Nieuw licht op het Goudse martelarenschilderij

Het mooie van geschiedschrijving is dat een verhaal nooit af is. Niet zelden komen lezers na de publicatie van een artikel of boek met aanvullende informatie of opmerkingen die een verhaal verder inkleuren of een andere wending kunnen geven. Dat was ook het geval na verschijning van mijn artikel in de vorige Tidinge over een schilderij van de Martelaren van Gouda. Stadsgids en Die Goude-lid Bas Weenink wees mij op een intrigerende passage in Ignatius Walvis’ Katolyke kerk-zaaken. Onder het jaar 1631 maakt deze Goudse stadsgeschiedschrijver en pastoor van de (oud-)katholieke kerk aan de Hoge Gouwe melding van het overlijden van de laatste pater van het Regulierenklooster aan de Raam, Cornelis Adriaensz Diephorst. Na hem te hebben geprezen voor zijn verdiensten bij het voortzetten van de rooms-katholieke zielzorg na de reformatie, meldt Walvis dat deze pater:

‘vereerde de pastorij d’afbeeldzels der Goudsche martelaren in eene schilderij tezaamen’. [1]

Er lijkt weinig twijfel over te bestaan, dat Walvis hier doelt op het schilderij dat dat in de vorige aflevering van dit tijdschrift aan de Goudse vergetelheid werd ontrukt. Hij bevestigt daarmee de conclusie dat er daadwerkelijk een schilderij gemaakt is waarop louter Goudse martelaren zijn afgebeeld. Maar deze ene zin bevat ook een schat aan informatie, die een geheel ander licht werpt op de datering van het schilderij, de opdrachtgever, de mogelijke schilder en de latere lotgevallen van het werk.

detail van het martelarenschilderij, met op de achtergrond de gruwelijkheden die zich afspeelden in de kasteeltuin van Gouda. Links het schip in de Hollandse IJssel waar een Goudse pater aan de boegspriet is opgehangen. In de tuin maken Lumey’s geuzen jacht op twee Goudse collatiebroeders. Het kerktorentje op de achtergrond is van het minderbroederklooster, dat vlak achter de kasteeltuin lag en al snel na 1572 werd afgebroken.

Het schilderij met de Goudse martelaren is in de eerste plaats veel ouder dan door museumdirecteur Jan Schouten en – in navolging van hem – door mij werd aangenomen. Het dateert niet uit de jaren veertig van de zeventiende eeuw, maar van ruim voor 1631. Dat betekent tevens dat de toeschrijving van het werk aan Jan Ariensz Duyff zeer onwaarschijnlijk is geworden. Deze Goudse wees-schilder was in 1631 nog maar 14 jaar oud. Wie de schilder dan wel is geweest blijft in nevelen gehuld. Wellicht was het dan toch Adriaen van Nieulandt, aan wie veilinghuis Christie’s het werk – weliswaar onder een verkeerde titel en zonder argumenten – in 2013 werd toegeschreven. Van Nieulandt leefde van 1585/7 tot 1658 en werkte achtereenvolgens in Antwerpen en Amsterdam.

Walvis’ aantekening maakt verder duidelijk dat de opdracht tot het schilderen van dit werk niet – zoals wij veronderstelden op basis van de toeschrijving aan Duyff – afkomstig was uit de kring van de franciscanen of minderbroeders. Het moet Cornelis Diephorst zijn geweest die op dit idee is gekomen.[2] Voor Duyff zou het een episode uit een ver verleden zijn geweest als hij dit had moeten schilderen, maar Diephorst was tijdgenoot van de vermoorde geestelijken en min of meer een ooggetuige. Toen de tragische gebeurtenissen zich in 1572 afspeelden was hij net een paar jaar eerder ingetreden in de orde van de regulieren en woonde hij in het klooster aan de Raam, met de bekende dagboekschrijver Wouter Jacobsz als zijn prior. Net als zijn overste ontvluchtte hij Gouda om zijn heil te zoeken in het toen nog katholieke Amsterdam. Wouter Jacobsz maakt diverse keren melding van zijn aanwezigheid daar, onder meer dat Diephorst tijdelijk werk vond als onderpriester van het Agnietenklooster en er ook het droeve bericht kreeg dat zijn moeder, Jacopgen Jansdr in Gouda was overleden.[3]

Net als zijn prior keerde Diephorst na de Pacificatie van Gent (1576) – een verdrag tussen Spanje en de opstandelingen dat bepaalde dat geestelijken voortaan ongemoeid gelaten zouden worden – terug naar Gouda. Hij kreeg zelfs een toelage van de stad en mocht gaan wonen in een huisje aan de Raam, nabij het al snel afgebroken Regulierenklooster. Van hem is vooral bekend dat hij zorgdroeg voor het omvangrijke boekenbezit van zijn orde. Jan Willem Klein, die bezig is met een uitgebreide studie naar de Goudse Librije, wees mij erop dat Diephorst voor het opslaan van de boeken zelfs een kamer in het Oudemannenhuis kocht. Daar bewaarde hij ook het bekende Erasmusmedaillon dat afkomstig was uit het door brand verwoeste regulierenklooster van Stein, de voorganger van het klooster aan de Raam. Na zijn overlijden werden de boeken opgeëist door het stadsbestuur, om samen met de parochiebibliotheek van de Sint-Janskerk de basis te vormen voor de Goudse Librije of stadsbibliotheek.

