Recensie van Pibo Ovittius’ metamorphosen in It Beaken (2006)

De schelmenbiografie van de zestiende-eeuwse Fries Pibe Whytthiesz van Abbema (ca. 1642-1618), die op de vlucht voor zijn verleden stad en land afliep in pogingen ergens als (zielen)dokter aan de slag te komen, is inmiddels alweer veertien jaar geleden afgerond. Er zijn destijds vele recensies en besprekingen aan gewijd. Daarnaast figureert de hoofdpersoon inmiddels in menige studie over de vroege reformatie, als archetype van de ‘loper’ die profiterend van de wisselende politiek-militaire constellaties er steeds weer in slaagde aan de slag te komen als pastoor, dominee of arts. Veel nieuwe informatie is er sindsdien over Pibo niet opgedoken, gelukkig maar, want dat is natuurlijk een schrikbeeld voor elke biograaf vanaf het moment dat hij zijn laatste punt heeft gezet. Eigenlijk is alleen een vondst van Onno Hellinga een relevante toevoeging, namelijk dat Pibo in zijn Friese jaren ook nog een tijdlang in Kollum heeft verbleven.

Onlangs stuitte ik op een uitvoerige bespreking van de biografie door Jan R. Veenstra in het Friese blad It Beaken. Lezing ervan stemde tegelijk trots en verlegen. Jammer dat mijn oog er pas zo laat op viel. Om alsnog recht te doen aan deze bespreking volgt hieronder de inhoud.

Pibo0Pibo1

 

 

 

 

 

 


Pibo2Pibo3

 

 

 

 

 

 

Pibo4

Pibo5

De begeerlijke blik van een bibliofiel

In de Koninklijke Bibliotheek werd op 17 februari 2017 een symposium gehouden onder de titel ‘Maken of breken. 500 jaar Reformatie’. Een keur aan sprekers ging in op de hoofdrolspelers (Erasmus, Luther, Zwingli, Calvijn). Maar er was ook volop aandacht voor het medium dat ervoor verantwoordelijk was dat de ideeën over een nieuwe kerk zo’n vlucht konden nemen: de boekdrukpers. De KB was daarvoor natuurlijk een zeer passende omgeving en ook de bekende Erasmuscollectie uit Rotterdam toonde een keur aan oude drukken. Dankzij antiquariaat De Roo uit Zwijndrecht waren er zelfs enkele zeer oude boeken uit de Reformatietijd te koop.

beurs

De fotograaf van het Reformatorisch Dagblad, Dirk Hol, betrapte mij op mijn zwakste moment: gebiologeerd kijkend naar een wel heel bijzonder  ‘zakbijbeltje': een zeer vroege editie van het Novum Instrumentum van Erasmus, de Latijnse vertaling van de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament. Het boekje werd gedrukt in Basel, waar Pamphilius Gengenbach het in 1522 op de persen legde. Dat de initialen handgekleurd zijn en met goud opgehoogd maakt het tot een uniek exemplaar. De antiquaar heeft het kleinood onder een glazen stolp tentoongesteld, maar heeft het net daaronder vandaan gehaald om het aan de geïnteresseerde klant te tonen. Hij geeft het niet uit handen, maar laat zorgvuldig en met liefde enkele pagina’s zien. Ik houd mijn handen zorgvuldig in mijn broekzakken, om niet de indruk te wekken dat ik het uit zijn handen wil grissen. Maar mijn blik zegt alles: man wat mooi. Andere bezoekers van de stand zijn blijkbaar minder onder de indruk, want zij verdiepen zich onverstoorbaar in moderner drukwerk. Op de achtergrond, links van de paal, is de grootste Erasmuskenner van Nederland van dit moment herkenbaar, Hans Trapman, die druk aan het bellen is. Ik stel mij voor dat hij zijn bank belt om te informeren naar de mogelijkheden tot aankoop. Want veel geld is er wel nodig om het boekje in eigendom te krijgen. De Roo, een liefhebber van de Oudvaders en een van de weinige overgebleven antiquaren met een specialistisch reformatorisch winkelbestand, vraagt er namelijk € 24.000 voor. Ik besluit mijn handen die middag maar in de zakken te laten, bang als ik ben overvallen te worden door een aanval van bibliofiele begeerte.

Het wordt spannend op de Turfmarkt

De in 1932 gebouwde Turfmarktkerk, ook wel bekend als de Gereformeerde kerk B, leidt al jaren een kwijnend bestaan. Nadat de synodaal gereformeerden het gebouw aan het eind Turfpaulvan de vorige eeuw verlieten en in 2002 verkochten voor herbestemming, is er weinig meer gedaan aan onderhoud. Dit in tegenstelling tot het naastgelegen kerkelijk centrum Het Brandpunt, dat gekocht werd door een particulier die het gebouw met behoud van zijn oorspronkelijke karakter omtoverde tot een kantoor annex woonhuis. Bij de aankoop verwierf hij tevens het ernaast gelegen parkeerterrein. De kerk zelf, met het ernaast geleden parkeerterrein, werd gekocht door Tympaan, een projectontwikkelaar die zich specialiseerde in herbestemming van religieuze gebouwen. Door deze vreemde perceelsplitsing werd de ver naar achter gelegen kerk min of meer tot een eiland, omdat de openbare weg alleen dankzij het recht van overpad bereikbaar bleef. Geen wonder dus dat alle inspanningen van Tympaan om een nieuwe bestemming te vinden spaak liepen. Van alles kwam voorbij; van een gezondheidscentrum, tot het Filmhuis en een wooncomplex. Dat ook de buurt niet bepaald positief stond tegenover diverse plannen, hielp ook niet echt mee.

De kerk kreunde letterlijk onder dit getalm. Aan de rechterzijde openbaarden zich diversescheuren in de muren, wat wees op funderingsproblemen. Het reusachtige dak toonde ook al snel mankementen door verschuivende dakpannen en de fraaie gebrandschilderde ramen werden veelvuldig het mikpunt van baldadigheid. In de loop van 2016 was voor Tympaan de maat vol. Met veel aplomb werd in de publiciteit gebracht dat de kerk niet meer te redden was en dat sloop als enige optie overbleef. Een informatie-avond met de buurt, in de tegenover gelegen voormalige synagoge, verliep stormachtig omdat de omwonenden twijfelden aan de oprechtheid van de eigenaar. De stelligheid waarmee aangestuurd werd op afbraak en nieuwbouw riep heftige weerstand op. De woordvoerder van Tympaan liet zich daarbij ontvallen dat het gebouw, dat acht ton had gekost, in feite was afgeschreven. Daarmee opende hij de poort voor tal van ideeën over een eventuele andere inrichting van het terrein, waarbij een binnenstadstuin als meest wenselijk naar voren kwam.

