Bijzonder vervolg op briefwisseling van de Paus en Erasmus

paus2De bijzondere briefwisseling tussen Erasmus en de pausjeNederlandse paus Adrianus VI uit de jaren 1522-1523 heeft in 2016 een bijzonder vervolg gekregen. Aan de vooravond van de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda ontving directeur Gerard de Kleijn een brief, gedateerd 1 februari 2016, waarin kardinaal en pauselijk staatssecretaris Pietro Parolin via de pauselijke nuntiatuur in Den Haag laat weten dat paus Franciscus zijn erkentelijkheid laat overbrengen voor
de Goudse inspanningen om de belangstelling voor het leven en werk van Erasmus levend te houden. Hij waardeert het bijzonder dat hierbij getoond wordt dat het christelijk geloof en oprecht humanisme niet met elkaar in strijd zijn, maar beiden ten dienste staan van de menselijke waardigheid. Voor wie mocht denken dat de paus hiermee zijn zegen uitspreekt over het Humanistisch Verbond, die slaat de plank mis. Onder oprecht

Kardinaal-staatssecretaris Pietro Parolin

Kardinaal-staatssecretaris Pietro Parolin

humanisme doelt de Heilige Vader uiteraard op het Bijbels humanisme, waarvan Erasmus een uitgesproken exponent was. De Gouds-Rotterdamse geleerde was volgens de paus een diepgelovig christen en pleitbezorger van een authentiek – christelijk – humanisme in een tijd van ingrijpende veranderingen. Een dergelijke vorm van humanisme zou volgens hem in onze tijd dringend noodzakelijk zijn, omdat het oproept tot solidariteit met de medemens.

Het pauselijke schrijven werd vrijdagavond 5 februari voorgelezen door Gerard de Kleijn bij de officiele opening van de grote Erasmus-tentoonstelling. De bijna-zaligverklaring van Erasmus door de paus werd gevolgd door een bijkans heiligverklaring van de grote humanist door Herman Pleij, de Neerlandicus die voor deze expositie mocht optreden als gastcurator. De hoogleraar prees Erasmus om zijn tolerantie, verdraagzaamheid en relativeringsvermogen. Met de voor hem kenmerkende grote-stappen-snel-thuisbenadering wist hij moeiteloos zelfs een toespraak die prins Willem van Oranje in 1564 hield voor de Raad van State volledig terug te herleiden op het gedachtegoed van Erasmus. Museumbezoekers kunnen deze toespraak, waarvan slechts een kort verslag bewaard is gebleven, zelfs integraal bekijken in een door Waldemar Torenstra nagespeelde en door Pleij geregisseerde – en enkele keren onderbroken – versie.

paus3Het dichtst bij Erasmus komen de bezoekers echter in fraai uitgelichte hoek van het museum, waar enkele persoonlijke bezittingen van Erasmus, zoals diens zakmes, een ring, een zandloper en een drinknap, te zien zijn. De tronie van Erasmus is veelvuldig vastgelegd door kunstenaars, maar door weinigen nog tijdens zijn leven. Vandaar dat het kleine portretje van de humanist, dat begin jaren dertig van de vijftiende eeuw geschilderd is door Lucas Cranach, een van de topstukken is op de tentoonstelling. Maar er zijn zelfs hedendaagse portretten van Erasmus te zien; een zal vol zelfs. Schilderes Neel Korteweg heeft vanuit haar fantasie Erasmus geschilderd in zijn verschillende levensfases, wat verrassende en ontroerende schilderijen heeft opgeleverd van de geleerde als onder meer schoolkind, puber, volwassene en oude man. Ook boezemvrienden Servaas Rogier en Thomas More krijgen in deze zaal een bijzonder gezicht.

Voor Gouwenaars, maar zeker ook voor bezoekers van buiten Gouda, zal de Gouda-zaal waesmisschien wel de meeste indruk maken. De samenstellers van de tentoonstelling zijn er op creatieve wijze in geslaagd de prachtige maquette te gebruiken voor een spectaculaire licht- en beeldshow, waarmee de nog aan te wijzen plekken in de stad die voor Erasmus van belang waren in beeld en uitgelicht worden, begeleid door opnieuw commentaar van Pleij. Ook de wanden van deze zaal sluiten prachtig bij deze multimedia-presentatie. Een schaduw van Erasmus die zich haast door een uitvergroot stadsgezicht van de Goudse kunstenaar Aert van Waes brengt de geleerde misschien nog dichterbij dan zijn persoonlijke spullen.

Voor bibliofiel en valt er in deze tentoonstelling uiteraard ook veel te genieten. Heel bijzonder is de wijze waarop de makers een zaal gebouwd hebben rond de eigenlijke aanleiding voor dit Erasmusjaar, namelijk de uitgave van het Novum Testamentum, de door Erasmus vanuit het Grieks in het Latijn vertaalde Bijbel. Uiteraard is er een fraai exemplaar te zien van dit in 1516 door Johannes Froben gedrukte boek. Maar ook verschillende andere geschriften van Erasmus die verschenen bij zijn ‘lijfuitgever’ in Basel zijn te bewonderen in een zaal die passend met grote inktvlekken op de vloer verwijzen naar het belang van de drukkers in het leven van Erasmus.

krantigHet meest geworsteld hebben de makers van de tentoonstelling overduidelijk met het tonen van ‘de geest van Erasmus’. Deze worsteling, die we ook al kennen van glazenier Marc Mulders, schepper van het Erasmusglas dat tijdens de tentoonstelling te zien is in de Gasthuiskapel, komt ook terug in diverse zalen. De audiotour van Herman Pleij vormt daarin een onmisbaar accessoire voor de bezoekers. Daarnaast is op tal van creatieve wijzen geprobeerd aspecten van dit gedachtegoed onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld met behulp van om te draaien houten bordjes, afscheurbladjes en tal van andere manieren om teksten van de geleerde onder de aandacht te brengen en actueel te maken. Hier is duidelijk gestreefd naar een actualisering van Erasmus, zoals dat ook gebeurt in het Ruim, tussen de schuttersstukken. Daar zal een grote tafel staan, waarachter elke dag van de tentoonstelling een andere ‘denker’ zal plaatsnemen (een filosoof, een dichter, een kunstenaar etc), waarmee de bezoekers in gesprek kunnen gaan over Erasmiaanse thema’s.  Of deze poging om het gedachtegoed van Erasmus af te stoffen en te moderniseren zal lukken en door iedereen gewaardeerd zal worden, moet worden afgewacht. Maar de tentoonstelling is een bezoek zeker meer dan waard.

