Voor even het Oopjen en Marten-gevoel

De afgelopen maanden was er veel te doen over twee schilderijen van Rembrandt van Rijn, met levensgrote portretten ‘ten voeten uit’ van een rijk Amsterdams regentenechtpaar,  Oopjen Coppit en Marten Soolmans. Beide echtelieden lieten zich schilderen door de Amsterdamse meester, die toen het hoogtepunt van zijn roem kende. De doeken waren eeuwenlang in particulier bezit geweest – en dus aan de ogen van het grote publiek onttrokken – maar konden met een gezamenlijke Frans-Nederlandse inspanning uit de duisternis gehaald worden. Daar was overigens wel de lieve som van 160 miljoen euro mee gemoeid. Altererend zijn de schilderijen voortaan te bewonderen in het Rijksmuseum in Amsterdam en het Louvre in Parijs.

Rembrandts Oopjen en Marten in het Rijksmuseum

Rembrandts Oopjen en Marten in het Rijksmuseum

Rembrandt schilderde de portretten in 1634. Het zijn tamelijk unieke afbeeldingen. Hollanders lieten zich in de zeventiende eeuw graag schilderen, om hun rijkdom en geluk trots te tonen en hun aangezicht voor het nageslacht te bewaren. Maar meestal betrof het een schildering van hoofd en romp. Oopjen en Marten zijn vooral bijzonder omdat beiden van kop tot teen zijn geschilderd op doeken die een afmeting hebben van 210 x 135 cm. Hierdoor trekken hun gezichten niet de meeste aandacht, maar hun glanzende zwarte kleding en – bovenal – malle pompoenen op de schoenen. Blijkbaar hadden beide rijke echtelieden voldoende plek in hun huis om zichzelf op deze manier aan de wand te etaleren. Maar of ze zelf ook gelukkig waren met de wijze waarop Rembrandt hen beiden had afgebeeld en hoe het voor hen was om de hele dag naar deze grote zichzelven te kijken, vertelt het verhaal niet.

Oolpjen2

Toch zijn dat de meest fascinerende aspecten van de portretkunst. Waarom laten mensen zich überhaupt schilderen? Welke vrijheid heeft de schilder om weer te geven wat hij daadwerkelijk ziet? Het blijven weliswaar klanten, maar hij heeft wel een naam hoog te houden als artiest. Al te vergaande concessies zal hij dan ook niet willen doen, maar het is alleszins voorstelbaar dat hier en daar een plooitje of oneffenheidje in het gezicht  wordt weggeretoucheerd. Waar zit dan de hand van die grote meester Rembrandt in beide portretten? Een nauwkeuriger blik op de doeken in het Rijksmuseum leerde dat Marten overtuigend is neergezet, maar dat Oopjen duidelijk minder goed uit de verf is gekomen. Zou zij misschien door iemand anders in het atelier van de Amsterdamse meester zijn opgezet of wellicht sneller en minder zorgvuldig door Rembrandt zelf zijn geportretteerd? Het zijn allemaal vragen waarop geen antwoord te geven is.

Het toeval wilde dat mijn vrouw Christa en ik vorig jaar besloten om ook een portret van ons beiden te laten schilderen. De vragen die niet over Oopjen en Marten beantwoord kunnen worden, kunnen wij zelf misschien wel stellen en beantwoorden. De allereerste vraag is natuurlijk waarom moderne mensen in de 21ste eeuw, die de beschikking hebben over tal van manieren om hun konterfeitsel vast te laten leggen, kiezen voor het klassieke geschilderde portret. Dat zou te maken kunnen hebben met een achtergrond als historicus, die gespecialiseerd is in de 16de en 17de eeuw, en dus een hang naar historische sensatie kunnen zijn. Dat element speelde zeker mee, maar portretschilderingen zijn niet alleen onder historici populair. Je hoeft alleen maar te zien hoe populair het tv-programma ‘Sterren op het Doek’ van Hanneke Groenteman is, om te zien dat voor veel meer mensen een geschilderd portret veel meer te bieden heeft dan een foto.

Reinout Krajenbrink en Suzan Schuttelaar portretteren Huub Stapel in Sterren op het Doek

Reinout Krajenbrink en Suzan Schuttelaar portretteren Huub Stapel in Sterren op het Doek

Tegelijk laat ‘Sterren op het Doek’ zien dat het ene portret het andere niet is. Er zijn net zoveel stijlen en smaken als dat er te portretteren mensen zijn. Wel hebben bijna al die portretten een kenmerk gemeen: namelijk dat het individuen zijn die worden afgebeeld, voor het overgrote deel in een pose waarbij de beschouwer direct wordt aangekeken. Een dergelijke formule was in de vroegmoderne tijd gangbaar, maar past blijkbaar ook bij de geïndividualiseerde burger in deze moderne tijd. Onze motivatie om een portret te laten vervaardigen lag echter niet in de behoefte tot zelf-etalering, maar in de wens iets van een ideaaltypische situatie van ons leven vast te laten leggen en door te geven aan onze kinderen.

Dat betekende dat we geen frontaal geschilderde afzonderlijke portretten wilden, en al helemaal niet ten voeten uit. Geen Oopjen-en-Marten-imitatie dus. De zoektocht naar een schilder die ons beiden kon bekoren begon bij de Portretwinkel van Galerie Morren in Utrecht. In hun ‘stal’ zitten diverse kunstenaars die bekendheid genieten als portretschilder, onder wie diversen die ook deelgenomen hebben aan het genoemde tv-programma. Daar zaten wel enkele potentiële kandidaten bij, maar geen van hen had ervaring met dubbelportretten. Bovendien waren er wel kandidaten bij die een van ons aanspraken, maar niemand die de goedkeuring van beiden kon wegdragen. De zoektocht werd daarom elders voortgezet, waarbij ook twee schilderessen uit onze woonplaats Gouda in beeld kwamen: Carla Rodenburg en Suzan Schuttelaar. Carla geniet al jaren grote bekendheid nadat zij het nationaal portret van toenmalig koningin Beatrix, compleet met rood-wit-blauwe vlag mocht maken. Haar portretten zijn vlot geschilderd, levendig en kleurig. Een heel andere stijl heeft Suzan Schuttelaar: zij confronteert de toeschouwer met levensgrote koppen, waar oneffenheden niet weggepoetst, maar uitvergroot worden. Fascinerende gezichten levert dat op, die ook een bijzondere charme hebben. Beide stijlen passen echter minder bij de kunstcollectie die wij in dertig jaar hebben opgebouwd, met werken in de sfeer van het noordelijk realisme, fijnschilders en naïeve werken.

Dochter Marieke en kleindochter Lena onthullen samen met de schilder het schilderij

Dochter Marieke en kleindochter Lena onthullen samen met de schilder het schilderij

Uiteindelijk wees internet zoals zo vaak de weg, waardoor we voor de opdracht uitkwamen in Groningen. Onze voorliefde voor stillevens in de stijl van het Noordelijk Realisme – zeg maar de school van Academie Minerva, Henk Helmantel, Herman Tulp, Rob Mohlmann – bracht ons op het spoor van een nog jonge schilder die werkt in deze traditie: Reinout Krajenbrink, uit het Groningse gehucht Godlinze en nu wonend in de Stad. Hij schildert niet alleen stillevens, maar ook portretten. Dat deed bij ons de idee postvatten om hem te vragen een combinatie van beide te maken. Hij reageerde enthousiast. Met hem zijn we vervolgens een traject ingegaan dat precies een jaar duurde en op 6 augustus 2016 werd bekroond met de onthulling van het door ons gevraagde kunstwerk.

Het schilderij is het resultaat van een boeiende en spannende zoektocht van kunstenaar en opdrachtgevers naar het ‘verhaal’ dat uit de verf zou moeten komen. Je vraagt je af of Oopjen en Marten op een soortgelijke manier in een interactie met Rembrandt tot het eindresultaat zijn gekomen. In ons geval betekende dat enkele bezoekjes van de schilder aan ons huis in Gouda en enkele reisjes van ons naar zijn atelier in Groningen. In gesprekken en het in zich opnemen van indrukken van onze huiselijke omgeving vormde hij zich geleidelijk een beeld van ons, niet alleen in letterlijke zin, maar ook figuurlijk, qua persoonlijkheden, interesses en drijfveren. Anders dan Rembrandt bedient de moderne schilder zich daarnaast uiteraard ook van het fototoestel. Misschien wel het belangrijkste van dit proces was het ontstaan van een figuurlijke ‘klik’ en de groei van het vertrouwen van beide partijen dat er iets moois zou kunnen ontstaan.