De voorganger van de Turfmarktkerk, gebouwd in 1888 en afgebroken in 1931

De voorganger van de Turfmarktkerk, gebouwd in 1888 en afgebroken in 1931

Korte tijd later nam de zaak een verrassende wending, toen Brandpunteigenaar Khalid Boutachekourt bekendmaakte dat hij de kerk onder voorbehoud van financiering had gekocht van Tympaan. Hij weigert zich zomaar neer te leggen bij sloop en onderzoekt daarom alle mogelijkheden van funderingsherstel en herbestemming. Inmiddels is hij ijverig op zoek naar partners en financiers die bereid zijn geld en energie in het project te steken. Ook verdiept hij zich in de geschiedenis van de locatie. Op de plek van de kerk stond eerder ook al een gereformeerde kerk, die in 1888 werd gebouwd en waarvan de fundamenten hergebruikt werden voor de huidige kerk. In eerder eeuwen behoorde dit

Bouw van de huidige Turfmarktkerk in 1931

Bouw van de huidige Turfmarktkerk in 1931

terrein tot het klooster van de Clarissen. Op de plek van het Brandpunt, dat in 1966 werd gebouwd,  stonden tot die tijd twee woonhuizen. Het rechterhuis was in de negentiende eeuw eigendom van de beroemde Goudse stadsarts W.F. Büchner. Voor de huidige bewoner is dit aanleiding geweest zijn huis om te dopen tot “W.F. Büchnerhuis”.

Huis en kerk hebben geen monumentenstatus. Waarom dat toch alle inspanningen om het complex zoveel mogelijk in deze staat te bewaren? Allereerst is het een markant overblijfsel van een bijzondere episode uit de geschiedenis van de gereformeerde kerken in Gouda. De evenknie van deze kerk, de Gereformeerde kerk A aan de Kattensingel, is reeds lang geleden afgebroken, dus dit is de enige herinnering aan de begintijd van deze denominatie. Daarnaast is de ligging op het achtererf zeer bijzonder. Het was weliswaar geen schuilkerk, maar een gebedshuis dat zo ver achter de rooilijn ligt, is een zeldzaamheid. Tot slot zijn vorm en verschijning van het gebouw een passend en goed geïntegreerd onderdeel van de bebouwde noordwand van de Turfmarkt. Nieuwbouw op deze locatie zou een lelijke inbreuk betekenen op dit (beschermde) stadsgezicht van Gouda’s mooiste gracht.

De Turfmarkt in 1903. Goed zichtbaar zijn de twee kleine huisjes en daarna de smalle poort naar de (niet zichtbare) gereformeerde kerk. Daarnaast de twee huizen die in 1965 moesten wijken voor het Brandpunt, met rechts de woning van dokter Büchner.

De Turfmarkt in 1903. Goed zichtbaar zijn de twee kleine huisjes en daarna de smalle poort naar de (niet zichtbare) gereformeerde kerk. Daarnaast de twee huizen die in 1965 moesten wijken voor het Brandpunt, met rechts de woning van dokter Büchner.

Waar nu het parkeerterrein de huizenrij openbreekt om zicht te bieden op de kerk, stonden vroeger enkele kleine huisjes. Oude ansichtkaarten laten de situatie voor 1931 zien, en maken ook duidelijk dat op de plek van het meest linkse huisje later een veel groter huis verrees, waar nu de bekende Goudse kunstschilder Jan Lokhorst huis houdt. Door deze woning lijkt de kerk ietwat links uit de flank te staan. Mocht de kerk onverhoopt niet te behouden zijn, dan zijn er nog twee alternatieve denkbaar. Het zou wellicht mogelijk zijn alleen de voorgevel te behouden (net als bij de parkeergarage op de Raam) en erachter nieuwbouw te plegen. Mocht de kerk uiteindelijk toch geheel tegen de vlakte gaan en het gebied tot een (besloten) binnenstadstuin evolueren, dan is ook nog de (her)bouw van de woonhuizen aan de straat te overwegen, maar dan zal er wel historiserend gebouwd moeten worden in de trant van de herstelde gevelrij aan de Lage Gouwe.

Het zou een prestatie van historisch formaat zijn als deze gereformeerde kerk uiteindelijk gered zou worden door een Goudse Marokkaan.

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2016

staat2

Gewoontegetrouw sluiten wij af met een terugblik op de ontwikkelingen in historisch Gouda gedurende het afgelopen jaar. Over de volle breedte kan gesproken worden van een optimistisch jaar, wat grotendeels toe te schrijven is aan een op alle terreinen merkbare opleving van de Nederlandse economie. De bankensector stortte ons acht jaar geleden in een forse crisis, waardoor mensen hun baan verloren, winkels sloten, overheden op zwart zaad zaten en burgers de hand op de knip hielden. Wonderbaarlijk is dan om te zien hoe snel het tij kan keren. Huizen die vele jaren onverkoopbaar bleken verwisselden plotseling in grote aantallen van eigenaar, jarenlang uitgestelde onderhoudswerkzaamheden werden op grote schaal uitgevoerd en de middenstand kon weer een beetje ademhalen. Tegenover de definitieve sluiting van het failliete warenhuis Vroom & Dreesman aan de Kleiweg stonden tal van start-ups, restaurantjes en andere initiatieven van jonge ondernemers. Het inmiddels tamelijk desolaat geworden beeld van de Goudse winkelstraten veranderde dit jaar merkbaar ten goede.

Ook op historisch vlak waren er weer bijzondere ontwikkelingen. Om laag bij de grond te beginnen: nadat vorig jaar het koor van de Sint-Janskerk ontgraven kon worden in

Opgravingen op het terrein van de voormalige Brandweerkazerne, waar het klooster van de Clarissen ooit stond

Opgravingen op het terrein van de voormalige Brandweerkazerne, waar het klooster van de Clarissen ooit stond

verband met noodzakelijk geworden funderingsherstel, was dit jaar de ring rond de kerk aan de beurt voor de vernieuwing van rioleringen en kabels. Ook nu leverde dat weer enkele bijzondere archeologische vondsten op, met name achter het koor op de plek waar vroeger het kerkhof lag. De archeologen hebben daardoor weer veel te beschrijven. Gelukkig zijn de resultaten van de opgravingen in de Sint-Jan inmiddels op schrift gesteld. Dat gold nog steeds niet voor de bijzondere blootlegging van de fundamenten van het Clarissenklooster tussen Nieuwehaven en Turfmarkt. Een faillissement van de bouwer liet dit project tot op heden ‘Unvollendet’. Met behulp van een zeer geslaagde crowfundingactie brachten de archeologen dit jaar in korte tijd 5000 euro bij elkaar, een stevige basis om het karwei af te maken. Zeer succesvol waren daarbij de anatomische lessen in de Chocoladefabriek, waar een fysisch antropologe Constance van der Linde uitleg gaf over wat er zoal valt af te leiden uit de skeletten die nabij het klooster zijn gevonden.

