Utrecht in debat met BoF

In Tivoli-Utrecht in debat met Bits of Freedom

In de Rode Hoed met Douwtje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Privacy First)

In de Rode Hoed met Doutje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Bits of Freedom)

 

 

 

 

 

 

 

 

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast de GA, is ook het delen van ongeëvalueerde data met buitenlandse diensten een terugkerend punt van kritiek van mij geweest in de debatten. Daarbij vond ik de meeste van de tegenstanders van de wet aan mijn zijde, zoals Amnesty, Privacy First, Bits of Freedom en – last but not least – de Piratenpartij. Tegelijk heb ik ook steeds zware kritiek gehad op de campagnes van deze organisaties, omdat deze in belangrijke mate gebaseerd waren op het zaaien van ongerustheid en angst bij de burgers op basis van een volstrekt onjuist en uitvergroot beeld van diensten die 24-uur per dag alle burgers zouden willen afluisteren en volgen. Voor een deel lijkt deze stellingname terug te voeren op een onbegrip over wat inlichtingenwerk behelst en hoe dit verschilt van opsporing en vervolging. Voor een ander deel lijkt het ook een bewuste vertekening van de werkelijkheid te zijn geweest, vanuit het campagnedoel om zoveel mogelijk tegenstand tegen de wet te mobiliseren.

Een cruciale rol in het hele proces speelde het satirische TV-programma Lubach op Zondag. Dankzij de aandacht die dit programma besteedde slaagden de vijf studenten van de VU die het initiatief namen tot een referendumaanvraag erin op het laatste moment alsnog de vereiste aantallen handtekeningen te verzamelen. In de maanden daarna bleef dit programma bezwaren tegen de WIV op quasi luchtige wijze opvoeren, waarmee het nee-kamp een geduchte medestander had in Lubach.  Daarmee verwerd satire tot journalistiek-activisme in een komisch jasje, waar voorstanders van de wet maar moeilijk tegenspel aan konden bieden. De normale journalistieke uitgangspunten van hoor en wederhoor gelden hier immers niet.

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

Gelukkig hanteerden de meeste organisatoren van debatten dit uitgangspunt wel, al hadden zij vaak de grootste problemen mensen te vinden die zich publiek wilden uitspreken voor de wet.

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Omdat ik besloot dat wel te doen, aangezien er volgens mij een goede balans zit tussen bevoegdheden en toezicht en er op details na een evaluatie over twee jaar nog gerepareerd kan worden, werd ik een veelgevraagd expert. Ook mijn oud-collega bij de AIVD, Jan Kees Dellebeke, werd veelvuldig benaderd.  Van officiële (overheids)zijde trad vooral het hoofd van de AIVD op de voorgrond, Rob Bertholee, en – in mindere mate – zijn collega van de MIVD, Onno Eichelsheim. Verder viel selfmade expert Peter Koop op, interceptie-expert, die haarfijn kan uitleggen dat het sleepnet allesbehalve ongericht is. Pas in het allerlaatste stadium traden ook de politici, verantwoordelijk voor de wet, in de arena, minister van BZK Kajsa Ollongren voorop, gevolgd door de MP, collegaministers en enkele Kamerleden. Met name Kees Verhoeven van D’66 had het zwaar te verduren, omdat hij met de komst van het nieuwe coalitiekabinet  een draai van 180 graden moest maken van verklaard tegenstander naar enthousiast voorstander.

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

Inhoudelijk en procesmatig laat het referendumdebat een aantal positieve en negatieve zaken zien. Zo blijkt opnieuw dat zo’n simpel ja of nee feitelijk onmogelijk is bij dit soort, zeer ingewikkelde vraagstukken. Debat over zo’n vraagstuk is goed, maar het is van meet af aan een ongelijke strijd. Tegenstanders zijn altijd in het voordeel, omdat in campagnes alle nuances verloren gaan en een zeer breed onderwerp verkleind kan worden tot een klein onderdeeltje: sleepwet. Voorstanders moeten daar het genuanceerde verhaal tegenover zetten, wat altijd moeilijker verkoopt dan een botte nee. Ook doen tegenstanders weinig moeite aan te geven hoe het dan wel moet; dat laten zij maar al te graag aan de voorstanders over. Daarbij helpt het ook niet dat de meeste parlementariërs  achterover leunen, omdat hun werk met het aannemen van de wet immers gedaan is. Zij zouden veel meer hun best moeten doen het resultaat uiteindelijk ook tegenover de kiezer te verdedigen.