 

Hoe Erasmus in zijn eigen voet schoot

Enigszins weggestopt in een zijportaal, maar daarom niet minder interessant voor de bezoeker van de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda, staat een kleine vitrine van de Museumvrienden, die ook in het teken staat van de grote Gouds-Rotterdamse humanist. Blikvanger in deze vitrine is een door de tand des tijds getekende post-incunabel, die gedrukt is in 1522, dus tijdens het leven van Erasmus door diens favoriete drukker Joannes Froben in Basel. Van dit bijzondere boek wordt voor zover bekend in Nederland maar één – onvolledig – exemplaar bewaard, in de Gemeentelijke Bibliotheek van Rotterdam.

Vitrine2

Het is niet zozeer de hoofdtekst die dit boek interessant en bijzonder maakt, maar de zogeheten dedicatiebrief die aan het werk vooraf gaat. Hierin feliciteert Erasmus Utrechtenaar Adriaan Floris Boeiens met diens uitverkiezing tot paus Adrianus VI. De brief is gedateerd 1 augustus 1522, ruim een half jaar nadat de witte rook in Rome vanuit de schoorstenen van het Vaticaan omhoog kringelde als teken dat de nieuwe – en tot nu toe enige Nederlandse – paus was uitverkoren. Zowel de timing, de inhoud van de brief, als de tekst van het begeleidend schrijven waarmee Erasmus een exemplaar van dit boek naar Rome stuurde, doen vermoeden dat het hier niet primair om een oprechte felicitatie ging, maar om een doordachte een poging om de paus gunstig te stemmen en waar nodig aan zijn zijde te krijgen.

Paus Adrianus VI

Paus Adrianus VI

De dedicatiebrief kent een ander karakter dan de aanbiedingsbrief, wat goed verklaarbaar is omdat de gedrukte tekst voor een breed publiek toegankelijk was en dus ook voor mogelijke vijanden van Erasmus. Maar tussen de regels door valt in de dedicatiebrief ook veel te lezen. Zij begint met de voor Erasmus kenmerkende stijlfiguur van (valse) bescheidenheid. Een normale felicitatie van hem, als “nederige, zacht sprekende, ook nog eens ver verwijderde, maar zeker niet stomme Erasmus” zou zeker onopgemerkt blijven in de massale stroom van gelukwensen die de paus uit de hele wereld ten deel viel. Daarom zegt hij gezocht te hebben naar een bijzondere manier blijk te geven van zijn vreugde over de uitverkiezing en waardering voor de man, wiens theologieonderwijs hij vroeger nog gevolgd had. Vanuit een klooster in Franckenthal (Paltz) had Erasmus een bijzonder Commentaar op de psalmen van David ontvangen, in de 5de eeuw geschreven door een zekere Arnobius. Het uitgeven van een geannoteerde versie van dit geschrift zag Erasmus als een passende manier om de paus te eren. Hij put zich in de dedicatiebrief dan ook uit in positieve oordelen over dit werk en noemt het veelzeggend dat Johann Froben er heil in zag het werk op eigen kosten en risico uit te geven, terwijl “de uitgeversdobbelsteen” zeker niet altijd gelukkig terechtkomt.

Standbeeld van Luther in Dresden

Standbeeld van Luther in Dresden

Dit “heilig en theologisch boek” van Arnobius zegt Erasmus op te dragen aan een nieuwe paus die volgens hem een uitstekend theoloog is. Hij hoop dat Adrianus VI het werk zal aannemen “omdat wij met dit werkje niets najagen – wij zijn immers tevreden met ons lot, ook al is het bescheiden – , behalve dat dit werk met Uw bescherming onder de mensen komt”. Hij prijst de paus om zijn sterke morele integriteit en dicht hem het gezag toe om het “heilloze tumult in de christelijke wereld” te beteugelen. De strijd tussen de twee grootste koningen in Europa (Karel V en Frans I van Frankrijk) veroorzaakt niet dan ellende en het christelijke Europa is verscheurd door “de dodelijke tweestrijd van sekten en afscheuringen. En intussen bedreigt de Turk al wie hier zo woelt”. Iedereen heeft volgens Erasmus dan ook de hoge verwachting van de paus dat hij “vorsten en volkeren in christelijke eendracht verbindt en de verderfelijke strijd der meningen beëindigt”. Hij sluit af met een in onze oren vreemd klinkende wens, die moet benadrukken dat het Erasmus niet om een gunst te doen zou zijn: “Ik wens U geen geluk met Uw waardigheid, ik wens ook het land en ook het bisdom [Utrecht] dat ik met U gemeenschappelijk heb en waaraan het nu voor de eerste maal te beurt valt een paus van Rome te hebben, geen geluk. Ik streef er niet naar dat ik bij U vanwege onze gemeenschappelijke herkomst of onze oude vriendschap enig voordeel geniet. Maar ik wens de christelijke wereld geluk”.

Of de felicitatie van Erasmus aan het adres van paus Adrianus VI wel zo gespeend was van eigenbelang, mag worden betwijfeld. In de meer persoonlijke brief aan de paus, die hij in september 1522 ter begeleiding meestuurde met het exemplaar van het Arnobiusboek dat hij naar Rome stuurde, rijst een ander beeld op. Ook hierin felicitaties en complimenten – “het mensdom vereist absoluut een stuurman van Uw kaliber” – maar tegelijk ook een concrete hulpvraag tot bescherming tegen boze tongen: “mocht er zoiets met betrekking tot Erasmus worden aangebracht, dat U het dan ofwel helemaal verwerpt ofwel – mocht U er twijfel over hebben – Uw oordeel opschort tot U mijn verdediging hebt vernomen”. Erasmus verzekert de Heilige Vader dat hij in zaken van godsdienst een “trouwgelovige” is en altijd zal blijven.