Crowdfunding – de nieuwe methode om projecten met behulp van burgerdonaties van de grond te tillen – vormde ook de basis voor het gewaagde project GoudAsfalt, het terrein van de voormalige Koudasfaltfabriek aan de overkant van de Hollandse IJssel. De initiatiefnemers willen dit terrein, dat als een balkon uitzicht biedt op Gouda’s IJsselfront, ontwikkelen tot een bloeiend domein voor evenementen, vernieuwende projecten en sociaal-maatschappelijke activiteiten. In een recordtijd werd geld bijeengebracht voor de aanschaf van een voetveer, De Gein, en diverse activiteiten – zoals Gouda culinair, een circus en Openmonumentendag, vonden al plaats aan de boorden van de rivier. Bijzonder vanuit historisch perspectief is, dat enkele grote onderdelen van de asfaltfabriek als industrieel monument bewaard blijven.

staat14

Voor monumenten was 2016 ook in andere opzichten een opmerkelijk jaar. Grootste ‘klapper’ was de verkoop van de Gouwekerk aan een consortium dat er een congrescentrum met hotel van wil maken. Van vreugde begon het kruis op de hoge staat7
torenspits ’s avonds weer te branden, want de jarenlange onzekerheid over het lot van dit ‘landmark’ voor Gouda lijkt hiermee ten einde gekomen. Zekerheid kwam er ook voor de al sinds 1998 leegstaande gereformeerde Turfmarktkerk. Eigenaar Timpaan ziet geen brood meer in herontwikkeling, omdat het gebouw in zeer slechte staat zou zijn en restauratie onverantwoord duur zou worden. Sloop zou de enige optie zijn. Hoewel geen monument, vormt de Turfmarktkerk nog steeds een markant onderdeel van een voor het overige gesloten monumentale gevelrij aan de gracht. Nieuwbouw zou dit beeld ernstig verstoren. Complicerende factor bij dit alles is de geïsoleerde ligging van het kerkgebouw; er is staat15simpelweg geen directe toegang tot de openbare weg anders dan een beperkt recht van overpad. Timpaan valt veel te verwijten, want het bedrijf heeft al die jaren geen onderhoud gepleegd aan de kerk, zodat het geheel inderdaad in deplorabele toestand is. De buren zouden niets liever zien dan dat de eigenaar zijn verlies neemt en het complex tegen een symbolisch bedrag overdraagt, teneinde er een besloten stadstuin van de maken (eventueel met handhaving van – delen – van het gebouw). De initiatieven daartoe komen voorzichtig van de grond.

Verderop aan de Turfmarkt viel er dit jaar ook een belangrijke ontwikkeling te noteren. Het majestueuze Admiraalshuis, ooit de woning van de Goudse zeeheld Roemer Vlacq, is – samen met het naastgelegen pandje – door eigenaars Jan Kooiman en Hellen Kooiman-Tibbles in eigendom overgedragen aan de Vereniging Hendrick de Keijser. Daarmee is

Opening van de Looierspoort door burgemeester Schoenmakers

Opening van de Looierspoort door burgemeester Schoenmakers

het behoud van het monument voor lang gegarandeerd. Tegenover deze woning staat nog een ander monumentaal complex te wachten op een nieuwe eigenaar. Het Leger des Heils heeft er jarenlang bijeenkomsten gehouden, maar vertrok dit jaar naar een beter bereikbare locatie. De panden, met grote – als speeltuin van de buurt in gebruik zijnde – tuin, staat te koop voor een luttel bedrag van €850.000. Daar zouden moeiteloos drie woonhuizen van gemaakt kunnen worden, dus lang zal het niet duren voor er een nieuwe eigenaar gevonden zal zijn. Tot slot – om in de buurt te blijven – heeft het achter de Turfmarkt verscholen liggende smalste straatje van Gouda een flinke opknapbeurt ondergaan op initiatief van de bewoners. In deze Leerlooierssteeg is een fraaie herinnering aan deze beroepsgroep aangebracht.

De Chocoladefabriek, waar bibliotheek, Streekarchief en de Drukkerswerkplaats samen met cateraar Kruim een succesformule hebben ontwikkeld, oefent sterke aantrekkingkracht uit op andere instellingen in de stad. Er staat immers nog een hele etage leeg. In de laatste weken van dit jaar meldden zich het Verzetsmuseum en het Filmhuis als gegadigden, waarmee overigens weer twee monumenten leeg zouden komen: de oude bank aan de Turfmarkt en een school aan de Letmaetstraat in Korte Akkeren. staat3Voor loempiaverkoper Kim is er geen plaats in deze herberg. Na bijna een kwart eeuw werd deze voormalige bootvluchteling verdreven van het Stationsplein, waar verzekeraar De Goudsche de onderste etage van haar kantoor laat ombouwen tot winkels en horeca. Kim kreeg daarop een vergunning voor een standplaats bij de Chocoladefabriek, maar die werd met vereende krachten door de Chocoladefabrikanten getorpedeerd. Gevolg is dat de goede man nu al bijna een jaar broden- en loempialoos thuis zit.

Oude rechten worden in Gouda blijkbaar zelden gerespecteerd. Hetzelfde overkwam dit jaar namelijk ook een van de laatste binnenstadscoutings van Nederland, Jan van Hooff. Ook zij staan – zelfs na een halve eeuw – op straat omdat de gemeente het schoolgebouw waar zij domicilie hielden heeft verkocht aan de particulier. Een behoorlijke schadeloosstelling of compensatie lijkt er niet in te zitten, waardoor de groep direct in haar voortbestaan bedreigd wordt. GoudAsfalt lijkt te duur, maar is nog steeds in beeld als nieuwe locatie.

Het afstotingsbeleid van monumenten die in gemeentebezit zijn, heeft dit jaar ook enkele vruchten afgeworpen. De Moriaan, het voormalige pijpen- en aardewerkmuseum, heeft

Donkere wolken boven het Weeshuis

Donkere wolken boven het Weeshuis

een particuliere bewoner gekregen. Even verderop aan de Westhaven wordt de oude Muziekschool in gereedheid gebracht om onderdak te bieden aan een eliteschool (de Mandeville Academy), mede ook door bemoeienis van onze huidige premier Mark Rutte. Minder vlot gaat het nog steeds met het Weeshuiscomplex. Tal van plannen voor hergebruik haalden het niet, maar nu lijkt de gemeente toch weer een projectontwikkelaar gevonden te hebben om er een hotel-restaurant annex conferentiecentrum (nog één!) in te vestigen. De eerste imaginaire beelden van wat het moet worden stemmen niet gerust. Helaas zal dan ook de unieke Jeruzalemkapel ten prooi vallen aan de commercie, terwijl deze stichting van Gijsbert de Raet de afgelopen jaren uitstekend dienst heeft gedaan als open atelier-ruimte voor Goudse kunstenaars.

Ook op het vlak van de Goudse kunstenaars lieten oude en nieuwe namen zich dit jaar

Erik Schutte aan het werk op de Oosthaven

Erik Schutte aan het werk op de Oosthaven

zien. Fijnschilder Ruud Verkerk mocht zijn kunnen tonen in Galerie Honingen ter gelegenheid van zijn veertigjarig kunstenaarsjubileum. De bekende Goudse portretschilderes Carla Roodenberg kreeg een welverdiend boek met een overzicht van haar mooiste werken. Uit Oost-Nederland verraste Erik Schutte met enkele ‘on the spot’ geschilderde stadsgezichten, waarop zijn losse penseel het (najaars)licht op fascinerende wijze heeft gevangen. Suzan Schuttelaar lijkt echt door te breken met haar realistisch-harde portretten, die eerder al actrice Tjitske Reidinga hard wisten te raken. Museum Gouda stelde haar in staat een modern schuttersstuk voor het Ruim te maken, waarbij toeschouwers het risico lopen op het witte doek te belanden.

