Gouda voor de grote groei. Een stadsplattegrond uit 1894

Door de eeuwen heen zijn vele plat­te­gron­den van de stad Gouda gemaakt. De oudst bek­ende, die van Jacobus van Deven­ter uit 1562, ligt ten grond­slag aan de reusachtige maque­tte die enkele jaren gele­den gemaakt werd voor het Museum Gouda. In de eeuwen daarna veran­derde er in de kern weinig aan het straten­pa­troon van de stad. Kaarten van onder meer Braun & Hogen­berg (1585), Guic­cia­r­dini (1612), Bleau (1650) en Lep­elaer (1713) passen bijna naad­loos op elkaar. Her en der vond stadsverdicht­ing plaats door het bebouwen van tot dan toe braak liggend ter­rein of door afbraak vri­jgekomen ruimte. De stad bleef let­ter­lijk opges­loten bin­nen de stadsmuren. Zelfs lange tijd nadat deze muren in het mid­den van de negen­tiende eeuw waren afge­bro­ken, werd niet ‘uit­ge­bro­ken’: er viel weinig neig­ing te bespeuren om daar­buiten tot bebouwing over te gaan. De grote veran­derin­gen deden zich pas voor in de twintig­ste eeuw. Tegen­wo­ordig is het oude stad­s­cen­trum bin­nen de sin­gels slechts een kleine kern, die in alle win­drichtin­gen wordt omringd door grote nieuwbouwwijken.

DSC09482

Onlangs ver­raste mijn lief mij met een relatief onbek­ende kaart van de stad uit de fase dat Gouda zo ongeveer op de rand stond om die grote sprong ‘naar buiten’ te maken. Deze “Platte Grond van Gouda” stamt uit 1894 en maakt deel uit van een Gids voor Gouda, in dat jaar gedrukt in de “stoom­snelpers­drukkerij” van de firma Koch & Knut­tel aan de Turf­markt in Gouda. Het gid­sje was te koop voor het lut­tele bedrag van 20 cent, waar­voor de lezer dan handzame infor­matie kon vin­den over achtereen­vol­gens de geschiede­nis van de stad (‘Het oude Ter Gouw’), een toeris­tis­che wan­del­route, de voorde­len van Gouda als woon­plaats, de inricht­ing van het onder­wijs en wan­del­mo­gelijkhe­den in de omgev­ing van de stad. Verder bevat de gids prak­tis­che infor­matie als een kilo­me­terta­bel tot de omrin­gende dor­pen, de vertrek­ti­j­den van de ‘Staatsspoor­we­gen’ , de stoom­tram, de paar­den­tram, de post­wa­gen­di­enst en de stoom­boten. Tot slot geven tien­tallen adver­ten­ties een fraaie calei­doscoop van de Goudse middenstand.

Het is met deze beschri­jv­ing van de inhoud van de gids duidelijk dat we nog te maken hebben met een stad in de pre-moderne tijd, al zijn er reeds tal van sporen te ont­dekken van een nieuwe ontwik­kel­ing die Gouda wel­dra in de vaart der volk­eren zou opstoten. Nadere bestud­er­ing van de fraai gek­leurde kaart ver­sterkt die indruk. Als we de trein nemen komen we aan op het Sta­tion Staats-Spoor. De Vre­debest bestaat nog niet, dus de wan­del­ing naar het cen­trum moet via de Cra­beth­straat of de Spoorstraat. Aan laat­stge­noemde straat ligt aan de link­er­hand de Israelitis­che begraaf­plaats (hoek Boelekade). Achter deze begraaf­plaats doe­men de con­touren op van Sociëteit Ons Genoe­gen (die later Kun­st­min zal heten en nog later de Goudse Schouw­burg). Het is een van de vier sociëteiten die de stad op dat moment rijk is. De kaart ver­meldt naast Ons Genoe­gen de sociëteiten van de Reünie (Oost­haven), Vrede Best (Markt) en de Rooms-Catholieke Leesvereenig­ing (Westhaven).

Aangekomen op de Klei­weg torent aan de link­erkant de Maria Hemel­vaarts– of Klei­wegk­erk hoog boven de huizen– en winkel­rij uit, met vlak­bij nog het Oude Vrouwen­huis, ook wel aange­duid als het St. Elisabeth’s Gasthuis.

Foto van de Haven uit de Gids van Gouda uit 1894

Foto van de Haven uit de Gids van Gouda uit 1894

De kerk is op dat moment nog relatief nieuw (gebouwd in 1878), maar zal al in 1964 weer afge­bro­ken wor­den. Het onderkomen voor bejaarde dames zou nog eerder (in 1938) ten prooi vallen aan de slop­er­shamers. Aan de Markt tre­f­fen we de nog steeds bek­ende mon­u­menten:  Stad­huis, Waag en Arti Legi. Het laat­ste gebouw is vol­gens de leg­enda van de kaart een “Museum van Oud­he­den”. Dit betreft het stadsmu­seum, voor­ganger van het huidige Museum Gouda, ingericht in 1872 ter gele­gen­heid van de vier­ing van 600 jaar stad­srechten. Door­lopend richt­ing de Oost­haven komt de wan­de­laar uit 1894 langs de Gasthuiskapel, die op dat moment dienst doet als “Stads Lib­rije”. Het achterliggende gasthuis is nog in gebruik als zieken­huis en heet op de kaart het St.-Elisabeth’s Gasthuis, een ver­giss­ing omdat het gaat om het St.-Catharina Gasthuis. Verderop aan de Oost­haven ligt het “Israëli­tisch  Oude Man­nen– en Vrouwen­huis”, het bejaar­den­te­huis voor joodse mede­burg­ers waar­van de bewon­ers in de Tweede Werel­door­log op harteloze wijze weggevo­erd zouden wor­den naar de vernietigingskampen.

Lopend in de richt­ing van de Veer­stal passeert de wan­de­laar in die dagen het zoge­heten Dames­ges­ticht (ook wel Hoffman’s ges­ticht geheten) en het Telegraafkan­toor. Vanaf de IJs­selkade is links de brug naar Haas­trecht te zien, met aan de overz­i­jde het ter­rein van de IJs­club. Aan zijn rechter­hand ligt Korte Akkeren, met op de voor­grond “St. Kaarsen­fab­riek “Gouda”. Ervoor, aan de Schieland­sche Hooge Zeed­ijk liggen een “Excerci­tie Veld” en een “Cri­quetveld”, de geboorte­grond van de lat­ere voet­balv­erenig­ing Olympia. Achter de kaarsen­fab­riek zien we de Heerenkade (nu Heren­straat), de Tol­len­skade en de Fil­ip­slaan, ron­dom de Alge­meene Begraaf­plaats. Hier is dan al een beschei­den woon­wijk buiten de sin­gels in ontwik­kel­ing. Hele­maal aan de andere kant van de stad gebeurt in dezelfde tijd het­zelfde in wat de Kade­bu­urt ging heten, met vier genum­merde kades als zijs­traten van de Karnemelk­sloot. Ertegen­over ligt het Mil­i­tair Hos­pi­taal, een groot gebouw dat later het Belast­ingkan­toor zou worden.

Onze wan­de­laar is inmid­dels via het Hout­mans­plantsoen, met het “Mon­u­ment Gebr. Hout­man” en uitzicht op het Stoomge­maal die Sper­ingstraat doorgelopen. Daar treft hij aan de link­er­hand het Oude Man­nen­huis, ook wel het Willem Vroe­sen­huis geheten. Er tegen­over is het Wees– en Aal­moeze­nier­shuis nog volop in gebruik, ter­wijl de Jeruza­lemkapel na eeuwen nog steeds dienst doet als “Armkamer”, waar de bedel­ing plaatsvindt aan min­ver­mo­gende Gouwe­naars. De rondgang laat zien dat de oude, feit­elijk al uit de Mid­deleeuwen stam­mende infra­struc­tuur van sociale voorzienin­gen, in 1894 nog gro­ten­deels in tact is. Dat blijkt ook aan de West­z­i­jde van de stad, waar op het Bol­w­erk weliswaar de Gas­fab­riek nieuwe tij­den aankondigt, maar waar dan ook nog steeds het Prove­nier­shuis en een best­edelin­gen­huis zijn gehuisvest.