Dubbelportret De Bry

Dubbelportret De Bry

Echt spannend werd het toen de eerste strepen in het schetsboek werden gezet en de eerste lagen verf op het paneel kwamen. Zouden Oopjen en Marten ook af en toe een kijkje genomen hebben om te zien hoe het werk van de Amsterdamse meester vorderde en of het enigszins tegemoet kwam aan hun wensen als opdrachtgevers? In ons geval was de geografische afstand daarvoor te groot, maar bood de mail uitkomst. Langzaam kregen we zo de contouren te zien van het dubbelportret, dat door de enscenering meer weg heeft van een klassiek genrestuk, dan van een echt portret. Krajenbrink liet zich inspireren door enkele klassieke meesterwerken in deze stijl. Zelf reikten we hem daarvoor nog een afbeelding aan van een schilderij van Salomon de Bry. De vele kaarten van Gouda aan de wand in ons huis deden hem zelf denken aan enkele werken van niemand minder dan Johannes Vermeer, waar grote landkaarten aan de muur te zien zijn.

Het eerste ontwerp van ons schilderij

Het eerste ontwerp van ons schilderij

Op de website van Reinout Krajenbrink is te lezen welke achterliggende ideeën de schilder zelf met dit dubbelportret heeft uitgewerkt. Voor ons is hij er meer dan uitstekend in geslaagd ons overtuigend neer te zetten in een setting die het gewenste ‘gestolde’, ideaaltypische beeld van ons leven en werken in Gouda weergeeft. Dat onze drie dochters, die het werk pas bij de onthulling voor het eerst te zien kregen, hun scepsis op slag lieten varen en zich onder de indruk toonden hoe Reinout Krajenbrink hun ouders in olieverf had weten neer te zetten, is wat ons betreft wel het grootste compliment voor de schilder dat mogelijk is. Voor ons is het schilderij daarmee nog meer dan de 160 miljoen van de Rembrandts waard: het is onbetaalbaar.

goudse leeskringgroot

Herinneringen aan het Collatiehuis

Mijn pogingen om via deze website en via de Nieuwsbrief van Historische Vereniging Die Goude meer aan de weet te komen over het Collatiehuis of Paulusklooster heeft geresulteerd in een uitbreiding van het aantal foto’s uit de tijd van voor en tijdens de afbraak. Ook kwam er een brief binnen van de heer Frans IJsselstijn, waarin hij zijn herinneringen aan dit enorme complex achter de Sint-Janskerk opschreef.

Garage in de Spieringstraat

Garage in de Spieringstraat

De heer IJsselstijn, inmiddels 86 jaar oud, schrijft dat hij geboren is in een huis aan de Spieringstraat. “In deze straat, halverwege de Walestraat en de Hoefsteeg, had je vroeger garagebedrijf van Hoorn, tot ongeveer 1935. Deze garage verkocht T-Fords. Zij verhuisden van hier naar de Pauluskapel bij de Looyhalle. Ik ben opgegroeid in de Spieringstraat en zat op de kleuterschool in de Patersteeg en daar zaten ook de drie dochters van Van Hoorn, Tinie, Adrie en Hennie. Daar ging ik als kind mee om en zo kwam ik ook in de Looyhalle, want daar kon je via de garage zo inlopen. In de vijfde verzamelde bijdragen van de Historische Vereniging staat nog een foto van de kloostergang en daar speelden we met slecht weer.

De achterzijde van de Looyhalle, kort voor de afbraak van het complex

De achterzijde van de Looyhalle, kort voor de afbraak van het complex

In het grote huis naast de Jeruzalemkapel woonde de hoofdonderwijzer van wat later de Klaas de Vriesschool heette, de heer Van Kerse. Daarnaast had je de Looyhalle met daarin een poortje waardoor je zo op het schoolplein kwam, vlak achter het huis van de hoofdonderwijzer. Op deze plek is nu een pad door het plantsoen naar het plein. Het schoolplein is er nog, de garage en het gebouw niet meer. De familie Van Hoorn woonde boven in het gebouw, ik denk in de kamers van het Convent. Voor de sloop van het gebouw zijn zij verhuist naar de Kattensingel, vlakbij de Drie Notebomen. Of zij daar ook een garage hadden weet ik niet. De dochter Adrie is of was getrouwd met een donkere Afrikaan. Dat was heel bijzonder in die tijd. Zouden de meisjes van toen nog leven?”.

Erasmusglas op zijn plek in de Sint-Jan

Op de laatste dag van juni was het dan eindelijk zover. Het Erasmusglas van de Brabantse glazenier Marc Mulders werd geplaatst in de Goudse Sint-Janskerk. De echte onthulling vindt pas begin september plaats, maar voor Mulders was het gisteren al een grote dag waarvan hij dacht dat die niet meer zou komen Een half jaar lang was het glas namelijk te zien op een manier die niet bedoeld was: uitgestrekt op de vloer van de Gasthuiskapel, rustend op lichtbakken. Het uitblijven van een omgevingsvergunning van de gemeente was hier debet aan.

Donderdag 30 juni 2016: Het Erasmusglas wordt geplaatst onder toeziend oog van de schepper: Marc Mulders

Donderdag 30 juni 2016: Het Erasmusglas wordt geplaatst onder toeziend oog van de schepper: Marc Mulders

 

Het bleef lang onzeker of het glas zijn bestemming zou bereiken. Oorzaak was een lange discussie of het raam wel passend was in de monumentale kerk en of het ‘schervenglas’ van Jan Schouten dat hiervoor plaats moest maken niet op deze plek moest blijven. De emoties hierover liepen zo hoog op, dat de gemeente eerst advies van derden wilde inwinnen, voor tot een definitief besluit te komen. Museumdirecteur Gerard de Kleijn zag hierdoor de officiele opening van de grote Erasmus-tentoonstelling in het water vallen en koos noodgedwongen voor het alternatief van een liggend glas in het museum.

Marc2

Toch hadden de vertraging van de vergunningverlening en het opnemen van het glas in de Erasmus-tentoonstelling uiteindelijk een positieve kant. De 22.000 bezoekers van de expositie kregen zo de gelegenheid het glas van dichterbij te zien dan ooit mogelijk zal zijn nu het op zijn definitieve plek is beland. Zij konden zo beter een oordeel vormen over de creatie van Mulders en geleidelijk groeide het draagvlak ervoor. Nu het glas dan eindelijk geplaatst is en inhoudelijk een fraaie driehoek vormt met het Vrijheid van Concientie-glas en het Bevrijdingsglas,  is het gemor verstomd en hebben de glazenuitleggers er een stevige klus en dito verhaal bijgekregen.

‘t Arminiaens Testament. De Bestandstwisten in een spotprent samengevat

In de inmiddels tien jaren dat ik het voorrecht geniet om als docent Goudologie te mogen vertellen over duizend jaar kerkgeschiedenis van Gouda, gebruik ik ter illustratie van de roerige episode van de Bestandstwisten steevast een detail uit een bekende contraremonstrantse spotprent. De bijzondere positie van het Gouda van die dagen, als vrijplaats voor allerlei afwijkende opvattingen, komt in dit detail goed tot uitdrukking. Het fragment maakt deel uit van een veel groter geheel, dat als titel ’T ARMINIAENS TESTAMENT draagt en is gegraveerd door Claes Jansz Visscher. Van deze spotprent bestaan twee sterk van elkaar verschillende versies, die beide zijn uitgegeven in 1618. Het Goudse detail in deze prenten is echter identiek, met dien verstande dat in de bewerkte versie – die ik onlangs op een Haarlemse veiling heb weten te bemachtigen – de letter G. is toegevoegd. Die letter verwijst naar een toelichtende “Inventaris” die aan beide zijden van de prent is toegevoegd (maar ontbreekt bij mijn exemplaar). Blijkbaar had ook de lezer uit die tijd behoefte aan nadere toelichting op deze uitbundige spotprent, die bol staat van verwijzingen en symboliek.

De twee versies van t’Arminiaens Testament verschillen op diverse punten van elkaar. De meest uitgebreide versie en de bewerkte variant zijn gespiegeld van elkaar. Bovendien zijn aan de zijkant en onderaan de uitvoeringen in elkaar geschoven en versimpeld. De uitgebreide versie heeft onderaan ook de steden verpersoonlijkt in de vorm van vrouwfiguren. In de bewerkte versie laat hij het bij de stadswapens.

