Artikel over Martelarenschilderij verschenen

Verrassende ontdekking: schilderij van de Martelaren van Gouda

Al negentien jaar vertel ik in mijn lessen Goudologie over Duizend jaar geloven in Gouda, dat ook deze stad martelaren heeft gehad. Iedereen kent het tragische lot van negentien geestelijken die in 1572 in handen van de geuzen vielen en bekend zijn geworden als de Martelaren van Gorcum. Zij werden zalig en in 1867 zelf heilig verklaard door de paus. Wie het Vaticaans Museum binnenkomt ziet bijna meteen na de ingang een levensgroot schilderij, waarin te zien is hoe de Gorcumse martelaren werden opgehangen. De verantwoordelijke geuzenleider, Lumey, kwam na deze wandaad bijna onmiddellijk naar Gouda, waar hij zijn intrek nam in het kasteel aan de IJssel. Toen twee paters van het Paulus- of collatie-klooster bij hem kwamen klagen over het gedrag van zijn soldaten in de stad, werden ook zij gruwelijk gemarteld en gedood.

Het lot van beide paters staat als bijlage wel vermeld in het werk van Wilhelmus Estius, die in 1603 als eerste de toedracht rond de Martelaren van Gorcum uitvoerig beschreef. Waar de Gorcumse slachtoffers voor altijd in het collectieve geheugen gegrift staan, raakten de ongelukkige Goudse paters in vergetelheid. Toch blijkt dat niet helemaal te kloppen. Een spectaculaire ontdekking die ik deed aan de hand van een oud krantenknipsel laat namelijk zien dat dit niet altijd zo is geweest en dat de herinnering aan hen in het midden van de zeventiende eeuw nog springlevend was.

Een vergeeld krantenknipsel uit 1986, mij aangereikt door Simon Schwegler van Kringloopwinkel Emmaus bracht mij op het spoor van een onopgemerkt gebleven schilderij, waarop niet alleen de twee eerdergenoemde Goudse martelaren staan afgebeeld, maar ook nog zes andere geestelijken die uit Gouda afkomstig blijken te zijn of daar zijn vermoord door de geuzen. Jan Schouten, voormalig directeur van Museum Het Catharinagasthuis (nu Museum Gouda), schreef in 1986 een artikel over dit schilderij in de rubriek Uit Gouda’s verleden, maar doorzag niet hoe door en door Gouds het werk was.

Schouten herkende wel het Goudse stadswapen, maar dacht dat het de Martelaren van Gorcum waren. Zijn aandacht ging vooral uit naar de vermoedelijke schilder, Jan Ariensz Duyff, een Goudse weesjongen die onder begeleiding van Wouter Crabeth III beeldend kunstenaar zou worden. Volgens Schouten, die weinig lovende woorden over had voor de schilder, vermeldde nog dat het schilderij in Frans particulier bezit was. Zijn beschrijving en de zwartwit-foto boden voldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek, waarbij de figuur in het midden het vertrekpunt was. Hem erkende ik van een gravure: dit moest Joost of Justus van Scoonhoven zijn, een in Gouda geboren kartuizer monnik, die in Brabant door geuzen was opgehangen.

Van Scoonhoven behoorde dus niet tot de Martelaren van Gorcum. Dat betekende dat Schouten fout zat met zijn aanname. Ik had mij al afgevraagd waarom er maar acht priesters zouden zijn afgebeeld, terwijl er op het Martelveld in Brielle negentien Gorcumse martelaren sneuvelden? Wat bracht iemand uit Gouda er dan toe om deze acht overduidelijk door de marteldood gestorven priesters als groep af te beelden? De wapens waarmee ze vermoord waren droegen sommigen nog bij zich. Die wetenschap, tezamen met de scenes op de achtergrond en hetgeen Estius vermeldt in zijn bijlagen, leidden uiteindelijk tot de conclusie dat ‘Gouda’ hetgeen was, dat deze mannen verbond.

Achter de mannen is namelijk de kasteeltuin te zien, met op de achtergrond de toren van de kapel van het minderbroederklooster, dat vlak achter het kasteel lag. In de tuin maken soldaten jacht op twee mannen: dat moeten de twee bruingepijde collatiebroeders zijn, die links en rechts naast Scoonhoven staan. Links in een schip te zien dat is aangemeerd aan de vlakbij het kasteel gelegen kade van de Hollandse IJssel. Aan de ra of boegspriet is iemand opgehangen. Dit lot trof broeder Gaspar (Jasper Arnoldi), die achter een paard van Schoonhoven naar Gouda werd gesleept en inderdaad werd opgehangen op een schip in de IJssel. Hij staat waarchijnlijk tweede van links. De twee paters naast hem zijn de uit Gouda afkomstige broeders Jacob Willemsz Cruik en Cornelis Reyerszoon uit het klooster De Hem in Schoonhoven, die in deze plaatst voor het stadhuis werden gedood. Resteren de twee paters rechts. De priester met een dolk in de borst, is broeder Dierck Gerritsz, in Gouda geboren, die door de geuzen werd doodgestoken. Helemaal rechts staat overduidelijk een franciscaan, Willem van der Gouw. Deze Gouwenaars werd in Geertruidenberg door geuzen vermoord.

Het lijkt er sterk op dat de schilder de bijlages in het boek van Estius heeft gebruikt als inspiratiebron om deze Goudse martelaren voor het geloof te verenigen onder een wolkenhemel met engelen die de martelaarskronen aanreiken. En dat alles begeleidt door een engel met onmiskenbaar het Goudse stadswapen. Duyff beschikte ook over het sleutelrecht van de Goudse Librije in de Sint-Janskerk. Daar kan hij het boek van Estius niet geraadpleegd hebben, want er bevond zich geen exemplaar van dit ‘Roomse’ boek in de overwegend protestantse stadsboekerij. [mededeling Jan Willem Klein] Maar ongetwijfeld zal er wel een exemplaar aanwezig zijn geweest in een van de statiebibliotheken, bijvoorbeeld bij de minderbroeders.

Volgens Schouten is het schilderij zonder twijfel van Jan Ariensz Duyff. Argumenten daarvoor geeft hij niet. Toch lijkt de voormalige museumdirecteur op dit punt gelijk te hebben. Duyff schilderde werken voor de minderbroederstatie aan de Hoge Gouwe: twee portretten van de stichter Gregorius Simpernel (een bij leven en een op zijn doodsbed). Ook het martelarenschilderij lijkt hij in opdracht te hebben geschilderd van de franciscanen, gelet op de positie en houding van de franciscaan Willem van der Gouw, rechts. Ook de stijl en datering (jaren veertig van de 17de eeuw), zijn argumenten om het ongesigneerde werk aan Duyff toe te schrijven. Het werk past ook helemaal in de manifestaties van de Goudse katholieken, die in deze jaren hun toegenomen zelfvertrouwen na de verliezen van de Reformatie ook op het doek etaleerden met het afbeelden van Goudse hoofdpersonen.

Zo’n door en door Gouds schilderij zou hoe dan ook een plek moeten krijgen in Museum Gouda. Maar waar te zoeken als je slechts de vage aanduiding ‘Frans particulier bezit hebt en een slechte krantenfoto. Kenny Louwen, corrector van de Tidinge. Tijdschrift van Historische Vereniging Die Goude, slaagde er met Google Images in een nieuw spoor te vinden van het schilderij én een kleurenfoto. Het werk blijkt in 2013 bij Christie’s geveild te zijn en te zijn verkocht voor 6200 pond. Het gerenommeerde veilinghuis sloeg daarbij de plank overigens fors mis, door het schilderij toe te schrijven aan de Antwerpse schilder Adriaen van Nieuwland en te omschrijven als “Thomas Becket omringd door monniken en putti”. Geen wonder dus dat niemand in Gouda tien jaar geleden ontdekte dat een voor de geschiedenis van de stad zo belangrijk werk op de veiling werd aangeboden. Wie het heeft gekocht is helaas onbekend. Christie’s wil om privicyredenen niet meedelen wie het gekocht heeft, ook niet op aandringen van Museum Gouda. De zoektocht gaat echter door.

