Terroristische aanslag op Willem van Oranje: feitencomplex en risico-analyse

Op de kop af 435 jaar geleden werd de leider van de Nederlandse Opstand, prins Willem van Oranje, in het Prinsenhof te Delft vermoord door Balthasar Gerards. Naar aanleiding van deze tragische gebeurtenis, maar meer nog omdat de Koninklijke Bibliotheek op een veiling een belangrijk stuk papieren daderinformatie had weten veilig te stellen, werd op 10 juli 2019 in Den Haag een speciaal KB-Cafe gewijd aan dit document. Het gaat daarbij om de originele beloningsbrief van de Spaanse Koning Philips II, door hem persoonlijk ondertekend, en uitgereikt aan de familie van de moordenaar. Hiermee kreeg zij zes jaar na de daad van hun zoon de in het vooruitzicht gestelde beloning van 25.000 gouden kronen uitgekeerd, niet in baar geld (dat had de door oorlogsvoering armlastige koning niet), maar dan in de vorm van zeggenschap over drie stukken grond, afkomstig uit de geconfisqueerde nalatenschap van de Oranjeprins zelf.

beloningsbrief

Dat de KB dit document kocht, en bijvoorbeeld niet de Universiteitsbibliotheek Leiden of Museum het Prinsenhof, kan verschillende redenen hebben gehad. Misschien ontbrak het genoemde ‘concurrenten’ aan middelen, of werd het stuk perkament beschouwd als ongeschikt voor museale uitstalling, maar het kan evengoed te maken hebben gehad met emotionele of morele weerstand tegen de aankoop van artefacten die licht doen schijnen op de dader, in plaats van op het slachtoffer. Vergelijk bijvoorbeeld de discussie die in deze eeuw gevoerd werd over het al dan niet bewaren van de auto waarmee Karst Tates in Apeldoorn probeerde de bus met de koninklijke familie te torpederen of het pistool waarmee Volkert van der Graaf de politicus Pim Fortuyn doodschoot. De KB voelde deze aarzeling niet en legde een stevig bedrag op tafel om de brief in haar bezit te krijgen.

Balt3

Bij het KB-Cafe gaf conservator Jeroen Vandommele een toelichting op de bijzondere waarde van het document en plaatste historica prof. Judith Pollmann het stuk in de context van zijn tijd. Zelf mocht ik als hoogleraar inlichtingen- en veiligheidsdiensten de aanslag bezien vanuit perspectief van dader(omgeving) en slachtoffer(omgeving). Voor mij was dat een goede aanleiding om mij vanuit een moderne visie op dreiging en beveiliging te verdiepen in het feitencomplex rond deze vroegmoderne terroristische aanslag. Daarbij heb ik getracht twee vragen te beantwoorden: 1. wat kan er gezegd worden over de modus operandi van de aanslagpleger? en 2. had de aanslag op Willem van Oranje voorkomen kunnen worden? Twee vragen die in de hedendaagse inlichtingen- en beveiligingswereld samen te vatten zijn in de vraag om een feitencomplex en een risico-inschatting

De aanslagpleger
Balthasar Gerards was afkomstig uit Vuillafans in Franche Comté, een gebied dat nu bij Frankrijk hoort, maar in zijn tijd Habsburgs bezit was en dus onderdeel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk van Philips II. Hij was een fanatieke katholiek met een grote afkeer van de protestanten. Zijn motieven om naar het hoge noorden te trekken om daar de leider van de opstandelingen te vermoorden hadden volgens zijn eigen verklaring na de daad te maken met religie. Maar het zouden evenzeer politieke motieven kunnen zijn geweest, vanuit hemzelf of wellicht ingefluisterd door kardinaal Granvelle, initiator van de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje in 1580 en misschien niet toevallig bezitter van enkele landerijen nabij het gebied waar Gerards opgroeide. Het motief zou zelfs louter financieel geweest kunnen zijn, want er was een fors geldbedrag uitgeloofd voor eenieder die erin zou slagen de prins “te beschadigen, offenderen ende uyte weerelt te helpen”.

Hoe het ook zij, Balthasar heeft op enig moment het plan opgevat gehoor te geven aan deze oproep van de koning. Hij was allesbehalve een (wat wij tegenwoordig zouden noemen) kansloze jongere of iemand van lager allooi. Als zoon van een plaatselijke rechter genoot hij goed onderricht en verrichte hij werkzaamheden als secretaris. Niet bepaald het prototype van de ruwe bolster, blanke pit. Portretten van hem laten vooral een tamelijk onooglijk mannetje zien. Maar wel iemand die klaarblijkelijk in staat was een gecompliceerde aanslag te plannen, die vele nauw met elkaar verbonden en op elkaar volgende stappen vereiste. Om in de fysieke nabijheid van de prins te komen, koos hij voor een ingewikkelde omweg, om zo geen argwaan te wekken. Hij bouwde zogezegd aan een geloofwaardig verhaal, in inlichtingenjargon een ‘legende’ genoemd, alvorens tot daadwerkelijke actie over te gaan.