Dat de stad daar­naast op dat moment ook nog een vol­waardige gar­ni­zoensstad is blijt uit ver­schil­lende ver­meldin­gen. Naast de Armenkamer is — in de overbli­jf­se­len van het Mid­deleeuwse Paulusklooster, die in 1942 zouden wor­den afge­bro­ken om er een postkan­toor te bouwen (dat er nooit kwam) — het “Gar­ni­zoens Nachtleger– en Kleeding-Magazijn geves­tigd. Eerder zagen we al dat Gouda ook een mil­i­tair zieken­huis heeft. Al deze voorzienin­gen zijn bestemd voor de kaz­erne gelegerde sol­daten. Deze sol­daten van het 4de reg­i­ment infan­terie van het 5de batal­lion, verbli­jven in het lange gebouw dat is gele­gen aan een groot plein, dat later de Varkens­markt zou gaan heten (en tegen­wo­ordig Nieuwe Markt).

Aangekomen op de Tien­deweg brengt de rondgang de bezoeker bij het oude Doe­lenge­bouw, waar ooit de stadss­chut­terij bijeenkwam, maar waar in 1894 les wordt gegeven in de “Rijks Hoogere Burg­er­school”. De andere grote Goudse school, het Stedelijk Gym­na­sium, later genoemd naar de vri­j­denker Coorn­hert, is op dat moment gehuisvest in het oude stadspaleis van de patriot De Lange van Wijn­gaar­den aan de West­haven. Op weg terug naar het sta­tion wan­de­len wij over de lom­mer­rijke Hout­mans­gracht, waar het water schoon genoeg is voor een “Bad– en Zwem­inrigt­ing”. Aan water is in alge­meen­heid trouwens geen gebrek in de stad, want wie de Platte Grond van 1894 vergelijkt met die van van­daag ziet in een oogop­slag dat er nog veel meer grachten en sloten de stad doork­lieven dan nu. De Raam, de Nieuwe Haven, Achter de Vis­markt, de Naaier­straat, het grachtje aan de achterz­i­jde van de Wijd­straat (bij de St.-Jan), het van de Turf­markt naar de Zeugstraat door­lopende watertje met de St-Anthonybrug; stuk voor stuk water­lopen die in de twintig­ste eeuw gedempt zouden worden.

Zo geeft een een­voudige stad­splat­te­grond een mooi tijds­beeld van een ont­wak­ende stad bij het ocht­end­glo­ren van de moderniteit.

Getijden klinken na eeuwen weer in de Sint-Jan

Op 24 juni was het eeuwen­lang een drukte van belang in Gouda. Op die datum vier­den de Getijden2Gouwe­naars de naamdag van hun patroon­heilige, Johannes de Doper. Tal van geledin­gen in de maatschap­pij stapten dan op in een pro­cessie die vertrok vanuit de kerk en na een rondgang door de stad daar weer terugk­wam. Voorop liepen dan de koork­napen die met hemelse gezan­gen bij­droe­gen aan de plechtige sfeer. Gouda had geen kapit­telk­erk, met kapit­tel­heren voor het zin­gen der geti­j­den, maar net als in veel andere Hol­landse ste­den werd het gemis aan fraai kerkzang zo gevoeld, dat in het mid­den van de 15de eeuw ook hier een Col­lege van de Zeven Geti­j­den in het leven werd geroepen. Dat gebeurde op 16 juni 1453 op ini­ti­atief van Wouter van der Man­dere, pas­toor van de Sint-Jan. Dit Col­lege bracht de noodza­ke­lijke mid­de­len bijeen en regelde dat er spe­ciale geti­j­den­zangers in dienst genomen kon­den wor­den voor de zang van de bek­ende geti­j­den: de met­ten (nacht), lau­den (zon­sop­gang), priem (6 uur), terts (9 uur), sext (12 uur), noon (3 uur), ves­pers (15 uur) en com­pleten (20 uur).

Getijden3

De Refor­matie maakte hard­handig een einde aan deze meer­stem­mige Lati­jnse kerkzang. De Geti­j­den­meesters wer­den van hun func­tie ontsla­gen en de overge­bleven gelden gin­gen naar de armen­zorg. Het werd abrupt stil in de Sint-Jan, althans wat betreft dit soortGetijden1 har­monis­che gezan­gen. In plaats daar­van kwam de psalmen­zang met lang­gerekte hooi-strooi-tonen van de gere­formeerde gemeente, met hoo­guit enige orgel­begelei­d­ing. Heel bij­zon­der is het daarom, dat Sint-Jansdag 2015 is aange­grepen om de geti­j­den­zang weer eens te laten klinken in deze protes­tantse kerk. Het Ensem­ble Cantare, onder lei­d­ing van diri­gent Leo Rijkaart en begeleid door organ­ist Chris­ti­aan Ingelse, durfde het aan om vanaf 5 uur in de ocht­end de zeven geti­j­den te laten klinken.

Om toch enigszins chris­telijke uren te hanteren hebben zij wel wat geschip­perd met de tij­den en geti­j­den. Na de met­ten van 5 uur werd de lau­den overges­la­gen en vol­gde al een uur later de priem. Terts, sext, noon en ves­pers vol­gden op de reg­uliere uren, waarna de com­pleten twee uur naar voren gehaald zijn en om 6 uur al gezon­gen wer­den. Ter ver­hoging  van de sfeer en het inzicht wer­den daar­naast nog een mid­deleeuwse lunch en enkele lezin­gen geserveerd. Resteert bij mij de vraag waarom er sprake is van de Meesters van de Zeven Geti­j­den, ter­wijl er acht bid­ston­den zijn? Ik ben tot de con­clusie gekomen dat de zeven geti­j­den betrekking hebben op de tussen de zang­beurten liggende tijdss­pan­nen, waar­door er acht nodig zijn.

Het ini­ti­atief om de Geti­j­den weer te laten horen in de mon­u­men­tale Sint-Janskerk koorver­di­ent alle lof. En meer toe­ho­orders. Bij het krieken van de dag viel de de opkomst alleszins mee; rond de zes­tig bezoek­ers. Maar later op de dag wer­den dat er niet veel meer, hoewel er via de media, met posters en ander­szins behoor­lijk reclame voor was gemaakt. Gelukkig waren er bij de afs­lui­tende Com­pleten veel fam­i­liele­den van de zangers gekomen om hen te feliciteren met de presta­tie. Dat het mooi weer was en gelijk­ti­jdig de bin­nen­stad bruiste van andere activiteiten, zoals de Goudse Havenda­gen, zal niet bevorder­lijk zijn geweest voor de bezoek­er­saan­tallen. Hopelijk laten de organ­isatoren zich niet ont­moedi­gen, want het ini­ti­atief ver­di­ent het om daar te zetten. Het zou daar­bij helpen om de gezon­gen tek­sten en een ver­tal­ing aan de bezoek­ers uit te delen en elke geti­jde kort toe te laten lichten door de diri­gent. Wellicht kan daar­naast samen­werk­ing met de rooms-katholieke parochies meer draagvlak oplev­eren. Nu klonken in de gezan­gen nog wel een erg protes­tantse onder­toon door.

Het havenfront van Gouda door de eeuwen heen getekend en geschilderd

Deze dagen staat Gouda weer geheel in het teken van de scheep­vaart. Met Gouda Haven­stad wordt op tal van manieren stilges­taan bij het belang van het vaar­wa­ter door en voor de stad. De stad dankt niet alleen haar naam – Gouda, Ter Gouw, Ter Goude, HavendagenGolda – aan een vaar­weg, maar ook haar ontstaan dankzij de lig­ging op de plek waar de Hol­landse IJs­sel en de Gouwe samen­vloeien. Hon­derd­duizen­den schepen passeer­den in de loop der jaren de stad, aangezien alle bin­nen­vaartschepen (niet-zeewaardige schepen) die ‘bin­nen dune’ noord– of zuid­waarts door Hol­land voeren de stad moesten passeren. Zij betaalden niet alleen tol, maar moesten hier ook drie dagen stil­liggen en potvert­eren. Een groot deel van de stedelijke rijk­dom was hier­aan te danken. De Veer­stal, waar alle schepen moesten aan­meren die geschut moesten wor­den om vanaf de Hol­landse IJs­sel door – en na de aan­leg van de Mal­le­gatss­luis in 1574 om – de stad naar de Gouwe te varen, was het belan­grijk­ste ver­keer­sknoop­punt van de stad, waar vee­lal ook geladen en gelost werd als de goed­eren voor de stad zelf bestemd waren.