Ook Gouda profiteerde van slavernij

Na vele andere steden heeft ook Gouda op aandrang van de gemeenteraad historisch onderzoek laten doen naar sporen van slavernij in het verleden van de stad. De uitkomsten waren niet verrassend. Het aandeel van de stad in deze mensonterende praktijken was beperkt. Gouda had geen eigen kamers van de VOC of WIC en heeft ook weinig sporen die herinneren aan deze mensenhandel. Door het onderwerp te verbreden naar ook het koloniaal verleden slaagden de auteurs, onder leiding van Roxana Chandali er toch in enkele bijzondere connecties tussen de stad en de wingewesten in Oost en West bloot te leggen.

Typisch-Goudse producten bereikten ook de overzeese gebieden. Kaas werd meegenomen door de opvarenden van de schepen omdat het lang houdbaar was en zo gedurende de hele overtocht gegeten kon worden. De Goudse pijpenindustrie, die in de 18de eeuw de dominante nering was in de stad, profiteerde ook volop omdat de pijpen niet alleen door de zeelieden meegenomen werden voor eigen genot, maar ook als ruilmiddel diende in de koloniën. Tot slot waren er nog de IJsselsteentjes, die als ideale ballast in de lege schepen werden geladen op de heenreis en ter plekke ook gebruikt werden.

Veel Goudse regenten bezaten aandelen in de VOC en WIC en de stad had ook altijd een commissaris in deze kamers. Enkele plantage-eigenaren, waar slaven het werk deden, vestigden zich naar terugkeer in Gouda. Interessant is de familie Vereul, waarvan de zoons in Paramaribo waren geboren en in Gouda de Latijnse school bezochten. Een van hen, Abraham, was ook actief in de heropgerichte rederijkerskamer De Goudsbloem en schreef onder meer een lofdicht op Gouda. Na hun studie trokken zij naar Leiden om te studeren, om niet meer terug te keren naar de stad.

Geluiden van afkeuring van de slavernij waren zeer sporadisch ook in Gouda te horen. Bijzonder vroeg was de veroordeling ervan door een vrouw: de veelschrijvende predikantsweduwe en kostschoolhoudster Anna Barbara van Meerten- Schilperoort. Al in 1819, ruim voor de discussie op gang kwam over afschaffing, schreef zij over “deze verfoeijelijke handel”. Haar huisvriend, de remonstrantse predikant Jan Herman de Ridder, wierp zich kort na haar overlijden en zijn vertrek uit Gouda op als een fel pleitbezorger van de afschaffing van de slavernij, al vond hij wel dat de slaven voorafgaand daaraan wel bekeerd moesten worden tot het christendom.

Februari 2024

Iedereen een historisch en boekrijk 2024 toegewenst

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2023

In menig opzicht was het in Gouda ‘the year after’, het jaar na die geweldige explosie van creativiteit en feestelijkheid, waarbij de stad zich op haar mooist en haar best liet zien met Gouda750 en Coornhert500. Dat moet een enorme krachtsinspanning zijn geweest van verenigingen, organisaties en Gouwenaars, want het was duidelijk merkbaar dat de puf er dit jaar even uit was. Pas in december, met de viering van Gouda bij Kaarslicht, was weer de sprankeling herkenbaar die de stad zo bijzonder maakt. Meer dan in het verleden was dit evenement van en voor de Gouwenaars, waarbij hun stadhuis met de heringebruikname van het bordes (de laatste jaren werd dit aan het zicht onttrokken door een grote tent) weer het brandende middelpunt van de avond werd. Maar ook overal elders in de stad werden historische locaties gebruikt als decor voor muziek, toneel en eten: niet alleen de Sint-Jan met zijn wintermarkt, maar ook de visbanken, de pakhuizen aan de Peperstraat en het Weeshuis vormden een prachtig decor. Het historische karakter van de stad kwam weer ten volle tot zijn recht.

Stadhuis en boom in het licht

Ook het weer hielp mee om Gouda bij Kaarslicht tot een succes te maken., En dat mag voor het achter ons liggende kalenderjaar best uitzonderlijk heten. Want wat was het nat. Nooit eerder viel er zoveel regen in Gouda, waarmee de klimaatverandering ook hier letterlijk aan den (natte) lijve gevoeld kon worden. De discussies over bodemdaling en waterafvoer kregen hierdoor extra lading en urgentie, omdat inmiddels voor iedereen duidelijk is dat er wel het een en ander moet gebeuren om op extreme weersomstandigheden voorbereid te zijn. Het door het stadsbestuur naar Gouda gelokte expertisecentrum bodemdaling beleefde dan ook een vliegende start en kreeg een historisch onderkomen: het gebouw Arti-Legi op de Markt.

Om de aandacht op zich te vestigen als kandidaat-vestigingsplaats van dat expertisecentrum presenteerde Gouda al eerder een gewaagd plan om een deel van de binnenstad af te schotten en daar het waterpeil van de grachten 25cm te laten dalen. Hoewel de meningen over de noodzaak hiervan zeer uiteenlopen, zetten gemeente en Waterschap Rijnland toch door. Als belangrijkste argument hiervoor wordt aangevoerd dat de bewoners ernstige wateroverlast hebben, maar van een serieuze inventarisatie en analyse van deze problemen is geen sprake. Ook is er geen duidelijke regeling getroffen voor de compensatie van de schade die historische panden met houten palen zonder twijfel zullen ondervinden. Alle bezwaren zijn dit jaar echter van tafel geveegd, waarmee de gemeente horende doof en ziende blind afstevent op een tweede Turfmarktdrama na het echec met de eerder onnodig afgebroken Turfmarktkerk.

Het gapende gat dat de gesloopte kerk achterliet is nog steeds niet gevuld. Ondanks toezeggingen van de gemeente dat samen met de eigenaar op constructieve wijze gewerkt zou worden aan de ontwikkeling van de plannen, laat de gemeente het op dit vlak opnieuw afweten. Aanvragen blijven ellenlang liggen, procedures zijn stroperig en van constructief meedenken is absoluut geen sprake. Maar als zelfs het reageren op een verzoek om een klein uithangbord aan je woonhuis te mogen hangen nu al meer dan twaalf weken in beslag neemt, begrijp je dat van een efficiënt werkend gemeentelijk apparaat in Gouda zeker geen sprake is.

Het genoemde uithangbord is bedoeld voor de “Nieuwe Goudse Librije”, de historische boekenverzameling van ruim 2500 titels met talrijke ‘Goudana’ (boeken over en gedrukt in Gouda), die ondergetekende ook wil tonen aan een breder publiek. De naam is bedoeld als een knipoog naar de ‘echte’ Goudse Librije, het unieke historische boekenbezit van de stad dat nog steeds staat te verstoffen in stalen archiefkasten in het Gouwedepot bij Moordrecht. Een langgekoesterde wens van enkele bibliofielen in Gouda om deze schatten weer zichtbaar te maken binnen de stad, lijkt dit jaar iets dichterbij gekomen. Hun initiatiefgroep heeft contact gezocht met het Streekarchief Midden-Holland (beheerder van de boeken), de Stichting Sint-Jan (eigenaar van de oorspronkelijke locatie) en Vrienden van archief en Librije (zielsverwant). Gezamenlijk ontwikkelen zij een plan om in de voormalige entreeruimte aan de zuidzijde van de kerk een plek in te richten waarin de herinnering aan de Librije weer zichtbaar wordt gemaakt door middel van het grote Librijebord uit 1648, catalogusplankjes en boekenkasten. In enkele vitrines kunnen dan wisselde exemplaren uit de collectie getoond worden.

Een nog veel grotere uitdaging is de verduurzaming en herinrichting van het stadhuis. Na het mislukte avontuur met verhuur van dit unieke monument aan een evenementenbureau, heeft de gemeente besloten het weer tot een huiskamer van de stad te maken. Met tal van organisaties wordt overlegd hoe de ruimtes in de toekomst ingericht en gebruikt gaan worden. Een levendig gebruik is van vitaal belang voor dit gebouw, want nu al is te zien dat leegstand leidt tot verloedering. Hetzelfde geldt voor een ander – kleiner – monumentje in de stad. De Jeruzalemkapel, uniek in zijn soort en conditie in Nederland, wordt in weerwil van eerdere afspraken amper gebruikt voor publieke evenementen. Ook hier is bijzondere aandacht noodzakelijk.