De gedrevenheid van Diephorst om de boeken en andere spullen van het klooster bij elkaar te houden en te bewaren kwam voort uit zijn innige wens dat zijn convent ooit in ere hersteld zou worden. In zijn testament uit 1599 krijgen familieleden weliswaar de nodige bedragen en bezittingen toegewezen, maar steeds herhaalt hij daarbij het voorbehoud dat de toewijzing vervalt als het convent ‘wederomme geërigeert [heropgericht] sall worden’.[4] Ook het martelarenschilderij zal voor hem een manier zijn geweest om de herinnering aan de kloosters levend te houden, met de wens dat hun opoffering voor het geloof niet voor niets zou zijn geweest.

Geleidelijk zal het Diephorst duidelijk zijn geworden dat zijn hoop ijdel was. In ruil voor het sleutelrecht van de Librije stemde hij in met het afstaan van een deel van de boeken. Ook het Erasmusmedaillon ging naar de stadsboekerij. Dat het martelarenschilderij in deze gereformeerde omgeving geen plek zou krijgen zal ook hij begrepen hebben.  Vandaar dat hij het schonk aan de parochie van de ‘kleine Sint-Jan’, de statie van de priester Petrus Purmerent, in de hoop de herinnering zo levend te houden. Die wens ging ook niet echt in vervulling. Walvis geeft niet aan of het schilderij zich daar nog bevond, toen hij er begin achttiende eeuw pastoor was. In elk geval moet het op enig moment toch van de hand zijn gedaan, reden waarom het later in Frans particulier bezit belandde en in 2013 op de veiling van Christie’s.

Dit nieuwe licht op het martelarenschilderij maakt het werk nog interessanter als herinnering aan een bewogen episode uit de Goudse geschiedenis. Hopelijk komt het op enig moment naar Gouda en kan het nader bestudeerd worden. Het werk bevat nog talrijke interessante details die nadere studie verdienen. Zo wees Marieke Abels erop dat het terrein achter de acht paters overduidelijk de kasteeltuin is, waar in de verte de toren is te zien van het Minderboederklooster, dat al een jaar later zou worden afgebroken. Links is dan de Hollandse IJssel te zien, waar een schip is afgemeerd met een van de paters opgehangen aan de boegspriet. In de tuin zelf zijn de soldaten geschilderd, die met lansen de twee ongelukkige collatiebroeders de dood injagen, nadat zij bij Lumey kwamen klagen over het gedrag van zijn soldaten. Wat betreft de middelste pater, Justus van Schoonhoven, weet een andere lezer, Pieter Mensert, te melden dat hij niet in Gouda, maar in Utrecht werd geboren, maar dat zijn ouders, Albert van Schoonhoven en Geertrui van Kampen, behoorden tot de Goudse regentenklasse. Justus vluchtte in juli 1572 uit zijn Delftse klooster richting zijn ouders in Utrecht en wilde eerst langs gaan bij familie in Gouda. Daar zou hij nooit aankomen omdat hij door geuzen gevangen genomen en opgehangen werd.

Dankzij verschillende lezers van de Tidinge heeft het Goudse Martelarenschilderij nog verder inkleuring gekregen. Ongetwijfeld is het laatste woord hierover dan ook nog niet geschreven.


[1] P.H.A.M. Abels, J. Hallebeek & D.J. Schoon (eds.), Ignatius Walvis, Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (1525-1712) (Delft 2012) 146.

[2] Diephorst was telg uit een prominente Goudse familie. Ook ‘Laarzenman’ Pieter Cornelisz. Diephorst, besproken door Jildou Looge in Tidinge 41/3 van vorig jaar was familie van hem. Mededeling Jan Willem Klein.

[3] I.H. van Eeghen, Dagboek van broeder Wouter Jacobsz (Gualtherus Jacobi Masius) prior van Stein. Amsterdam 1572-1578 en Montfoort 1578-1579 (Groningen 1959-1960) 119, 219, 248-249, 279, 314, 394-395, 457-458, 583, 673-674.

[4] SAMH, Notarieel archief, inv.nr. 27, fol. 23 e.v. Testament, 24-11-1599.