Standbeeld van Erasmus in Leuven

Standbeeld van Erasmus in Leuven

Paus Adrianus VI heeft het geschenk van Erasmus in dankbaarheid aanvaard en hem ook een antwoord gestuurd op zijn felicitaties en dedicatie. In een brief van 1 december 1522, opgesteld door pauselijk secretaris Dirck van Heeze, dankt de paus “zijn geliefde zoon Erasmus van Rotterdam” voor zijn brieven en geschenk. Hij bevestigt met zoveel woorden de vrees van Erasmus dat hij door sommigen van “lutheranisme” verdacht gemaakt is. Tegelijk verzekert hij hem dat hij zich weinig aan zal trekken van beschuldigingen die op slinkse wijze aan hem doorgebrieft worden, maar altijd zijn eigen oordeel vormt. De paus spoort Erasmus aan met zijn uitstekende pen in het geweer te komen tegen nieuwe ketterijen. “Maarten Luther heeft ze niet eens zelf uitgevonden, maar ze van de oude ketterijstichters overgenomen en als het ware uit de hel opnieuw naar boven gehaald”. Om dit te bestrijden doet de paus een klemmend beroep op zijn landgenoot: “u kunt dit domein niet redelijk afwijzen door uit een al te diep in u gewortelde bescheidenheid te zeggen dat u niet opgewassen bent tegen deze taak. Het tegendeel is waar, zoals iedereen weet (…) Daarom: sta op om Gods zaak te helpen en gebruik de schitterende gaven van uw geest tot Zijn roem”. Refererend aan hun persoonlijke omgang, destijds in Leuven, spreekt de paus het verlangen uit hem weer te ontmoeten. Hij nodigt hem dan ook van harte uit om na de winter, als de lucht in Rome van de pest is gezuiverd, naar het Vaticaan te komen.

Door van de slotkapel in Wittenberg, waar Luther zijn befaamde 99 stellingen aansloeg

Door van de slotkapel in Wittenberg, waar Luther zijn befaamde 99 stellingen aansloeg

Het antwoord van de paus bereikte Erasmus blijkbaar niet of te laat. Op 22 december 1522 stuurde hun namelijk voor de tweede keer een exemplaar van de Arnobius-editie naar Rome. In de nieuwe begeleidende brief dekt hij zich opnieuw in tegen verdenkingen van ketterij: “vroeger heb ik sommige dingen al te vrij en open geschreven (dat kon in die rustige tijd toen ook) zonder te vermoeden dat het huidige tijdsklimaat zou ontstaan”. Tegenwoordig zou hij wel uitkijken om zulke persoonlijk inzichten te openbaren. Om te laten zien dat hij de paus en de Kerk van Rome welgezind is, biedt hij nadrukkelijk zijn diensten aan. Een maand later liet Adrianus VI, via een schrijven van Dirck van Heeze, weten dat na het eerste ook het tweede exemplaar van Erasmus’ boek in goede orde was gearriveerd in Rome. Hierin verzekerd de paus nogmaals de Rotterdamse geleerde gunstig gezind te zijn. Ook herhaalt hij de uitnodiging om naar Rome te komen, teneinde gezamenlijk de strijd tegen Luther te gaan voeren.

Het Arnobius-boek is, zoals hierboven blijkt, het begin geweest van een boeiende correspondentie tussen twee mannen met verschillende belangen. Deze uitgave is het instrument geweest waarmee Erasmus getracht heeft de uitverkiezing van een Nederlander tot paus te benutten ten eigen voordele. Hij hoopte met de aanbieding van dit werk de paus voor zich te winnen, om zo bescherming te verkrijgen tegen aantijgingen van onrechtzinnigheid. Het is de vraag of het opzetje de geleerde humanist het beoogde effect sorteerde. Allereerst liet de postbezorging in die tijd blijkbaar te wensen over, waardoor een ongeduldige Erasmus zich geroepen voelde tot een herhaaloefening. Het betoog over zijn oprechte intenties zal hiermee niet aan geloofwaardigheid gewonnen hebben, ook al omdat het eigenbelang er in de tweede aanbiedingsbrief nog meer vanaf spatte dan in de eerste. Ook zal het niet de bedoeling van Erasmus geweest zijn om met zijn actie een uitnodiging naar Rome te ontlokken en een dringend pauselijk appèl om de pennenstrijd met Luther aan te gaan. Erasmus wilde zijn hele leven lang de kool en de geit sparen. In een brief uit het voorjaar van 1523 aan paus Adrianus VI voert hij galstenen aan als excuus om niet af te reizen naar Rome en voor het overige klaagt hij bladzijden lang over de vele aanvallen die hij van lutherse en van rooms-katholieke zijde te verduren kreeg, als onvermijdelijk lot van iemand die zorgvuldig het midden probeerde te kiezen. Het spoedige overlijden van de paus, op 14 september 1523, bevrijdde Erasmus zo bezien van een onbedoelde druk die hij zelf op zijn hals had gehaald met de toezending van het in de vitrine van Museum Gouda getoonde boek.

[De citaten uit de brieven zijn ontleend aan het boekje van Michiel Verweij, uitgegeven onder de prachtige titel Pas de deux in stilte. De briefwisseling tussen Desiderius Erasmus en Paus Adrianus VI (1522-1523), een uitgave van Ad Donker Rotterdam uit 2002]

Lalla Golda afgesloten met eerbetoon aan Nico Habermehl

Op maandagochtend 4 januari 2016 werd door het bestuur van Stichting Boughaz een LallaGoldapotje van Marokkaanse keramiek met een plantje geplaatst op het graf van dr. Nico Habermehl op de IJsselhof. Deze stadshistoricus van Gouda gaf de aanzet voor de herdenking van een halve eeuw migratie van Marokkanen naar Gouda, een ontwikkeling die van ingrijpende en blijvende betekenis is geweest voor de stad. Hij stelde vast dat er weinig van deze geschiedenis werd bewaard en vastgelegd, wat voor hem reden was om deze informatie te verzamelen, interviews te houden met migranten van de eerste generatie, artikelen erover te publiceren en uitzendingen eraan te wijden op TV Gouwestad. Kroon op zijn werk zou een expositie zijn geweest in Museum Gouda om stil te staan bij die 50 jaar. Hij wist zich al verzekerd van de medewerking van het museum, maar door een tragische ziekte en zijn overlijden in oktober 2014 leken deze plannen onvoltooid te blijven. Een aantal vrienden besloot echter op zijn begrafenis het stokje over te nemen en alles op alles te zetten om deze droom van Nico Habermehl toch werkelijkheid te laten worden.