TestamentVersie2

TestamentMetInventaris

Visscher heeft zijn Arminiaens Testament overduidelijk gebaseerd heeft op een spotprent van Simon Frisius, die verscheen in 1609 met als titel Piramide van de Vrede. Deze prent vredeverscheen bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand, dat de Noordelijke Nederlanden in een rustiger vaarwater moest brengen. Nu de strijd tegen Spanje was geluwd, laaiden de onderlinge conflicten echter hoog op, met een theologisch dispuut over de predestinatie (Goddelijke voorbeschikking) als aanleiding en brandstof voor het conflict. De fiere overwinningsobelisk voor de jonge Republiek die Frisius met zijn burijn oprichtte, is bij Visscher verworden tot een wankel bouwwerk van remonstrantse signatuur. Hij legt daarmee de schuld voor de binnenlandse troebelen volledig bij remonstranten, die met leugen en bedrog de ware (contraremonstrantse) gereformeerde kerk en het voorspoed van het land ondermijnd zouden hebben. Waar Frisius zijn bouwwerk laat flankeren door de personificaties van Vroomheid (Pietas) en Rechtvaardigheid (Justitia), doet Visscher dit door Laster-Leugen en Lichtverley.

Bovenop de toren zit een non, met in haar hand een rozenkrans en een boek Zij verbeeldt het ‘Misverstand’ en kijkt door haar vingers. Onder deze non zijn op torenspits de wapens van de steden afgebeeld waar de remonstranten het voor het zeggen hebben (of, zoals de contraremonstrantse toelichting wil, “steden, die de oude Religie afgevallen” zijn). Daaronder zijn kleine brilletjes te zien, de ‘christallijne brillen’, een verwijzing naar een berucht remonstrants pamflet, in 1613 geschreven door Bernardus Dwingloo en uitgegeven door Jasper Tournay in Gouda. Maar de brillen moeten de beschouwer ook in staat stellen de waarheid helder te zien.

Dan volgen van boven naar beneden negen taferelen, waarin geruchtmakende gebeurtenissen uit de voorafgaande jaren in genoemde steden worden afgebeeld. Elk van die taferelen is voorzien van het wapen van de betreffende stad. Bij Kampen wordt getoond hoe contraremonstranten de stad worden uitgezet terwijl een plakkaat wordt voorgelezen. In Alkmaar lopen de slijkgeuzen – een scheldnaam voor de contraremonstranten – naar Koedijk om daar een kerkdienst bij te wonen bij een geestverwante dominee. In Hoorn worden de bruggen opgehaald om de troepen van prins Maurits tegen te houden. In Schoonhoven wordt het huis waarin contraremonstranten hun kerkdiensten houden, afgebroken door de stadszakkendragers, die daarvoor beloond worden met een groot vat bier.

TestamentDetail

Dan volgt het tafereel over Gouda. Te zien zijn de hoogleraar Jacobus Arminius en zijn beoogd opvolger aan de Leidse universiteit, Conradus Vorstius. Zijn benoeming werd aangehouden omdat er twijfels waren over zijn rechtzinnigheid. Hij werd met open armen in Gouda ontvangen en kocht een huis aan de Turfmarkt (waar nu de synagoge staat). Daar schreef hij jarenlang boeken om zich te verdedigen tegen alle aantijgingen. Vorstius houdt op de prent samen met Arminius een boek van bedreigend grote omvang vast, de zogenoemde ‘Goudse catechismus’. In werkelijkheid was dit een klein leerboekje voor de schooljeugd, geschreven door de Goudse predikant Herman Herbers, diens zoon Dirck en zijn collega Thombergen, dat in Gouda gebruikt werd in plaats van de elders gangbare Heidelbergse Catechismus. Links op de prent staan waardgelders, huursoldaten die de schutterij moesten versterken voor het geval stadhouder Maurits een aanval op de stad zou doen. Rechts wordt iemand de stad uitgeleid door de schout. Dat verwijst naar de dolerende (contraremonstrantse) poorter Dirck Geduldich, die in 1617 werd verbannen wegens het houden van heimelijke kerkdiensten binnen de stad.

Onder Gouda in het bouwwerk het tafereel van Rotterdam. Daar wordt een schuur waarin contraremonstranten in het geniep bijeenkomen, dichtgespijkerd. Ook wordt een kanon geplaatst op een wal voor het stadhuis. Verder is het plakkaat van Schieland van 21 juni 1616 afgebeeld, gericht tegen contraremonstrantse kerkdiensten in Zevenhuizen. In Haarlem zitten afgedankte waardgelders opgesloten onder het schavot en worden schepen en schuiten op indringers onderzocht. In Leiden is de zogenoemde Arminiaanse Schans te zien, een verdedigingswerk van het remonstrantse stadsbestuur in de Breestraat. De ijzeren pinnen die daarop te zien zijn werden Oldebarnevelts tanden genoemd, naar de politieke beschermheer van de remonstranten. Verder een kanon en een hooiwagen. Geheel onderop worden in Utrecht de contraremonstranten de stad uitgezet op basis van een plakkaat van 1617. Rechts leggen de waardgelders de eed af. Op de achtergrond is te zien hoe zij hun wapens moeten neerleggen. `Elc sijn beurt’ staat erbij geschreven. Onderaan staat “Dat Hof is uyt” (het spel is uit).

Eerdergenoemde personages Laster-Leugen en Lichtverley houden elk een stok in hun hand, met daaraan verschillende voorwerpen. Links staat ‘Laster-leugen’ met aan zijn stok allerlei voorwerpen die verwijzen naar titels van bekende remonstrantse pamfletten. Afgebeeld zijn van boven naar onder: (links) “Naespoor, Sedich versoek, Am[sterdamse] Brie[ven], Tols, Kerfstok, Conventus, Onderl[inge] verdraechs[aem]heit, Postbode, Bloempot, Quelgeest” (en rechts) “Reuck appel, Weechschael, K[leyne] Wechwijser, Vrag-al, Wat Nieus, Taffereel” en helemaal onderaan “Brantclock”. In spiegelschrift staat naast de voorwerpen de kryptische zin: “De seel morders bullen” (De zieldodende geschriften?) en eronder dwarrelt een geschrift, met in spiegelschrift “Remonstrantse brieven”. Aan de rechterkant heeft Lichtverley allerlei attributen van de waardgelders aan zijn stok, “Wertgelders wapenen”, zoals een harnas, laarzen en zwaarden. Aan zijn riem bungelt een stevige geldbuidel, waarmee de huurlingen betaald worden.

Links en rechts naast beide personages zweven kleinere personages door de lucht: links verjaagt de figuur de “Tijt” de kwelgeesten Twijst (Twist), Bedroch en Gewelt. Rechts is het een engel die op een loftrompet blaast met het woord Fama (Faam). Vanaf de stok van Laster-Leugen lopen diverse touwen naar een toren aan de linkerzijde en bij die lijnen zijn de volgende teksten geplaatst: “Gouden stock – Levendich discours – Pracktick van Spanschen Raet – Provijsioneel openinge – Geisel – Gulden S. Jan. Bovenop de kasteeltoren waaraan de touwen zijn vastgemaakt zijn twee leeuwen te zien: de Nederlandse leeuw met zwaard en vrijheidshoed. De andere leeuw houdt zeven pijlen vast; symbool voor de zeven gewesten. Bovenop de toren staan een boom met het Latijnse devies van stadhouder prins Maurits. “Tandem fit Surculus Arbor” (Uiteindelijk wordt het een boomtak). Halverwege deze toren staat een man met een verrekijker, met de tekst “Die noch tou sach”.

Ook rechts is nog een toren te zien. Daarboven steekt de hand van God uit een wolk, “der Vromen hulp”, die aan drie hengsels een zeef vasthoudt. Op de rand van de zeef staat “Hooch nodich”. Aan de linkerkant steekt een bos met zeven pijlen naar buiten – weer het symbool voor de zeven gewesten – met rondom in een halve cirkel de tekst “Godt helpende dese beschermen wij”. Vanaf de toren schudt prins Maurits, met boven zich de tekst “Je Maintiendray”, aan de zeef. Sommige personen die plaats hebben genomen op de zeef vallen erdoor, de afgrond in. Dat zijn volgens het bijschrift “Weifelars” (in de andere editie van de prent heten zij “waggelmutsen”). In spiegelschrift is daar nog het woord “wackerheijt” bijgeschreven.

