Nico Habermehl (1946–2014) is geschiedenis geworden

Van­daag over­leed mijn goede vriend en kom­paan in de geschied­schri­jv­ing van Gouda,  Nico Haber­mehl. Een gedeelde passie voor geschiede­nis legde een ste­vig fun­da­ment onder onze vriend­schap. Samen hebben we vele activiteiten onder­nomen om de stad Gouda ook in his­torisch opzicht op de kaart te zetten. De stads­geschiede­nis, in 2002

Nico Habermehl na zijn promotie in 2000 tot doctor aan de Leidse universiteit.

Nico Haber­mehl na zijn pro­motie in 2000 tot doc­tor aan de Lei­dse universiteit.

ver­sch­enen onder de titel Duizend jaar Gouda,  was daar­van het absolute hoogtepunt.  Voor Nico was de geschiede­nis een onu­it­put­telijke bron van ver­halen waar hij naar hartelust uit kon put­ten. Als geboren verteller wist hij velen in Gouda te inter­esseren voor het verleden van de stad. Hij schreef boeken, artike­len en stukken in de krant, hij maakte televisieprogramma’s over het verleden van Gouda, sprak voor de radio en gaf lessen Goudolo­gie en ontel­bare lezin­gen. Nog in zijn laat­ste lev­en­s­jaar, toen hij wist dat hij het gevecht tegen zijn ziekte niet kon win­nen, bleef hij schri­jven, met onder meer een boekje over het gebouw Arti­Legi aan de Markt en een artikel over de Islam in Gouda als resul­taat. Ook als spreker bleef hij de ver­halen opdis­sen, met als absolute hoogtepunt de geïm­pro­viseerde speech van zeker twintig minuten nadat zijn vrien­den en de burge­meester van Gouda hem let­ter­lijk overvie­len met het ere­burg­er­schap van de stad. Enkele weken gele­den viel hij let­ter­lijk stil. De man die zijn hele leven in het teken had gesteld van het gespro­ken en geschreven woord had geen tekst meer en berustte in zijn lot. Omringd door zijn vrouw en twee zonen blies hij in de ocht­end van 17 okto­ber zijn laat­ste adem uit. Wat zal iedereen hem missen!

Goudse Post, RD en ND pakken ridderlijk uit

RDVNK                                                    Refor­ma­torisch Dag­blad (boven),

Goudse Post (linkson­der)                                                   Ned­er­lands Dag­blad (rechtsonder) krant 1TNKfoto

Het heeft de Koning behaagd…

Gerid­derd door de burge­meester van Gouda in in stam­pvolle Oud-Katholieke Kerk waar het 25-jarig Bestaan van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis werd gevierd. Geweldige ver­rass­ing en zeer vereerd door deze blijk van waarder­ing van mijn vrien­den van de VNK en van His­torische Verenig­ing die Goude.

Ridderlijk

 

TERUG NAAR GOUDA, de nieuwe bundel van de VNK en die Goude

Op zater­dag 11 okto­ber viert de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK) haar 25-jarig bestaan in de stad waar zij in 1989 werd opgericht: Gouda. Net als des­ti­jds wordt bij de organ­isatie nauw samengew­erkt met His­torische Verenig­ing die Goude. In de goede tra­di­tie van de VNK, maar ook in die van die Goude, voe­gen beide verenigin­gen met de bun­del TERUG NAAR GOUDA een num­mer toe aan hun indruk­wekkende uit­gaven­reeks. Dit keer staat de vraag cen­traal wat het kerkhis­torisch onder­zoek in de afgelopen kwart eeuw aan nieuwe inzichten heeft opgeleverd, zowel wat betreft de Ned­er­landse kerkgeschiede­nis in het alge­meen, als wat betreft de kerkgeschiede­nis van de stad Gouda. Vooraanstaande auteurs als prof. dr. Koen Goudri­aaan, prof. dr. Mir­jam van Veen, prof.dr. Mir­jam de Baar, prof. dr. Jan Jacobs en prof.dr. Jan van Her­waar­den hebben een bij­drage geleverd voor dit boek, maar ‘ama­teurs’ in de goede zin van het woord, zoals mw. Hen­nie van Dolder-de Wit, Mar­i­anne van der Veer, Kees Plaizier en Marieke Abels. De ein­dredac­tie was in han­den van Paul Abels, Jan Jacobs en Mir­jam van Veen. De bun­del kost in de winkel €28,50; leden van die Goude en de VNK betalen €19,50