Nu, een jaar en drie maanden later, kan de kerngroep van acht Boughaz-leden die het project hebben getrokken – Chahid el Houddouti (vz), Paul Abels (secr), Paul Wennekes (penningmr), Khalid Boutachekourt, Willem Hesseling, Trude Linde, Nico Boerboom en Jean Lamaison – met tevredenheid en dankbaarheid vaststellen dat het hen gelukt is een waardige en breed gewaardeerde reeks activiteiten te organiseren, met als middelpunt de tentoonstelling in Museum Gouda. De keuze om de vrouw als stille kracht achter de migrant op een voetstuk te zetten, leverde verrassende invalshoeken en inzichten op, waarmee ook een doelgroep bereikt werd die doorgaans bijzonder moeilijk is te interesseren voor activiteiten in de stad. Een grote reeks nevenactiviteiten, mede mogelijk gemaakt door een aantal sponsoren, gaf cachet en verdieping aan het hele project. Alle reden dus om de bedenker van dit project aan het eind van het traject eer te betonen en te bedanken met een passend voorwerp op zijn graf.

(meer…)

De staat van de stad in 2015

TourHet jaar 2015 was een bijzonder jaar voor Gouda. Er werd volop geoogst van wat in de jaren ervoor gezaaid is. De stad viel letterijk en figuurlijk diverse keren in de prijzen. De Beste (middelgrote) Winkelstad, de Beste Warenmarkt, de Beste Bibliotheek en (een van de) Beste Schouwburgen van Nederland. Gouda is ‘hot’ in menig opzicht. Zelfs de Tour de France deed Gouda dit jaar aan. Terwijl Amsterdam onder de voet gelopen en besmeurd wordt door horden op seks en drugs jagende toeristen, zoeken steeds meer touroperators voor het meer beschaafde publiek de luwte en de historische sensatie in middelgrote Hollandse steden. Daarbij mag Gouda zich verheugen in een toenemende belangstelling.

Waar komen die toeristen dan op af? De naamsbekendheid van Gouda is voor een imagesbelangrijk deel te danken aan een grote mate van productidentificatie.  Geen stad heeft zoveel bijzondere producten die met haar eigen naam verbonden zijn als Gouda. Bovenal is dat de Goudse kaas, die de naam van de stad wereldwijd tot een bekende klank heeft gemaakt. Maar daarnaast zijn er de Goudse kaarsen, pijpen, stroopwafels en keramiek. De toerist die de stad bezoekt gaat dan ook in eerste instantie op zoek naar deze bekende dingen, en komt de laatste jaren steeds meer aan zijn trekken. Het kaasmuseum in de Waag, de donderdagse  kaasmarkt, enkele specialistische kaaswinkels en de kaasboeren op de reguliere markt zorgen ervoor dat niemand zonder het begeerde gele product huiswaarts hoeft te keren. In mindere mate geldt dat voor de stroopwafel, de kaars en – dankzij het historische winkeltje van Loet van Vreumingen – de pijp. Voor Gouds plateel moet de toerist naar het Museum Gouda, waar een complete zolderverdieping is ingericht met vazen en ander aardewerk en – sinds dit jaar – ook met een impressie van de productie in de negentiende en begin twintigste eeuw. Met het atelier van Trudy Otterspeer aan de Hoge Gouwe heeft de stad ook een plek waar het ambacht van plateelschilderen als werelderfgoed levend wordt gehouden.

Wat betreft het historisch erfgoed was 2015 ook een bijzonder jaar. Uniek waren de opgravingen op het koor van de Sint-Janskerk, die mogelijk waren door een noodzakelijke restauratie aan licht verzakkende pilaren. Archeologisch leverde dit enkele bijzondere vondsten op, omdat voor het eerst de grafkelders van vooraanstaande Gouwenaars konden worden blootgelegd. In een van de graven werden de stoffelijke overschotten van zeven DeRooleden van de familie Rietman aangetroffen. In een van de andere graven werd het skelet aangetroffen van wat kennelijk een straatjongen was, die in omgekeerde richting (met de voeten naar het westen) was begraven. Van deze jongen kon worden vastgesteld dat hij een straffe pijproker moet zijn geweest. Zijn gelaat is deskundig gereconstrueerd en deze reconstructie maakt deel uit van een kleine tentoonstelling in de kerk. De vondst van de grafsteen van Pietertie Vynders, de Vlaamse echtgenote van de contra-remonstrantse voorman Thomas VloerStJande Roo bracht de roerige periode van de Bestandstwisten (1609-1621) ook weer eens aan de oppervlakte. Alle grafkelders werden na voltooiing van de restauratie afgedekt met een zeer bijzondere messing vloer, waarop niet alleen de plek van de grafkelders is gemarkeerd, maar waarin de beroemde Goudse Glazen op fraaie wijze weerspiegelen.

Bijzonder voor de Sint-Jan was verder het besluit om voor het eerst sinds het Bevrijdingsglas uit 1947 weer een nieuw gebrandschilderd raam aan te brengen in de kerk. Initiatiefnemer was Gerard de Kleijn, directeur van Museum Gouda, die met dit glas glasspatbijzondere luister wil bijzetten aan de grote tentoonstelling die in 2016 zal worden gehouden in zijn museum. Als ontwerper van het glas werd de nationaal bekende glazenier Marc Mulders uit Tilburg aangetrokken, die in de loop van het jaar met een vidimus zijn ontwerp presenteerde. Het aanbrengen van een nieuw glas in een historisch monument als de Sint-Jan is een gedurfde onderneming, waarover de meningen altijd zullen verschillen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat er in de loop van het jaar discussie ontstond over het glas, waardoor de vergunning langer op zich liet wachten dan de initiatiefnemers hadden gehoopt. Als noodoplossing werd het glas – in afwachting van de vergunning – eind december tentoongesteld op de vloer van de Gasthuiskapel. Grote voordeel hiervan is dat nu elke Gouwenaar een oordeel kan vormen en geven. Ook op een andere manier stond de Sint-Jan dit jaar in het licht. Op Sint-Jansdag klonken er voor het eerst weer de getijden, vanaf de metten in de vroege ochtend tot de vespers in de late namiddag.