Met de groei van de bin­nen­vaart in de negen­tiende eeuw werd de pas­sage van Gouda voor veel schip­pers een toen­e­mende erg­er­nis wegens filevorm­ing en ver­trag­ing. Een oploss­ing voor de prob­le­men diende zich pas echt aan met de aan­leg van de Julianasluizen in 1936, toen de boten de stad links of rechts – naar gelang de vaar­richt­ing – kon­den laten liggen. Daarmee nam de drukte bij de Veer­stal en de Mal­le­gatss­luis aan­merke­lijk af. Toch bleef het nog tot halver­wege de twintig­ste eeuw mogelijk niet alleen vlak om de stad te varen, via de Turf­sin­gel, maar zelfs ook nog door de oude bin­nen­stad via de oude route langs het Tol­huis en door de Donkere Sluis en het Ams­ter­dams Ver­laat. De Water­snood van 1953, waar­bij Goude ter­nauw­er­nood aan een ramp ontsnapte, was de aan­lei­d­ing deze vaar­weg volledig af te sluiten met het dicht­tim­meren van de sluis­deuren en het doortrekken van de ver­keer­sweg in 1956. Deze door­gang had immers geen enkel economisch nut meer – aan plezier­vaart werd toen nog niet gedacht – en het ooit zo lev­endige haven­front kwi­jnde sinds­dien nog verder weg. Feit­elijk keerde de stad haar rug naar dit gebied: de spoor­lijn en de A12 zorgden ervoor dat de stedelijke ‘voordeur’ aan de andere kant kwam te liggen. Braunhogenberg Gelet op het economis­che belang voor Gouda van de oor­spronke­lijke ‘voordeur’, het haven­front aan de Hol­landse IJs­sel, is het niet ver­won­der­lijk dat dit gebied op ver­schil­lende momenten in de geschiede­nis door car­tografen en kun­ste­naars is getek­end DSC05759en geschilderd. Over geen ander gedeelte van de stad zijn wij daar­door beter geïn­formeerd wat betreft de ontwik­kelin­gen en veran­derin­gen in de loop der tijd. De vroeg­ste afbeeld­ing komt op naam van de car­tografen Georg Braun en Frans Hogen­berg. In 1585 beeld­den zij de stad af vanaf de overkant van de IJs­sel. Hoewel vaak vraagtekens geplaatst zijn bij de betrouw­baarheid van het werk van deze Duitse kaarten­mak­ers, is – als wij Henk­jan Sprokholt mogen geloven — bij het onder­zoek dat ten grond­slag lag aan de maque­tte in het museum gebleken dat hun stad­saangezicht en ook hun stad­splat­te­grond in menig opzicht wel degelijk overeenkomt met wat in andere bron­nen wordt aangegeven.

Als wij ons hier beperken tot het haven­front, dan valt allereerst het reusachtige kas­teel op, dat tot de afbraak ervan in 1577 het aangezicht van de stad dom­i­neerde. Vlak erachter is een kerk­toren­tje te zien, dat toe­be­ho­orde aan het klooster van de Min­der­broed­ers. De kaart ver­scheen acht jaar nadat het slot werd ges­loopt, maar het bouww­erk lijkt qua afmetin­gen behoor­lijk reëel. Anders lijkt dit het geval met de toren van de Sint-Jan. Die torent wel erg hoog boven de stad uit, ter­wijl hij in werke­lijkheid nooit die hoogte kon kri­j­gen wegens de Goudse bodemgesteld­heid. Twee andere – ook te hoge — torens die vlak achter de Sint-Jan te zien zijn, zijn moeil­ijk te deter­mineren. Mogelijk gaat het om de toren die ooit voor de Gasthuiskapel stond en van de toren van het Agni­eten­con­vent. Meer herken­baar zijn de pinakels van het oude, uit 1450 daterende – stad­huis op de Markt. Links van de haven­mond zijn in de stadsmuur achtereen­vol­gens de Tolpoort, de Pieter Hugesz­toren en — deels ver­sc­holen achter een uit­stek­end deel van de stadsmuur – de Veer­stal– of Water­poort te zien. Verder links is onmisken­baar de Rot­ter­damse of Dijk­spoort te onderken­nen, met de twee ken­merk­ende ronde toren­t­jes. Opval­lend afwezig zijn nog de wind­molens, die later het stads­gezicht zouden gaan domineren, maar die toen nog uit­gevon­den moesten wor­den. Op de Veer­stal is het een drukte van belang, met aange­meerde schepen en sjouw­ers voor het laden en lossen. Op de kade staat ook een kraan­tje. In de riv­ier liggen enkele boeien en er varen ver­schil­lende schepen. De afbeeld­ing van Braun & Hogen­berg laat al met al een zeer com­pacte, maar nij­vere stad te zien, veilig ver­sc­holen achter stads– en kas­teel­muren. Die impressie was bij het ver­schi­j­nen van de kaart echter feit­elijk al achter­haald door de afbraak van het kas­teel. AertVanWaesGoudaRuim een halve eeuw later, in 1644, tek­ende de teke­naar en graveur Aert van Waes de stad vanaf ongeveer het­zelfde punt aan de overkant van de Hol­landse IJs­sel op de Goud­er­akse Dijk. Van Waes was een Gouwe­naar, die anders dan zijn Duitse voor­gangers, zijn infor­matie niet uit tweede of derde hand had, maar zelf kon vast­leggen wat hij zag. Dat leverde een veel gede­tailleerder beeld op. Uit­er­aard is op deze teken­ing geen kas­teel meer te zien. Wel blijkt op deze plek nog een toren te staan; de pas veel later (1808) afge­bro­ken zoge­heten char­ter­toren, een naam die terug­gaat op de negen jaar (1577–1586) dat hier archieven van het gewest Hol­land bewaard wer­den. Op de plek van het kas­teel is inmid­dels een stadsmuur opgetrokken en er is een molen op de fun­da­menten van het kas­teel gebouwd, een voor­ganger van de huidige molen Het Slot (gebouwd in 1832). Rechts van de haveningang is nu ook een aan­leg­steiger gekomen, de in 1582 aan­gelegde Nieuwe Veer­stal. Aan de smalle haven­mond is aan de lin­k­eroever nu duidelijk het Tol­huis te zien, meter­voor de in 1623 gebouwde poortwachter­swon­ing. Links ervan weer de Tolpoort en de

Curieus zelfportret van Aert van Waes. Uit de tekst eronder blijkt dat hij nauwelijks een boterham verdient aan schilderen en daarom 'in zijn palet heeft gescheten'

Curieus zelf­portret van Aert van Waes. Uit de tekst eron­der blijkt dat hij nauwelijks een boter­ham ver­di­ent aan schilderen en daarom ‘in zijn palet heeft gescheten’

Pieter Hugesz­toren, met daarachter in reële pro­por­ties en in zijn vorm duidelijk herken­baar de toren van de Sint-Jan en het Cathari­na­gasthuis met de oor­spronke­lijke toren. Verder naar links, bij de ingang naar de Peper­straat, de in 1624 vernieuwde Veer­stalpoort. Ook daar­bij is inmid­dels een poortwachter­shuis gebouwd. Links en rechts op de achter­grond zijn de sil­hou­et­ten van de Sint-Barbaratoren en de Vrouwen­toren herken­baar. Hele­maal rechts ligt de Rot­ter­damse Poort, met daar­voor een ophaal­brug. Op de buiten­ste stadsmuren zijn ook de con­touren te zien van nog twee molens, onder meer op de plek waar nu de Rode Leeuw staat. Op de kade staan wagens, enkele kra­nen en lad­ing. Er is een wat groter schip aange­meerd en er zijn enkele kleinere roei­boot­jes te zien aan de oever en op het water. Wat verder opvalt zijn de vele meer­palen en de beschoei­ing van de kade­muur. Al met al laat Van Waes min­der bedri­jvigheid zien dan zijn voor­gangers en lijkt de stad al wat inges­lapen in vergelijk­ing met de zestiende-eeuwse sit­u­atie. GezichtopGoudaHet duurde bijna een eeuw, tot Abra­ham de Haen in 1733 opnieuw het haven­front tek­ende vanaf de overz­i­jde van de riv­ier. De teken­ing werd in 1744 gegraveerd door J.C. Philips en opgenomen in een boek dat werd uit­gegeven door Isaac Tirion. Wat het meest opvalt, vooral bij de handgek­leurde ver­sies van deze prent, zijn de vele bomen die inmid­dels op beide Veer­stallen zijn gepoot. Het geeft de stad een lom­mer­rijk aangezicht. Het scheep­vaartver­keer, dat in deze jaren nog aanzien­lijk moet zijn geweest, bli­jft gro­ten­deels buiten beeld, omdat de Rot­ter­damse Poort en daarmee het gebied van de Mal­le­gatss­luis ver­sc­holen ligt achter het groen. Aan de rechterz­i­jde is de grote char­ter­toren nog steeds te zien als een ste­vig bouww­erk, ter­wijl het vernieuwde molen­type op de plek van het slot nu het meest dom­i­nant is. Het Tol­huis bij de ingang van de stad heeft inmid­dels een vorm die wij ook nu nog herken­nen, inclusief de grote schoorsteen op de zij­muur. Voor het eerst is het lange dak van de Sint-Jan, met het vier­ling­storen­tje te zien. De kerk­toren zelf lijkt wat al te ver naar links te zijn gepo­si­tion­eerd. De Tolpoort is door een boom nauwelijks te zien, maar de renais­sancegevel van de Veer­stalpoort des te beter. Een schip met een ste­vig zeil en een vlag in top, is aange­meerd aan de Nieuwe Veer­stal. Aan de Veer­stal zelf liggen vijf platte schepen aan de kade en op de voor­grond zijn man­nen in de weer met enkele roeibootjes.