omslagje

Marieke Abels doet bijzondere ontdekking over de zus van Jan Steen

His­torisch onder­zoek van de Goudse his­tor­ica Marieke Abels ten beho­eve van een nieuw boek over de Goudse kerkgeschiede­nis heeft een opmerke­lijke ont­dekking opgeleverd. De zeventiende-eeuwse Lei­dse schilder Jan Steen, bek­end van zijn schilder­i­jen van vrolijke en rom­melige huishoudens, blijkt een bij­zon­dere relatie te hebben gehad met Gouda. In veel van deze stukken komt een in het donker gek­lede vrouw voor, die kinderen troost, oud­eren ver­ma­nend of bel­erend toe­spreekt of gewoon deel­neemt aan het fam­i­liege­beuren. Het gaat hier om een zoge­heten ‘klopje’, een onge­huwde vrouw die een geestelijk leven in de wereld leidt.

Twee fragmenten uit schilderijen van Jan Steen waarop zijn zus Swaantje Agnes Steen te zien is als klopje. Eronder handtekeningen van de jonge en de oudere Swaantje.

Twee frag­menten uit schilder­i­jen van Jan Steen waarop zijn zus Swaan­tje Agnes Steen te zien is als klopje. Eron­der handtekenin­gen van de jonge en de oud­ere Swaantje.

Bek­end is dat Jan Steen, die ook zichzelf vaak heeft afge­beeld op zijn schilder­i­jen, zijn zus Swaan­tje Agnes Steen meestal als model heeft gebruikt voor dit klopje. Swaan­tje was inder­daad ook zo’n klopje. Niet bek­end was dat Swaan­tje ruim twintig jaar in Goude woonde, nadat zij zich in 1682 inkocht in het zoge­heten Prove­nier­shuis. Dit huis voor met name alleen­staan­den stond op het Bol­w­erk, waar zich nu het Best West­ern Hotel bevindt. Met de ont­dekking van de Goudse con­nec­tie van Jan Steen is er een tweede beroemde zeventiende-eeuwse schilder die in ver­band kan wor­den gebracht met deze stad. Al langer is bek­end dat Rem­brandt van Rijn zijn huishoud­ster en bijs­laap Geertje Dircksz ged­won­gen liet opne­men in het Goudse Tuchthuis. Zoals Rem­brandt deze vrouw diverse keren heeft gebruikt als model voor zijn schilder­i­jen, zo heeft Jan Steen zijn in Gouda woonachtige zus Swaan­tje diverse keren een plek gegeven in de door hem geschilderde huishoudens. Marieke Abels is gepe­cialiseerd in de geschiede­nis van de klop­jes. Dit typ­isch Ned­er­landse fenoneem ontstond na de Refor­matie, toen alle kloost­ers in ons land ges­loten, herbestemd of afge­bro­ken wer­den. Vrouwen die toch een religieus leven wilden lei­den, toegewijd aan God en de kerk, plaat­sten zich onder begelei­d­ing van een biecht­vader, bleven onge­huwd en zetten zich zich op aller­lei manieren in voor de rooms-katholieke kerk. Ook Gouda telde in de zeven­tiende eeuw hon­der­den klop­jes. Het artikel met de onthulling over de zus van Jan Steen zal ver­schi­j­nen in de bun­del Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd, die op 11 okto­ber aanstaande zal ver­schi­j­nen ter gele­gen­heid van het 25-jarig bestaan van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. Op die dag vindt in de Oud-Katholieke Kerk aan de Hoge Gouwe een feestelijk con­gres van deze VNK plaats, dat wordt geor­gan­iseerd in samen­werk­ing met His­torische Verenig­ing die Goude. Naast lezin­gen wor­den op die dag ook spe­ciale kerkhis­torische the­mawan­delin­gen aange­bo­den. Marieke Abels zal er daar­van een voor haar reken­ing nemen, gewijd aan het thema ‘vrouw en kerk in Gouda’.