Pal tegenover de Jeruzalemkapel staat een van de oudste panden van de stad, het Tapijthuis genaamd. Hier had tot zijn overlijden in september 2022 de metaalkunstenaar Menno Meijer zijn werkplaats, galerie en woning. Inmiddels is het gebouw verkocht aan een particulier en wordt er hard gewerkt aan een broodnodige restauratie. Hopelijk heeft de nieuwe eigenaar gevoel voor historische panden en zorgt hij voor behoud van karakteristieke onderdelen van dit monument, dat een rijke historie kent. De naam Tapijthuis refereert aan een tamelijk korte periode dat er Vlaamse tapijtwevers hun werkplaats hadden, maar het zou evengoed Maagdenhuis kunnen heten, aangezien hier jarenlang kloppen of geestelijke dochters woonden en werkten. Dat waren ongehuwde vrouwen die – bij ontstentenis van kloosters in het land – een geestelijk leven in de wereld leidden, onder leiding van een priester/biechtvader.

Op het vlak van monumentenbehoud trok ook dit jaar weer het fraaie woonhuis De Roos aan de Oosthaven de aandacht. Dit volledig in achttiende-eeuwse stijl ingerichte pand werd al eens gebruikt als historisch decor voor de verfilming van Arthur Japins roman Een schitterend gebrek. De eigenaren zijn er dit jaar in geslaagd ook de achterbouw te kopen, die oorspronkelijk bij het pand hoorde maar ooit was afgesplitst. Ook hier worden kosten noch moeite gespaard om deze ruimtes met groot gevoel voor smaak in te richten in de oorspronkelijke stijl.

De Blaauwe Haan heeft in 2023 ook weer gekraaid. Met de sloop van de het de stijl van het modern brutalisme gebouwde kaaspakhuis aan de Kattensingel leek de laatste herinnering aan de geboortegrond van de roem van de Goudse kaas te zijn verdwenen. Gelukkig heeft projectontwikkelaar SenS, die op het terrein woningen en appartementen bouwt, in zijn plannen rekening gehouden met dit verleden. Zo blijft de oorspronkelijke naam van de blekerij en daarna het kaaspakhuis, de Blaauwe Haan, behouden. Ook krijgt de haan die de gevel sierde – en in zeer deplorabele staat was – in replica weer een plek aan de gevel. De oude onderdoorgang naar de erachter gelegen pakhuizen is ook teruggebracht en daarin wordt een kopie van het tegeltableau van de kaasfirma Van Eijk aan de Kattensingel aangebracht. Aan de achterzijde wordt de loop van de Jan Verzwollewetering weer zichtbaar gemaakt.

de stijl van het modern brutalisme gebouwde kaaspakhuis aan de Kattensingel leek de laatste herinnering aan de geboortegrond van de roem van de Goudse kaas te zijn verdwenen. Gelukkig heeft projectontwikkelaar SenS, die op het terrein woningen en appartementen bouwt, in zijn plannen rekening gehouden met dit verleden. Zo blijft de oorspronkelijke naam van de blekerij en daarna het kaaspakhuis, de Blaauwe Haan, behouden. Ook krijgt de haan die de gevel sierde – en in zeer deplorabele staat was – in replica weer een plek aan de gevel. De oude onderdoorgang naar de erachter gelegen pakhuizen is ook teruggebracht en daarin wordt een kopie van het tegeltableau van de kaasfirma Van Eijk aan de Kattensingel aangebracht. Aan de achterzijde wordt de loop van de Jan Verzwollewetering weer zichtbaar gemaakt.

De vorderingen van de bebouwing van het Blaauwe Haangebied, met linksboven het oude kaaspakhuis voor de sloop en rechtsonder de oude loop van de Jan Verzwollewetering.

Bijzondere aandacht kreeg dit jaar ook de zogeheten Statensluis. Dankzij de vondst van een tekening van het gebied waar nu de Mallegatssluis ligt, kon exact bepaald worden waar zijn voorganger heeft gelegen, die destijds werd gegraven op bevel van Willem van Oranje. Deze bredere sluis was nodig om zijn oorlogsschepen te kunnen schutten. Met name de archeologen van Golda zijn druk in de weer geweest om deze sluis aan de vergetelheid te onttrekken, onder meer door een expositie in hun gebouwtje Achter de Kerk.

Geen archeologie, maar driest graafwerk was dit jaar overal in de stad te zien. Wie niet beter zou weten, zou denken dat hiermee geprobeerd wordt het oude middeleeuwse plaveisel in ere te herstellen. In werkelijkheid worden er nieuwe leidingen en riolen aangelegd, omdat het oude stelsel na ruim honderd jaar hoognodig aan vervanging toe is. Omdat er echter geen professionele stratenmakers worden ingeschakeld is de stad inmiddels opgescheept met het meest hobbelige en ongelijke plaveisel van Nederland.

Spannend wordt het de komende tijd rond het van afstand meest beeldbepalende monument van Gouda, de Gouwekerk. Tal van plannen tot herbestemming mislukten tot op heden. Zo zou het eerdergenoemde expertisecentrum bodemdaling hier gevestigd worden (toepasselijk op een plek waar eerder vooral de verrijzenis centraal stond), maar te elfder ure trok de soms onberekenbare gemeente Gouda de stekker eruit en koos voor Arti-Legi. Ook plannen voor een hotel of bedrijfsunits sneuvelden. Nu wordt toch de restauratie van het interieur ter hand genomen en worden nieuwe plannen uitgewerkt voor hergebruik.

Hopelijk is het geen donderwolk die boven de Gouwekerk hangt.

Na de lawine van publicaties over het verleden van Gouda in het jubileumjaar, was het op het vlak van de geschiedschrijving dit jaar uitzonderlijk rustig. Een bijzondere vorm van geschiedschrijving legde voormalig stadsdichter Peter Noordhoek op de mat. Het startte zijn communale dichterswerk een week voor de corona-lockdown inging en viel daarna midden in de festiviteiten van Gouda750. Net als voor iedereen was dit ook voor hem een bijzondere periode, waarvan hij rekenschap geeft in een boek vol gedichten en verhalen onder de speelse titel Stadsopener. Daarmee levert hij een bijzondere vorm van actuele geschiedschrijving.

De Haven in de herfst.

Kunsthistoricus Richard de Beer leverde met zijn dissertatie over lithurgische gewaden een belangrijke nieuwe bijdrage aan de duiding van een van de mooiste en meest intrigerende schilderijen die Gouda rijk is. Op dit historiestuk van Wouter Crabeth uit midden zeventiende eeuw, waarop Bernard van Clairvaux te zien is die Willem van Aquitanië bekeert, figureren diverse destijds levende personen uit Gouda. Dat centraal op het doek pastoor Petrus Purmerent als de heilige Bernardus te zien is, wisten we al, net als bekend is dat daarnaast zijn kapelaan Willem de Swaen en erachter enkele klopjes zijn afgebeeld. Maar dat de derde priester niemand minder dan Purmertens ‘baas’ Philippus Rovenius blijk te zijn, was tot op heden onbekend. Helemaal bijzonder is de overtuigende identificatie door De Beer van een van de personen in het gevolg van Willem van Aquitatië. Dat blijkt de Goudse jurist en dichter Floris van Schoonhoven te zijn, die remonstrant was, maar door Purmerent werd bekeerd tot het katholicisme. Dat maakt het schilderij tot een indrukwekkend propagandastuk, dat getuigt van het herwonnen zelfvertrouwen van deze geloofsgemeenschap in de stad.

Het is dan ook niet meer dan terecht dat het schilderij van Crabeth eind 2023 een prominente plek heeft gekregen op de grote tentoonstelling ‘Fashion for God’ in het Utrechtse Museum Catharijneconvent, tezamen met het eveneens bewaard gebleven kazuifel dat Purmerent op het schilderij draagt. Op deze tentoonstelling van lithurgische gewaden zijn trouwens nog veel meer objecten uit Gouda te zien, zoals ook ‘Willi en Boni’, zoals ze in Museum Gouda bekendstaan, twee schilderijen van de Heilige Willibrord en de Heilige Bonifatius, missionarissen die het christendom naar de Nederlanden brachten.