Een eeuw later, rond 1850, waart er een ‘muren– en poorten­storm’ door Ned­er­land. In hoog tempo ont­doen bijna alle ste­den zich van de stadsmuren en poorten, die beschouwd

Detailopname uit de kaart van Johannes Bleau uit 1649 met de Rotterdamse- of Dijkspoort, een van de poorten die midden-achttiende eeuw werd afgebroken

Detai­lop­name uit de kaart van Johannes Bleau uit 1649 met de Rot­ter­damse– of Dijk­spoort, een van de poorten die midden-achttiende eeuw werd afgebroken

wor­den als mid­deleeuws, nut­teloos, te kost­baar in onder­houd en onge­zond. Ook het Goudse haven­front, met een ste­vige muur, enkele torens en maar liefst drie poorten op een rij, ontkomt niet aan de slop­er­shamers. In 1851 werd de Veer­stalpoort voor de sloop verkocht, met als voor­waarde dat de mon­u­men­tale onderde­len – zoals een beeld van Her­cules – behouden zouden bli­jven. Uitein­delijk zou echter alleen een van de twee leeuwt­jes de slop­er­shamers over­leven. Tien jaar eerder al waren de Tolpoort en de Jan Hugesz­toren afge­bro­ken, inclusief de erboven gele­gen portier­swonin­gen. Daarmee werd het haven­front let­ter­lijk en figu­urlijk veel min­der schilder­achtig. Dat daarna vlak tegen het gebied een grote indus­triële com­plexen ver­rezen, zoals Koud Asfalt en de Stearine Kaarsen­fab­riek, later Unigema en tegen­wo­ordig Croda geheten, maakte dat ook lucht en water rond Veer­stal sterk aan aantrekke­lijkheid inboet­ten. Het is dan ook niet ver­won­der­lijk dat Gouda lang heeft moeten wachten voor­dat een kun­ste­naar de pense­len in de verf doopte om dit gebied opnieuw af te beelden.

Uitein­delijk is het de uit Kam­pen afkom­stige schilder Sjaak Kaashoek geweest die zich de afgelopen maan­den hier­aan heeft gewaagd, op ver­zoek van Anita Gaas­beek van Galerie De Hol­land­sche Maagd aan de Oost­haven. Zijn aangezicht van de stad komt op een belan­grijk moment, een fase waarin voor het eerst sinds lange tijd plan­nen gemaakt wor­den om deze voor­ma­lige ‘voordeur‘ van de stad nieuwe glans te geven. Aan de overz­i­jde is Koud Asfalt ermee opge­houden, wat de kans aan de stad biedt om de ‘Ijs­sel­sprong’ te maken, vergelijk­baar met de ‘Waal­sprong’ in Kaashoeks huidige woon­plaats Nijmegen. Aankoop van dit fab­riek­ster­rein door de gemeente kan de Krimpen­er­waard open­leggen als aantrekke­lijk recre­atiege­bied. Het kan ook een impuls geven aan de veel langer bestaande plan­nen om de oude Havensluis weer te ope­nen en de door­vaart door het cen­trum weer mogelijk te maken. De bruggen in de stad zijn daarop reeds aangepast in de afgelopen decen­nia. Alle reden dus om het huidige haven­front weer scherp te gaan bek­ijken en de bij­zon­dere schoonheid daar­van uit te lichten. Gouda2659Sjaak Kaashoek is net als zijn voor­gangers op de Goud­er­akse Dijk aan de overkant gaan staan om het gebied over de volle breedte – zijn schilderij meet ongeveer een meter – te schet­sen en te schilderen. Hij heeft daar­bij bewust gekozen voor het vroege voor­jaar, zodat het gebladerte en het hoge riet het zicht op de stad niet ont­ne­men. Diverse DSCN2332markante pun­ten die in het verleden beeld­bepal­end waren, zien wij ook nu nog terug. Aan de rechterz­i­jde torent molen ’t Slot, gele­gen in een lom­mer­rijk park, hoog boven de bomen uit Ook het Tol­huis is duidelijk herken­baar, achter een – na de afs­luit­ing van de Havensluis — door­lopende kade. De Sint-Jan, over de volle lengte en met zijn beschei­den toren, ont­breekt vanzelf­sprek­end niet. De sluis­deuren van de Mal­le­gatss­luis schemeren door een kale boom heen, met ervoor het schip­per­swacht­lokaal. Een imposante nieuwe ver­schi­jn­ing in het aangezicht vormt de Gouwek­erk, met zijn spitse hoge toren. Met deze kerk, gereed gekomen in 1902, wilden de rooms-katholieken demon­stratief bewi­jzen dat zij – na twee eeuwen achter­stelling in schuilk­erken – weer volledig terug waren. De toren, hoger dan die van de Sint-Jan, moest dat onder­strepen. Afwijk­end van alle eerdere gezichten op de stad is verder het ont­breken van elke vorm van scheep­vaart. Het schilderij toont daarmee een fraai, maar slapend haven­front, dat er als het ware om vraagt gewekt en openge­bro­ken te worden.

Rest de vraag hoe betrouw­baar de achtereen­vol­gende stads­gezichten zijn. Dankzij enkele foto’s die Kaashoek gemaakt heeft gedurende het word­ing­spro­ces van zijn schilderij, en enkele foto’s van de huidige sit­u­atie, zien wij dat de kun­ste­naar zich soms de vri­jheid heeft veroor­loofd om af te wijken van het­geen hij ziet, waarschi­jn­lijk in het belang van zijn compositie.

Zoek de verschillen!

Goudaschets1

Goudaschets2Kaashoek1 Kaashoek2

Gouda2659

Kaashoek4foto Opval­lende ver­schillen zijn onder meer de sterke pro­fi­ler­ing van de Gouwek­erk, de invulling van het gebied tussen de molen en restau­rant De Malle­molen aan de kop van de Oost­haven. Het zicht op dit laat­ste deel wordt namelijk in werke­lijkheid ont­nomen door enkele bouwsels van (waarschi­jn­lijk) de Koud Asfalt­fab­riek. Ook het riet is wat kor­ter Goudaschets3bijgesne­den dan het in werke­lijkheid was of kan zijn geweest. De boom aan de rechterz­i­jde daar­ente­gen toont weer opmerke­lijke bijeenkomst met de boom die daar in werke­lijkheid staat. Kor­tom: de achtereen­vol­gende ‘gezichten op Gouda’ bli­jven inter­pre­taties van kun­ste­naars en daarmee mensen­werk en zijn geen fotografis­che weer­gave van de werke­lijkheid. Het bli­jft dus altijd oplet­ten geblazen als je ze gebruikt als his­torische bron.