VNK na 25 jaar Terug naar Gouda

In het gedenkwaardige jaar 1989, toen overal in de wereld muren geslecht wer­den en TerugnaarGoudahoop glo­orde, wer­den in Gouda ook ban­den ges­meed tussen mensen die voor­dien hoofdza­ke­lijk in geï­soleerde eigen krin­gen en zuilen ver­keer­den. Kerkhis­torici met zeer uiteen­lopende con­fes­sionele achter­grond von­den elkaar in de opricht­ing van een lan­delijke Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK). In de grote Sint-Janskerk gaven ruim twee­hon­derd belang­stel­len­den hun fiat aan dit ini­ti­atief, vanuit de over­tuig­ing dat de kerkgeschied­schri­jv­ing in ons land toe was aan zo’n door­braak. Inmid­dels zijn we een kwart eeuw verder en is het tijd om de bal­ans op te maken. Wat heeft de VNK kun­nen beteke­nen voor de kerkgeschiede­nis? Heeft de kerkgeschiede­nis überhaupt nog wel toekomst en bestaan­srecht in deze snel sec­u­laris­erende samen­lev­ing? Kor­tom; is er wel reden voor een feestje?

Het VNK-bestuur nodigt alle leden uit om op 11 okto­ber 2014 opnieuw naar Gouda te komen om die (tussen)balans op te maken. Vol­gens een beproefde for­mule zal daar­bij de kerkgeschiede­nis van de stad van samenkomst de basis en het vertrekpunt vor­men voor deze Dag van de Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. In lezin­gen en een spe­ci­aal voor de gele­gen­heid samengestelde bun­del artike­len wordt stilges­taan wat wij in de afgelopen 25 jaar wijzer zijn gewor­den op het kerkhis­torisch vlak; wat betreft Gouda, en in breder opzicht ver­vol­gens ook in Ned­er­land als geheel. Prof.dr. Willem Fri­jhoff opent de dag met een lez­ing onder de feestelijke — maar door het vraagteken ook omineuze titel “Lang leve de Kerkgeschiede­nis?”. Ver­vol­gens zal de Goudse kerkhis­tori­cus Paul Abels de kerkhis­to­rie van zijn stad vergelijken met het lan­delijk normbeeld.

Veel van wat Abels te berde zal bren­gen is gebaseerd op onder­zoek van hemzelf in de afgelopen decen­nia, maar ook van vele anderen die zich in deze peri­ode met de Goudse geschiede­nis hebben bezigge­houden. His­torici als Marieke Abels, Henny van Dolder-de Wit, John Exalto, Gert­jan Glis­mei­jer, Koen Goudri­aan, Jan van Her­waar­den, Kees Plaizier, Mir­jam van Veen, Mar­i­anne van der Veer en Nico Haber­mehl pre­sen­teren in de bun­del Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd de nieuw­ste inzichten over de Goudse kerkgeschiede­nis en kop­pe­len die waar mogelijk aan een bredere trend in Ned­er­land. In het boek wordt daar­naast door Jan Jacobs, Paul Abels en Chris­ti­aan Ravens­ber­gen teruggekeken en nabeschouwd op de activiteiten van de VNK in de afgelopen 25 jaar. Het boek wordt, net als de eerste VNK-bundel In en om de Sint-Jan uit 1989, uit­gegeven in samen­werk­ing met His­torische Verenig­ing Die Goude.

Na het inhoudelijk deel van de bijeenkomst, dat wordt gehouden in de ‘Kleine Sint-Jan’, zoals de Oud-Katholieke Kerk aan de Hoge Gouwe ook wel wordt genoemd, kun­nen de deel­ne­mers kiezen uit ver­schil­lende the­marondlei­din­gen door Gouda. De dag wordt afges­loten met een receptie.

Kloppenboek: voor de klop of voor haar biechtvader?