Over kunst gesproken: Museum Gouda heeft dit jaar ook een publiekstrekker in huis weten te halen met de grote Erasmustentoonstelling ter gelegenheid van 500 jaar Novum Testamentum, de vertaling van het Nieuwe Testament van het Grieks in het Latijn door de grote Rotterdamse Gouwenaar. Voor het zover was moest eerste de tentoonstelling Lalla Golda, over 50 jaar Marokkanen in Gouda, afgesloten worden. Met een succesvolle veiling van het Marokkaanse keramiek kwam een eind aan dit opmerkelijke initiatief, dat ruim 9000 bezoekers – onder wie opmerkelijk veel Marokkaanse vrouwen – trok. Een veelvoud, ruim 22.000 mensen, bezochten de door directeur Gerard de Kleijn en babbelhistoricus Herman Pleij ingerichte Erasmus-expositie, die tevens de apotheose vormde van de scheidende Goudse museumdirecteur, die de stedelijke bewaarinstelling in vijf jaar weer financieel en vitaal heeft gemaakt. Zijn opvolger Marc de Beyer zal er een hele klus aan krijgen om deze lijn voort te zetten. Daarbij zal hij overigens nog wel ‘last’ houden van zijn voorganger, want deze blijft zich als gastconservator en anderszins nog wel met het museum bemoeien.

staat1

Ook buiten het museum bleef Erasmus dit jaar volop in de belangstelling staan. Het Erasmusgenootschap en het Historisch Platform Gouda verzorgen op vier achtereenvolgende zaterdagen een speciale Goudologie-leergang, die geheel was gewijd aan de humanist. Bijzonder was dat de archeologen en historici daarbij samen een project gestart zijn om het klooster Stein, net buiten Gouda in de richting van Haastrecht, te reconstrureren. Op basis van wat er bij opgravingen al aan de oppervlakte is gekomen, schriftelijke bronnen en vergelijkbare kloosters elders, is inmiddels al een maquette ontworpen. Op die manier wordt de plek waar Erasmus zeven jaar van zijn leven tussen muren en boeken doorbracht meer aanschouwelijk, hoewel de makers de ambitie hebben om met behulp van D3-techniek nog een stap verder te gaan. Naast ernst zorgde Erasmus ook voor luim; dit jaar bleek dat Zotte Zaterdag is uitgegroeid tot een serieus evenement en een echte publiekstrekker. Zelfs schilderclub ‘Het Goudse penseel’ liet zich dit jaar inspireren door de Goudse geleerde. Dat leverde enkele creatieve en verrassend professionele kunstwerken op.

staat8

Veiling van Lalla Golda. Vlnr. Paul abels, Milo Burgemeester Schoenmaker, Chahid el Haddouti (Voorzitter Boughaz), Fatima Kalai, (Raad van Aanbeveling),Gerard de Kleijn (Museum Gouda), Trude Linde en Willem Hesseling (beiden Boughaz)

Veiling van Lalla Golda. Vlnr. Paul abels, Milo Burgemeester Schoenmaker, Chahid el Haddouti (Voorzitter Boughaz), Fatima Kalai, (Raad van Aanbeveling),Gerard de Kleijn (Museum Gouda), Trude Linde en Willem Hesseling (beiden Boughaz)

Marc Mulders geeft uitleg over zijn Erasmusglas aan vrijwilligers en rondleiders in de Sint-Jan

Marc Mulders geeft uitleg over zijn Erasmusglas aan vrijwilligers en rondleiders in de Sint-Jan

staat9De eigenlijke afsluiting van het Erasmusjaar vond echter niet in het museum plaats, maar in de naastgelegen Sint-Janskerk. Daar kon in september toch eindelijk het Erasmusglas van Marc Mulders onthuld worden. Deze kunstenaar was als een kind zo blij dat zijn creatie uiteindelijk toch deel is gaan uitmaken van het monumentale glazenprogramma van deze ‘tempel’ van de glasschilderkunst in Nederland’. Zijn werk was al terug te vinden in de Oude Kerk van Amsterdam en de Sint-Janskathedraal van Den Bosch, maar met de Goudse kerk heeft hij de top van de Olympus pas echt bereikt. De kerk zelf is het afgelopen jaar druk doende geweest een herinrichting voor te bereiden, die ertoe moet leiden dat de ingang vooraan onder de toren komt en niet langer via een klein deurtje van een grafkapel aan de zijkant. Daar komt nu ruimte het oorspronkelijke graf van de grote Gouwenaar Hieronymus van Beverninghen weer enigszins in ere te herstellen en hopelijk komt er ook een glimp terug van de oude Librye, met de plaatsing van het fraaie Libryebord uit 1648.

De geschiedschrijving over Gouda werd dit jaar verrijkt met een biografie van een vergeten grootheid van vrouwelijke kunne uit de stad: Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. In deze levensschets, verschenen onder de titel De Kroon van Gouda, krijgt zij een verdiende plaats onder de voorlopers van het feminisme in Nederland. Ontelbaar zijn de publicaties

Film van de kwartaalclub waarin Paul Abels herinneringen aan zijn vrienden Nico Habermehl en Jan Kompagnie ophaalt

Film van de kwartaalclub waarin Paul Abels herinneringen aan zijn vrienden Nico Habermehl en Jan Kompagnie ophaalt

van deze domineesvrouw en ook op sociaal gebied – zoals het bezoeken van gedetineerden in de nationale vrouwengevangenis – was zij zeer actief. Hopelijk wordt nu ook het monument dat haar bewonderaars kort na haar dood in de Sint-Jan lieten aanbrengen weer snel zichtbaar voor het publiek. Nu is het nog schandelijk verstopt achter een grote niet gebruikte preekstoel. Twee prominente Goudse historici die in de voorbij jaren overleden, Nico Habermehl en Jan Kompagnie, kregen bij het veertigjarig bestaan van de Kwartaalclub nog bijzondere lof toegezwaaid. Ondergetekende mocht in een film herinneringen ophalen aan deze vroegere winnaars van de Kwartaalprijs.

Al met al mag 2016 weer een bewogen jaar genoemd worden voor historisch Gouda. De economische voortekenen zijn gunstig en er liggen tal van uitdagende plannen om uitgewerkt te worden. De haalbaarheid ervan zal ook sterk afhangen van de Goudse politiek. Die heeft het afgelopen jaar een stevige crisis doorstaan – de stad moest het maandenlang stellen zonder wethouders – maar het grotendeels op haar zetels teruggekeerde oude college lijkt vastbesloten de ingeslagen weg te vervolgen. Voor monumenten en culturele instellingen is dat gunstig, want B&W van Gouda hebben laten zien dat deze hen aan het hart gaan.