De vrijwilligers van de Goudse Drukkerswerkplaats. Met tweede van links staande chef werkplaats en vormgever Peter Paul Kloosterman. Tweede van rechts staande voorzitter Hans Christiaan Ploos van Amstel.

Aan het eind van 2023 kwam ook de Drukkerswerkplaats Gouda in de schijnwerpers te staan. Deze in de Chocoladefabriek gevestigde drukkerij, waar nog op ambachtelijke wijze met de hand bijzondere boekjes worden gedrukt, werd genomineerd voor de nationale Erfgoedvrijwillligersprijs. Uiteindelijk viel deze club enthousiastelingen, onder leiding van werkplaatsbaas Peter Paul Kloosterman, de twee plek ten deel en een bedrag van vijfduizend euro. Ook de Drukkerswerkplaats heeft hiermee weer bijgedragen aan de toenemende bekendheid van Gouda als stad van boeken en boekdrukkers. De gemeente Gouda heeft op haar manier hier overigens ook nog een steentje aan bijgedragen, door een aantal nieuwe straten in de wijk Westergouwe te vernoemen naar Goudse boekdrukkers uit het verleden.

Bij alle zorgen rond het klimaat en de daaruit voortvloeiende wens tot verduurzaming is ook waakzaamheid geboden voor het behoud van het historische karakter van de binnenstad. Een grote groep bewoners oefent druk uit op de gemeente om te komen tot versoepeling van de strenge regels rond bijvoorbeeld de plaatsing van zonnepanelen of het aanbrengen van dubbel glas in een historische woning. Die wens is te begrijpen, maar het is een gegeven dat wonen in een historisch pand op dit vlak (gelukkig) aan beperkingen onderhevig is. Hopelijk blijft de gemeente streng, want nu al zijn er diverse ontsierende ‘klimaataanpassingen’ te zien in de stad.

De Haven bij zonsopgang.

Alles van waarde is weerloos. Laten we alert zijn en ter bescherming van onze historische schatten de weerbaarheid (en het water) op peil houden.

Leuspenning of deksel van een tabaksdoos(je)?

Onlangs dook op Catawiki een interessant object op, dat stamt uit de tijd dat de Bestandstwisten tussen remonstranten en contra-remonstranten op hun hoogtepunt waren. Het voorwerp werd aangeprezen als een ‘leuspenning’ uit 1615 of 1616, voorstellende een geharnast borstbeeld van prins Maurits met de orde van de Kouseband van zijn rechterschouder naar de linkerzijde afhangend. Welk materiaal het is, werd er niet bij vermeld, maar het oogde van koper. Wel werden gewicht en formaat aangegeven: 18,11 gram en 53 x 43 millimeter. Het begrip ‘leuspenning’ en de daarmee veronderstelde relatie met ‘geus’ en Bestandstwisten was voor mij voldoende aanleiding een (succesvol) bod te doen en een onderzoek te starten naar de achtergrond van deze kleine ‘plaquette’.

De verkoper wees zelf al op een vergelijkbaar stuk in het Teylersmuseum. Op de website van dit oudste museum van Nederland staat het keurig afgebeeld en omschreven als “Prins Maurits, leuspenning van de Contra-Remonstranten (1615), volgens veilinghouder Bom: bij Maurits’ verkiezing tot Ridder in de Orde van de Kousenband”. Het aangegeven formaat (55,8 x 44,7 mm) komt redelijk overeen, alleen qua gewicht is het Haarlemse exemplaar met 35,51 gram bijna twee keer zo zwaar. De kop van Maurits wordt in beide gevallen omringd door een op het oog identieke randtekst: * MAVRITIVS * AVR * PRINC * COM * NASS * / ET . MV . MAR . VE . EL. EO . OR . PERISCELIDIS ( (Maurits prins van Oranje, graaf van Nassau en Meurs, markgraaf van Veere en Vlissingen, ridder in de orde van de kousenband) . Van het jaartal van het Haarlemse exemplaar is het laatste cijfer moeilijk leesbaar, reden waarom het op 1615 of 1616 wordt gedateerd. Op mijn exemplaar is het jaartal bijna volledig onleesbaar.

Nog een groter verschil is de achterzijde. De penning uit de collectie van het Teylersmuseum heeft op de keerzijde een gekroond cartouchevormig wapenschild van prins Maurits, omgeven door de Kouseband met motto: HON Y * SOI T * QV I * MA L * Y * PENS E * (laat niemand er iets slechts van denken) op een geornamenteerd veld binnen een bladerkrans. De keerzijde van mijn object is licht bobbelig maar geheel leeg. We hebben hier dus te maken met twee duidelijk verschillende objecten, die verschillende doeleinden hebben gediend.

Twitteraar Edwin van Dordrecht wees mij vervolgens een kleine tabaksdoos, in het bezit van Museum Rotterdam. Gelet op de lege achterzijde zou het volgens hem best wel gediend kunnen hebben als deksel van zo’n klein tabakdoosje. Overigens is op de bodem van het doosje wel het wapenschild van Maurits te zien. Wellicht heeft de maker twee ‘halve’ exemplaren van de penning gebruikt.

Het gesleten karakter van mijn object sterkt mij in het vermoeden dat het hier inderdaad gaat om een dekseltje, al zijn er geen sporen terug te vinden van een verbindingsstuk met het doosje. Duidelijk is wel dat het hier om een afbeelding van de stadhouder gaat, gemaakt op het hoogtepunt van zijn strijd met zijn politieke rivaal Johan van Oldebarnevelt. De maker van de penning was Adriaen Symonsz. Rottermond (1579-1652), de belangrijkste penningenontwerper van zijn tijd. De veronderstelling dat het stuk is vervaardigd ter gelegenheid van de toetreding van Maurits tot de uit 1348 stammende Orde van de Kouseband gaat terug op een suggestie die Gerard van Loon doet in zijn vroeg-achtende-eeuwse standaardwerk Inleiding tot de heedendaagsche penningkunde (1717). Die gebeurtenis vond echter al in 1613 plaats. Dan zou de penning wel erg lang op zich hebben laten wachten.

Waarschijnlijker is het, dat medestanders van prins Maurits deze penning hebben laten maken en slaan om het belang van deze stadhouder te onderstrepen. Diens prinselijkheid had op Europees niveau geen al te hoge status en de verkiezing tot de Kousebandorde was in dat opzicht dan ook een uitzonderlijke eer. Het vergrootte zijn status, wat hij maar al te goed kon gebruiken in zijn aspiraties voor een grotere rol in het staatsbestel van de Republiek. De penning – al dan niet gemonteerd op een tabaksdoosje – was daarmee in 1615/1616 bovenal een politiek statement dat getoond kon worden aan omstanders, waarmee het object terecht een leuspenning genoemd mag worden.

OVER JEZUÏETENSTREKEN EN JEZUÏETENWIJSHEDEN

(Toespraak bij aanbieding van het eerste exemplaar van Baltasar Graciáns Kunst van de voorzichtigheid in zaal OPEN in Delft op 26 oktober 2023)

Een jezuïetenstreek. Zo mag je het handelen van mijn naamgenoot en achterneef Paul Abels gerust noemen; de manier waarop hij mij strikte voor het houden van deze inleiding. Hij handelde daarbij overigens geheel in de geest en op de wijze die ook de 17de-eeuwse jezuïet Baltasar Gracián zou voorstaan, de hoofdpersoon van vandaag. Geen koude benadering zoals wij dat in het inlichtingenjargon noemen, maar stapsgewijs naar zijn doel toewerkend, wetend waar mijn zwaktes liggen en toewerkend naar een situatie waarin ik onmogelijk nee meer kon zeggen. Sterker nog; waarin de regie geheel bij hem kwam te liggen. Van een informant was ik zonder het zelf te beseffen tot agent geworden, een proces waar een geheime dienst weken zo niet maanden over doet, duurde bij hem een paar dagen.