Uitermate positief is het politieke engagement van een grote groep jongeren. Het waren studenten die het bijna afgeschafte middel van het raadgevende referendum reanimeerden

In Nieuwsuur op 27 februari

In Nieuwsuur op 27 februari

met een maatschappelijk zeer relevant thema. Anders dan bij het vorige referendum over de Ukraine ging het dit keer over iets dat iedere burger aangaat. Bovendien is het de allereerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat er breed en uitvoerig gedebatteerd is over de vraag wat wij verwachten van I&V-diensten en tot hoever ze zouden mogen gaan. Ook zorgde de volksraadpleging ervoor dat de diensten behoorlijk uit hun oesterkramp kwamen en de natie uitlegden wat ze doen en waarom. Pure winst voor een open democratische samenleving. Burgers zijn inmiddels volwassen genoeg om te begrijpen dat diensten nodig zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Hun bestaansrecht werd in dit debat ook door niemand meer ter discussie gesteld.

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips en Constant Hijzen

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips en Constant Hijzen

Wat mij betreft doet de uitslag van het referendum er morgen niet eens meer zo toe. Belangrijk voor de toekomst en voor het vertrouwen in politiek en diensten is dat het kabinet en de Kamer de uitkomsten van de debatten serieus nemen. Zij zijn niet alleen wettelijk, maar ook moreel verplicht serieus in te gaan op de gehoorde bezwaren en commentaren en ervoor te zorgen dat deze op de een of andere wijze geadresseerd worden, om meegenomen te worden in de evaluatie, die al over twee jaar zal plaatsvinden. Ook de medewerkers van de diensten zelf en de commissies van toezicht (TIB en CTIVD) hebben ongetwijfeld goed geluisterd naar de bezwaren en zorgen van veel burgers, en ik ben ervan overtuigd dat zij deze zeker zullen meenemen in hun besluiten om te oordelen over de inzet van bepaalde bevoegdheden. Ook in dat opzicht zal deze referendumdiscussie daadwerkelijk effect sorteren.

De oude Almelose eik is geveld

Nog geen twee weken nadat hij in Leiden op de eerste rij zat, toen zijn zoon in de aula van de Leidse universiteit zijn oratie uitsprak, overleed in zijn slaap mijn vader Leo Abels. De dood kwam als een dief in de nacht en overviel hem in de slaap. Een mooie dood, dat wel, zeker voor iemand die als een berg opzag tegen een lang ziekbed of een gedwongen verhuizing naar een verpleeghuis.

Zwaaipa

Voor ons is het echter een groot gemis, want met zijn markante persoonlijkheid was hij Leoeen steunpilaar en raadgever voor velen. Een politieman ook, in hart en nieren. Na een dienstongeval werd hij afgekeurd, een persoonlijk drama, maar hij zat niet bij de pakken neer. Hij werd opzichter op het landgoed Almelo en adviseur van de Graaf van Rechteren Limpurg, jager en houthakker. Bovenal was hij echter een verteller, die beeldend en met een fotografisch geheugen stoere verhalen opdiste uit zijn politiepraktijk, zijn jachtavonturen of zijn klein- en achterkinderen. Die verhalenstroom is nu ook tot stilstand gekomen. Wat zal het stil worden in Almelo.

 

Per undas adversas? Oratie met waarschuwing voor politisering van inlichtingen

Met het uitspreken van zijn oratie, getiteld Per undas adversas? Geheime diensten in de maalstroom van politiek en beleid, heeft ondergetekende vrijdag 16 februari zijn ambt van bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden aanvaard. Onder zijn gehoor bevond zich een keur aan wetenschappers en praktijkmensen uit de wereld van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsmede mensen uit de andere ‘werelden’ waarin hij actief is, zoals kerkhistorici, Gouwenaars en uiteraard familie. De waarschuwing in de oratie voor politisering van inlichtingen kreeg veel aandacht in de media en werd direct betrokken op de maatschappelijke discussie over de nieuwe inlichtingenwet, waarover op 21 maart een raadgevend referendum zal worden gehouden.