Het Museum Gouda presenteerde ook dit jaar weer twee bijzondere historischetentoonstellingen over Goudse thema’s. In het voorjaar werd onder de titel Uitgelezen de aandacht gevestigd op de relatie tussen de stad en het boek. In vier zalen werden achtereenvolgens het vroege drukwerk van Geraert Leeu en de Collatiebroeders, de Goudse Vrijheid en de stedelijke Librije, het best verzorgde boek en schilderijen met lezende vrouwen aan het publiek getoond. Met 9000 bezoekers in drie maanden had de expositie een groot bereik. Gouda werd ermee als boekdrukkersstad fraai op de kaart gezet. Bovendien bracht de tentoonstelling de rijke boekenverzameling uit de Goudse Librije weer eens onder de aandacht van het publiek, met als resultaat dat het fraaie Librijebord uit 1649 komend jaar weer een fraaie plek krijgt in de Sint-Jan, op of dichtbij de plek waarvoor het ooit gemaakt is.

De vier gastconservatoren van de tentoonstelling Uitgelezen, Maurice wery, Paul Abels, Peter Luycx en Jan Willem Klein

De vier gastconservatoren van de tentoonstelling Uitgelezen, Maurice wery, Paul Abels, Peter Luycx en Jan Willem Klein

Stapelbed en koffers; beeldbepalende objecten van de vroege migratie van Marokkanen naar Gouda

Stapelbed en koffers; beeldbepalende objecten van de vroege migratie van Marokkanen naar Gouda

In het najaar werd in Museum Gouda stilgestaan bij 50 jaar migratie van Marokkanen in Gouda. Daarmee werd door de Stichting Boughaz een plan gerealiseerd, dat oorspronkelijk was bedacht door de vorig jaar overleden stadshistoricus Nico Habermehl. Met de titel Lalla Golda werd gekozen voor een bijzonder thema, namelijk de vrouw als heldin van de migratie. De expositie kende een historiezaal, een zaal met kunstwerken van vier Gouds-Marokkaanse kunstenaressen en een confrontatie tussen Gouds en Marokkaans keramiek. Bovendien kreeg de religiezaal een extra vitrine met islamitische objecten. Het geheel werd omlijst met een reeks van activiteiten, uiteenlopend van een modeshow en een tattooworkshop in het museum, films in Cinema Gouda en het Filmhuis, een stadswandeling, een historische lezing bij billboarddie Goude, luisteren naar en eten met Abdelkader Benali in de Chocoladefabriek en een debat met muziekavond in de Garenspinnerij.

Op monumentengebied is de meest opvallende gebeurtenis de opening van de Lichtfabriek op het Bolwerk. Daar werd in het oude gebouw van de elektriciteitsmaatschappij een fraai Lichtfabriekrestaurant ingericht. Het terrein ervoor was tijdelijk door omwonenden in gebruik genomen als zogeheten Pauzelandschap. Voor dit stuk grond is ooit een bouwvergunning afgegeven en de eigenaar is vast voornemens hier een fors bouwwerk neer te zetten, dat de huidige vrije blik op de historische Lichtfabriek zal wegnemen. Inmiddels is een actie op gang gekomen om dit te voorkomen en het grondstuk aan te kopen voor de omwonenden. Rond een ander industrieel monument, Koud Asfalt (net buiten Gouda, aan de overkant van de Hollandse IJssel) is dit jaar ook een forse discussie ontstaan. Het bedrijf heeft zijn activiteiten gestaakt en indachtig het adagium – buurmans erf komt maar een keer te koop – heeft een groep vrijwilligers plannen ontwikkeld voor een culturele exploitatie van het terrein, onder de titel Goud Asfalt. Tegenstanders zijn bevreesd voor een financiele molensteen om de nek van de stad. Toch zijn de vooruitzichten niet ongunstig.

SteenCool

Ook kleine verfraaiingen in de stad zijn het vermelden waard. Dankzij een initiatief van oud-archivaris van de St-Jan, Hennie van Dolder-de Wit, en geld van Stichting het Oude Mannenhuis kon de fraaie steen van Gregorius Cool met een afbeelding van de armenschool gerestaureerd worden en herplaatst in de tuin van Museum Gouda. De Chocoladefrabriek, waarin bibliotheek, archief en drukkerswerkplaats zijn gehuisvest kreeg Leo Vroman op hun dak, inVroman de vorm van een fraai kunstwerk van Jeroen Henneman teer gelegenheid van de honderdste geboortedag van deze Goudse dichter. Overigens bereikte aan het eind van het jaar het droeve bericht Gouda, dat diens weduwe in de VS was overleden.

Een tweetal prominente monumenten in de binnenstad dat met verwaarlozing bedreigd werd, is het afgelopen jaar gekocht voor particuliere bewoning. Het immense stadspaleis van de Lange van Wijngaerden, later onder meer in gebruik als stedelijk gymnasium, woning van boekdrukker B.J. van Goor en als bank, wordt inmiddels bewoond door de heer Van Nieuwkoop. Ook

Interieurdetail van het stadspaleis van De Lange van Wijngaerden

Interieurdetail van het stadspaleis van De Lange van Wijngaerden

het markante gebouw De Moriaen, waar tot voor enkele jaren geleden een dependance van het museum in gevestigd was, is door een particulier gekocht. Overigens staan nog steeds enkele grote historische panden te koop in de stad als gevolg van de verhuizing van instellingen naar Cultuurhuis Garenspinnerij en de Chocoladefabriek, te weten de oude Muziekschool en het Weeshuiscomplex. Voor dit laatste monument lijkt weer een hotelbestemming in beeld, minder exclusief en in combinatie met enkele culturele voorzieningen. Of een volledig achter de winkels van de Zeugstraat verborgen hofje, het Hofje van Jongkind met negen kleine woningen, gered kan worden moet nog worden afgewacht. Ondanks pleidooien voor behoud, is de Utrechtse huisjesmelker Singh nog niet te bewegen tot enige actie. Positief daarentegen DSC03892was weer de herbestemming van de kerk van de Vergadering van Gelovigen, die vorig jaar leeg kwam te staan. Met de vestiging van een spiritueel centrum werd meer dan recht gedaan aan het monument uit de tweede helft van de negentiende eeuw.