Lager op het wankele bouwwerk in het midden staan aan weerszijden vier “Waertgelders”, die met gebogen hoofden, geboeide handen en geketende voeten staan. Op hun schouders aan beide kanten zit een uil, volgens de toelichting op de prent “by alle vremde Vogelen gehaet, ende die van alle andere Vogelen wert nagekreeten”. Aan de voeten van de waardgelders rechts en link grote massa’s mensen, met de tekst “verscheyden natien”. Helemaal onderaan kijken de figuren Nijdt en Bedroch arglistig om de hoek, de eerstgenoemde met een troffel in de hand. De andere heeft een hamer in zijn linkerhand en in de rechterhand een bord met een drol. Op zijn hoofd staat een muizenval.

Helemaal onderaan is een brede band van “Orangien” gespannen, met de tekst “Den bandt der vrye Vereende Nederlanden”. Eronder zijn de wapens van de zeven gewesten afgebeeld, die door de Oranjes bij elkaar worden gehouden. Daarmee laat deze prent zien dat de Bestandstwisten niet alleen een religieus dispuut waren, maar vooral ook een politiek conflict. De spanning tussen het streven naar gewestelijke soevereiniteit (gepersonifieerd door Johan van Oldenbarnevelt, raadspensionaris van Holland) en de centralistische aspiraties van de Oranjes (in de persoon van stadhouder prins Maurits) werden uiteindelijk met behulp van militaire bluf door laatstgenoemde beslecht.

Op deze gedetailleerde wijze heeft Visscher in zijn spotprent een fraaie samenvatting gegeven van de contraremonstrantse visie op de Bestandstwisten. Daarmee is het een dankbaar object voor een docent die deze gecompliceerde materie moet uitleggen aan een lekenpubliek.

 

Afbraak Collatiehuis in 1943; spijtige beslissing in oorlogstijd

Pal achter de Sint-Janskerk stond eeuwenlang een groot kloosterachtig complex, toebehorend aan de zogeheten collatiebroeders. In strikte zin was het geen klooster maar een convent. De bewoners volgden geen kloosterregel en legden ook geen kloostergeloften af. Het waren leken die leefden als religieuzen. Het convent wordt daarom “huis” genoemd,  in het Latijn “domus”. De inwoners waren “broeders” en geen monniken. Het Collatiehuis werd in 1425 gesticht door de priester Dirc Florensz. Onder de rectoren Hendrik Herp en Hendrik Gijsbertsz van Arnhem werd het complex gestaag uitgebouwd tot een levendig centrum van de zogeheten Moderne Devotie of Broeders des Gemeenen Levens, onder supervisie van de Heilige Geestmeesters. Hun populariteit dankten de broeders aan hun zogeheten ‘collationes’, schriftlezingen en -uitleg op zon- en feestdagen, die ook toegankelijk waren voor leken (mannen en vrouwen). Deze lezingen vonden plaats in een grote kapel, gewijd aan de Heilige Paulus. Een tweede kapel verrees binnen het complex door toedoen van Gijsbert de Raet, die in 1504 als dank voor zijn behouden terugkeer van een pelgrimage aan het Heilige Land een kopie van de Heilige Grafkerk liet bouwen, de twaalfhoekige Jeruzalemkapel. Na zijn dood ging dit gebedshuis over in handen van de collatiebroeders.

Op deze luchtfoto is de enorme omvang van het kloostercomplex achter de Sint-Jan goed te zien.

Op deze luchtfoto is de enorme omvang van het kloostercomplex achter de Sint-Jan goed te zien.

Het Collatiehuis (nr. 25) op de kaart van Braun & Hogenberg uit 1585.

Het Collatiehuis (nr. 25) op de kaart van Braun & Hogenberg uit 1585.

Aan het convent van de collatiebroeders kwam in 1572-1573 een abrupt einde, toen de geuzen onder leiding van de beruchte Lumey bezit namen van de stad. De overste Johannes Rixtelius en de procurator Adrianus Lambrechtsz., die op het Goudse kasteel bij de geuzenleider kwamen klagen over het wangedrag van diens soldaten, werden op beestachtige wijze vermoord. Andere bewoners van het Collatiehuis ontvluchtten daarop de stad en zochten een veilig heenkomen in (nog) katholieke steden als Amsterdam en Utrecht. De ontvolking van het Collatiehuis namen de Heilige Geestmeesters, verantwoordelijk voor de de armen in de stad, een deel van het complex in bezit voor de bedeling. De uitdeling van geld en voedsel aan de armen gebeurde eeuwenlang vanuit de Jeruzalemkapel. De kloostergebouwen zelf werden, met uitzondering van de Pauluskapel, ingericht als Heilige Geest Weeshuis. Boven de ingang was een driehoekig veld te zien met de Heilige Geest, verbeeld als duif. Deze drie-eenheid is nog te zien op een prent van Verspuy, maar het is niet bekend waar deze is gebleven.

Collatiehuis25

In 1601 werd de grote Pauluskapel op last van de stad verbouwd tot Looihal voor de keuring van wollen looihalsteenstoffen. De bekende beeldhouwer Gregorius Cool vervaardigde voor deze nieuwe bestemming van het godshuis een reliëfsteen die nu in het Lazeruspoortje van Museum Gouda is ingemetseld. Delen van het complex werden in de loop der tijd gebruikt voor zeer uiteenlopende doeleinden. Er was een weefatelier gevestigd van de Aalmoezeniers, om weeskinderen een ambacht te leren. In 1639 kwam deze ruimteCollatiehuis23 ter beschikking van een particuliere Franse School. Aan de Patersteeg kwam begin negentiende eeuw een Franse jufferschool. Verder deden de gebouwen onder meer dienst als passantenlokaal, infirmerie (verpleging van soldaten), Armenschool, stemlokaal, ‘kantonnale gevangenis’ (1854), belastingkantoor en Centraal Militair Kledingmagazijn. Voor de ze laatste instelling werd in 1870 de gehele voorgevel aan de straatzijde vervangen door een nieuwe monumentale gevel voor het toen in het complex gevestigde kledingmagazijn. Van 1798 tot het gereedkomen van hun nieuwe gebedshuis aan de Turfmarkt in 1927, gebruikte de Goudse joodse gemeente de kapel als synagoge. Daarna diende het complex nog als garage van de Gebroeders Van Hoorn.

De ingang van de garage is hier goed te zien

De ingang van de garage is hier goed te zien

 

 

En de autobandenopslag

En de autobandenopslag

Eind jaren dertig bleek het complex door achterstallig onderhoud in tamelijk deplorabele staat. In de garage op de benedenverdieping van de kapel kwamen geregeld brokstukken naar beneden. In 1938 liet het gemeentebestuur daarom onderzoek doen naar bouwkundige staat van het geheel. Rond die tijd moet voor het eerst de gedachte van afbraak zijn opgekomen, omdat daarmee een ander probleem kon worden opgelost. Het Rijk – in casu de PTT –  was in Gouda namelijk naarstig op zoek naar een nieuwe lokatie voor een postkantoor, omdat de plek aan de Korte Noodgodsstraat met het toenemende postverkeer als te klein en ongunstig gelegen werd beschouwd. Er werden besprekingen gestart tussen gemeente en Rijk, waarbij monumentenzorgers zich bogen over de vraag of er bezwaar was tegen afbraak van het oude klooster en architecten een ontwerp voor een nieuw postkantoor op papier zetten.

Een nieuw postkantoor?

De Goudsche Courant schetste op 13 juli 1940 de plannen. Het zou een gebouw worden zonder verdiepingen. Om het geheel wat licht en lucht te geven was besloten de gevellijn van het oude complex los te laten en het postkantoor wat verder naar achteren te bouwen, met uitzondering van het middendeel, waar door middel van een cirkelvormige uitbouw een toegang voor het publiek gepland was. Klanten van de PTT zouden daarmee in een ruime wachtkamer binnenkomen, waar zij konden kiezen uit tien loketten. Voor het personeel was een ingang aan de Patersteeg voorzien, terwijl aan de Groeneweg een dienstingang met een flink binnenplein zou komen, waar auto’s konden aankomen en vertrekken.