Klop­pen zijn een typ­isch Noord-Nederlands ver­schi­jnsel. Klop­pen of geestelijke dochters thumb2_15a78a0c-06ca-11e4-8fc2-b5ed2cd10014waren vrouwen die bij gebrek aan de mogelijkheid om in kloost­ers te tre­den – die waren immers na het door­breken van de Refor­matie ver­bo­den — een geestelijk leven in de wereld lei­d­den. Deze bij­zon­dere groep vrouwen in de kerkgeschiede­nis heeft de afgelopen jaren steeds meer aan­dacht gekre­gen. Waar zij in de his­to­ri­ografie aan­vanke­lijk vooral geportret­teerd wer­den als vol­gzame, vrome vrouwen, wor­den zij in recen­tere onder­zoeken veeleer gep­re­sen­teerd als behoor­lijk zelf­s­tandige vrouwen die wel­be­wust kozen voor een ‘geestelijke staat’, om zo de gele­gen­heid te hebben zich met spir­i­tu­aliteit bezig te houden, het geloof te ver­brei­den, de ver­drukte kerk te onder­s­te­unen en de las­ten of gevaren van een man en het kraambed te ontlopen.

De klop­pen plaat­sten zich onder het gezag van een priester, die optrad als hun biecht­vader. Op zijn beurt prof­i­teerde de priester op vel­er­lei wijzen van de groep vrouwen die hij op deze manier om zich heen verza­melde. Zij hielpen hem bij de organ­isatie van het kerke­lijk leven, de cat­e­chisatie, het onder­houd van kerk en pas­to­rie en tal van andere bezighe­den die zijn kerk ten goede kwa­men. Boven­dien zor­gen kap­i­taalkrachtige klop­pen voor extra mid­de­len en tal­rijke schenkin­gen van kerkzil­ver, bor­du­ur­w­erk etc.

De dis­cussie tussen priesters en the­olo­gen over de klop­pen­staat is in de zeven­tiende eeuw heftig geweest. Er bestond veel onenigheid over de sta­tus van deze vrouwen en in welke mate ze vergeleken mochten wor­den met kloost­er­lin­gen. In de loop der tijd ver­sch­enen ver­schil­lende zoge­heten klop­pen­boeken, waarin biecht­vaders van klop­pen richtli­j­nen gaven hoe klop­pen een zo deugdzaam mogelijk leven dien­den te lij­den. Vaak betrof het mini­tieuze voorschriften hoe een klop haar dag diende in te delen, met wie ze mocht omgaan, hoe ze zich moest kle­den en nog veel meer.

De vraag is echter voor wie dergelijke klop­pen­boeken bedoeld waren. Vaak is aangenomen dat ze geschreven zijn voor voor vrouwen die klop waren of wilden wor­den. Er zijn echter ook his­torici die ver­moe­den dat de boeken vooral voor de priesters zelf waren bedoeld, om hen hou­vast te geven hoe ze met deze vrouwen dien­den om te gaan en welke richtli­j­nen zij hen moesten voorhouden. Er is twi­jfel of de klop­pen zelf deze boeken ook nauwkeurig hebben gespeld. In nalaten­schap­pen van klop­pen wor­den opval­lend weinig klop­pen­boeken aangetroffen.

Ook het gegeven dat klop­pen­boeken niet in groten getale zijn overgeleverd sterkt het ver­moe­den dat zij niet mas­saal gelezen zijn door de klop­pen zelf. Op veilin­gen en in thumb1_2272555a-06ca-11e4-932a-0a03053670df
anti­quar­i­aten zijn dergelijke boeken dan ook niet een­voudig te vin­den. Toch dook er onlangs een bij­zon­der gaaf exem­plaar op. Het betrof een Ned­er­landse ver­tal­ing van een oor­spronke­lijk in het Latijn gescheven klop­pen­boek van de Utrechtse priester Johannes Lin­den­born (1630–1698). Ook het feit dat het werk eerst in het Latijn ver­scheen wijst erop dat priesters en the­olo­gen de eigen­lijke doel­groep waren. In het Ned­er­lands heeft het boek als titel meegekre­gen: De leeder Jacobs. De Maeg­den die Godt met opzet van eeuwige reinigheit in de weereld dienen toe-gepast. Ver­taler was de priester Adri­anus Ter­lou. Het boek werd, net als zoveel Noord-Nederlandse katholieke boeken, zoge­naamd in Antwer­pen gedrukt en op naam gezet van Michiel Cnob­bert. In werke­lijkheid liet Lin­de­born de boeken van de persen komen bij Joachim à Mete­len, in zijn eigen woon­plaats Utrecht.