Solo-expositie van Ruud Verkerk, meester van de verstilling

Openingstoespraak met links de meester zelf

Openingstoespraak met links de meester zelf

Al veertig jaar is hij beeldend kunstenaar. Ruud Verkerk uit Gouda heeft inmiddels een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan van minutieuze stillevens en weidse landschappen. Op zondag 11 december mocht ik bij de opening van een grote jubileumexpositie ‘Helder licht’ van deze fijnschilder de openingstoespraak houden. En in de catalogus heb ik een typering van zijn werk gegeven. Door mijn dochter Leonie is daar ook een Engelse vertaling van gemaakt. Zelf hebben Christa en ik inmiddels vijf werken van hem aangeschaft, waar wij elke dag nog van genieten.

Dit is wat ik schreef in de catalogus

Lijnen in het werk van Ruud Verkerk

Ruud Verkerk. Zijn naam is net zo Hollands als zijn werk. Wie aan Ruud denkt ziet verkerk3oneindige polderlandschappen, met hier en daar een kerktoren als een opgestoken wijsvinger, die aan een kaarsrechte einder bescheiden de aandacht vraagt voor enige – misschien wel nietige – menselijke activiteit. Het was in die entourage dat hij in 1957 het levenslicht aanschouwde in Stolwijk, onder de rook van Gouda. Hij leek in de wieg gelegd voor ambachtelijk werk, al was dat aanvankelijk niet met een verfkwast, maar met het gereedschap van een zilversmid. Zijn echte passie lag echter bij tekenen en schilderen, een bezigheid die hem van jongst af aan van de straat en uit de weilanden hield. De idee dat hij hiermee ook zijn brood zou kunnen verdienen kwam pas geleidelijk bij hem op. In 1976 maakte hij zijn eerste olieverfschilderijen, aanvankelijk nog sterk geïnspireerd door het surrealisme van Dali en Willink. Zijn echte doorbraak volgde in 1990, toen hij mocht exposeren in Amsterdam, bij Siau, destijds de belangrijkste galerie voor figuratieve kunst van Nederland

Wie hem enigszins kent weet dat Ruud een diepdenker is, wiens interesses net zo weids zijn als het polderlandschap van zijn geboortestreek. Met evenveel gemak verdiept hij zich in Midden-Oosterse culturen als in de spiritualiteit van Griekse monniken op de berg Athos. Zijn interesse voor de oriënt ging zelfs zover, dat hij er letterlijk verliefd op werd. Met zijn huwelijk met de Iraanse Fereshteh heeft hij zijn geliefde Midden-Oosten als het ware naar het Westen gehaald.

verkerk2Die breedte van denken weerspiegelt zich ook in zijn onderwerpskeuzes. Steeds is hij op zoek naar nieuwe invalshoeken, voorwerpen om te schilderen of schilders uit vorige eeuwen die hem inspireren. Dat levert snelle variaties op in thematiek, vormen en formaten. Maar is er ook een lijn te bespeuren in zijn werk? Ja die is er, maar wel een dunne lijn. Ruud smijt namelijk niet met verf, maar gaat er calvinistisch zuinig mee om. Zijn werken zijn van een lichtheid die het houdt tussen tekenen en schilderen. Een andere lijn in zijn werk is die van de horizon in het Hollandse landschap, die richtinggevend is in veel van zijn werk, niet alleen in zijn wolkenrijke panorama’s van de Krimpenerwaard, maar ook in de stillevens en genrestukken.

Vroege stillevens uit 1984 zijn niet meer vergelijkbaar met zijn huidige werk. Die werken verkerk1waren strak, met heldere kleurvlakken en weinig details en stonden dichter bij Mondriaan dan bij de door hem later zo bewonderde schilders als Adriaan Coorte, Morandi en vroeg-renaissancistische schilders uit de School van Sienna. De oude meesters inspireerden hem uiteindelijk meer, dan de surrealisten, moderne minimalisten of abstracten. Dat is terug te zien in de voorwerpen die hij schildert, zoals asperges en andere soorten fruit en groente, tulpen, oud-Hollandse tegeltjes, keramiek, heiligenbeelden, sappige weiden en winters. De laatste jaren zien we de klassieke meesterwerken ook letterlijk terug in het werk van Ruud. marieSoms gebeurt dat door zo’n werk als briefkaart aan de muur van een stilleven te prikken, bijvoorbeeld landschappen van Jan van Goyen. Maar soms ook schildert Ruud een weergave van zo’n meesterwerk in een andere omgeving; zo duikt het beroemde Narrenschip van Jeroen Bosch op uit de mist bij de visbanken in de Gouwe, pal voor Verkerks atelier

Dezelfde voorwerpen komen veelvuldig terug in het werk van Verkerk, maar steeds zijn ze weer een beetje anders. Hij blijft eindeloos bepaalde variaties uitproberen om al schavend schilderend de perfectie te bereiken. Vandaar dat zijn vrouw Fereshteh wel eens zegt dat Ruud soms een concurrent is van zichzelf. Voor hem is dit echter een logisch gevolg van zijn visie op de schilderkunst. De perfectie zal waarschijnlijk nooit worden bereikt, maar elk schilderij is voor hem een nieuwe poging om haar te bereiken.

Coornhert misbruikt door Rozenkruisers

De uitnodiging was fraai vormgegeven en op naam gesteld, de lijst van sprekers was veelbelovend en de stad Haarlem had zich ermee verbonden; dus liet ik mij verleiden tot het bijwonen van de presentatie van het boek Coornhert. Hoe een Amsterdamse filosoof de grondslagen legde voor de moderne wereld, geschreven door de mij onbekende Jan Peter Burger en uitgegeven door de Rozekruis Pers. De auteur roemt zich erop student geweest te zijn van Willem Frijhoff, wat op zich een aanbeveling zou moeten zijn. Titel en uitgeverij hadden – achteraf gezien – meer argwaan moeten wekken, maar argeloos en verwachtingsvol toog ik naar het oude stadhuis van de stad waar Coornhert zoveel jaren doorbracht.