Enig bewustzijn dat de afbraak van de in de kern middeleeuwse gebouwen een ingrijpende beslissing vergde was er, afgaand op de Goudsche Courant, wel. Het bouwbesluit voor het postkantoor moest volgens de journalist gezien worden in het licht van de taak van het gemeentebestuur “om het nieuwe te scheppen zonder het karakter der oude stad te schaden”. De krant was ervan overtuigd dat Gouda een mooi groot postkantoor op een gunstig punt zou krijgen en dat dit besluit kon rekenen op algemene instemming. “Met de Looyhalle gaat een der talrijke oude gebouwen die onze stad bezit en die weinig aantrekkelijks bieden, verdwijnen. Hopelijk is het een begin om, met behoud van het oude dat wezenlijk mooi en belangrijk is, te geraken tot meerderen nieuwbouw, die hier voor tal van diensten en instellingen zoo noodzakelijk is”.

Of die instemming wel zo algemeen was als door de krant werd verondersteld, mag worden betwijfeld. Kort voor het besluit tot afbraak en nieuwbouw aan de Gemeenteraad zou worden voorgelegd, klonken er toch nog protesten. Uitgerekend de NSB-krant Het Nationale Dagblad, tekende de bezwaren op. Maar ook de Oudheidkundige Kring die Goude, stuurde te elfder ure nog een brief naar de Raad met het verzoek eerst nog een keer uitgebreid onderzoek te doen naar de monumentale waarde van het complex en de mogelijkheden van restauratie. Verantwoordelijk wethouder van Openbare Werken, Everijndert Arie Polet (1897-1984), schoof echter alle bezwaren terzijde, omdat Rijksmonumentenzorg had laten weten geen bezwaar te hebben. Daarop nam de Goudse Gemeenteraad op 22 juli 1940 het besluit om de looihal met de aangrenzende voormalige hoofdonderwijzerswoning en een deel van de openbare bewaarschool, met een oppervlakte van 1600 m2, te verkopen aan het Rijk voor 4500 gulden en daarmee toestemming te geven voor de sloop.

Plattegrond van het Collatiehuis, in 1940 opgemeten door de Rijksdienst voor Monumentenzorg

Plattegrond van het Collatiehuis, in 1940 opgemeten door de Rijksdienst voor Monumentenzorg

Een maand later leek het gehele project alsnog spaak te lopen. In Gouda kwam een telex binnen van de Secretaris-Generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, met het verzoek de sloop van het convent toch nog een tijdje op te schorten, in afwachting van een uitgebreider onderzoek naar de monumentale waarde van het geheel. Bovendien kwam het complex nog voor op de lijst van gemeentelijke monumenten, omdat het fragmenten zou bevatten van het Margrietenklooster. Uiteindelijk konden ook deze bezwaren snel worden weggenomen. Het convent werd van de monumentenlijst gehaald en Rijksmonumentenzorg ging overstag, maar niet zonder een opmerkelijk voorwaarde te stellen voor de sloop: de opbrengst uit de verkoop moest volledig besteed worden aan het herstel van het vervallen Catharina Gasthuis, zodat daarin een stedelijk museum gevestigd kon worden. Het huidige Museum Gouda dankt zijn bestaan dus feitelijk aan de sloop van het Collatiehuis.

Collatiehuis19

Collatiehuis7

 

 

 

 

 

Monumentenzorg stelde nog andere voorwaarden. Bij de bouwplannen van het postkantoor moest voldoende rekening worden gehouden met de “merkwaardige laat-gothische Jeruzalemkapel, een unicum in ons land, die geheel door het postkantoor omsloten zou worden”. Verder werd verordend dat een aantal bouwfragmenten uit de afbraak, zoals balksleutels, korbeels en enige geprofileerde draagstenen, bewaard moesten worden. Nog even flakkerde daarna de hoop nog op behoud van het complex op, toen conservator B.C. Helbers van het Goudse museum in augustus 1941 naar buiten bracht dat hij een onbekende muurschildering (fresco) had ontdekt in de kapel. Het betrof een tamelijk onduidelijke voorstelling van een knielende vrouwenfiguur in blauw en rood. Na enige publiciteit over deze vondst verdween de aandacht voor het Collatiehuis echter weer en werden de voorbereidingen voor de sloop in gang gezet.

Foto van de afbraak van het Collatiehuis of Paulusklooster uit de Delftsche Courant van 11 september 1942

Foto van de afbraak van het Collatiehuis of Paulusklooster uit de Delftsche Courant van 11 september 1942

De afbraak vond plaats in de loop van 1942. In in 1943 werden de laatste grote delen van het klooster gesloopt.

Collatiehuis21

 

Uiteindelijk bleek dit alles voor niets. Of het aan de snel verslechterde oorlogssituatie lag of om andere redenen is onduidelijk, maar het geplande postkantoor kwam er nooit. Tot op de dag van vandaag is het terrein daarom een open plek gebleven, die tegenwoordig de naam draagt van Raoul Wallenbergplantsoen. Enkele jaren geleden leek het er even op dat er toch gebouwd zou worden, maar plannen voor een multifunctioneel cultuurhuis ketsten af op verzet van de buurt.

Een gat in de stad. Resultaat van drieste sloop en gefnuikte bouwplannen

Een gat in de stad. Resultaat van drieste sloop en gefnuikte bouwplannen

 

Er resteert nog maar bijzonder weinig dat herinnert aan het convent. De naam Patersteeg verwijst nog naar de toenmalige bestemming van het complex. In het museum wordt een Paulusreliekhouderreliekhouder bewaard van de heilige Paulus, die ooit in de grote kapel stond. Het is dan ook zeer moeilijk voorstelbaar dat er vlak achter de Sint-Jan ooit zo’n groot middeleeuws klooster heeft gestaan, dat nog maar zo kort geleden is afgebroken. Gelukkig zijn er bij de afbraak nog wel enkele foto’s gemaakt, die een impressie geven van de verdwenen gebouwen. Met name een luchtfoto laat de omvang van het complex zien. In een poging om zichtbaar te maken wat zo tragisch en ondoordacht voor altijd verdween, worden hieronder foto’s getoond van het complex. De meeste dateren van kort voor of zelfs tijdens de afbraak. Mocht u nog in het bezit zijn van ander fotomateriaal dat het Collatiehuis voor ons scherper in beeld brengt, dan houd ik mij zeer aanbevolen. Dat geldt ook voor herinneringen van mensen die het gebouw nog met eigen ogen hebben aanschouwd en meer kunnen vertellen over de staat, het gebruik of andere wetenswaardigheden kunnen melden.

De uit 1870 stammende vernieuwde voorgevel van het Collatiehuis - toen Centraal Kledingmagazijn - aan de Jeruzalemstraat.

De uit 1870 stammende vernieuwde voorgevel van het Collatiehuis – toen Centraal Kledingmagazijn – aan de Jeruzalemstraat.

Jeruzalemstraat

 

 

 

 

 

 

Achterzijde van de kapel - looihal

Achterzijde van de kapel – looihal

Zijaanblik van het kloostercomplex.

Zijaanblik van het kloostercomplex.

 

 

 

 

De Pauluskapel van het Collatiehuis, kort voor de afbraak. Hier werd in 1601 een looihal in gevestigd

De Pauluskapel van het Collatiehuis, kort voor de afbraak. Hier werd in 1601 een looihal in gevestigd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Collatiehuis10

Collatiehuis28

 

 

 

 

 

Collatiehuis14

Collatiehuis17

Collatiehuis18

Foto’s Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Met dank aan Erik Kooistra voor het beschikbaar stellen van andere foto’s van het complex en aan Jan Willem Klein voor een heldere typering van het convent. De reconstructie van het verhaal over de sloop is ontleend aan diverse kranten uit die tijd, zoals de Goudsche Courant, de Maasbode, Delftsche Courant en Telegraaf.

Miskoop leidt tot zoektocht door het woud van incunabel-houtsneden

Dankzij de Goudse boekdrukker Gheraert Leeu maakte Gouda al in een bijzonder vroeg stadium kennis met de zegeningen van de boekdrukkunst. Als een van de eersten in Holland slaagde hij erin een markt aan te boren voor machinaal vermenigvuldigde geschriften. Hij wist een niche aan te boren door vooral  Nederlandstalige stichtelijke werken en wereldlijke literatuur op de persen te leggen in zijn drukkerij aan de Markt. Ookde aantrekkelijkheid van het opnemen van afbeeldingen ontdekte hij al vroeg.