Kunstenaar Dirk van Dien, vertaalster Annemart Pilon en Paul Abels (2x)

Hoe pakte hij het aan? Als achterneven ontmoeten wij elkaar zo nu en dan op boekenmarkten en af en toe wisselen we wat vriendelijkheden per mail over onze gezamenlijke familie en bezigheden. Anders dan hij heb ik de nodige relaties met vooraanstaande lieden in het West’n. Op het eerste gezicht logisch dat hij mij vroeg of ik een mij zeer bekende wetenschapster zou willen vragen voor een presentatie van een boek over een 17de-eeuwse jezuïet. Ik kon geen nee zeggen, maar achtte bij nader inzien elke poging kansloos omdat het niet bepaalt haar onderwerp was en de termijn veel te kort. Dat liet ik Paul na een paar dagen beraad ook weten en hij reageerde ontroerend begripsvol. Hiermee liet hij mij schuldig voelen dat ik niks voor hem had kunnen betekenen. Een dag later sloeg hij genadeloos toe. Weer een mail. Ik was toch bezig met een jezuïetenbibliotheek? Wist zoveel en kon zo goed en scherp schrijven. Kortom: stroop om de mond die het laatste restje weerstand in mij deed smelten. De hele manier waarop hij zijn zin kreeg was des Graciàns: voorzichtige stappen, inleving in de ‘opponent’ en een helder doel voor ogen.

Ik sta hier dus en kan niet anders. Intussen heb ik mij kunnen verdiepen in het werk van deze Spaanse jezuïet. Baltasar Graciàn, die leefde van 1601 tot 1659, is een fascinerende denker en schrijver, wiens scherpe inzichten in 1647 kernachtig samengebald werden in zijn vandaag in een nieuwe bewerking gepresenteerd hoofdwerk Handorakel of de kunst van de voorzichtigheid. Van de hierin verkondigde wijsheden kunnen wij ook als 21ste-eeuwers nog veel leren. Dat geldt zeker voor de wondere wereld van de geheime diensten, waarin en waaromheen ik veertig jaar lang heb mogen werken. Maar het geldt ook voor de ‘normale wereld’ waarin wij allen met elkaar moeten samenleven en samenwerken om het goede voor de aarde en de mensheid te bereiken. De raadgevingen van Graciàn zijn niet geschikt en bedoeld voor zelfverrijking of machtswellust. Elke vergelijking van hem met Machiavelli, die in het verleden nogal eens is gemaakt, gaat dan ook mank. Geen wonder dat hij nog bij zijn leven woedend werd als hij met deze Italiaanse machtsdenker werd vergeleken.


Door de assertieve, activistische opstelling van de Sociëteit van Jezus, zoals de jezuïeten officieel heten, hun absolute trouw aan de paus en het opportunisme in hun bekeringsijver, heeft de orde van meet af aan veel vijanden gemaakt en een slechte naam gekregen. De term jezuïetenstreken is zelfs synoniem geworden voor onbetrouwbaarheid. Het wantrouwen tegenover de paters was begin 18de eeuw in Holland zo groot, dat ze verbannen werden. De paus zelf besloot in 1773 – onder druk van de katholieke grootmachten Frankrijk, Spanje en Portugal – de orde zelfs in het geheel te verbieden. In 1841 werd de orde in ere hersteld. Toch bleven de negatieve oordelen hardnekkig, maar er was ook altijd waardering voor hun intellectuele benadering en gerichtheid op onderwijs. Nog in onze tijd plukten hele generaties politici – zoals Ruud Lubbers en Hans van Mierlo – de vruchten van hun onderricht. De jezuïeten werden gewaardeerd en gewantrouwd, wat hun tot de dag van vandaag parten speelt. Ook op dit punt bestaat een overeenkomt met een geheime dienst in een democratie. In brede kring wordt het besef dat ze goed en noodzakelijk werk doen gekoppeld aan een ingebakken argwaan dat ze niet te vertrouwen zijn.

Waar Graciàn dan ook onvermijdelijk last van heeft, tot op de dag van vandaag, is onbegrip ten aanzien van zijn jezuïetische achtergrond. Veel bewerkers en bestudeerders van zijn teksten denken dat de jezuïeten monniken waren, die in contemplatie en gebed hun dagen sleten. Quod non. De volgelingen van Ignatius Loyola zijn vanaf de pauselijke goedkeuring van de orde in 1540 mannen van de wereld. Letterlijk mannen met een missie ook. Zij wensten de paus bij te staan in zijn strijd tegen heidedom en ketterij en trokken de wijde wereld in om het geloof te verkondigen en te verdedigen. Jezuïeten woonden niet in kloosters, maar vestigden zich bij voorkeur in steden waar zij huizen of colleges stichtten. De nadruk lag daarbij op onderwijs en zelfontplooiing van de paters.

Jezuïeten waren de eerste grote orde die het belang van het gedrukte boek onderkende. Niet voor niets worden zij de ‘apostelen van de boekdrukkunst genoemd’. Zij schreven hun vingers blauw om hun geschriften voor de goede zaak op de persen te leggen. En zij omringden zich het liefst met zoveel mogelijk geschriften, niet alleen theologische werken – liefst van eigen ordegenoten – maar ook ander materiaal dat bijdroeg aan hun persoonlijke ontwikkeling en functioneren in de missie. Ik had vorig jaar het voorrecht een 17de-eeuwse jezuïetenbibliotheek van een kleine statie (parochie) in Haastrecht (Zuid-Holland) te mogen opruimen en inventariseren, dus boeken uit de tijd van Gracián. Opvallend daarbij was niet alleen het voor zo’n klein dorp grote aantal van vijfhonderd boeken, maar ook de breedte van hun belangstelling. Naast theologie, homiletiek (preekkunde), devotioneel werk en geschiedenis, zaten er ook juridische, geografische, taalkundige en wiskundige werken bij. Het meest curieus was een boek uit 1639 over de kunst van het maken van vuurwerk – met illustraties! –  wat bij nader inzien ook weer niet zo vreemd was, aangezien jezuïeten zeer actief waren met missionair werk in China, waar ze ongetwijfeld kennis hebben gemaakt met vuurwerk.

Een bijzondere categorie boeken in elke jezuïetenbibliotheek vormen de zogeheten controversegeschriften. Agitprop heette dat bij de geheime diensten in de tijd van de Koude Oorlog. Hierin worden op felle toon de opvattingen van de tegenstanders aangevallen, gehekeld of belachelijk gemaakt. Vaak gebeurde dat in een actie-reactie systematiek, ook wel ketenpolemiek genoemd. De jezuïeten in de Nederlanden stonden vooraan in de strijd en deinsden er ook niet voor terug in publieke debatten de strijd aan te binden met gereformeerde dominees. Op dat vlak valt overigens weinig Graciànse voorzichtigheid te bespeuren, laat staan inlevingsvermogen in de positie van de tegenstander.

Missiewerk was cruciaal voor de jezuïeten. Ook Nederland was na de doorvoering van de Reformatie door de paus tot missiegebied verklaard. Bij missie gaat het om bekeren of terugbrengen tot de moederkerk. Plastisch uitgedrukt waren de missionarissen bezig mensen over te halen tot verraad; verraad ten opzichte van hun nieuwe geloof en geloofsgenoten. Zie hier ook weer een parallel met het inlichtingenwerk van geheime diensten. Het bekende BVD-hoofd Arthur Docters van Leeuwen noemde inlichtingenwerk ooit het proberen mensen te verleiden tot verraad. Verraad voor het hogere doel van de nationale veiligheid natuurlijk. Net zoals de jezuïeten een vergelijkbaar hoger belang aanvoerden: het Ware Geloof. Beiden beoefenen in dit kader de ‘Kunst der voorzichtigheid’. Het dwingen van mensen is daarbij uit den boze, want dat leverde geen betrouwbare agenten of oprechte gelovigen op. Dat snapt de inlichtingenofficier en dat snapt ook de jezuïet.