Familie Abels: Wilgen die zich niet laten knotten

Leo Abels, sta­moud­ste van de Enschedees-Almelose Abels-clan, ontv­ing van­daag ter gele­gen­heid van zijn 85ste ver­jaardag het eerste exem­plaar van de in druk ver­sch­enen fam­i­li­es­tam­boom uit­gereikt. Na een onder­zoek van 35 jaar wist zijn zoon Paul Abels, met steun van twee achtern­even (een met dezelfde naam uit Enschede en Henry Vos uit Lonneker/Epe) geneal­o­gisch een draad terug te spin­nen tot 1450. Het onder­zoek bracht veel aan het licht over de herkomst van deze van oor­sprong Duitse fam­i­lie. Het meest ver­rassend daar­bij is dat de naam Abels pas aan het begin van de 18de eeuw in zwang raakt. Voor die tijd tooit de fam­i­lie zich met een naam Tho Wilgen, To Willige en Willich­mann, namen die ontleend zijn aan een grote boeren­ho­eve, gele­gen in een oksle van de riv­ier de Ems, even buiten het dorp Rhede. Het blijken door de eeuwen heen eigen­zin­nige lieden te zijn geweest die in en rond Rhede de kost ver­di­en­den als vee­houder, landbouwer, turfsteker of metselaar.

stamboom

Pas in 1861 waagt Hilbert Abels op de nog jeugdige leeftijd van 15 jaar de sprong naar elders. Meege­zo­gen in de Hol­landgän­gerei  van zijn dagen, waar­bij vele Duit­sers hun geluk in het Koninkrijk Hol­land beproef­den als seizoen­sar­bei­der, kamer­meisje of bouw­vakker, trok hij naar het Twentse Zen­deren (tussen Almelo en Hen­gelo) om daar mee te werken aan de bouw van twee kloost­ers en een kerk. Met deze emi­gratie legde Hilbert de basis voor de Twentse Abels-tak, waar­van de geschiede­nis nu is vast­gelegd. Kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van Leo Abels kre­gen allen een exem­plaar van dit in een zeer kleine oplage ver­sch­enen boek. Met een knipoog naar de oor­spronke­lijke naam van de fam­i­lie en het eigen­zin­nige karak­ter van menig fam­i­lielid, heeft het boek als titel Wilgen die zich niet laten knot­ten meegekre­gen. Dochter Jolanda Abels schreef spe­ci­aal voor deze gele­gen­heid een gedicht op deze stam­boom, dat op de achterz­i­jde van het boek is afgedrukt.

Opnieuw duikt bijzonder boekje op van Goudse predikant Poppius

Eind vorig jaar dook op een veil­ing in het Amerikaanse San Fran­cisco een vol­strekt onbek­end boekje van de Goudse predikant Eduardus Pop­pius op. Dankzij een tip van een oplet­tende lezer van deze web­site kon dit kleine gebe­den­bun­deltje terugge­haald wor­den naar de stad waar het — slechts een paar maan­den na het tragis­che over­li­j­den van de pop­u­laire voor­ganger in Slot Loeven­stein — werd gedrukt. Nu, een half jaar later, heeft deze web­site opnieuw de weg gewezen naar een bij­zon­der werkje van Pop­pius, door­dat een lezer stuitte op mijn belang­stelling voor deze predikant. Dit keer is het aange­bo­den boekje wel bek­end en bevin­den zich exem­plaren diverse uni­ver­siteits­bib­lio­theken. Toch is het zeldzaam en een mooie aan­vulling op het eerdere werkje. De inhoud ligt direct in het ver­lengde hier­van, omdat het ook bestemd is voor zieken. De titel is: Siecken-troost. Dat is: Aen­sprake, onder­wi­jsinge ende ver­man­inghe aen de krancke luy­den van aller­ley soorten onder de Chris­te­nen, gherichtet nae den staet van de wan­del­inghe die se elck ghe­duyrende hare geson­theyt geleyt hebben. Het werd slechts twee jaar later, in 1626, te Ams­ter­dam gedrukt door Jacob Aertsz. Calom, boekverkoper op ’t Water in de Vyerighe Calom.

Blijk­baar voorzag deze troost­bun­del voor de zieken in een grote behoefte, want er ver­sch­enen in de jaren daarna nog diverse her­drukken. Feit­elijk is het een Unvol­len­dete. Pop­pius was van plan drie delen te schri­jven, maar was bij zijn over­li­j­den gevorderd tot het eerste deel. Dat werd door een niet bij name genoemde geestver­want ter perse gebracht. Pop­pius wordt niet alleen bij name genoemd als auteur, maar ook in beeld. De titel­pag­ina is namelijk ver­fraaid met een grote gravure, waarop de beeel­te­nis van Pop­pius onmid­del­lijk herken­baar is dankzij enkele portret­ten die van hem bewaard zijn.

DSC09478

De onge­signeerde prent toont een bed­stee, waarin een zieke man ligt. Zijn kussens zijn opgeschud en hoog opge­tast om hem het liggen wat dragelijker te maken. Op de voor­grond een tafeltje met bek­ert­jes en flessen, waarin waarschi­jn­lijk medici­j­nen zit­ten. Het interieur veron­der­stelt dat het gaat om een belezen en niet arm­lastige man. Op de fraaie tegelvloer staan forse meubels, met op de kast tegen de achter­wand vijf dikke boeken, waar­van er drie met de boekklam­pen naar voren staan. De Bij­bel zal niet ont­breken. Aan het bed van de zieke zit­ten twee man­nen. Het dichtst bij hem zit, gesticulerend,  de predikant Pop­pius, herken­baar aan zijn baard. Opval­lend is dat hij niet naar de zieke kijkt, maar de lezer aankijkt. Meer naar achteren zit een man, die een hoed in zijn hand houdt. Ook de man die achter hen met de deur­knop in zijn hand staat heeft een hoed in zijn andere hand. Het zou kun­nen dat het hier gaat om oud­er­lin­gen die de dom­i­nee vergezellen. Fam­i­lie lijkt niet aan­wezig in de ruimte, wel een slapende hond op de voor­grond, mogelijk als teken van trouw aan het geloof.

Met het gebe­den­boekje uit 1624 en deze Siecken-Troost uit 1626 wordt duidelijk dat Pop­pius ook na zijn dood bij zijn remon­strantse geestver­wan­ten in hoog aanzien bleef staan en dat zij vooral zijn troos­t­ende en opbeurende woor­den aan het adres van zieken grote waarde toekenden.

Het nieuwe Goudse Glas in de Sint-Jan: tussen vrees en hoop

Op deze site heb ik eerder twi­jfels geuit over de plan­nen om in de Goudse Sint-Janskerk een nieuw gebrand­schilderd glas te plaat­sen ter gele­gen­heid van het Eras­mus­jaar 2016. De eerste pub­li­caties hierover in de plaat­selijke media, inclusief een afbeeld­ing van een klein frag­ment van het glason­twerp, deden mij vrezen voor een dis­so­nant in het zo har­monis­che glazen­pro­gramma van deze mon­u­men­tale kerk. Boven­dien ver­weet ik de ini­ti­atiefne­mers een gebrek aan open­heid en betrokken­heid van Gouwe­naars bij de besluitvorm­ing en keuze.

Een antwo­ord liet niet lang op zich wachten. De opdracht­ne­mer, glaze­nier en beeldend kun­ste­naar Marc Mul­ders, en de opdracht­gever, muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn reageer­den bei­den per mail. Mul­ders stu­urde per ommegaande de schriftelijke con­cepten en ideeën die ten grond­slag liggen aan het ontwerp en bei­den nodig­den mij uit voor een bezoek aan het glasate­lier in Tilburg op een moment dat de ver­vaardig­ing van het glas enigszins gevorderd was. Uit­er­aard heb ik de uitn­odig­ing aangenomen in het belang van een meer onder­bouwde oordeelsvorming.

Op 19 mei stapte ik dan ook, gewapend met de nodige scep­sis, in een busje dat een

Een gedreven Marc Mulders geeft uitleg over zijn Goudse Glas

Een gedreven Marc Mul­ders geeft uit­leg over zijn Goudse Glas

gezelschap belang­stel­len­den naar Tilburg bracht. Daar wer­den we bedol­ven onder een stortvloed van Bra­bantse gastvri­jheid en een niet afla­tende woor­den­stroom van de kun­ste­naar. En de bezoek­ers kre­gen ruim de tijd om het in word­ing zijnde glas, dat in zijn volle omvang plat op een lage licht­bak lag, te bek­ijken en te bespreken. De mij toege­zon­den doc­u­menten en — meer nog — het engage­ment en de gedreven­heid van Mul­ders maak­ten in elk geval duidelijk dat de maker niet over een nacht ijs is gegaan. Hij  leeft zich in in Eras­mus en probeert het wezen van diens ideeën te vat­ten. Maar hij heeft niet alleen zijn eigen cre­atie voor ogen, maar ook de mon­u­men­tale omgev­ing waarin het glas zich zal moeten voe­gen, zowel qua vorm en kleur als qua bood­schap. De kun­ste­naar is nog mid­den in het schep­ping­spro­ces, dus het is nog moeil­ijk door het (let­ter­lijk) voorliggende raam heen te kijken naar het eindresultaat.

Hoe het uitein­delijk zal uit­pakken als het fonkel­nieuwe glas las in feb­ru­ari 2016 onthuld zal wor­den bij de

Het Goudse Glas in wording. Misleidend is het wit van de lichtbakken, terwijl ook de figuratieve elementen nog ontbreken.