Bij aankomst viel mij al op dat ik, afgezien van de burgemeesters en twee sprekers, slechts een van de aanwezigen kende. Niemand van de Coornhertstichting ontwaarde ik, evenmin de gekende wetenschappers die zich met hem bezighouden, zoals Van Veen, Roobol of Gruppelaar. Met de openingslezing van de befaamde Joost Ritman – kruispuissant geworden met plastic bestek voor vliegtuigen, maar meer nog van die door het kabinet nipt van de ondergang geredde bibliotheek-met-moeilijke-naam (Bibliotheca Philosophica Hermetica) – bleek al in welk ‘lichtgevend’ en zweverig gezelschap ik beland was. Hier werd Coornhert doodgeknuffeld door een stel antikerkelijke moeilijkpraters op een manier dat hij er zelf van had gegruwd. Toen ik op de weg terug het toch maar aangeschafte boek las, merkte ik pas goed wat vlees ik in de kuip had. De laatste zin uit het boek overtrof alles: “Als we dit alles in ogenschouw nemen, dan mogen we rustig concluderen dat er – afgezien van Plato en Jezus – in de geschiedenis geen denker te vinden is die zo van invloed is geweest op de Europese cultuur als Dirck Volkertsz. Coornhert” (sic!). Nou is Coornhert ook een van mijn historische helden, maar zo bont zou ik het toch niet maken. Op de achterflap doet de uitgever niet voor de auteur onder: “Nee, niet de calvinisten zorgden voor de glorieuze Gouden Eeuw, en ook niet de roomsen met hun mirakelcultuur. De dominante cultuur was spiritualistisch en doopsgezind. Het zijn de vrij denkende gnostici van Amsterdam en de Noord-Hollandse doopsgezinden geweest die de culturele, wetenschappelijke en religieuze gouden kleur van de Republiek hebben bepaald. Aan de basis daarvan: Dirck Volckertszoon Coornhert, een geestelijke geweldenaar die niet meer weg te denken is uit de rij van grote filosofen uit de wereldgeschiedenis. Daarom: lees Burger!”.

Ik heb nooit eerder te maken gehad met die club van Rozenkruisers, maar de eerste kennismaking ritmanis me dus slecht bevallen. Het komt op mij over als een club antiklerikalen die het verleden naspeuren op personen die op enigerlei wijze kritiek hadden op de kerken en deze op een complottheorie-achtige wijze allen aan hun zegekar binden door ze het stempel Rozenkruiser op te plakken. Voor mij wordt dat lachwekkend geïllustreerd in de paragraaf van Burger over “Het ontstaan van de Rozenkruiserbeweging in Gouda”. Nooit geweten dat die er ooit is geweest en na lezing geloof ik dat nog minder. Het verhaal heeft nog het meeste weg van een Telegraafartikel: alles en iedereen wordt aan aan elkaar geknoopt, met tal van suggestieve en onbewezen veronderstellingen.

Burger hangt zijn bewering van de Goudse oorsprong van de Rozenkruisersbeweging op aan de aanwezigheid van de alchemist Nicolas Barnaud in Gouda en diens inwoning bij zijn collega Joos Balbian. Genoeg aanleiding dus om zich in hun contact verder te verdiepen, maar zelfs dat laat de auteur achterwege. Hij blijkt zelfs de meest voor de hand liggende literatuur (Annelies van Gijsens Joos Blabian en de steen der wijzen niet te kennen, waardoor het hem ook ontgaat dat we ons hier toch in stevig gereformeerde (contra-remonstrantse) kring bevinden. De aanname dat Barnaud naar Gouda kwam om de werken van Coornhert te bestuderen lijkt dan ook vergezocht.

Maar ook op andere punten is het betoog  los zand. Dat boekdrukker Pieter Rammazyn diverse alchemistische en wiskundige boeken drukte – onder meer van Robbert Fludd, propagandist van de Rozenkruisers in Engeland – is voor hem al een bewijs voor de aanwezigheid van rozenkruisers in roosde stad. “Gouda, de stad van Coornhert, en van zijn manuscripten, was een bedevaartsoord geworden en werkte als een magneet op alchemisten, filosofen en vrijdenkers”, aldus Burger, die nooit te beroerd lijkt om dit soort vergaande conclusies te trekken uit vleugjes informatie. Zo bezien is het achteraf een raadsel dat de auteur niets heeft gedaan met het drukkersmerk van Coornhert, dat hij zelf ontwierp voor zijn Haarlemse drukkerij. Uitgerekend dit drukkersmerk zou voor iemand met een fantasie als die van Burger het ultieme bewijs zijn dat Coornhert een Rozenkruiser avant-la-lettre was.

Kortom: ik had mijn vrijdagmiddag beter kunnen besteden, het geld voor het boek beter in mijn zak kunnen houden en neem Haarlem voorlopig niet meer serieus als Coornhertstad.

De Goudse Vrijheid en de geboorte van het Gouweremonstrantisme

In een zeer bijzondere ambiance mocht ik op maandagavond 21 november spreken voor de Remonstrantse Gemeente van Alphen a/d Rijn en Zwammerdam. Deze gemeente kerkt in de voormalige synagoge van Alphen, gelegen aan de Samuel Aardewerksteeg en gebouwd in de negentiende eeuw. Omdat ook de kleine groep Alphense joden niet ontkwam aan de vernietigende handen van de nazi’s, werd het gebouwtje na de Tweede Wereldoorlog verkocht aan de remonstranten. Heel bijzonder is dat het oorspronkelijke interieur uit 1896 nagenoeg in oorspronkelijke staat bewaard gebleven, mede dankzij een bijzondere vondst in april 1980, toen bij een verbouwing onder de vloer een deel van de inventaris teruggevonden werd.

alphen3

alphen2De remonstranten die de synagoge thans als kerk gebruiken, gaan uiterst respectvol om met de joodse herinnering, heel anders dan in Gouda, waar de Vrije Evangelische Gemeente de synagoge aan de Turfmarkt in de jaren vijftig van de joden heeft overgenomen. Daar herinnert aan de binnenzijde weinig tot niets meer aan de ‘jodenkerk’, terwijl ook een bord met de tekst ‘Jezus alleen’ aan de buitenzijde niet bepaald getuigt van fijngevoeligheid.

Met mijn lezing mocht ik op genoemde avond voor ongeveer vijftig belangstellenden het alphen
bijzondere karakter van de reformatie in Gouda uit de doeken doen, dat resulteerde in de ontwikkeling van de stad tot het belangrijkste remonstrantse bolwerk  in de Republiek. Mijn betoog dat Gouda zelfs weleens de plek zou kunnen zijn geweest waar in januari 1610 de remonstrantie werd opgesteld en ondertekend, vond niet bij iedereen weerklank. Dominee Martijn Junke achtte het waarschijnlijker dat er nooit een dergelijke bijeenkomst is geweest, maar dat het papier ter ondertekening is rondgegaan langs de verschillende predikanten. Hoe het ook zij; onbetwistbaar was dat Gouda een zo sterk remonstrants bolwerk was, dat prins Maurits de stad pas als laatste durfde te ‘belegeren’ om tot een coup te komen.

Na Maurits’ wetsverzetting was het binnen tien jaar gedaan met de grote, duizenden leden tellende, remonstrantse gemeente in de stad. De Sint-Jan moesten zij afstaan aan de calvinistisch-gereformeerden en heftige vervolgingen onder leiding van de fanatieke baljuw Anthony Cloots leidden ertoe dat steeds meer Gouwenaren het remonstrantisme achter zich lieten en terugkeerden naar de stadskerk. Daarbij namen zij de nieuwe kerkelijke klankkleur op de koop toe.  In 1630 kwam de zaak enigszins tot rust en mocht het overgebleven groepje van nauwelijks honderd remonstranten een kerkje in gebruik nemen aan de Raam.