Vanuit deze achtergrond durf ik – zelfs tegenover mijn uitgevende verre familielid – dan ook serieuze vraagtekens te plaatsen bij de door vele auteurs en bewerkers gesuggereerde spanning en afstand tussen Graciàn en de jezuïetenorde waartoe hij behoorde en het veronderstelde a-religieuze karakter van zijn werk. Ja, er was kritiek op zijn geschrijf en ja, aan het eind van zijn leven werd hij korte tijd op non-actief gesteld (let wel: met verbindingsstreepje), maar de rehabilitatie volgde snel. Het Handorakel is niet meer en niet minder dan een handleiding voor de omgang met mensen, een kernaspect van het missiewerk van de jezuïeten. Daarbij is het helemaal niet zo vreemd dat ‘God’ in dit werk niet wordt genoemd. Voor een 17de-eeuwer was dat zo vanzelfsprekend dat hij het Hogere Belang was, dat op het spel stond, dat dit niet expliciet genoemd hoefde te worden. In het handboek voor een agent-handler bij een geheime dienst hoeft nationale veiligheid als het hogere doel ook niet genoemd te worden. Dat spreekt vanzelf. Maar het is duidelijk dat de raadgevingen bedoeld zijn om met voorzichtige stappen en inlevingsvermogen in het denken en drijven van de ander, het beste resultaat te boeken in het belang van het Hogere.Dat het Hogere door Graziàn abstract gehouden wordt, verklaart voor een belangrijk deel zijn ‘succes’ in latere eeuwen. Voltaire, Montesquieu, Stendhal, Nietzsche, Schopenhauer en zelfs W.F. Hermans konden elk hun eigen hogere belang invullen, dat met behulp de raadgevingen van de Spaanse jezuïet dichterbij gebracht kon worden. Zij zagen ze als nuttige en bruikbare handvatten om het intermenselijke verkeer voor de realisatie van hun eigen idealen aan te wenden. Daarin ligt meteen ook het gevaar van Graciàns werk en ligt kwaadaardig Machiavellisme toch op de loer, ook al werd hij onlangs in het Financieel Dagblad  verzachtend ‘the Machiavelli for the good guys’ genoemd. Als het Hogere Belang eigengewin en machtshonger is, dan is het volgen van de raadgevingen van Graciàn hetzelfde als inlichtingenwerk verrichten in een dictatuur. De mammon in plaats van God, de Stasi in plaats van de AIVD.

Die waarschuwing geldt ook voor onze eigen tijd, waarin het Hogere diffuus is geworden en op allerlei manieren wordt gecorrumpeerd. Wellicht had de uitgever er goed aan gedaan het boek vooraf te laten gaan door een leeswaarschuwing of een disclaimer. Hoe aantrekkelijk de adviezen ook zijn; in verkeerde handen of hoofden kunnen ze ook verkeerd uitpakken. Gelukkig heeft de uitgever – mogelijk ter verzachting – er wel fascinerende en inspirerende illustraties bij geplaatst, die de schoonheid van de teksten ondersteunen. Vreemd genoeg is het Handorakel van Graciàn – ook in Nederland – tot op heden nooit geïllustreerd geweest. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1696 onder de titel De Konst der Wijsheit. Het boek leent zich juist bij uitstek voor een emblemata-opzet, waarin de lezer een wijze raad krijgt via een plaatje (pictura), een spreuk (inscriptio) en een korte uitlegtekst (subscriptio). In de 17de-eeuw was dit een populair genre en werd het breed gebruikt, ook door de jezuïeten. In 1640 lieten zij een van de mooiste emblematabundels in de Nederlanden verschijnen, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van hun orde. Met de voorliggende uitgave van Graciàns Handorakel krijgt deze jezuïet in 2023 alsnog een soort emblemataformat, dankzij de prachtige eigentijdse en kleurrijke prenten van Dirk van Dien. Waarbij overigens vormgever Damiaan Renkens ook complimenten verdient.

 Annemart Pilon heeft de tekst van Graziàn stevig onder handen genomen. Eigenlijk pakt ze hem op zijn eigen woorden over kort en bondig schrijven en bijzaken weglaten: zij heeft de tekst voor de helft ingekort en voor een 21ste eeuwer met moderne taal ‘verstaanbaar’ gemaakt; vergeef mij het germanisme. Dat zij zichzelf een ‘vertaler in de gedaante van bewerker’ noemt is dan ook meer dan terecht. Zij vat samen, ordent en stuurt de lezer. Eigenlijk precies wat een bewerker ook doet bij een geheime dienst. U ziet, het aantal dwarsverbanden tussen beide werelden is eindeloos. Met de bril op van een AIVD’er pik ik ook zonder moeite zes spreukenbundels eruit waarin het boek is geordend; dat wil zeggen de helft van het totaal, waarvan de titels één op één toepasbaar zijn op het inlichtingenwerk:  Weten en denken (bronkritiek; hij zegt zelfs letterlijk: “neem een kritische houding aan ten aanzien van je bronnen”) – Jezelf en anderen kennen (positie- en belangenbepaling) – De juiste mensen (talentspotting) – De kunst van het veinzen (manipuleren) – De omgang met anderen (aansturing) en In toom houden (agent handling).

            Om nu te voorkomen dat u gaat denken dat hier vandaag een handboek voor de inlichtingenofficier wordt gepresenteerd, zet ik nu snel mijn AIVD-bril af. Want ja, iemand die daar veertig jaar mee te maken heeft gehad lijdt onvermijdelijk aan beroepsdeformatie. Ik heb inmiddels voldoende afstand van mijn oude métier genomen en ben voldoende onderlegd in kerkgeschiedenis en filosofie om te kunnen beoordelen dat Graziàn een denker van formaat is, die mensen aan het denken kan zetten en inspireren. Hij is geen moralist, maar een realist. Hij beleert ook niet, maar adviseert. Politici en bestuurders wijst hij wegen aan om daadwerkelijk resultaat te boeken, zonder daarbij de opponenten te beschadigen of disproportioneel tekort te doen. Overtuigen en over de bol strijken, in plaats van overtoepen en overschreeuwen. Maar ook voor het dagelijks leven van de eenvoudige boer, burger of beweging zijn de wijsheden van Baltasar Gracián zeer bruikbaar. Mits het Hogere dat zij voorstaan oprecht is en gericht op het goede en het menselijke.

Ik wens u allen veel Graciànse wijsheid toe.

Goudse pastoor Petrus Purmerent ook afgebeeld in een ander portrait historié

Dat de Goudse pastoor Petrus Purmerent door de schilder Wouter Pietersz Crabeth in 1641 is afgebeeld als Bernardus van Clairvaux in het bekende historiestuk dat de bekering van hertog Willem van Aquitanië weergeeft, was al langer bekend. Dankzij het proefschrift van Richard de Beer weten we sinds kort ook dat aan de zijde van de hertog een andere bekende Gouwenaar uit die dagen is afgebeeld, namelijk de tot het katholicisme bekeerde protestantse Goudse regent Floris van Schoonhoven. Dat schilderij is daarmee een contra-reformatorisch propagandastuk in olieverf, waarmee de naar het kerkelijk achtererf verbannen katholieken lieten zien dat zij met succes de strijd met de gereformeerden aangingen. Het schilderij past uitstekend in de kerkpolitieke situatie van dat moment, halverwege de zeventiende eeuw, toen beide partijen niet langer meer visten in een vijver van onbesliste zielen, maar op een punt waren aanbeland waarop ze ook zielen van elkaar aftroggelden. Nu blijkt mij – dankzij een tip van conservator Ingmar Reesing van Museum Gouda – dat enkele jaren geleden Rudie van Leeuwen in een Nijmeegse dissertatie heeft aangetoond dat Petrus Purmerent ook figureert in een ander schilderij van Crabeth. Dat is te lezen in zijn “Beeltenissen van bestuurders en burgers als bijbelfiguren. Het bijbelse portrait historié in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden van de zestiende en zeventiende eeuw” (Nijmegen 2018).

Het door Van Leeuwen bestudeerde doek stamt uit 1628, dat daarmee dertien jaar ouder is dan het historiestuk van Bernardus van Clairvaux. Dit keer is het geen geschiedverhaal, maar geeft het een religieus thema weer: de Tenhemelopneming van Maria. Het schilderij is gesigneerd met “Gualtherus Crabeth f.1628”. In strikte zin is dit geen bijbels portrait historié, wat het eigenlijke onderwerp is van het proefschrift van Van Leeuwen. De hemelvaart van Maria wordt immers niet vermeld in de bijbel. Het stuk werd gemaakt als altaarstuk voor de statie van St. Johannes de Doper aan de Hoge Gouwe. Dankzij een aantekening van de geschiedschrijvende pastoor Ignatius Walvis weten wij dat pastoor Petrus Purmerent de opdrachtgever was en dat hij er 360 gulden voor betaalde.