MH17 of de nietigheyt van ‘s mensen leven

Voor woens­dag 23 juli 2014 besloot het kabi­net een dag van nationale rouw af te kondi­gen in ver­band met het neer­halen  van de MH17 boven de Oekraïne. Bij deze ramp met een geza­men­lijke vlucht van Malaysia Air­ways en de KLM ver­loren bijna twee­hon­derd Ned­er­lan­ders het leven. Het fenomeen ‘Dag van Nationale Rouw’ was in Ned­er­land vri­jwel onbek­end, maar de roep om zo’n mogelijkheid van mas­saal medeleven met de slachtof­fers werd de afgelopen dagen steeds sterker. De vraag was echter hoe hier invulling aan gegeven zou moeten en kun­nen wor­den. De plechtighe­den con­cen­treer­den zich rond de terug­keer van de eerste tien­tallen stof­fe­lijke over­schot­ten op vliegveld Eind­hoven en de over­breng­ing van de kisten naar Hil­ver­sum, waar iden­ti­fi­catie zal plaatsvin­den. Er is een min­uut stilte in acht genomen en de kerkklokken zijn geluid. Maar voor het overige is de invulling overge­laten aan het par­ti­c­uliere ini­ti­atief. Uit Twit­ter­berichten blijkt dat op aller­lei manieren let­ter­lijk en figu­urlijk is stilges­taan bij het tragis­che lot van de pas­sagiers. Het kabi­net had alleen een vlag– en luidin­struc­tie gegeven en liet de verdere invulling over aan het ini­ti­atief van burg­ers. De wijze waarop dit werd opgepikt maakt weer eens duidelijk dat spon­tan­iteit niet geor­gan­iseerd hoeft te wor­den, maar het meest geloofwaardig is als het van onderop komt; vanuit de samen­lev­ing zelf.

Prent Het zal toe­val zijn geweest, maar uit­gerek­end in deze tri­este dagen kreeg ik per mail van een lezer, de heer Frans Lau­ren­tius uit Mid­del­burg, een foto toeges­tu­urd van een achttiende-eeuwse prent met een wel zeer toepas­selijk thema: de nietigheyt van ‘s mensen leven.  Bij een ramp als deze wordt ieder mens onver­mi­jdelijk terugge­wor­pen op dit besef, zij het voor velen niet meer religieus ingek­leurd zoals in die dagen gebruike­lijk. De afbeeld­ing die mij werd toege­zon­den betreft een prent die is gedrukt in Haar­lem door M. Clyn­hens en blijkt exact zelfde prent die ik vorig jaar wist te bemachti­gen. Mijn exem­plaar werd echter niet in Haar­lem gedrukt, maar in Gouda door de boek­drukker Lukas Klop­pen­burg. Grote ver­schil is echter dat de Haar­lemse prent fraai met de hand is ingek­leurd. DSC06094 De stichtelijke tekst op de prent is van de hand van de Goudse dichter Jan van Hoogstraten (1662–1736). Hij woonde van 1697 tot 1718 in Gouda, waar hij werkzaam was als “com­mis ter Recherge van d’admodiatie wegens ‘t Ed. mo: col­legie ter admi­raliteyt op de Mase”, een soort FIOD (Fis­cale Opsporings– en Inlichtin­gen­di­enst). Hij genoot de bescherming van twee vooraanstaande regen­ten, Gov­aert Cincq en Arent van der Burgh en woonde aan de West­haven. Hij ver­loor hun steun na een con­flict over de uit­gave van een bun­del van de dichter Dul­laert en werd daarom overge­plaatst naar Tiel. De prent wordt niet ver­meld in STCN. Zij is slechts bek­end uit J.G. Fred­eriks en F.Jos. van den Bran­den, Biographisch woor­den­boek Biographisch woor­den­boek der Noord– en Zuidned­er­land­sche let­terkunde (Ams­ter­dam 1888–1891), waar het blad staat omschreven als “Zin­neprent in ver­schei­j­den ver­sjes, bestaande op de nietigheid des men­sche­lijken lev­ens (in plano)”. Vraag aan de lez­ers: zijn er meer edi­ties bek­end van deze prent dan de Haar­lemse en de Goudse?