Het Goudse Glas in word­ing. Mis­lei­dend is het wit van de licht­bakken, ter­wijl ook de fig­u­ratieve ele­menten nog ontbreken.

open­ing van het Eras­mus­jaar in Gouda, is nog onzeker. Mul­ders werkt namelijk niet vanuit een vast­staand ontwerp, zoals veel glaze­niers in het heden en verleden deden met behulp van een aan de opdracht­gev­ers voorgelegd ‘vidimus’, maar werk­endeweg. Wel is er een hoofd­con­cept en hanteert hij rand­voor­waar­den. Dat hoofd­con­cept is er een van hoop in donkere tij­den, met de opstand­ing als wenk­end en lich­t­end per­spec­tief. Het Kwaad wordt door het Goede naar de zijkan­ten van het bestaan gedrukt. Het licht en donker ver­taalt zich ook in de gebruikte kleuren, die nauw aansluiten bij de drie hoofdt­in­ten — van onder naar boven — in de meeste  Goudse Glazen: grijs, oranje en blauw. Geen schree­uwende, uit de toon val­lende kleuren dus. En Het wordt ook geen volledig abstract glas, maar een com­bi­natie van abstrac­tie en figuratie.

Van groot belang is ook de plek waar het glas geplaatst zal wor­den: niet pal naast de grote zestiende– of zeventiende-eeuwse glazen, maar in de zuidz­i­jde achter­aan, op een plek waar nu nog een moza­ïek­glas met scher­ven die overbleven bij de restau­ratie van Jan Schouten in de jaren der­tig. Daarmee komt het glas niet alleen recht tegen­over het tot op heden laat­ste glas dat in de kerk werd aange­bracht, het bevri­jd­ings­glas, maar ook in de directe nabi­jheid van het ‘Coorn­hert­glas’, het raam met een alle­gorische ver­beeld­ing van de Vri­jheid van con­sciën­tie (geweten). Daarmee zouden het gedachte­goed van Coorn­hert en Era­sumus, als pijlers onder het vri­jzin­nige geestelijke kli­maat in het vroeg­mod­erne Gouda, vanaf vol­gend jaar weer­spiegeld wor­den in twee naburige glazen. In die zin valt het glas ook zeker niet uit de toon, maar kan het een waarde­volle verdere inkleur­ing wor­den van het bij­zon­dere ver­haal dat in de ramen van de Sint-Jan wordt verteld.

De voor­lop­ige tussen­bal­ans met betrekking tot het nieuwe Goudse Glas is dus niet negatief. Los van de gebrekkige betrokken­heid van de Goudse gemeen­schap bij dit plan en de vraag of na de Bevri­jd­ing het Eras­mus­jaar wel belan­grijk genoeg is om er een glas aan te wij­den, lijken andere zor­gen na het bezoek aan Tilburg en de toelicht­ing van Marc Mul­ders in belan­grijke mate te wor­den weggenomen. Die hoop heb ik zeker, en die is net zo sterk als de hoop die het glas moet verbeelden.

Tentoonstelling over Marokkanen in Gouda trekt aandacht; met dank aan Nico Habermehl

Over vijf maan­den gaat de ten­toon­stelling Lalla Golda van start in Museum Gouda, geor­gan­iseerd door de Sticht­ing Boug­haz. De voor­berei­din­gen zijn in volle gang en de lokale media hebben het opgepikt. De reac­ties zijn zeer posi­tief. Mooi was dat van­daag niet alleen een groot stuk in het Alge­meen Dag­blad — Groene Hart stond over de exposi­tie, maar ook een bijna pag­i­na­grote necrolo­gie van Nico Haber­mehl, de bedenker van de ten­toon­stelling. Boughaz2Boughaz   Nico

Gouds Librijebord uit 1648 terug in de Sint-Janskerk?

Eigen­lijk was iedereen het ding allang ver­geten. Het ruim vier meter brede zwarte bord met de in goud geschreven namen van Goudse Lib­ri­je­meesters uit 1648–1649 hing ver­weesd in een klaslokaal van de Casimirschool, een lesruimte die een jaar gele­den beschik­baar kwam toen het Streekarchief Midden-Holland ver­huisde naar zijn nieuwe onderkomen in de Chocalade­fab­riek. Blijk­baar was het bord te groot en te onhandig om mee te ver­huizen en bleef het achter. Pas toen medew­erk­ers van Museum Gouda het fragiele gevaarte voorzichtig van de muur kwa­men halen om het een plaats te geven in een tijdelijke ten­toon­stelling over de boek­drukkunst, ont­dek­ten de juf en haar kinderen dat er al die tijd iets heel bij­zon­ders boven hun hoofd had gehangen. OLYMPUS DIGITAL CAMERA Voor­dat het Lib­ri­je­bord kon wor­den beves­tigd aan de muur in het museum moest het eerst grondig schoonge­maakt en ver­ste­vigd wor­den. Er moest zelfs een spe­ciale con­struc­tie gemaakt wor­den om het grote object te onder­s­te­unen en op de gewen­ste plek, boven enkele replica’s van boekenkas­ten te studeerbeves­ti­gen. Na reinig­ing werd de schoonheid van het bord pas goed zicht­baar, waar­door het onmisken­baar de blik­vanger van de ten­toon­stelling Uit­gelezen werd. Aan de link­erz­i­jde van het bord is een geleerde te zien, die zit te stud­eren in de Lib­rije, het boek openges­la­gen op een stan­daard. Voor hem ligt een stuk perka­ment en een ganzen­veer en staat een ink­t­s­tel, zodat hij aan­tekenin­gen kan maken. Boven hem hangt een olielam­pje, dat lezen bij duis­ter­nis mogelijk moet maken. Daar weer boven is een boeken­plank te zien, waar­bij opvalt dat de boeken met de rug naar de muur zijn geplaatst en met de boekklam­pen – waarmee de boek­ban­den bij elkaar gehouden wer­den – naar voren. De geleerde zit op een een­voudig houten krukje, met achter zich een haan, ongetwi­jfeld het sym­bool van lezen (denk aan de bek­ende ‘hanen­boek­jes’ waaruit kinderen leer­den lezen) en van wijsheid. Aan de andere flank van het bord is een vrouwen­figuur te zien. Daar­bij valt allereerst op dat het meest rechtse deel van de afbeeld­ing verd­we­nen is en ver­van­gen door enkele vernieuwde plankjes; ongetwi­jfeld het resul­taat van een aan­pass­ing van het bord in latere

De achterzijde van het Librijebord laat zien, dat de conditie slecht is en restauratie noodzakelijk

De achterz­i­jde van het Lib­ri­je­bord laat zien, dat de con­di­tie slecht is en restau­ratie noodzakelijk

tijd. De vrouwen­figuur zelf lijkt de voor­naam­ste dis­ci­plines of weten­schap­pen te ver­beelden waar­van boeken in de Lib­rije te vin­den waren: het hert aan haar voeten voor de natu­ur­weten­schap­pen, de escu­laap in haar link­er­arm voor de medis­che weten­schap, de spiegel in haar hand voor de filosofie en de kroon op haar hoofd ver­beeldt de kroon van alle weten­schap­pen in die dagen, de the­olo­gie. In het mid­den van het bord wordt in sier­lijke gouden let­ters de lof gezon­gen op de Lib­ri­je­meesters uit het mid­den van de zeven­tiende eeuw, onder wier bewind een ingri­jpende restau­ratie en mod­erniser­ing van de stads­boek­erij plaatsvond. Met hun pro­fes­sionele achter­grond verte­gen­wo­ordi­gen zij als het ware ook de vier eerder genoemde weten­schap­pen. Naast de gere­formeerde predikan­ten Scepe­rus en Hein­sius, zijn ook de medicus Bloncq en de apotheker Cincq ver­meld. De vijfde lib­ri­je­meester in de lijst is de beroemde Goudse regent en diplo­maat van stad­houder Willem III, Hierony­mus van Bev­ern­ingh (ja, van die statige laan). In de notulen van de lib­ri­je­meesters valt te lezen dat hij het is geweest, die het ontwerp voor het bord heeft gemaakt.