Wouter Pietersz Crabeth, Mariatenhemelopneming (1628) , Museum Gouda

De Tenhemelopneming van Maria is geschilderd in vroegbarokke stijl, passend in de mode die Crabeth gezien had tijdens zijn leerjaren in Italië. Bovenin het schilderij torent de Maagd Maria, omgeven door cherubijnen, hoog uit boven de stervelingen. Op het onderste deel is het lege graf te zien, met daarop een doek met bloemen. Die stervelingen zijn twaalf mannen, ongetwijfeld de apostelen van Jezus. Van Leeuwen constateert dat twee van deze mannen eruit springen omdat zij een portretmatig karakter hebben: de tweede staande figuur van links, die de armen omhoog houdt, en de persoon die geknield voor hem zit. Met hun ‘moderne’ kapsel en hun onderkleed met boordje wijken zij duidelijk af van de anderen. Ook is hun blik anders gericht, namelijk niet ten hemel of naar het graf.

De staande figuur wordt door Van Leeuwen geïdentificeerd als Petrus Purmerent, op grond van een vergelijking met twee rond dezelfde tijd door Paulus Moreelse (toegeschreven) en Willem van der Vliet geschilderde portretten van deze Goudse pastoor. De zeven vingers die hij opsteekt zouden een verwijzing zijn naar de zeven smarten of zeven deugden van Maria. In de knielende persoon meent hij apostolisch vicaris Philippus Rovenius te zien, de hoogste geestelijke in Holland die Purmerent in Gouda had aangesteld. Deze tweede identificatie wordt door hem echter met veel minder stelligheid gebracht. Dat beide heren elkaar volgens Van Leeuwen goed gekend zullen hebben is op zichzelf geen overtuigend bewijs.

Dat Purmerent en Rovenius een bijzondere band hadden blijkt ook wel uit dit boekje in de bibliotheek van Purmerent. In dit werkje van Rovenius, over het werk in de Hollandse Zending, heeft de Goudse pastoor in 1624 met fraaie hand zijn naam geschreven: Petrus Henrici Purmerent en zijn lijfspreuk: “sobrie, iuste, pie” (sober, rechtvaardig en vroom)

Toch is het zeer waarschijnlijk dat het om Rovenius gaat. Vergelijken wij zijn tronie met die van de persoon links naast Purmerent op het Bernard van Clairvaux-doek, die inmiddels door De Beer is geïdentificeerd als de bisschop van Poitiers in de persoon van Philippus Rovenius, dan wordt duidelijk dat het om dezelfde persoon gaat en dat Van Leeuwen het ook op dit punt bij het rechte eind heeft.

De zilveren en gouden sleutel op de voorgrond zijn Petrus’ vaste attributen om de macht van de Heilige Stoel te benadrukken. Het benadrukt tevens de het belang van de apostolische opvolgingslijn, waarin Rovenius staat. Volgens Van Leeuwen zijn de sleutels ook een symbool voor de macht waarover een priester beschikt om zonden te vergeven. Hij ziet hierin een sneer naar Calvijn, die deze macht pertinent ontkende, en dat is voor hem een bevestiging van het contrareformatorische karakter van het schilderij. Hier moeten toch wel enkele vraagtekens bij worden geplaatst. De biechtpraktijk, bij uitstek de uitdrukkingsvorm van de vergevingsmacht van de priesters, was in die tijd een twistpunt tussen seculiere priesters als Purmerent en reguliere missionarissen als de jezuïeten en franciscanen (minderbroeders), die beiden ook een statie (parochie) hadden in Gouda. Eerstgenoemden vonden dat de paters in hun ijver om zieltjes te winnen veel te soepel met de biecht omgingen en dus veel te gemakkelijk abolutie (vergeving van zonden) verleenden. Zij vonden dat biechtelingen veel strenger aangesproken moesten worden en eerst oprechte inkeer en berouw moesten tonen, alvorens hen de zonden werd vergeven.

Wanneer het schilderij van de Mariatenhemelopneming tegen de achtergrond van de rivaliteit tussen seculieren en regulieren wordt bekeken, vallen meer dingen op die het schilderij minder contrareformatorisch en meer intern-katholiek maken. Een beproefde aanpak van de regulieren, met name van de jezuïeten, om gelovigen (terug) te brengen naar de katholieke kerk was het stimuleren van Mariadevotie. Met name vrouwen waren hiervoor ontvankelijk, omdat zij Maria graag als rolmodel en oermoeder in hun harten sloten. Om die reden ‘importeerden’ jezuïeten zelfs wonderdoende Mariabeelden, zoals bijvoorbeeld in Haastrecht in 1647, om zo een bloeiende cultus op gang te brengen en zielen aan zich te binden. In de Goudse context is in dit opzicht een schilderij van de Antwerpse schilder Cornelis Schut van belang, dat de “verheerlijking van de Heilige Familie door vrouwelijke heiligen en engelen” voorstelt. Dit schilderij is vervaardigd voor de Goudse statie van de jezuïeten en ongedateerd, maar het jaar van vervaardiging wordt door Museum Gouda geschat op tussen 1630 en 1640.

Wanneer beide schilderijen met elkaar vergeleken worden valt een enorm verschil op. Op de Tenhemelopneming van Maria zijn louter mannen te zien, terwijl op het schilderij van Schut Jozef en het kindje Jezus de enige mannen zijn. Hier worden zij omringd door vrouwelijke heiligen, die herkenbaar zijn aan hun attributen. Ook zij zijn rolmodellen voor vrouwelijke gelovigen. Het schilderij past daarmee volledig bij de gerichtheid van de paters om succesvol missiewerk te verrichten onder met name de vrouwen. Purmerent en de zijnen onderstrepen in hun schilderij weliswaar het belang van Maria (Purmerent zelfs met zeven opgestoken vingers), maar de kern van hun boodschap is tegelijk dat mannen (priesters) de middelaars blijven tussen God, Maria en de mensheid. Daarmee zou het schilderij heel goed een inhoudelijk antwoord in beeldtaal kunnen zijn op het doek van de jezuïeten. Dat een ‘allochtone’ Antwerpse schilder – het jezuïetenbolwerk bij uitstek – hier tegenover een ‘autochtone’ Goudse schilder staat, onderstreept mijn stelling dat we bij de Mariatenhemelopneming te maken hebben met een schilderij dat een instrument was in een intern-katholieke strijd, terwijl het latere doek met Bernardus van Clairvaux vooral contrareformatorisch is.

Steeds duidelijker wordt dat Gouda in de 17de eeuw enkele voor Nederland unieke schilderijen heeft voortgebracht, waarin de toenmalige kerkstrijd binnen de katholieke kerk en met de gereformeerden beeldend tot uitdrukking is gebracht met behulp van portretten van ‘echte’ Gouwenaren. Naast de twee schilderijen van Crabeth passen hierbij ook de schilderijen van Crabeths leerling Jan Ariensz Duyff met de lutherse predikanten Bijlevelt als ‘Pastor Bonus (Goede Herder), zijn schilderij van de franciscaan Gregorius Simpernel op zijn doodsbed en het aan hem toegeschreven schilderij van de “Martelaren van Gouda” (waarover binnenkort in De Tidinge van Die Goude meer). Het zijn stuk voor stuk werken die in hun context gezien en geïnterpreteerd moeten worden. Dat is iets wat in het verleden te weinig is gedaan en waarvan het nut gelukkig meer en meer wordt ontdekt.

Als boeken konden spreken

Als verzamelaar van zeer oude boeken overvalt je soms de gedachte dat zo’n eeuwenoud boek een heel verhaal zou kunnen vertellen. Letterlijk heeft het vaak stormen doorstaan, oorlogen meegemaakt en is het door vele handen gegaan. Handen die sporen in of op het boek hebben achtergelaten, uiteenlopend van gemorste koffie, ingevoegde blaadjes en bladeren, tot in de marge gekrabbelde aantekeningen of hele verhalen op de schutbladen. Het laat ook zien dat het boek gelezen is, gebruikt en hergebruikt. Een maagdelijk boek, zonder gebruikerssporen, vochtvlekken, wormgaatjes, een puntgave band en compleet met alle gravures levert antiquarisch het meeste op, maar geef mij maar een doorleefd en desnoods incompleet boek. Zo’n boek is een geschiedenis op zichzelf, die het uitpluizen meer dan waard is.