Een zorgenkindje – qua omvang kan eerder van een zorgenkind gesproken worden – is de Gouwekerk of voormalige Sint-Jozefkerk. De huidige eigenaar, Johan Maasbachzending, is niet meer in staat het gebouw lonend te exploiteren. Deze kring is DSC03921inmiddels geslonken tot enkele tientallen gelovigen, die niet meer in de kerk, maar in de aanpalende pastorie hun bijeenkomsten houden. Dit jaar verdween al het historische orgel uit de kerk, door verkoop aan een Italie. Een oproep om dit te voorkomen haalde niets uit. De kerk is al enkele jaren geleden te koop gezet voor een slordige drie miljoen. Maar het vinden van een nieuwe bestemming zal niet eenvoudig zijn.  In 1972, toen de sloop dreigde, kon de kerk gered worden door het gebouw voor 1 gulden aan Maasbach te verkopen, maar wel met onderhoudsplicht. Daaraan heeft deze beweging van onderdompelaars meer dan voldaan. De kerk is in puike conditie. De toren is van verre het markeerpunt van de stad en zal ook om die reden niet verloren mogen gaan. Misschien kunnen alle rooms-katholieke parochies worden samengevoegd en hier ondergebracht. De toren leent zich zelfs voor gebruik als minaret. De bouw van een nieuwe ‘megamoskee’ is dan niet nodig. Alleen valt in het huidige maatschappelijke klimaat te vrezen dat voor een dergelijk plan weinig draagvlak te vinden zal zijn. Want zoals veel inwoners van Gouda ten tijde van de bouw van de kerk bang waren voor de ‘roomse’ opmars, zo bestaat er nu een zo mogelijk nog grotere ongedefinieerde angst voor de islamitische opmars. Maar tijden kunnen veranderen. De keuze tussen afbraak of herbestemming zal misschien tot andere gedachten aanzetten.

Bij het overwegend positieve nieuws dat te melden is over het behoud van de historische monumenten begint echter langzaam ook een zorgwekkend bericht rond te zingen. Het wordt steeds duidelijker dat de oude binnenstad langzaam wegzakt. Het waterpeil dreigt daardoor inmiddels op een dermate hoog niveau te komen dat bij onderheide woningen de palen boven water dreigen te komen en rotting dreigt. Op termijn zal dat veel huiseigenaren tot forse investeringen dwingen. Maar gelet op de liefde waarop menig binnenstadsbewoner zijn monument verzorgt, zal het ook in die situatie niet aan offervaardigheid ontbreken. Daarom gaan we maar vol optimisme het nieuwe jaar in!

 

 

Een glas waar de geest van Erasmus vanaf spat

Vanmiddag werd in de Gasthuiskapel van Museum Gouda het Erasmusglas van de Brabantse glazenier Marc Mulders onthuld, bestemd voor de naastgelegen Sint-Janskerk. Grote afwezige was de maker zelf. Hij kon het niet opbrengen om naar Gouda te komen omdat – wat hij noemt – ‘weigerambtenaren’ talmen met het afgeven van de zogeheten omgevingsvergunning.  Zelf ben ik er onbedoeld ook mede debet aan geweest dat de officiele onthulling van het raam in de kerk zeker een half jaar is uitgesteld. Mijn pleidooi op mijn blog, later overgenomen door kranten, om te kijken of er genoeg draagvlak is voor het aanbrengen van een nieuwe glas, dat – afgaand op het fragment dat toen getoond werd (een soort donut) – nogal uit de toon leek te vallen bij de figuratieve glazen in dit nationale cultuurbezit.

Mulders reageerde adrem en nodigde mij van harte uit voor een bezoek aan het atelier in filmTilburg. In de film met The making of… zijn ook beelden van dit bijzondere bezoek te zien (zie foto tezamen met museumdirecteur Gerard de Kleijn). Zijn inspirerende verhaal, maar uiteindelijk het glas zelf, deed mij helemaal omgaan. Het glas zou je het best, in lijn met de wapenspreuk van Gouda (per aspera ad astra, door de doornen naar de sterren), kunnen omschrijven als een opgaande beweging van de duisternis van het aardse leven naar het hemelse licht. Centraal in het glas er er de kleurenpracht van de pauw, symbool van het nieuwe leven; van de opstanding. Daarmee pelt Mulders de boodschap van Erasmus voor dit gebedshuis af tot de absolute kern, namelijk tot de boodschap van het Evangelie, het boek dat de Gouds-Rotterdamse geleerde volgend jaar precies vijfhonderd jaar geleden vertaalde van het Grieks in het Latijn. Met deze vertaling zette hij een grote stap in de richting van zijn streven naar zuivering van de kerk door een teruggrijpen op de bron.

glasspat

Marc Mulders slaagt er zo in de geest van Erasmus, die omnipresent is in alle zestiende-eeuwse Goudse Glazen met thema’s uit het leven van Jezus en Johannes de Doper, terug te glazenierbrengen tot zijn essentie. Geen sterk figuratief glas dus, zoals de meeste andere glazen, maar wel met figuratieve elementen. En in een kleurstelling die in balans is met de omgeving, niet in de laatste plaats door de hemelsblauwe lucht die zoveel glazen in de kerk kenmerkt. Maar ook door de kleurstelling van de cirkel, bollen zo u wilt, die overvloedig aanwezig zijn in het glas. Voor mij staan die voor het huidige tijdsgewricht, waarbij het individu de gemeenschap ontstijgt of ontvliedt, op zoek naar zijn eigen heil. Daarmee is het glas tegelijkertijd klassiek en modern in zijn verschijning. Bovenal is het een hoopvol glas, waarin het licht tot in de ziel doordringt.

Het bijzondere van het Erasmusglas is ook de beoogde plek in de kerk: tegenover het Bevrijdingsglas uit 1947 van Charles van Eijck en bezijden het Coornhertglas, met de symbolische uitwerking van de Vrijheid van Conscientie. Daarmee krijgt de Sint-Jan een zeer bijzondere en actuele hoek, waarin de boodschap van hoop, tolerantie en bevrijding samenkomt in een ongekende kleurenpracht. Dat is een aanwinst voor kerk en stad, die geheel past in de traditie van het levend monument, dat de Sint-Jan – mede dankzij de protestantse gemeente die er in groten getale in kerkt – nog altijd is.