Opmerkelijk bij dit alles is dat het remonstrantisme door dit alles in figuurlijke zin weglekte uit Gouda, maar erin slaagde langs de rivier de Gouwe kleine steunpunten te behouden. Dat kan geïllustreerd worden aan de hand van de autobiografie van Passchier de Fijne, een remonstrantse dominee die tegen de verdrukking in zijn geloofsgenoten in deze regio geestelijk bleef bedienen. Hij kreeg daarbij de bijnaam “Het IJsvogelke”. Deze naam dankte hij aan een optreden in 1620 dat hij zelf uitgebreid beschreef:

“Daer nae (also het geheel sterk gevroosen hadde) dede ik eene Predikatie op het Ys by images-1klaren dag, staende op eene Sleede, daer een Paert aen stont voor aen der Gouwe, daer ook seer veele toehoorderen, ook selfs eenige soldaten by stonden. De Predikatie gedaen weesende, dede ik eenen Psalm singen, ende in ‘t singen van dien reet den voerman voort met my ende alle de gunstige die op schaetsen stonden volgden my tot Wensveen [Waddinxveen] toe, ende de reste bleeven staen en songen den Psalm ten eynde”.

Ook andere preken van De Fijne werden gehouden op en langs de Gouwe. Hij vertelt over enkele spectaculaire ontsnappingen:

“Hier op gebeurde het op den Tweeden Paesdag, dat ik buyten gegaen was om te prediken. Buyten komende wiert my geseyt, datter veele soldaten met haer zijt-geweer buyten gegaen waren, ende hier ende daer met troepen in de weyden saeten; (…). Komende ter plaetse daer ik soude preeken vont ik daer veel volkx neffens eenige luyden die so van Wensveen, als Boskoop daer heenen gekomen waren, die ook al eenige vreese in ‘t hooft hadden, om datse eenige soldaten gesien hadden, alhoewel alle alleen met haer zijdtgeweer gewapent. (…) Nae de Predikatie gink ik met 2 a 3. mannen de Goukaeye op naer Wensveen toe, doch eer ik eenige Soldaten gewaer wiert, so komter een man my tegen die my metter hant wenckte weer te keeren, by my komende seyde hy my, het is onklaer, den Schout staet aende brugge; gy bent verspiet, hy sal u daer aentasten. Ende een Schipper die inde Gouwe lach seyde my, komt in mijn schip ik vaere naer Haerlem, so bent gy buyten alle perijckel. Also ik in ‘t Schip was geklommen, so quam Schout Kloot [=baljuw Anthony Cloots] aen, ik seyde dat de Schipper de Kabel soude losmaken, ende ik also aen de andere zijde van de Gouwe oploopen, dit dee de schipper; daer mede raeckte ik klaer, want eer ymant konde naer de Wensveensche brugge omloopen, so wiert ik daer van eenen sekeren huys-man overgeset, die my den wech, waer door ik tot Zevenhuysen konde komen”. (…) Dat Lukas Jakobsz my nae de presikatie (die ik zelf hadde gedaen) te gemoet was gekomen, seggende; ik kome van Alfen alwaer ik eenige glasen gebragt hebbe, ende ik hem seyde: siet toe, of gy niet al mede zult beschuldigt worden, als een, die mede inde remonstrantsche predikatie die heeden op ‘t velt geschiet is, geweest en hebt”.

Het zijn uitgerekend de dorpen Waddinxveen, Boskoop en Alphen – gelegen aan de Gouwe – waar tot op de dag van vandaag (kleine) remonstrantse gemeenten bestaan. Passchier de Fijne legde hiervoor de basis en verdient daarom in herinnering gehouden te worden.

Nieuwe directeur Museum Gouda onlogische keuze

Museum Gouda, voorheen Museum Catharinagasthuis, heeft van haar grote zus uit Utrecht, Museum Catharijneconvent, een nieuwe directeur afgesnoept. Het hoofd kerkelijk marc-de-beyer1erfgoed kerken en kloosters van dit museum, Marc de Beyer, zal het museum de komende vijf of zes jaar gaan leiden. Gelet op de prachtige collectie religieuze kunst die het Goudse museum in zijn bezit heeft een op het eerste gezicht voor de hand liggende keuze. Toch is het stadsmuseum onder leiding van de scheidende directeur Gerard de Kleijn de afgelopen jaren een koers ingeslagen, die een keuze voor een kunsthistoricus en conservator kerkelijke kunst als nieuw boegbeeld minder logisch maakt.

Na jaren tobben heeft Museum Gouda een duidelijke visie weten te ontwikkelen over de ontwikkelingsrichting van de collectie, de tentoonstellingsagenda en de plek die het inneemt in de Goudse samenleving. Geen pogingen meer om aanzien te verwerven in een kleine kring van moderne kunstliefhebbers of hoogelitaire ambities met onbegrepen exposities van conceptuele kunst, maar een koers die nauw aansluit bij de stad en het vele bijzondere dat haar historie en erfgoed te bieden heeft. Museum Gouda leek daarmee de weg ingeslagen te hebben naar een meer stadshistorisch museum, dan naar een kunsttempel. De Raad van Toezicht van het verzelfstandigde museum, die de nieuwe directeur heeft uitgezocht, heeft in de vacaturetekst benadrukt de huidige koers te willen continueren.

Om de worteling van het museum in de stedelijke omgeving verder te bevorderen stelde zij tevens de eis dat de gezochte directeur zou wonen in Gouda of bereid was naar hier te verhuizen. Hoe sterk aan deze eis is vastgehouden zal moeten blijken. Zeker is in elk geval dat de nieuw benoemde directeur een onbekende is in Gouda en ook een grote onbekende in de historische wereld; zelfs in de kerkhistorische wereld. Dat kan een nadeel zijn. Museum Gouda heeft in zijn meerjarenplan grote exposities op het oog in de aanloop naar het jaar 2022, het jaar waarop de stad 750 jaar stadsrechten zal hebben en ook het jaar waarin het 500 jaar geleden is dat de grote Gouwenaar Dirck Volkertszoon Coornhert werd geboren. Het gaat hier om twee historische thema’s, waaraan Marc de Beyer als kunsthistoricus een hele kluif zal hebben. Het is in elk geval te hopen dat hij hierbij de door zijn voorganger ingeslagen weg zal vervolgen en de historische verenigingen en organisaties nauw bij de planning en uitvoering zal blijven betrekken. Anders loopt het met Museum Gouda net zo af als met het Nationaal Historisch Museum dat de Tweede Kamer ooit wilde en waarvoor Arnhem een brug te ver was. Kunsthistorici en historici leven helaas nog vaak in twee geheel verschillende (museale) werelden.