Nico Habermehl ereburger van de stad Gouda

Tij­dens een repeti­tie met het shanti-koor West-Zuid-West in de Speel­winkel van Sari NicoADDonk aan de Raam, werd his­tori­cus Nico Haber­mehl op don­derda­gavond 17 juli ver­rast door de Goudse burge­meester Milo Schoen­maker met het ere­burg­er­schap van de stad Gouda. Hij kri­jgt deze onder­schei­d­ing voor zijn hele his­torische oeu­vre en zijn inzet voor de geschied­schri­jv­ing van de stad. De over­rompelde ere­burger had na de toe­spraak van de burge­meester maar weinig tijd nodig om zich te her­vat­ten en hield een zeker 20 minuten durende humor­volle toe­spraak, waarin hij de aan­wezige fam­i­lie en vrien­den bedankte voor hun aan­wezigheid en aan­dacht. Ook het shanti-koor zwaaide hij lof toe en hij liet ook niet na de burge­meester op het hart te drukken dat de Speel­winkel haar belan­grijke rol in de Raam­bu­urt ook in de toekomst te laten vervullen.

Nico Habermehl en zijn vrouw Jeanette samen met schrijver dezes. Foto Marianka Peters.

Nico Haber­mehl en zijn vrouw Jeanette samen met schri­jver dezes. Foto Mar­i­anka Peters.

Boeken met een patina van de tijd

De mooiste oude boeken zijn voor mij niet de gaaf­ste en onbeduimelde exem­plaren, maar boeken die over­duidelijk gelezen, gebruikt en door­leefd zijn. Zij moeten een patina van de tijd hebben. Een oud boek komt het meest tot leven door zoge­heten prove­nence of pedigree-gegevens, dat wil zeggen aan­tekenin­gen of opdrachten van of over een vorige eige­naar. Ook aan­tekenin­gen of tekeninget­jes van eerdere lez­ers in de marge, op schut­bladen of op andere plekken geven het boek een uniek karak­ter. Een enkele keer zijn boeken zelfs spe­ci­aal voor gedrukt om erin te schri­jven, zoals een almanak of de onlangs op deze plek bespro­ken Schreibkalen­der. De aard en het dagelijks gebruik van som­mige boeken leen­den zich soms bij uit­stek voor doorhalin­gen, aan­vullin­gen en kant­tekenin­gen met de pen. Van deze laat­ste cat­e­gorie vond ik de afgelopen week een bij­zon­der exem­plum op de Haagse boeken­markt op de Korte Voorhout.