Ingekleurd drukkersmerk van Gheraert Leeu, uit de Antwerpse uitgave van Ludolphus de Saxoni's Leven van Ihesu Chrsti uit 1487

Ingekleurd drukkersmerk van Gheraert Leeu, uit de Antwerpse uitgave van Ludolphus de Saxoni’s Leven van Ihesu Chrsti uit 1487

Eerst kon hij alleen paginagrote houtsneden afdrukken, maar al snel ook kleinere, door tekst omringde afbeeldingen. Net zoals hij erin slaagde de hand te leggen op tal van originele manuscripten voor zijn uitgaven, zo wist hij ook een beroep te doen op enkele vaardige houtsnijders. Hun namen zijn niet bekend, reden waarom zij in de vakliteratuur bekend staan als respectievelijk de Eerste en de Tweede Goudse Houtsnijder.

Na zeven jaar werd Gouda te klein voor de expansiedrift van het bedrijf van Gheraert Leeu, zeker nadat zijn broer Claes Leeu zich ook bekwaamde in het boekdrukken. Vandaar dat zij beiden in 1484 hun drukkerij verplaatsten naar de toenmalige hoofdstad van Noord-West-Europa, Antwerpen. In deze handelsmetropool lieten de gebroeders Leeu nog vele incunabelen van hun persen komen, tot Gheraert in 1492 slachtoffer werd van een tragisch arbeidsconflict met zijn lettersnijder. Hij werd door zijn medewerker met een priem in het hoofd gestoken en overleed enkele dagen later als gevolg van deze verwonding.

De door de gebroeders Leeu in diverse boeken gebruikte houtsneden geven een bijzondere inkijk in hun bedrijfsvoering, in de samenhang van hun werk in Gouda en Antwerpen en in de voortzetting daarvan door vakgenoten in hun eigen tijd en lang daarna. Daarvoor is wel specialistische kennis nodig, want de vroege houtsneden vormen een waar doolhof voor de onderzoeker, zo waarschuwde Bart Rosier al in een door Die Goude uitgegeven boek over Leeu (K. Goudriaan, P. Abels e.a. (red.), Een drukker zoekt publiek. Gheraert Leeu te Gouda 1477-1484, Delft 1993). Dat had ik moeten weten toen ik via de onvolprezen veilingsite Catawiki dacht een blad uit een incunabel over het leven van Jezus op de kop te hebben getikt, met een houtsnede van de Tweede Goudse Houtsnijder, dat volgens de verkoper in 1488 gedrukt was in Antwerpen door Claes Leeu. Deze afbeelding van het Laatste Oordeel kwam mij bekend voor, ook uit het werk van zijn broer Gheraert Leeu.

Eenmaal in het bezit van het blad, rezen bij mij twijfels. De bladspiegel, met een tweekoloms tekst, waar de houtsnede vrij plompverloren was ingemonteerd, kwam niet echt vijftiende-eeuws over. Het lettertype en het ontbreken van het veelvuldige gebruik van afkortingen deden evenmin denken aan een incunabel, eerder aan de zeventiende eeuw. De boven het blad te lezen verkorte titel “Het leven Jesu Christi” wees weliswaar onmiskenbaar op het werk van Ludolphus de Saxoni dat Claes Leeu in 1488 drukte, maar de spelling van de naam van Ihesu in dit werk week duidelijk af van wat ik voor mij had liggen. Toen ik op de achterzijde – die niet was afgebeeld op Catawiki – ook nog eens de bladaanduiding “Fol. 260″ las, wist ik zeker dat het niet om een incunabelblad ging. Nu had ik geen groot bedrag voor het blad neergeteld, maar het woord ‘miskoop’ drong zich toch onbedwingbaar aan mij op.

Schriftelijk contact met de verkoper leerde dat het een gemoedelijke boekverkoper uit België betrof, de heer Jan Herbots van ‘t Profijtelijk Boeksken uit Westerlo, die de toeschrijving aan Claes Leeu had ontleend aan een oppervlakkig eigen onderzoekje op internet. hij schreef: “Het was een boekblok waar de eerste en laatste pagina’s zoals dikwijls ontbraken. Verder waren er nog een aantal pagina’s en illustraties uitgescheurd. Na jarenlang bewaard te hebben toch maar beslist om als losse gravures te verkopen. De enige referentie die we destijds terugvonden was een Nederlandse website over een tentoonstelling dacht ik, waar identieke gravures op stonden en beschreven stonden. En zij refereerde naar de editie van 1488″. Helemaal ongelijk had de goede man niet, want deze en andere door hem inmiddels via dezelfde veilingsite verkochte houtsneden zijn inderdaad identiek aan die uit het werk van Claes Leeu.

De prent van het laatste oordeel uit de editie van Leeuw uit 1487

De prent van het laatste oordeel uit de editie van Leeuw uit 1487

De prent van het Laatste oordeel in de editie van Van Ghelen uit 1618

De prent van het Laatste oordeel in de editie van Van Ghelen uit 1618

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Elk nadeel heb ze voordeel. De ‘miskoop’ deed mij duiken in dat ondoorzichtige woud van houtsneden uit de tijd van de vroege boekdrukkunst. Daarbij bleek mij dat de betreffende afbeelding al door Gheraert Leeu werd gebruikt in zijn Goudse periode. Deze en andere houtsnedes van de Tweede Goudse Houtsnijder duiken namelijk voor het eerst op in Dat liden ende die passie ons heeren ihesu christi, voltooid op 29 juli 1482. Na zijn verhuizing naar Antwerpen gebruikte Leeu maar liefst 52 houtsnedes van deze kunstenaar in dit Boeck vanden leven ons Heeren Ihesu Christi uit 1487, geschreven door Lodolphus de Saxonia. Een jaar later bracht zijn broer Claes Leeu hetzelfde werk nog eens in Antwerpen op de markt. Deze houtsnede van de jongste dag is overigens in alle drie edities opgenomen, zij het geflankeerd door een smalle landschapsafbeelding. In geen van deze drukken troffen we de houtsnede in een opmaak zoals die van het aangekochte blad.

De houtblokken zijn na Leeu’s dood verschillende keren opnieuw gebruikt en door verkoop ook weer naar het Noorden gekomen, waar een aantal in bezit kwam van drukkers in Zwolle (zelfde prent in werk Saxonia, van Peter van Os van Breda uit 1495), Deventer en wederom door de Collatiebroeders in Gouda (in ander werk, te weten de Devote getijden van het leven Ons Heren, gedrukt door de Collaciebroeders, 3 oktober 1496). In de zestiende eeuw zijn ze daarna nog een keer in Antwerpen gebruikt in de postincunabel van Adriaen van Berghen uit 1510. Maar ook deze druk komt niet overeen met de uitgave waaruit ‘mijn’ blad afkomstig is.

Dan ontdek ik dat het levensverhaal van Jezus van Ludolphus de Saxoni in de zeventiende eeuw – 130 jaar later – nog een keer is gedrukt, met de originele houtsneden. Dat gebeurde in 1618 in Rotterdam, onder de titel Het leven ons Heeren Jesu Christi. Het titelblad vermeldt verder “Nu de vierdemael ghedruckt, ghecorrigeert ende merckelijck verbetert, met additien van schoone moralen, Na de copye tot Antwerpen, eerste gheprent int huys van Delft, Ende nu by Peter van Ghelen 1618 (Rotterdam). Van dit werk heeft in Nederland alleen de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een editie. Dit werk is ook in folio uitgevoerd en telt naast het voorwerk met acht bladen een gepagineerd deel met 352 bladen. Het is een van die bladen geweest die ik heb aangeschaft, en niet een incunabelblad uit het werk van Claes Leeu. De verkoper, geconfronteerd met mijn teleurstelling, was zo fideel om de helft van het aankoopbedrag terug te storten. En dan heb ik toch maar mooi een houtsnede van de Tweede Goudse Houtsnijder!

Afbeelding van het Laatste Oordeel, vervaardigd door de Tweede Goudse Houtsnijder, in de Rotterdamse herdruk uit 1618. Universiteitsbibliotheek Amsterdam, signatuur 63-1486

Afbeelding van het Laatste Oordeel, vervaardigd door de Tweede Goudse Houtsnijder, in de Rotterdamse herdruk uit 1618. Universiteitsbibliotheek Amsterdam, signatuur 63-1486

Toch zullen er nog meer kopers zijn geweest, die abusievelijk gedacht hebben een incunabelblad van Claes Leeu uit 1488 gekocht te hebben. De onderstaande vier bladen zijn de afgelopen maanden ook als zodanig op Catawiki verkocht door dezelfde verkoper. Mocht u een van onderstaande bladen aangeschaft hebben, dan weet u bescheid.

