The making of.……the Walvis (1712–2012)
5 januari 2012Dit jaar is het op de kop af driehonderd jaar geleden dat pastoor Ignatius Walvis de pen neerlegde, waarmee hij zijn Goudsche en andere daartoe dienende katolijke kerk-zaaken
schreef. Jarenlang had hij in zijn studeerkamer in de statie Johannes Baptist aan de Hoge Gouwe archivalia uitgeplozen en op basis daarvan de lotgevallen van de Goudse katholieke priesters vanaf de Reformatie beschreven. Met dit monnikenwerk wilde hij aantonen dat hij en zijn seculiere ambtgenoten steeds zorg hadden gedragen voor de continuïteit in de zielzorg. Dat Rome de Hollandse kerkprovincie had aangewezen als missiegebied en daarmee diverse orden (jezuïeten, franciscanen of minderbroeders) ruimte bood om er ook zielzorg te verlenen, was Walvis een doorn in het oog. De paters waren er naar zijn oordeel slechts op uit zoveel mogelijk zieltjes — en daarmee inkomsten — af te pakken van de pastoors, om het geld vervolgens linea recta door te sluizen naar de ordeleiding in de Zuidelijke Nederlanden. Het geestelijk welzijn van de gelovigen in de staties (parochies) stond daarbij volgens Walvis bij de paters op de tweede plaats, reden waarom nauwelijks eisen werden gesteld aan de gelovigen. Het conflict tussen de pastoors aan de ene kant en de door Rome gesteunde paters liep aan het begin van de achttiende eeuw zo hoog op, dat het uiteindelijk tot een scheuring kwam. Walvis zou uiteindelijk ook breken met Rome, waarmee hij aan de wieg heeft gestaan van de tot op vandaag bestaande Oud-Katholieke parochie in Gouda.
Zijn manuscript over de Goudse kerkzaken was zijn hoofdwerk en bedoeld als verweerschrift. Toch werd het na afronding in 1712 nooit in druk uitgegeven. Dat gebeurde wel met een bijpro-duct van zijn noeste navorsingen. Twee jaar later, nog net voor zijn dood op 6 mei 1714, verscheen van zijn hand de eerste Goudse stadsgeschiedenis. Het kerkconflict van zijn dagen moest hij daarbij noodgedwongen buiten beschouwing laten, evenals de meeste lotgevallen van zijn geloofsgenoten na de Reformatie, aangezien hij overheidscensuur moest vermijden in een tijd dat de gereformeerde kerk de enig officieel door de overheid toegelaten en bevoorrechte kerk was en de katholieken naar het achtererf verbannen waren.
In de vorige eeuw zijn eerste voorzichtige pogingen gedaan om de Goudse kerkzaken van
Walvis alsnog in druk te laten verschijnen. Pastoor F. Smit begon met een transcriptie, maar zijn werk bleef door zijn plotselinge overlijden verre van voltooid. Daarna gold het manuscript een tijdlang als vermist, tot het in de jaren ’ 90 weer opdook in het archief van de Oud-Katholieke Kerk in Amersfoort. De over twee boekbanden verdeelde aantekeningen van Walvis keerden daarna weer naar Gouda terug, waar Jan Hallebeek en Martin Parmentier de idee opvatten om een nieuwe poging tot transcriptie te ondernemen. Voor die enorme klus zochten zij ondersteuning, die zij vonden in de Goudse kerkhistoricus Paul Abels en Dick Schoon, inmiddels Oud-Katholieke bisschop van Haarlem. Parmentier moest helaas door ziekte afhaken, terwijl Hallebeek en Schoon door nieuwe werkzaamheden ook minder tijd overhielden voor het project. Een besluit om de voor Gouda relevante Latijnse passages te vertalen in hedendaags Nederlands zorgde voor nieuwe vertraging.
Toch lijkt voltooiing van het Walvis-project nu zeer dichtbij. Met hulp van Aviva Boissevain, Steven Leefers en Gerben Schooneveldt van het Nederlands Genootschap voor Paleografie zijn de laatste ‘plukjes’ Latijn vertaald. Nu dit werk gereed is, wordt het geheel persklaar gemaakt worden. De inleiding en alle bijlagen zijn immers ook al gereed. Vandaar dat alle betrokkenen nu voorzichtig de hoop beginnen te koesteren dat de katholieke Walvis nog precies in dit driehonderdste kroonjaar gepresenteerd kan worden (wordt vervolgd)