DSC07419

Het boek dat ik op deze markt wist te bemachti­gen betreft een juridisch werk uit 1618. Het bevat een beschri­jv­ing van de rechts­gang bij de zoge­heten sou­vere­ine Raad van Bra­bant en de Lan­den van Over­maze, uit­gegeven op last van de Aartsher­to­gen Albert en Isabella in Brus­sel. Drukker was Huy­brecht Anthoon, “gheswooren Boeck-vercooper ende Drucker van­den Hove, woo­nende inden gulden Arent bij t’Hoff”. De Raad van Bra­bant was sinds de dagen van Fil­ips de Goede (1430) het hoog­ste rechtscol­lege in het aloude her­tog­dom Bra­bant. Dit her­tog­dom raakte door de opstand tegen de Kon­ing van Spanje aan het eind van de zestiende eeuw echter ver­scheurd in twee delen, een Spaans deel en een Staats deel, dat onder gezag kwam van de Staten-Generaal in Den Haag. Ten beho­eve van het Staatse deel van Bra­bant werd in 1586 een eigen Raad van Bra­bant in het leven geroepen, waar­bij de bestaande recht­sregels en gewoon­ten van de Brus­selse Raad van Bra­bant zoveel mogelijk wer­den gekopieerd. De bestaande instruc­tie was op dat moment een ordon­nantie van Karel V van 1558. In 1604 werd deze ver­van­gen door de Ordi­nan­cie op de Styl ende Maniere van Pro­ceren van­den Sou­vere­inen Raede van Bra­bant ende Lan­den van Over­maze van genoemde aartsher­to­gen. Mijn uit­gave van deze Ordi­nan­cie DSC07421betreft dus een nieuwe druk uit 1618. Met uit­zon­der­ing van enkele in het Noor­den niet-bestaande func­ties, zoals die van kanse­lier en rek­west­meesters, nam Den Haag deze regel­gev­ing stilzwi­j­gend over. Toch is er op last van de Staten-Generaal nog lang getra­cht op basis van deze Alber­tine ordon­nantie een eigen ordon­nantie te ontwer­pen, aangepast aan de Noordelijke mores. Het duurde tot 1662 voor­dat het ontwerp hier­voor, opgesteld door de Raad van State, in con­cept aan de Staten-Generaal kon wor­den voorgelegd. De Haagse regen­ten kon­den het echter niet eens wor­den over de tekst, zodat de wet er nooit is gekomen. Gevolg hier­van was dat De Raad van Bra­bant in Den Haag tot zijn oph­eff­ing in 1795 heeft gew­erkt op basis van de Alber­tine van 1604, die op basis van de dagelijkse prak­tijk bij tijd en wijlen werd aangepast. Vol­gens B.C.M. Jacobs (“Pro­ce­dur­eregels en pro­ce­sprak­tijk in Staats-Brabant”, in: C.H. van Rhee, F. Stevens, E. Per­soons (red.) Voortschri­j­dend pro­ces­recht. Een his­torische verken­ning) werd die pro­ce­sprak­tijk zowel beïn­vloed door de prak­tijk in Brus­sel als door die van de hoge rechtscol­leges van Hol­land aan het Binnenhof.

De ingewikkelde recht­sprak­tijk van de Raad van Bra­bant verk­laart in hoge mate waarom mijn exem­plaar van de Ordi­nan­cie uit 1618 zoveel aan­tekenin­gen bevat. Vooral een zekere J. Cor­nets (mogelijk de notaris Jean Cor­nets, werkzaam in Brus­sel in de jaren 1664–1673), die blijkens een eigen­dom­sin­schri­jv­ing in 1663 eige­naar werd van het boek, heeft met de hand vele noti­ties in het Ned­er­lands, Frans en Latijn in het boek aange­bracht. Hij noteerde onder meer wet­saan­passin­gen vanaf 1312, een naam­li­jst van kanse­liers vanaf 1429 en vele — geanon­imiseerde en tijd­loos gemaakte — zaken. Miss­chien is het niet toe­val­lig dat hij uit­gerek­end een jaar nadat de concept-versie van een Staatse Ordi­nan­cie in Den Haag naar de prul­len­bak was ver­wezen, begonnen is met het opschri­jven van afwijkin­gen, veran­derin­gen en jurispru­den­cie. De marges waren daar­voor veel te smal, want op diverse plekken in het boek zijn bladen met zijn aan­tekenin­gen toegevoegd, eve­nals een groot extra katern vol met pro­ces­beschri­jvin­gen aan het eind. Daar­voor moest het boek waarschi­jn­lijk uit de band wor­den gehaald en opnieuw inge­bon­den met de man­u­script­bladen. Hele­maal zorgvuldig is de boek­binder echter niet tew­erkge­gaan, want het boek­blok zit thans omge­keerd in de orig­inele band waar­door de rugti­tel op de kop staat. Mede door deze toe­s­tand zorgt zo’n boek ervoor dat het verleden bijna aan­raak­baar wordt.