Leeu1

Leeu3

Leeu2Leeu4De moraal van dit verhaal is dat impulsieve aankopen – zoals bijna altijd – onverstandig zijn, tenzij een bod voorafgaat door een grondig onderzoek naar de aangeboden waar. En dat nog los van de vraag, of aankoop van losse bladen uit boekwerken eigenlijk wel zo verstandig is. Het stimuleert immers het ‘slopen’ van oude boeken, die als geheel soms minder opbrengen dan de som van alle los verkochte bladen met afbeeldingen. En dat is weer een vorm van vernietiging van cultureel erfgoed.

Daniel de Lange (1665-1734).Een in vergetelheid geraakte Goudse historicus en muntenkenner

Een stad als Gouda ademt geschiedenis. Mede daardoor zijn er door de eeuwen heen veel Gouwenaars geweest die zich verdiept hebben in het roemruchte verleden van stad en het omringende gewest Holland. Bekende namen zijn de regentenzoon Pieter Cornelisz Lange2Bockenberg (de eerste officiële geschiedschrijver van het gewest Holland), de (oud-) katholieke pastoor Ignatius Walvis (de eerste stadsgeschiedschrijver van Gouda) en de patriottische regent Cornelis Johan de Lange van Wijngaerden (de tweede schrijver van een Goudse stadsgeschiedenis). Maar er zijn ook ‘mindere goden’ uit de stad geweest die zich met geschiedschrijving hebben bezig gehouden. Sommige van deze geschriften zijn nooit uitgegeven, maar de handschriften van Adriaen Cornelis Vereijck, Paulus Doncker, Franco de Vrije en Theodoor van Abbesteech bevinden zich nog in het Goudse archief. Ze zijn voor iedereen te raadplegen op de website van Gouda op Schrift. http://goudaopschrift.nl/ Eerder schreven we ook al over schoolmeester Kluitman, die in de negentiende eeuw een beknopte geschiedenis van Gouda op de persen liet leggen.

Onlangs wist ik op een veiling een boekje te bemachtigen van een voor mij nog onbekende Goudse historicus, Daniel de Lange. Net als Bockenberg schreef hij niet over de geschiedenis van zijn geboorteplaats, maar over het vroege verleden van het gehele gewest Holland. Daniel werd op 10 januari 1665 geboren als zoon van de Goudse regent mr. Cornelis de Lange (1629-1682) en Maria Elsevier (1638-1691). Zoals alle jongens uit voorname families bezocht ook hij de Latijnse School aan de Groeneweg. Hij ontpopte zich als een vlijtige en slimme leerling. Zijn resultaten waren zo goed, dat hij in juli 1681 een zogeheten prijsband in ontvangst mocht nemen als beste leerling van de vierde klas. Deze band met het stadswapen van Gouda in goudopdruk, is bewaard gebleven en bevat nog de originele oorkonde, ondertekend door de rector van de school Johannes Verweij.[i]

Lange4

Vier jaar later liet Daniel de Lange zich inschrijven aan de Leidse Universiteit voor een rechtenstudie, gelijktijdig met zijn jongere broer Adriaan de Lange. Zij vonden beiden onderdak in huis bij een gereformeerd predikant. In de eerste twee jaar lazen zij volgens een aantekening van hun neef Cornelis de Lange van Wijngaerden “meest alle de classici auctores”. Daarna verhuisden zij volgens hem naar een andere predikant, ds. Hoogcamer (Een Leidse predikant met die naam is niet bekend, P.A.) “om de gronden van geographie, mathesis, philosophie en theologie te leggen”. Beiden sloten hun studie af met een promotie; Daniel op 7 mei 1694, een jaar nadat zijn broer promoveerde.[ii]

(meer…)

Erasmus ook aanwezig op de TEFAF

De Goudse kunstschilder Ruud Verkerk, bekend van zijn ragfijne stillevens, wees mij op een fraai portret van Desiderius Erasmus, dat hij tegenkwam bij zijn bezoek aan de fameuze kunst- en antiekbeurs TEFAF in Maastricht. Het portretje dat daar en koop werd aangeboden – en blijkens de rode sticker ook is verkocht – toont grote gelijkenis met het bekende werk van Lucas Cranach, dat momenteel te zien is op de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda. Dat meesterwerkje heeft Gouda in bruikleen van Museum Boymans Van Beuningen in Rotterdam. Dit portret zou de enig bekende beeltenis van Erasmus zijn dat nog bij zijn leven is gemaakt.

Het portret van Erasmus van Lucas Cranach  in museum Gouda

Het portret van Erasmus van Lucas Cranach in museum Gouda

Het portret van Erasmus dat op de TEFAF is verkocht. Toegeschreven aan de werkplaats van Lucas Cranach de oudere

Het portret van Erasmus dat op de TEFAF is verkocht. Toegeschreven aan de werkplaats van Lucas Cranach de oudere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De overeenkomsten tussen beide portretten zijn groot. Zelfs de merkwaardige zwarte vlek op Erasmus’ linkerwang is identiek. Eigenlijk is het enige verschil de toevoeging van het jaartal 1533 op het exemplaar uit Maastricht. Eigenlijk ben ik wel benieuwd waarop de toeschrijving is gebaseerd dat het om het ene (Gouds-Rotterdamse) exemplaar gaat om het origineel en het andere (Maastrichtse) exemplaar om een kopie.

Bijzonder vervolg op briefwisseling van de Paus en Erasmus

paus2De bijzondere briefwisseling tussen Erasmus en de pausjeNederlandse paus Adrianus VI uit de jaren 1522-1523 heeft in 2016 een bijzonder vervolg gekregen. Aan de vooravond van de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda ontving directeur Gerard de Kleijn een brief, gedateerd 1 februari 2016, waarin kardinaal en pauselijk staatssecretaris Pietro Parolin via de pauselijke nuntiatuur in Den Haag laat weten dat paus Franciscus zijn erkentelijkheid laat overbrengen voor
de Goudse inspanningen om de belangstelling voor het leven en werk van Erasmus levend te houden. Hij waardeert het bijzonder dat hierbij getoond wordt dat het christelijk geloof en oprecht humanisme niet met elkaar in strijd zijn, maar beiden ten dienste staan van de menselijke waardigheid. Voor wie mocht denken dat de paus hiermee zijn zegen uitspreekt over het Humanistisch Verbond, die slaat de plank mis. Onder oprecht

Kardinaal-staatssecretaris Pietro Parolin

Kardinaal-staatssecretaris Pietro Parolin

humanisme doelt de Heilige Vader uiteraard op het Bijbels humanisme, waarvan Erasmus een uitgesproken exponent was. De Gouds-Rotterdamse geleerde was volgens de paus een diepgelovig christen en pleitbezorger van een authentiek – christelijk – humanisme in een tijd van ingrijpende veranderingen. Een dergelijke vorm van humanisme zou volgens hem in onze tijd dringend noodzakelijk zijn, omdat het oproept tot solidariteit met de medemens.

Het pauselijke schrijven werd vrijdagavond 5 februari voorgelezen door Gerard de Kleijn bij de officiele opening van de grote Erasmus-tentoonstelling. De bijna-zaligverklaring van Erasmus door de paus werd gevolgd door een bijkans heiligverklaring van de grote humanist door Herman Pleij, de Neerlandicus die voor deze expositie mocht optreden als gastcurator. De hoogleraar prees Erasmus om zijn tolerantie, verdraagzaamheid en relativeringsvermogen. Met de voor hem kenmerkende grote-stappen-snel-thuisbenadering wist hij moeiteloos zelfs een toespraak die prins Willem van Oranje in 1564 hield voor de Raad van State volledig terug te herleiden op het gedachtegoed van Erasmus. Museumbezoekers kunnen deze toespraak, waarvan slechts een kort verslag bewaard is gebleven, zelfs integraal bekijken in een door Waldemar Torenstra nagespeelde en door Pleij geregisseerde – en enkele keren onderbroken – versie.

paus3Het dichtst bij Erasmus komen de bezoekers echter in fraai uitgelichte hoek van het museum, waar enkele persoonlijke bezittingen van Erasmus, zoals diens zakmes, een ring, een zandloper en een drinknap, te zien zijn. De tronie van Erasmus is veelvuldig vastgelegd door kunstenaars, maar door weinigen nog tijdens zijn leven. Vandaar dat het kleine portretje van de humanist, dat begin jaren dertig van de vijftiende eeuw geschilderd is door Lucas Cranach, een van de topstukken is op de tentoonstelling. Maar er zijn zelfs hedendaagse portretten van Erasmus te zien; een zaal vol zelfs. Schilderes Neel Korteweg heeft vanuit haar fantasie Erasmus geschilderd in zijn verschillende levensfases, wat verrassende en ontroerende schilderijen heeft opgeleverd van de geleerde als onder meer schoolkind, puber, volwassene en oude man. Ook boezemvrienden Servaas Rogier en Thomas More krijgen in deze zaal een bijzonder gezicht.