Deze verrijking werd niet onmiddellijk herkend en gewaardeerd door de ambtenaren van monumentenzorg en gemeente. Zij wilden eerst advies van het Rijk en van externe deskundigen en hielden lang staande dat het schervenraam dat moet wijken – restanten van een restauratie uit 1930 – monumentale waarde heeft en eigenlijk behouden zou moeten blijven. In een poging de scherven te lijmen heb ik vrijdag nog met wethouder Daphne Bergman en deze ambtenaren om tafel gezeten, om te benadrukken dat het raam daadwerkelijk een waardevolle en eigentijdse aanwinst is. Die vergunning, zo werd mij toen verzekerd, gaat er komen, waarschijnlijk nog voor de zomer. Maar Marc Mulders wil het eerst zien en dan geloven. Tot die tijd zullen wij hem niet in Gouda zien en daarom toch vooral zelf het verhaal moeten vertellen over de Geest van Erasmus, die van dit glas af spat.

Haardstenen als historische bron

Eerder op deze site is gewezen op het belang van Hollandse tegels als historische bron. Maar er zijn meer aardewerken producten die de historicus kunnen helpen bij het onderzoeken en interpreteren van het verleden. Onlangs verwierf ik een haardsteen

Haardplaat uit 1618 met Bijbelse afbeelding

Haardplaat uit 1618 met Bijbelse afbeelding

met opmerkelijke afbeeldingen. Haardstenen dateren uit het einde van de zestiende en zeventiende eeuw, toen huizen nog geheel of gedeeltelijk van hout waren. Het brandgevaar was daardoor groot. In de huizen van meer vermogende burgers werden de wanden van haarden in de huizen daarom bekleed met vuurvaste stenen. Op veel van die stenen zijn met behulp vaneen  houten stempel motieven en afbeeldingen aangebracht. Meestal werden deze haardstenen aan de bovenkant bekroond met een grotere sluitsteen. In de zeventiende eeuw verdwenen dergelijke stenen vrij snel weer uit de huizen, omdat ze werden vervangen door gietijzeren haardplaten.

steen

De oude haardstenen zijn in de eeuwen daarna in hoog tempo uit de huizen verdwenen. Vandaar dat ze tegenwoordig tamelijk zeldzaam zijn. De meeste stenen worden aangetroffen bij opgravingen en verbouwingen. Ook mijn exemplaar zou op deze wijze aan het licht gekomen zijn, en wel in Deventer. Nu waren er in de Nederlanden waren er twee belangrijke ateliers waar haardstenen vervaardig werden; in Antwerpen en Utrecht. Beiden produceerden stenen uit fine roodbakkende klei. Er zijn ook zwarte stenen, maar dat zijn negentiende-eeuwse kopieen. De meeste haardstenen bevatten bijbelse en religieuze taferelen, maar ook wereldlijke onderwerpen en personen werden soms afgebeeld. Zowel de dikte en kleur van de steen en de thematiek van de bestempeling, duiden op een Antwerpse oorsprong van de Deventer steen. Utrechtse haardstenen zijn namelijk kleiner en dunner.

Haardsteen1

Anna van Oostenrijk

Anna van Oostenrijk

De haardsteen toont twee medallions met (deels gesleten) portretten, die gevat zijn in ruiten en halve en kwart-rozetten. Afgaand op de afgebeelde kronen en nog zichtbare delen van het jaartal, 1581, kunnen we vaststellen dat het gaat om niemand minder dan Koning Philips II en zijn vierde echtgenote Anna van Oostenrijk, met wie hij in 1570 in het huwelijk trad. Zij overleed in 1580 en werd slechts 30 jaar. De steen is dus kort na het overlijden van de Spaanse koningin, als een vorm van aandenken, vervaardigd. Dat de steen in Deventer in een huis zou zijn aangebracht, is goed verklaarbaar, aangezien de stad toen nog onder Spaans gezag stond. Uit de licht geblakerde oppervlakte is af te leiden dat de steen ook daadwerkelijk in een functionerende haard heeft gezeten. Deze kleine geschiedenis in klei brengt ons dan ook direct in contact met het roerige verleden van de Nederlandse Opstand.

 

Erasmusglas onderweg naar Gouda

Marc Mulders, “glazenier in dienst van Erasmus”, heeft in 2015 in zijn atelier in Tilburg raamgewerkt aan de productie van een Erasmusraam, bestemd voor in de Sint-Janskerk. Over zijn creatie is hieronder eerder geschreven. Inmiddels is het werk afgerond en wordt het Erasmusraam in de komende weken overgebracht van zijn glasatelier in Tilburg naar Museum Gouda. Daar wordt het Erasmusraam tot 26 juni 2016 in zijn volle omvang neergelegd in de Gasthuiskapel en getoond aan alle bezoekers van het museum. Marc Mulders heeft het raam ontworpen in opdracht van Museum Gouda. De schenking is op 5 februari 2015 geaccepteerd door het Kerkbestuur van de Sint-Janskerk. Als onderdeel van het Erasmusjaar 2016 zal het in de zomer van 2016 aangebracht worden in de Sint-Janskerk, nadat de omgevingsvergunning is verkregen. De onthulling is gepland voor 2 september 2016.

Het zal onvermijdelijk zijn dat de discussie over het ontwerp in het komende jaar opnieuw IMG_7508zal opflakkeren. Nu de Gouwenaars en andere bezoekers het eindresultaat kunnen aanschouwen, zal iedereen er een mening over hebben. Smaken verschillen nu eenmaal, ook op de vraag of dit raam past in het ‘glazenprogramma’ van de kerk. Ook in vakkringen verschillen de meningen hierover. Zo liet glazenier Henk van Kooy mij weten de voorkeur te geven aan een glas waarop Erasmus daadwerkelijk ook in persoon te zien zou zijn. Als illustratie stuurde hij daarbij een ontwerp mee van Aad de haas, dat door hem zelf is uitgevoerd.