Het Librijebord wordt weer van de muur gehaald, nu de tentoonstelling voorbij is. Daar zijn niet minder dan zes museummedewerkers

Het Lib­ri­je­bord wordt weer van de muur gehaald, nu de ten­toon­stelling voor­bij is. Daar zijn niet min­der dan zes museummedewerkers

De opval­lende afmetin­gen en de hal­fronde vorm – inclusief de kleine inkeping bove­naan — van het Lib­ri­je­bord zijn een­voudig te verk­laren. Het bord is exact op maat gemaakt voor de ruimte in de Sint-Janskerk, waar de bib­lio­theek vanaf eind zestiende eeuw was gehuisvest. De Goudse Lib­rije was namelijk eeuwen­lang onderge­bracht in het zaaltje boven de toeris­teningang van de Sint-Jan. Sail­lant detail daar­bij is overi­gens dat het toeris­ten­winkeltje is geves­tigd in de voor­ma­lige Van Bev­ern­inghkapel, waar de genoemde ontwer­per van het lib­ri­je­bord begraven heeft gele­gen. De Lib­rije bevond zich dus eeuwen­lang recht boven zijn hoofd. Eind negen­tiende eeuw is besloten het boek­bezit van de Lib­rije over te bren­gen naar de kapel van het Catha­rina Gasthuis, waar nu het museum gehuisvest is. De ver­huiz­ing in 1893 geschiedde vooral in ver­band met ruimtege­brek. Ver­vol­gens is de Lib­rije in 1977 opnieuw ver­huisd, toen naar het stads(thans streek)archief in het weeshuis­com­plex, waar de boeken verd­we­nen in stalen archiefkas­ten, voor­taan onzicht­baar voor het grote pub­liek. Het bord en de inger­aamde naam­li­jsten van sleutel­rechthoud­ers ver­huis­den steeds mee; boekenkas­ten en andere onderde­len van de Lib­rije wer­den blijk­baar verkocht of bij het grof vuil gezet. Dat laat­ste gold ook voor het eeuwe­noude col­lege van Lib­ri­je­meesters, dat in 1980 werd ont­bon­den. Toen het archief vorig jaar ver­huisde naar de Choco­lade­fab­riek, ging het kost­bare boeken­bezit niet mee naar die locatie, maar naar het archiefde­pot in Moor­drecht. Met de ten­toon­stelling Uit­gelezen hebben de Gouwe­naars en andere bezoek­ers gedurende drie maan­den een glimp kun­nen opvan­gen van hoe de Goudse Lib­rije er ooit in al zijn pracht heeft uit­gezien. Over twee weken is dit echter voor­bij en verd­wi­j­nen de kost­bare boeken en atlassen weer richt­ing het depot in Moor­drecht, net als de

Namenlijst van sleutelrechthouders aan de muur. In de vitrine de catalogusplankjes uit de Librije

Namen­li­jst van sleutel­rechthoud­ers aan de muur. In de vit­rine de cat­a­lo­gus­plankjes uit de Librije

archief­plankjes, wapen­boeken en naam­li­jsten van de sleutel­rechthoud­ers. Wat er met het reusachtige lib­ri­je­bord zal gebeuren is nog niet duidelijk. Dat het terugge­hangen zal wor­den in het klaslokaal van de basiss­chool lijkt uit­ges­loten. Meer waarschi­jn­lijk is het dat het pro­vi­sorisch weggeschoven zal moeten wor­den achter een archiefkast in het genoemde depot. De Goudse streekarchivaris Sigfried Janz­ing heeft daarom op twit­ter al gesug­gereerd dat het bord beter een vaste plek zou moeten kri­j­gen in het museum. Gelet op de vele ent­hou­si­aste reac­ties van bezoek­ers aan de ten­toon­stelling op de tijdelijke librije-opstelling zou het terug­plaat­sen van het bord op zijn oor­spronke­lijke plek in de Sint-Janskerk vol­gens mij een betere keus zijn. Bij het opdoeken van de oor­spronke­lijke Lib­rije zijn onderde­len ver­spreid ger­aakt over het museum, het plank2archief en de kerk. Het ophangen van het bord in de vroegere Lib­ri­jezaal – waar tegen­wo­ordig de Sticht­ing Goudse Sint-Jan kan­toor houdt – zou een mooie aanzet kun­nen zijn om deze ruimte op den duur te benut­ten voor een kleine – vaste – Lib­ri­je­ten­toon­stelling, als extra attrac­tie voor toeris­ten en andere bezoek­ers van de kerk. Ook de naam­bor­den van de sleutel­rechthoud­ers, de houten cat­a­lo­gus­plankjes en een kleine – miss­chien wis­se­lende – selec­tie van Lib­ri­je­boeken zouden daar getoond kun­nen wor­den. Dat alles zou gere­aliseerd kun­nen wor­den onder begelei­d­ing van een te reanimeren col­lege van Lib­ri­je­meesters, in nauw con­tact met de kerkvoogdij en de Sticht­ing Sint-Janskerk.

Mocht de Librije in enigerlei vorm terugkeren in de Sint-Jan, dan zou er meteen iets gedaan moeten worden aan de 'rommel' naar en over de toegangssteen

Mocht de Lib­rije in eniger­lei vorm terugk­eren in de Sint-Jan, dan zou er meteen iets gedaan moeten wor­den aan de ‘rom­mel’ naast, boven en over de toe­gangssteen boven de deur naar de stadsboekerij

Als het ooit weer mogelijk zou zijn dat bezoek­ers van de Sint-Jan de trap weer kon­den nemen onder de gevel­steen Lib­rije en de tekst “Dis­cere ne cesse” (houd nooit op met leren), dan heeft de tijdelijke ten­toon­stelling Uit­gelezen in Museum Gouda ook voor de lan­gere ter­mijn zijn uitwerk­ing niet gemist.

Boughaz op zoek naar de ideale Marokkaanse vrouw in Gouda

In 1965, pre­cies vijftig jaar gele­den, ves­tig­den de eerste Marokka­nen zich in Gouda. Dat waren man­nen, die naar Ned­er­land gehaald wer­den om te werken als goed­kope arbei­d­skrachten in de indus­trie. Zij gin­gen vaak smerig en een­tonig werk doen; werkza­amhe­den waar maar weinig Ned­er­lan­ders meer voor te por­ren waren. Ze kwa­men alleen en kre­gen onder­dak in een van de vele pen­sions die inder­haast uit de grond gestampt wer­den door de bedri­jven die deze gas­tar­bei­ders naar Gouda haalden, of door inwon­ers van de stad die de kans aan­grepen om in korte tijd veel geld te ver­di­enen met hun vaak slecht onder­houden pan­den. In deze pen­sions sliepen de man­nen in dicht op elkaar gestapelde bed­den, waarin zij droom­den van de terug­keer naar hun vrouw en kinderen met een goed gevulde portemonnee.

Foto van de antropoloog David Hart uit 1954 van een traditionele Marokkaans-berberse bruid, op weg naar haar toekomstige echtgenoot

Foto van de antropoloog David Hart uit 1954 van een tra­di­tionele Marokkaans-berberse bruid, op weg naar haar toekom­stige echtgenoot

Het liep alle­maal heel anders. De man­nen keer­den meestal niet terug, maar lieten op den duur hun gezin naar Ned­er­land overkomen. De in Marokko achterge­bleven echtgenotes had­den voor de moeil­ijke taak ges­taan jaren­lang vader én moeder tegelijk te zijn voor hun kinderen. Ver­vol­gens moesten zij hun vertrouwde omgev­ing achter­laten, om zich te ves­ti­gen in een koud, nat en vreemd land, waar ze de taal niet spraken, hun fam­i­lie moesten mis­sen en een kroost moesten ver­zor­gen en opvoe­den in vaak bedompte oude wonin­gen. Ter­wijl hun man­nen in alle vroegte naar hun werk gin­gen en daar collega’s ont­moet­ten die dezelfde taal spraken en gewoontes had­den, moesten de vrouwen zich weer alleen red­den. Heimwee en depres­siviteit overvie­len menigeen. Toch wis­ten zij te over­leven, soms met hulp van een ome Piet of tante Riet, die bereid waren enige taal– of fiet­s­lessen te geven, maar vaak ook volledig aangewezen op hun eigen over­lev­ingskracht. Zij ston­den in de schaduw van de man­nen en bleven en bli­jven ook nu nog vaak let­ter­lijk buiten beeld.