Oratie Paul Abels HR-33

Kans op herstel Hofje van Jongkind

In de jaren zestig en zeventig verkeerde de oude binnenstad van Gouda in deplorabele staat. Overal stonden monumenten te verkommeren omdat eigenaren geen geld (over) hadden voor restauratie. Tal van gebouwen kwamen leeg te staan en werden een prooi voor grijpgrage projectontwikkelaars, die niets liever zouden doen dan de percelen slopen om de weg vrij te maken voor de moderniteit. Megalomane plannen om het Tolhuis te slopen en de Haven te dempen, zodat het autoverkeer vrij baan zou krijgen naar het Marktplein, vonden gelukkig geen doorgang. Maar elders in de stad werd zonder scrupule de slopershamer gehanteerd. Bijvoorbeeld aan de Karnemelksloot, die ook gedempt had moeten worden en omzoomd met hoge flatgebouwen. Een eenzame flat vormt nu nog een zichtbaar relict van dit waanzinnige plan. Aan de Oosthaven werden zonder omhaal eeuwenoude panden gesloopt om er een ‘moderne’ Arrondissementsrechtbank te bouwen en aan de Hoge Gouwe gebeurde hetzelfde voor een smakeloos Arbeidsbureau.

FondatieAls er dan toch nog kleine monumentjes met enige emotionele waarde in de weg stonden, werd een uitweg gezocht die typisch lijkt te zijn geweest voor Gouda. Deze monumentjes werden dan steen voor steen afgebroken en tijdelijk opgeslagen bij gemeentewerken. Dankzij inspanningen van vooral Historische Vereniging Die Goude vond zo’n monumentje later dan een plek elders in de stad. Een bekend voorbeeld hiervan is het fraaie Lazaruspoortje, dat tot de jaren zestig aan het Nonnenwater stond. Tegenwoordig staat dat als ingangspoort van Museum Gouda, pal achter de Sint-Janskerk. Het zogeheten Joodse Poortje, ooit de ingang van het joodse kerkhof aan de Boelekade, staat tegenwoordig in het Raoul Wallenbergplantsoen. Ook een poortje aan de Zeugstraat, dat de ingang vormde voor het Hofje van Jongkind met negen woninkjes voor armlastige vrouwen, moest in de jaren zeventig wijken voor modernisering van een winkelpui. Het werd vervolgens geplaatst aan de achterzijde van het Verzetsmuseum, waar het toegang bood aan de beeldentuin.

In het afgelopen jaar deden zich twee ontwikkelingen voor die de hoop doen toenemen dat het originele Hofje van Jongkind, dat stamt uit 1702, min of meer zal herrijzen. Aan de Zeugstraat verdween de foeilelijke etalagepui en werd de oude percelering hersteld. De plek waar ooit de poort heeft gezeten is zo ook weer goed zichtbaar. Het complex wisselde ook van eigenaar, waarbij de nieuwe bezitter bekend heeft gemaakt er een koffiefirma te willen vestigen, met gebruikmaking van de achterliggende hofjeswoningen. Tegelijkertijd werd bekend dat het Verzetsmuseum zijn pand aan de Turfmarkt gaat verlaten en dat pand en tuin verkocht zijn aan een particulier die er een woonhuis van wil maken. Interessant is nu wie de eigenaar is van de erachter liggende Jongkind-poort.

AD Groene Hart schonk aandacht aan het pleidooi van Krins en Abels

AD Groene Hart schonk aandacht aan het pleidooi van Krins en Abels

Schrijver dezes en ChristenUnie-raadslid Theo Krins, die zich beiden al eerder ingezet hebben voor behoud van het hofje, hebben nu de kat de bel aangebonden om te komen tot herstel van de situatie aan de Zeugstraat. Veel is nog onduidelijk; bijvoorbeeld of de huidige eigenaar van de panden aan de Zeugstraat bereid zou zijn tot medewerking. Maar ook, wie eigenaar is van het poortje. Toch willen zij de kans grijpen om een van de drieste acties uit de vorige eeuw een beetje terug te draaien en bij te dragen aan het oorspronkelijke karakter van de binnenstad van Gouda.

Gouda 750 jaar stadsrechten: een gebeurtenis om bij stil te staan (in 2022)

Historische momenten zijn altijd zeer geschikt om de aandacht voor de geschiedenis en cultuur op te wekken en de kennis erover te verdiepen. Zo ook het feit dat het in 2022 al 750 jaar geleden is dat de stad Gouda stadsrechten ontving uit handen van de Hollandse graaf Floris V. Dat de blik al op dit jubeljaar is gericht blijkt uit een nieuw boekje, dat is uitgegeven door de DeGoudseSchool. De redacteuren Niels Honkoop en Teun Hardjono hebben 75 Gouwenaars van uiteenlopende pluimage gevraagd in een kort artikel vooruit te blikken op 2022. Ook schrijver dezes behoorde tot de aangezochte auteurs.