Beverwijk en Haarlem gaan Gouda voor in Coornhertisme

Beverwijk. Het is niet meteen de plaats waar je aan denkt, wanneer de naam Coornhert valt. Toch is daar, in de door de PKN verlaten Grote Kerk, een vereniging actief die zich onder leiding van de theoloog-filosoof Bert Kisjes inzet voor het bekendheid geven aan en coornhertjenaar de huidige tijd toe vertalen van het gedachtegoed van deze veelzijdige humanist. Niet het nabijgelegen Haarlem dus, waar Coornhert jarenlang woonachtig en werkzaam was, maar de stad onder de rook van de Hoogoven (thans Tata Steel), heeft zich Coornhert toege-eigend. Of Coornhert er ooit zelf geweest is, mag worden betwijfeld, maar zeker is dat zijn geschriften er gretig worden gelezen en besproken. Jaarlijks wordt er, op of rond zijn sterfdag (29 oktober) een Coornhertlezing georganiseerd. Dit jaar voert Michael Zantovsky het woord, de biograaf van de Václav Havel en huidige ambassadeur van Tsjechië in Londen.

beverwijkIn de aanloop naar deze gebeurtenis vonden in de kerk van Beverwijk zes lezingen plaats, die werden gehouden door sprekers die gerekend kunnen worden tot de belangrijkste Coornhertkenners van deze tijd. Na Bert Kisjes, Jaap Gruppelaar, Ilia Veldman, Arie-Jan Gelderblom en Mirjam van Veen, was het op 23 september de beurt aan mij om Coornhert uit te lichten, nu in zijn Goudse context en in samenhang met die andere grote Gouwenaar, Desiderius Erasmus. Later dit jaar zal nog een boekje verschijnen, met daarin gesprekken met al deze inleiders, die ingaan op de betekenis van Coornhert in verleden en heden.

Na Beverwijk is nu ook Haarlem ‘wakker’ geworden om zijn vroegere stadssecretaris bijzondere aandacht te schenken. Dat zal gebeuren in 2018, als de historische vereniging een omvangrijke Coornherttentoonstelling zal inrichten, waarschijnlijk in het gebouw waar hij ooit met enkele vrienden een drukkerij begon. Gouda, de stad die zich Coornhert met het meeste recht mag toe-eigenen, simpelweg omdat daar zijn gedachtegoed de meeste invloed heeft gehad, zal zich ook moeten gaan warm lopen. Deze stad, waar hij uiteindelijk zelf het liefst naar toe wilde om “de goude vrijheijdt” en waar hij in 1590 ook zijn laatste adem uitblies, zal in 2022 zijn vijfhonderdste geboortedag ook groot gaan vieren met een grote tentoonstelling in Museum Gouda. Goed om nu alvast met de voorbereidingen te beginnen en de banden met Beverwijk, Haarlem en andere ‘spelers’, zoals de zeer actieve Coornhertstichting, stevig aan te halen.

Reinout Krajenbrink: geen portret maar genrestuk

De Goudse leeskring

goudse-leeskringgroot

Hoewel dit schilderij een portret is van twee mensen, heeft het toch ook veel weg van een genrestuk. Het genrestuk is een term uit de schilderkunst, waarbij een voorstelling wordt gegeven uit het dagelijks leven. Deze voorstelling laat een echtpaar zien (Paul en Christa Abels-Bolscher), zittend aan een tafel, omringd door persoonlijke attributen. Het daglicht valt binnen via een groot venster aan de rechterkant en werpt een warm licht op het gezelschap dat zich vermaakt met hun liefhebberijen, onder het genot van een goede kop koffie. Een oude kaart van Gouda aan de wand – gemaakt door Johannes Blaeu in 1649 – verraadt dat het tafereel zich in deze stad afspeelt, het venster toont ons ook een glimp van een grachtenpand in de Goudse binnenstad. De man in het schilderij is dr. Paul H.A.M. Abels, een Gouds kerkhistoricus, die veel over de Goudse geschiedenis heeft geschreven en inmiddels een grote verzameling heeft opgebouwd van oude boeken en historische documenten. Op zijn revers prijkt het lintje van zijn ridderorde, die hij in 2014 ontving voor zijn verdiensten op historisch gebied. Aandachtig leest hij in een zeventiende-eeuws stichtelijk boek een hoofdstuk over de apostel Paulus (Pauwels op de opengeslagen bladzijde). Dat hij over Paulus leest, is niet toevallig gekozen, want het is eveneens een verwijzing naar zijn eigen naam.

Zijn vrouw Christa kijkt hem oplettend aan en luistert aandachtig als hij een passage voorleest. Christa is schooljuf op een basisschool en heeft uit liefde voor haar vak inmiddels een aanzienlijk aantal oude leesplankjes verzameld. Als verwijzing naar haar beroep heeft ze zo’n plankje voor zich, waarvan ze de kartonnen lettertjes in een rond donkerrood blikje van de firma Hoogeveen bewaart, dat zij in haar linker hand houdt. Naast leesplankjes verzamelt ze ook blauwe emaile voorwerpen, waarvan we twee exemplaren in de vensterbank zien staan. Daar staat ook een Mariabeeld als teken van hun geloofskleur. Deze drie voorwerpen staan ook voor hun drie dochters. Een opvallend detail is het sieraad om haar hals. Het is een scherf van eeuwenoud Gouds aardewerk, met een schildering van een gelukslus, die is gevonden in de aarde van deze stad en door een kunstenares ingekaderd in een zilveren sponning. Op de achtergrond aan de muur kijken Pauls historische helden, Dirck Volkertz. Coornhert en Petrus Purmerend, goedkeurend toe.

Compositorisch heb ik geprobeerd om een wisselwerking te krijgen tussen de personen onderling en tussen de personen en de toeschouwer. Als toeschouwer wordt je blik eerst getrokken door de persoon in het midden, in dit geval is dat Christa. Niet alleen zien we haar van voren geschilderd, maar ook haar felblauwe kleding in het centrale gedeelte van het schilderij vraagt als eerste aandacht. Alle lijnen in de voorstelling lijken ook naar haar toe te lopen; let op de schaduwlijnen op de wand, de spijlen in het raam, de contourlijnen van het boek en het leesplankje en de richting van het stratenpatroon op de kaart. Ze lijken allemaal naar haar toe te wijzen; zelfs de wijsvinger van Pauls rechterhand en de kijkrichting van de portretjes aan de muur leiden het oog van de toeschouwer naar het midden.

Vervolgens zien we juist dat de aandacht van Christa op haar man is gericht. Ze kijkt hem aandachtig en vragend aan, wat nog weer eens versterkt wordt door de lijnen van de lijst van de kaart, die haar blik laten leiden naar zijn gezicht. Zo wordt het oog van de toeschouwer als het ware ook vervolgens die kant opgeleid. De lijst aan de wand verbindt in die zin de gezichten met elkaar. Paul is daarentegen van de zijkant (en profil) geschilderd. Hij houdt geconcentreerd zijn vinger op het boek bij de plek in de tekst waar hij is gebleven, terwijl hij in zijn andere hand een kopje vasthoudt en nadenkt over het antwoord dat hij Christa wil geven. Zijn blik is gericht op het boek in het midden van het schilderij. Dit is de plek waar alles samen komt: de handen, de koffiekopjes en de beide passies. Het overlapt elkaar deels, waardoor het allemaal met elkaar in verbinding staat en het iets gemeenschappelijks krijgt.

Het schilderij “De Goudse leeskring” is voor mij een ervaring geweest waarbij ik de techniek van portretschilderen en het stillevengenre heb willen combineren in één voorstelling. Reinout Krajenbrink