Sceperus’ Schat-boeck der onderwijsingen voor kranck-besoeckers (Amsterdam 1670)

Onlangs ontdekte ik op Marktplaats zo’n stukgelezen 17de-eeuws boek, dat mijn aandacht trok omdat het geschreven is door de strenggereformeerde Goudse dominee Jacobus Sceperus. Het betrof een handboek voor ziekentroosters uit 1670. Bieden kon niet, alleen bellen. Aan de telefoon meldde zich een hoogbejaarde heer uit Veendam, die vertelde het boek al tientallen jaren in bezit te hebben, maar het nu – met digitale hulp van een schoonzoon – van de hand wilde doen. Het boek kende volgens hem een heel bijzondere geschiedenis, want het zou zijn aangespoeld na de storm en watersnoodramp van november 1776 in de buurt van de Beulakerwiede in Overijssel, waarbij het plaatsje Beulake volledig werd verzwolgen. Hij voegde daar nog aan toe dat het boek ook een aantekening bevatte over Sioux-indianen in Noord-Amerika.

Links een gedicht van de zoon van Jacobus Sceperus in het boek van zijn vader. Rechts de titelgravure met stadsgezicht van Gouda.

De vier foto’s van de Marktplaatsadvertentie gaven inderdaad de indruk van een boek dat veel te lijden had gehad. Mijn nieuwsgierigheid was niettemin gewekt en ik kwam met de Veendammer een prijs overeen. Twee dagen later werd het boek bezorgd en kon ik beginnen aan mijn ontdekkingstocht. Het verhaal van de watersnoodramp was natuurlijk niet letterlijk terug te vinden in het boek, maar dat er veel gebeurd was met het boek is overduidelijk. Van de perkamenten band resteert alleen het voorplat en de omgekrulde rug. Beiden zijn donker van vuiligheid. Een fors eerste deel van de tekst is verdwenen, met uitzondering van enkele schutbladen en vier pagina’s met gedichten op de auteur uit het voorwerk. Aan het eind kent met name het register sterke vochtranden, terwijl van het achterplat alleen het binnen-karton bewaard is gebleven. Kortom: meer een (fors) boekfragment van 458 pagina’s, dan een heel boek.

De provenance van dit werk van Sceperus wijst inderdaad richting Noord-Amerika. Op een schutblad staat de volgende tekst: “Orange City, Sioux County, Iowa, North-Amerika”. Deze kleine stad van nog geen zesduizend inwoners valt bestuurlijk onder Sioux County, indianengebied . Het plaatsje is genoemd naar stadhouder Willem III van Oranje en is een door Nederlanders in de 19de eeuw gestichte nederzetting. Dat waren families die behoorden tot de orthodox-gereformeerden die zich in 1834 van de Nederlandse Hervormde Kerk hadden afgescheiden. Zij trokken onder leiding van dominee Hendrik Scholte naar Amerika. Kennelijk heeft een van deze emigranten dit boek van de streng-gereformeerde Goudse dominee toen meegenomen. Hoe zich dat verhoudt tot het andere verhaal over de watersnood is onduidelijk. Die was een halve eeuw eerder, dus dat zou betekenen dat de eigenaar het boek in getormenteerde staat heeft meegenomen over de oceaan; wellicht als herinnering aan die zware tijd. Ach konden boeken maar spreken.

Op enig moment moet het boek vervolgens zijn teruggekeerd naar Europa en in handen zijn gekomen van de Veendammer. En nu is het dus terug op de plek waar de auteur het werk ooit heeft geschreven. Daarmee heeft het eenzelfde route gevolgd als twee andere Goudse boeken in mijn collectie, die eveneens door Nederlandse emigranten waren meegenomen naar Noord-Amerika. Daarbij gaat het in beide gevallen over werk van de Goudse predikant, Eduard Poppius. Anders dan Sceperus was hij niet van orthodoxe signatuur, maar remonstrant. Het eerste werk, zijn in 1616 gedrukte zeer populaire werk Enge poorte – gedrukt bij Jasper Tournay achter de Vismarkt in Gouda – trof ik in oktober 1999 aan bij Antiquariaat De la Peňa, Santa Fé New Mexico. Het boek bevat ook het Aenhangsel op de Enge poorte uit 1624. Helaas bleken er geen eigenaarskenmerken in aangebracht of andere sporen die zouden kunnen wijzen naar de herkomstgeschiedenis van het werk.

Het in Sante Fé New Mexico opgedoken boek Enge poorte van Poppius

Dat was weer anders met een tweede werkje van Poppius dat ik in Amerika vond. Dankzij een tip van een bloglezer werd ik gewezen op een veiling in San Francisco, waar dit gebedenboekje van Poppius werd aangeboden. Al snel na aankoop werd duidelijk dat het een wel heel bijzonder exemplaar was, want het bleek nergens ter wereld in bibliotheken of elders bekend te zijn. Groot is het niet; in zakformaat, ongeveer het formaat van een borstzakje. En daar lijkt het ook precies voor bestemd te zijn geweest. Op de titelpagina valt te lezen dat de auteur “in sijn leven Dienaer des Heeren Jesu Christi, in de Ghemeente binnen der Goude” is geweest. Hij overleed op slot Loevenstijn in gevangenschap, in het jaar 1624, hetzelfde jaar waarin dit boekje gedrukt is. Poppius had een bewogen leven achter de rug. Als remonstrants predikant werd hij ontboden op de Dordtse Synode van 1618-1619, die hem en zijn remonstrantse collega-predikanten veroordeelde en uit het predikambt zette. Na afloop van de synode werden zij op boerenkarren geladen en verbannen naar het buitenland. Dat betekende in de praktijk dat Poppius en de zijnen in Waalwijk, net buiten de Republiek der Verenigde Nederlanden, langs de kant van de weg werden achtergelaten. Van daar trokken ze verder naar Antwerpen, waar zij een nieuw kerkgenootschap oprichtten, de Remonstrantse Broederschap.

Het in San Francisco gekochte gebedenboekje van Poppius

Poppius keerde in het geheim terug naar zijn kudde in Gouda en omgeving, maar zijn preken veroorzaakten zoveel rumoer dat hij al snel weer de wijk moest nemen. Tijdens een verblijf in Haarlem werd hij gearresteerd op verdenking van medeplichtigheid aan het beramen van een moordcomplot op prins Maurits, de politieke steun en toeverlaat van de contra-remonstranten, zijn tegenstanders. Hoewel de beschuldiging vals was, werd hij voor lange tijd opgesloten in de staatsgevangenis op het kasteel Loevestijn. Daar overleed hij onder kommervolle omstandigheden. Zijn talrijke aanhangers in Gouda zullen diep bedroefd zijn geweest en het lijkt erop dat zij het Christeliike gebeden-boekje om die reden hebben laten drukken om bij zich te dragen en aan hem te denken. Het draagt alle sporen van intensief gebruik; gebonden in een eenvoudig perkamenten omslagje en sterk beduimeld.

Op enig moment moet ook dit boekje door emigranten meegenomen zijn naar de Verenigde Staten. In de 18de eeuw was het – blijkens een handschrift aan de binnenzijde van het omslagje – in bezit van Elisabeth de Puw. In 1755 schreef zij “mijn boek” erin, dus in het Nederlands. Helaas is er niemand met die naam te vinden. Wellicht heette ze Elisabeth de Pauw. Deze naam komt wel diverse keren voor in de achttiende eeuw, ook in Amerika.

Met drie boekjes in mijn bibliotheek wordt duidelijk dat oude boeken ‘ver van huis’ kunnen zijn geraakt door emigratie of anderszins. Dat zal in deze tijd nog vaker gebeuren dan vroeger, aangezien ook boekenveilingen een sterk internationaal karakter hebben gekregen dankzij het internet. Omgekeerd maakt dat het bibliofielen (of bibliomanen zo u wilt) ook mogelijk heel bijzondere exemplaren op het spoor te komen en ‘terug te brengen’ naar Nederland of – in mijn geval – Gouda.