Voor Gouwenaars, maar zeker ook voor bezoekers van buiten Gouda, zal de Gouda-zaal waesmisschien wel de meeste indruk maken. De samenstellers van de tentoonstelling zijn er op creatieve wijze in geslaagd de prachtige maquette te gebruiken voor een spectaculaire licht- en beeldshow, waarmee de nog aan te wijzen plekken in de stad die voor Erasmus van belang waren in beeld en uitgelicht worden, begeleid door opnieuw commentaar van Pleij. Ook de wanden van deze zaal sluiten prachtig bij deze multimedia-presentatie. Een schaduw van Erasmus die zich haast door een uitvergroot stadsgezicht van de Goudse kunstenaar Aert van Waes brengt de geleerde misschien nog dichterbij dan zijn persoonlijke spullen.

Voor een bibliofiel valt er in deze tentoonstelling uiteraard ook veel te genieten. Heel bijzonder is de wijze waarop de makers een zaal gebouwd hebben rond de eigenlijke aanleiding voor dit Erasmusjaar, namelijk de uitgave van het Novum Testamentum, de door Erasmus vanuit het Grieks in het Latijn vertaalde Bijbel. Uiteraard is er een fraai exemplaar te zien van dit in 1516 door Johannes Froben gedrukte boek. Maar ook verschillende andere geschriften van Erasmus die verschenen bij zijn ‘lijfuitgever’ in Basel zijn te bewonderen in een zaal die passend met grote inktvlekken op de vloer verwijzen naar het belang van de drukkers in het leven van Erasmus.

krantigHet meest geworsteld hebben de makers van de tentoonstelling overduidelijk met het tonen van ‘de geest van Erasmus’. Deze worsteling, die we ook al kennen van glazenier Marc Mulders, schepper van het Erasmusglas dat tijdens de tentoonstelling te zien is in de Gasthuiskapel, komt ook terug in diverse zalen. De audiotour van Herman Pleij vormt daarin een onmisbaar accessoire voor de bezoekers. Daarnaast is op tal van creatieve wijzen geprobeerd aspecten van dit gedachtegoed onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld met behulp van om te draaien houten bordjes, afscheurbladjes en tal van andere manieren om teksten van de geleerde onder de aandacht te brengen en actueel te maken. Hier is duidelijk gestreefd naar een actualisering van Erasmus, zoals dat ook gebeurt in het Ruim, tussen de schuttersstukken. Daar zal een grote tafel staan, waarachter elke dag van de tentoonstelling een andere ‘denker’ zal plaatsnemen (een filosoof, een dichter, een kunstenaar etc), waarmee de bezoekers in gesprek kunnen gaan over Erasmiaanse thema’s.  Of deze poging om het gedachtegoed van Erasmus af te stoffen en te moderniseren zal lukken en door iedereen gewaardeerd zal worden, moet worden afgewacht. Maar de tentoonstelling is een bezoek zeker meer dan waard.

 

Hoe Erasmus in zijn eigen voet schoot

Enigszins weggestopt in een zijportaal, maar daarom niet minder interessant voor de bezoeker van de grote Erasmus-tentoonstelling in Museum Gouda, staat een kleine vitrine van de Museumvrienden, die ook in het teken staat van de grote Gouds-Rotterdamse humanist. Blikvanger in deze vitrine is een door de tand des tijds getekende post-incunabel, die gedrukt is in 1522, dus tijdens het leven van Erasmus door diens favoriete drukker Joannes Froben in Basel. Van dit bijzondere boek wordt voor zover bekend in Nederland maar één – onvolledig – exemplaar bewaard, in de Gemeentelijke Bibliotheek van Rotterdam.

Vitrine2

Het is niet zozeer de hoofdtekst die dit boek interessant en bijzonder maakt, maar de zogeheten dedicatiebrief die aan het werk vooraf gaat. Hierin feliciteert Erasmus Utrechtenaar Adriaan Floris Boeiens met diens uitverkiezing tot paus Adrianus VI. De brief is gedateerd 1 augustus 1522, ruim een half jaar nadat de witte rook in Rome vanuit de schoorstenen van het Vaticaan omhoog kringelde als teken dat de nieuwe – en tot nu toe enige Nederlandse – paus was uitverkoren. Zowel de timing, de inhoud van de brief, als de tekst van het begeleidend schrijven waarmee Erasmus een exemplaar van dit boek naar Rome stuurde, doen vermoeden dat het hier niet primair om een oprechte felicitatie ging, maar om een doordachte een poging de paus gunstig te stemmen en waar nodig aan zijn zijde te krijgen.

Paus Adrianus VI

Paus Adrianus VI

De dedicatiebrief kent een ander karakter dan de aanbiedingsbrief, wat goed verklaarbaar is omdat de gedrukte tekst voor een breed publiek toegankelijk was en dus ook voor mogelijke vijanden van Erasmus. Maar tussen de regels door valt in de dedicatiebrief ook veel te lezen. Zij begint met de voor Erasmus kenmerkende stijlfiguur van (valse) bescheidenheid. Een normale felicitatie van hem, als “nederige, zacht sprekende, ook nog eens ver verwijderde, maar zeker niet stomme Erasmus” zou zeker onopgemerkt blijven in de massale stroom van gelukwensen die de paus uit de hele wereld ten deel viel. Daarom zegt hij gezocht te hebben naar een bijzondere manier blijk te geven van zijn vreugde over de uitverkiezing en waardering voor de man, wiens theologieonderwijs hij vroeger nog gevolgd had. Vanuit een klooster in Franckenthal (Paltz) had Erasmus een bijzonder Commentaar op de psalmen van David ontvangen, in de 5de eeuw geschreven door een zekere Arnobius. Het uitgeven van een geannoteerde versie van dit geschrift zag Erasmus als een passende manier om de paus te eren. Hij put zich in de dedicatiebrief dan ook uit in positieve oordelen over dit werk en noemt het veelzeggend dat Johann Froben er heil in zag het werk op eigen kosten en risico uit te geven, terwijl “de uitgeversdobbelsteen” zeker niet altijd gelukkig terechtkomt.

Standbeeld van Luther in Dresden

Standbeeld van Luther in Dresden

Dit “heilig en theologisch boek” van Arnobius zegt Erasmus op te dragen aan een nieuwe paus die volgens hem een uitstekend theoloog is. Hij hoop dat Adrianus VI het werk zal aannemen “omdat wij met dit werkje niets najagen – wij zijn immers tevreden met ons lot, ook al is het bescheiden – , behalve dat dit werk met Uw bescherming onder de mensen komt”. Hij prijst de paus om zijn sterke morele integriteit en dicht hem het gezag toe om het “heilloze tumult in de christelijke wereld” te beteugelen. De strijd tussen de twee grootste koningen in Europa (Karel V en Frans I van Frankrijk) veroorzaakt niet dan ellende en het christelijke Europa is verscheurd door “de dodelijke tweestrijd van sekten en afscheuringen. En intussen bedreigt de Turk al wie hier zo woelt”. Iedereen heeft volgens Erasmus dan ook de hoge verwachting van de paus dat hij “vorsten en volkeren in christelijke eendracht verbindt en de verderfelijke strijd der meningen beëindigt”. Hij sluit af met een in onze oren vreemd klinkende wens, die moet benadrukken dat het Erasmus niet om een gunst te doen zou zijn: “Ik wens U geen geluk met Uw waardigheid, ik wens ook het land en ook het bisdom [Utrecht] dat ik met U gemeenschappelijk heb en waaraan het nu voor de eerste maal te beurt valt een paus van Rome te hebben, geen geluk. Ik streef er niet naar dat ik bij U vanwege onze gemeenschappelijke herkomst of onze oude vriendschap enig voordeel geniet. Maar ik wens de christelijke wereld geluk”.

(meer…)