De Sticht­ing Boug­haz, organ­isator van de ten­toon­stelling over 50 jaar Marokka­nen in LallaGouda, die dit najaar te zien zal zijn in Museum Gouda, hebben besloten deze Marokkaanse vrouwen in Gouda te eren als stille heldin­nen van de migratie. Zij kozen daarom voor LALLA GOLDA als titel van de exposi­tie, wat in het Marokkaans zoveel betekent als Madam Gouda of Gouden Vrouw. De organ­isatoren willen daar­bij ook bijna let­ter­lijk een stand­beeld voor deze vrouwen oprichten, in de vorm van een fraaie kledij gesto­ken beeld. Deze vrouw moet als het ware de verbind­ing sym­bol­is­eren tussen het oude Marokkaanse moed­er­land en de nieuwe Gouds-Nederlandse omgev­ing. Haar kled­ing, sier­raden en overige uit­doss­ing moeten tra­di­tie en moder­niteit com­bineren op een manier, dat zij model kan staan voor Marokkaans-Nederlandse vrouwen die zelf­be­wust de vol­gende vijftig jaar in deze stad tege­moet treden.

Boug­haz roept iedereen, maar in het bij­zon­der vrouwen en meis­jes met een Marokkaans-Nederlandse achter­grond, op ideeën of ontwer­pen aan te lev­eren voor de ide­ale LALLA GOLDA. Uitein­delijk zal het beoogde stand­beeld mede op basis van deze ideeën en ontwer­pen vorm kri­j­gen, waar­bij alle inzen­ders een uitn­odig­ing zullen kri­j­gen om bij de onthulling en de open­ing van de ten­toon­stelling aan­wezig te zijn.

STUUR UW IDEEËN OF ONTWERP VOOR DE IDEALE LALLA GOLDA, met ver­meld­ing van naam en email-adres naar secretariaat@boughaz.nl

Artikel Nico Habermehl over de islam in Gouda oogst lof hoogleraar protestantisme

De jubileum­bun­del van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd) heeft een mooie besprek­ing gekre­gen in het His­torisch Tijd­schrift Hol­land, geschreven door door Fred van Lieburg, bij­zon­der hoogler­aar Geschiede­nis van het Ned­er­lands protes­tantisme aan de Vrije Uni­ver­siteit. Opmerke­lijk is, dat hij hierin het artikel van wijlen Nico Haber­mehl pri­jst als boeiend en grensver­leggend voor de VNK.

Hieron­der de recen­sie van Van Lieburg: Dit boek ver­scheen ter gele­gen­heid van het 25-jarig bestaan van de Verenig­ing voor ScanNed­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK), die op 27 mei 1989 in Gouda werd opgericht. Deze aan­lei­d­ing vormt de helft van de verk­lar­ing van de hoofdti­tel Terug naar Gouda en van de inhoud van de bun­del, die voor een deel bestaat uit artike­len over de geschiede­nis van deze inter­con­fes­sionele verenig­ing van beroeps– en ama­teurk­erkhis­torici. De andere helft van de verk­lar­ing is dat de meeste artike­len – net als inder­tijd de eerste bun­del die door de VNK werd uit­gegeven – gewijd zijn aan onder­w­er­pen uit de Goudse religie– en kerkgeschiede­nis. In één artikel, dat van John Exalto over ‘De opmars van de bevin­delijk gere­formeer­den in de his­to­ri­ografie’, lopen beide per­spec­tieven zelfs een beetje door elkaar, in zoverre als de recente geschied­schri­jv­ing van de Bible­belt geïl­lus­treerd wordt vanuit plaat­selijke ontwik­kelin­gen op het ter­rein van kerk en onder­wijs. De overige bij­dra­gen over Gouda zijn pri­mair lokaal-historisch van aard, wat uit­er­aard niet weg­neemt dat ze daarmee een spiegel vor­men van gewest­elijke of inter­na­tionale ontwik­kelin­gen in de geschiede­nis van het chris­ten­dom. Wel hebben deze bij­dra­gen vri­jwel alle­maal betrekking op de late Mid­deleeuwen en de Refor­mati­etijd. Voor de lez­ers van Hol­land ligt daarin dan ook de groot­ste waarde van deze bun­del cas­es­tud­ies over het gods­di­en­stige leven in de vroeg­mod­erne periode.

Koen Goudri­aan beschri­jft enkele, rond 1500 in Gouda gedrukte boeken waarin de beteke­nis van de mis werd uit­gelegd. Hij plaatst deze in de con­text van een kerke­lijk catechese-offensief waarmee geestelijken de aan­dacht van leken voor de eucharistie probeer­den terug te win­nen. Jan van Her­waar­den behan­delt straf­be­de­vaarten die tussen 1447 en 1563 door Goudse rechters wer­den opgelegd aan per­so­nen die zich aan aller­lei kleinere of grotere overtredin­gen had­den schuldig gemaakt. Drie artike­len, geschreven door Mir­jam van Veen, Kees Plaizier en Gert­jan Glis­mei­jer, gaan in op de min of meer spir­i­tu­al­is­tis­che stro­ming in het door con­fes­sion­al­isme beïn­vloede protes­tantisme rond 1600, verte­gen­wo­ordigd door auteurs als Dirck Vol­ck­ertsz. Coorn­hert en Her­man Her­bers. De aan­dacht voor deze schak­er­ing van het chris­telijke spec­trum wordt in de bun­del niet echt gecom­penseerd door stud­ies over de gere­formeerde ortho­doxie, die uitein­delijk ook in Gouda lang­durig de toon aan­gaf. Maar liefst drie artike­len, aange­bo­den door Paul Abels, Marieke Abels en Mar­i­anne van der Veer, bestrijken het rooms– en oud-katholieke leven in Gouda in de vroeg­mod­erne tijd. De negen­tiende en twintig­ste eeuw komen er in de bun­del bekaaid af. Gelukkig leverde Henny van Dolder-de Wit nog een lezenswaardige bij­drage over de kerk­muzikale ontwik­kelin­gen in de Goudse her­vor­mde gemeente in de loop der eeuwen.

Zoals gezegd hinkt de bun­del een beetje op twee gedachten – de religiegeschiede­nis van Gouda en de geschiede­nis van de VNK zijn ver­mengd. Veel aan­dacht wordt besteed aan de ver­schillen tussen het in 2005 uit­gegeven hand­boek Ned­er­landse religiegeschiede­nis en het een jaar later gepub­liceerde Hand­boek Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. Vreemd genoeg heeft de VNK zich van meet af aan nogal sterk met het laat­stge­noemde werk geï­den­ti­ficeerd. Daarmee ver­bon­den was een kram­pachtige verdedig­ing van iets wat spec­i­fiek ‘kerkgeschiede­nis’ in tegen­stelling tot ‘religiegeschiede­nis’ zou moeten heten. Het is winst dat in deze bun­del meer nuchter­heid wordt betra­cht en zelfs een zekere spijt wordt betu­igd dat een kwarteeuw gele­den niet gewoon een Verenig­ing voor Ned­er­landse Religiegeschiede­nis is opgericht. Ini­ti­atiefne­mer Henk ten Boom voorzag al tij­dens een bestu­ursver­gader­ing in decem­ber 1988 dat het vak zich in deze richt­ing zou bewe­gen. Zelf heb ik aan het einde van een voor­berei­d­ings­bi­jeenkomst van de oprichters op schrikkeldag 1988 voorgesteld de aan­dacht niet te beperken tot het chris­ten­dom, maar ook het joden­dom erbij te betrekken. Van de opmars van de islam in Ned­er­land had ik nog geen kaas gegeten. Ook in de eerste VNK-bundel over Gouda wordt met geen woord over moslims gerept, hoewel de stad in 1989 al twee moskeeën telde. Teke­nend voor de ver­schuivin­gen in his­to­rie én his­to­ri­ografie is dat in de huidige bun­del een boeiend artikel over de islam in Gouda is opgenomen van de vorig jaar overleden his­tori­cus Nico Haber­mehl. Daarmee kri­jgt de onder­ti­tel van het boek – Religieus leven in de maal­stroom van de tijd – het volle pond en toont de VNK vol­wassen te zijn gewor­den. Haar open­heid voor een in alle opzichten brede beoe­fen­ing van de geschiede­nis van religie, geloof en kerk in Ned­er­land ver­di­ent lof en steun. De frisse blik op de toekomst blijkt ook uit de feestrede die Willem Fri­jhoff hield bij de pre­sen­tatie van de bun­del op de VNK-jubileumdag op 11 okto­ber 2014 in Gouda. Zijn titel bevatte een uitroepteken en een vraagteken – in die vol­go­rde: ‘Lang leve de kerkgeschiedenis!?’

Paul H.A.M. Abels, Jan Jacobs en Mir­jam van Veen red., Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd Meinema, Zoeter­meer, 2014, 304 p., geïll., ISBN 9021143720, prijs €28,50