Voor het vormen van een oordeel over het glas is niet alleen een bezoek aan het museum van belang, maar ook kennis over de plek waarop het zal worden ingebracht. Het raam is bestemd voor een plek die precies tegenover het laatst in de Sint-Jan aangebrachte glas ligt, namelijk het Bevrijdingsraam van Charles van Eyck. Daarmee komt het in de hoek te hangen waar zich op de achterzijde ook het Statenglas met de Vrijheid van Conscientie bevindt. Ook Coornhert, aan wiens denkbeelden de themathiek van het glas is ontleend,  is daarop niet in persoon te zien. Het glas staat bol van de (zestiende-eeuwse) symboliek . Op het Erasmusglas is de grote Gouds-Rotterdamse geleerde ook niet te zijn en gaat het om de symboliek. Ik ben erg benieuwd of de 21ste-eeuwer die herkent en begrijpt.

De schande van een verstopt monument voor Anna Barbara

Portret door Johannes Jacobus Bertelman, ongedateerd

Portret door Johannes Jacobus Bertelman, ongedateerd

In de immense St.-Janskerk te Gouda bevindt zich een bijzonder monument, gewijd aan Anna Barabara van Meerten-Schilperoort (1778-1853). De predikantsvrouw wordt op deze gedenksteen aangeduid als “Neerlands kindervriendin”, maar met deze titel wordt onvoldoende recht gedaan aan haar betekenis. Zij schreef inderdaad de nodige pedagogische werken, maar uit haar omvangrijke oeuvre, dat 115 titels telt, valt op te maken dat zij ook op vele andere terreinen actief was en kennis verspreidde. Zij schreef toneelstukken, historische verhalen, een reisboek, stichtelijke boeken, artikelen voor modetijdschriften, breiboeken en nog veel meer. Bovendien runde zij een meisjesschool en was zij zeer actief in de vrouwengevangenis in Gouda, de eerste van Nederland, om de daar opgesloten vrouwen behulpzaam te zijn bij een voorbereiding op een beter leven Dat er nog steeds geen serieuze biografie van Anna Barbara bestaat is wellicht te wijten aan een overfixatie van historici op belangrijke mannen, maar kan evenzeer te maken hebben met Gouds-hervormde bekrompenheid. Een vrouw die de zorg voor haar zes kinderen overliet aan kindermeisjes, teneinde zichzelf te kunnen storten op haar schrijfwerk en maatschappelijke activiteiten past(e) immers niet in het traditionele beeld in deze kring over de rol van de vrouw.

Spel- en goochelboekje van Anna Barbara uit 1838

Spel- en goochelboekje van Anna Barbara uit 1838

Handschrift van Anna Barbara uit een Album Amicorum voor een vriendin

Handschrift van Anna Barbara uit een Album Amicorum voor een vriendin

 

 

 

 

 

 

 

 

Misschien is dat ook wel de reden dat er zo respectloos is omgegaan met het monument dat bewonderaars van haar in de Sint-Jan lieten oprichten. Sinds jaar en dag is deze gedenksteen voor bezoekers nauwelijks zichtbaar, omdat er plompverloren een grote in onbruik geraakte preekstoel voor is gezet. Er is al vaak gepleit voor verandering van deze ongelukkige situatie, maar tot op heden is de kansel geen millimeter van zijn plek gehaald. Sterker nog; de hoek wordt meer en meer tot een dumpplaats voor allerlei materialen. Hoe anders de situatie ooit was, laat een oude foto zien, want ooit stond er een fraai hekwerkje om de gedenksteen.

resolve
verstopt

Bovenste deel van het monument in de St.-Janskerk

Bovenste deel van het monument in de St.-Janskerk

Het hekwerkje is verdwenen. De preekstoel kwam er voor te staan en de rommel maakt het onmogelijk om de tekst op de steen nog te lezen. Zelfs op internet is geen moderne foto te vinden van de gedenksteen: verstopt en onzichtbaar, zelfs voor de lens van de camera.

Gelukkig lijkt in Gouda het tijd voor Anna Barbara echter wel te keren. Zo heeft zij sinds DetalGrafsteenABenige tijd een heus Twitteraccount en hebben bewonderaars ervoor gezorgd dat haar grafsteen op de Oude Begraafplaats nieuwe glans heeft gekregen. Het initiatief daarvoor werd genomen door Ineke Verkaaik, voorzitter van Historisch Platform Gouda, in samenwerking met Kees Moerings, Peter Overkamp en Croda. Genoemde Kees Moerings vervaardigde ook een Goudse pijp met haar beeltenis. Af en toe loopt er zelfs een als Anna Barbara verklede vrouw door de straten van Gouda. Het wachten is nu op een serieuze biograaf, die met een moderne blik leven en werk van deze Kroon van Gouda glans gaat geven. Wat dat betreft is er hoop. Volgens een bericht in het AD/Groene Hart is Jean-Philippe van der Zwaluw uit Rijswijk bezig met het levensverhaal van Anna Barbara, dat eind dit jaar zou uitkomen. Rest de vraag of deze Rijswijker als man voldoende in staat zal zijn in de huid van deze fascinerende Goudse vrouw te kruipen.

Marokkaanse muziek tegen de achtergrond van altaarstukken uit de Sint-Jan

De expositie Lalla Golda, ter gelegenheid van het feit dat vijftig jaar geleden de eerste Marokkaanse gastarbeiders naar Gouda kwamen, wordt omlijst met een gevarieerd programma. Daarbij komt het vaak tot verrassende ontmoetingen en combinaties. Te denken valt aan een spontane ontmoeting tussen de Goudse dichter Chris van Bellekom (zie onder) en de deelnemers aan een stadswandeling langs de voormalige gastarbeiderspensions. Maar ook aan de traditionele Marokkaanse theeschenkerij van de heer Kharahhash en Boughaz-voorzitter Chahid Hadoutti in de moderne filmtempel van de stad: Cinema Gouda. En aan het concert van een Marokkaanse gelgenheidsformatie in de Gasthuiskapel van Museum Gouda. Onderstaande foto’s geven iets weer van de bijzondere sfeer bij deze evenementen die Lalla Golda nog een extra dimensie geven.

Concert1

Teaparty

Over opvoeding, een dochter en een blije gup

Je kunt als ouder nog zo je stinkende best doen om je kinderen een goede opvoeding te geven, maar uiteindelijk volgt natuurlijk de afrekening. Gelukkig is de balans aan het eind positief….

gup