In 1872, dus anderhalve eeuw geleden, vierde Gouda dat het zes eeuwen eerder 750stadsrechten ontving uit handen van de Hollandse graaf Floris de vijfde. Het was toen de eerste keer dat grootschalig aandacht besteed werd aan deze stedelijke geboorteakte. De hele viering was een demonstratie van stedelijke trots. Terwijl het nationalisme alom in opkomst was, propte de stad zoveel mogelijk kunsthistorische voorwerpen in één gebouw, om het locale verleden zichtbaar maakten. Deze gelegenheidstentoonstelling in gebouw Arti Legi op de Markt viel zozeer in de smaak, dat zij het fundament ging vormen onder een heus stadsmuseum. De viering van stadsrechten was destijds vooral een aangelegenheid van en voor de stedelijke elite.

Honderd jaar later – in 1972 – werd de stadsrechtenverjaardag niet alleen met een expositie gevierd, maar met een heel scala aan activiteiten. Onmiskenbaar hoogtepunt was een grote historische optocht, waarbij tal van personages en gebeurtenissen uit de Goudse geschiedenis uitgebeeld werden. Daarmee werd de herdenking ook naar de straten gebracht en werd het een feest voor alle Gouwenaars.

Straks is het 2022. Opnieuw is er aanleiding voor een feest omdat Gouda 750 jaar bestaat. De tijden zijn sinds eerdergenoemde vieringen ingrijpend gewijzigd. De stad is uit haar voegen gebarsten met de bouw van grote nieuwbouwwijken en de komst van grote aantallen binnenlandse en buitenlandse arbeidsmigranten. Hun betrokkenheid bij de stad en haar geschiedenis is vaak maar beperkt. Ze werken elders en komen hier veelal vooral om te slapen of zijn met hoofd en hart nog voor een belangrijk deel in hun land van herkomst. Gebondenheid aan stad of streek en lokale trots lijken vooral nog een zaak van ‘echte’ Gouwenaars, die inmiddels een kleine minderheid vormen.

Tegelijk weten steeds meer toeristen uit binnen- en buitenland Gouda te vinden. Zij komen af op de naam, die dankzij tal van producten (kaas, kaarsen, stroopwafels, plateel), of de beroemde Goudse Glazen en de fraaie historische binnenstad. Gouda’s glorie wint hierdoor steeds meer aan glans, waardoor inmiddels een miljoen mensen per jaar de weg naar deze stad weten te vinden.

De Jeruzalemkapel, een prachtig middelpunt voor de festiviteiten in het kader van 750 jaar stadsrechten

De Jeruzalemkapel, een prachtig middelpunt voor de festiviteiten in het kader van 750 jaar stadsrechten

Met de viering van 750 jaar stad zal Gouda in 2022 de kans moeten grijpen om deze twee schijnbaar tegengestelde ontwikkelingen met elkaar te verbinden om zo de stad sterker te maken. Met royale financiële en organisatorische ondersteuning van de gemeente, het bedrijfsleven en de diverse instellingen en verenigingen die de stad rijk is, viert de stad op eigentijdse wijze haar bestaan. Niet alleen voor een elite of alleen voor echte Gouwenaars, maar met de blik naar buiten gericht. Met de Jeruzalemkapel als symbolisch middelpunt van de mondiaal gerichte viering, kunnen onophoudelijk bruggen gebouwd en verbindingen gezocht worden, zowel in de stad als naar buiten toe. Gouda heeft goud in handen en kan dat een jaar lang trots laten zien aan de wereld, zodat in de daaropvolgende halve eeuw niemand meer om Gouda heen kan en alle inwoners trots zijn om in deze stad te mogen wonen.

Een extra kans om Gouda in de schijnwerpers te zetten in 2022 biedt een ander historisch feit. In dat jaar is het ook 500 jaar geleden dat een van de grootste denkers die de stad ooit binnen haar stadspoorten heeft gehuisvest werd geboren. Deze vrijgeest, Dirck Volckertszoon Coornhert zag het levenslicht in Amsterdam, maar woonde de laatste jaren van zijn leven in Gouda. Hier overleed hij op 29 oktober 1590 en werd hij begraven in de sint-Jan. Zijn invloed op het liberale geestelijke klimaat in de stad is groot geweest en weerspiegelt zich in glas nummer 1 in de Sint-Jan, gewijd aan zijn voornaamste uitgangspunt: Vrijheid van Consciëntie (Geweten). Ook deze erfenis van Coornhert verdient het om bewaard en uitgediept te worden in 2022.

2022 belooft dus een historisch boeiend jaar te worden. Voor het zover is is er echter nog veel werk aan de winkel, waarbij de gemeente Gouda, het stadsmuseum en talrijke verenigingen hun handen ineen zullen moeten slaan om er een professionele herdenking van te maken.