De eerste stap richting zijn doel zette Balthasar Gerards met de indiensttreding bij het leger van de graaf van Mansfeld, stadhouder van Luxemburg. Daar wist hij het zegel van deze edelman te bemachtigen. Vervolgens trok hij naar Trier om zijn voorgenomen daad te laten sanctioneren door een katholiek geestelijke (volgens zijn weigen verklaring een jezuïet, NGO) en naar de landvoogd, de hertog van Parma, om politieke dekking te krijgen. Deze achtte de kans op een geslaagde actie minimaal en verwees hem naar zijn raadsheer. Ondanks de scepsis van beide dienaren van de koning zette hij vervolgens koers naar Delft, om de intrek te nemen in een herberg in de buurt van het Prinsenhof. Daar liet hij een brief voor de prins bezorgen, waarin hij zijn diensten aanbood. Dat leverde hem een afspraak op met de hofpredikant, Pierre Loyseleur de Villiers. Met behulp van valse documenten deed hij zich voor als een vervolgde en gevluchte protestantse edelman uit Frankrijk, en meldde hij dat hij de hand had weten te leggen op het zegel van Van Mansfeld. Met behulp hiervan zou hij graag missies ondernemen in vijandelijk gebied, zo bood hij aan.

De hofpredikant, als geestelijke bedienaar gevoelig voor verhalen van gevluchte geloofsgenoten, vertrouwde hem en overlegde met de prins hoe ze hem zouden kunnen inzetten. Besloten werd hem met het zegel naar de bondgenoten in Frankrijk te sturen, die daar hun voordeel mee konden doen. Met het geld dat Balthasar daarvoor kreeg kocht hij bij terugkeer twee pistolen van Franse soldaten. Op die manier werkte Oranje feitelijk mee aan een vorm van terrorismefinanciering, die hem uiteindelijk zelf noodlottig zou worden. Voor hij tot uitvoering van zijn daad kwam, oefende Balthasar hoogstwaarschijnlijk nog met de omgang van deze wapens.

De volgende stap in zijn modus operandi was tegelijk de moeilijkste; in de directe fysieke nabijheid van zijn slachtoffer komen. Daartoe koos hij een moment van verslapte aandacht van de prins en zijn entourage, namelijk de ‘lunchdip’. Klaar voor een nieuwe missie naar Frankrijk, wachtte Balthasar de prins op in de hal beneden aan de trap. Dat hij de pistolen gewoon zichtbaar droeg wekte geen argwaan, omdat hij immers op het punt stond opnieuw op missie te gaan door gevaarlijk gebied. Op het moment dat het gezelschap uit de eetzaal kwam, richtte Balthasar een pistool op de prins en vuurde gericht drie kogels af op diens lichaam. De prins stortte dodelijk geraakt ter aarde. De wijze van uitvoering verraadde een hoge mate van koelbloedigheid en zelfbeheersing, aangezien het schieten met handvuurwapens toen zeker nog niet eenvoudig was.

moord

Gebruik makend van de paniek en verwarring bij de hofhouding van de prins, slaagde Balthasar er aanvankelijk in te vluchten van de plek des onheils. Hij verliet de prinsenhof en rende door de Schoolsteeg in de richting van de stadsgracht. Omdat hij niet kon zwemmen, had hij twee varkensblazen bij zich die opgeblazen moesten worden om te kunnen blijven drijven. Tot uitvoering van dit voornemen kwam het niet, wellicht omdat hij inzag dat dit deel van zijn plan onvoldoende uitgewerkt was. Hoe het ook zij; hij werd door soldaten van de prins in de kraag gevat.

Balthasier-biertje, geschonken in het KB-Cafe
Balthasar-biertje, geschonken in het KB-Cafe

Het eerste wat hij daarna deed was vragen om pen en papier. In afwachting van gruwelijke martelingen en het snelrecht dat hem te wachten stond, beschreef hij uitgebreid zijn motieven en zijn daad. Over de geloofwaardigheid van de details valt zeker te twisten, maar zijn verklaring moet vooral gezien worden als een claimbrief, waarmee een terrorist zijn daad opeist en motiveert. Daarmee voltooide Balthasar Gerard een aanslagplan, waarvan de uitvoering zeker twee jaar in beslag had genomen. Zijn daad is dan ook allesbehalve impulsief geweest, maar goed doordacht en minutieus voorbereid. Volgens hedendaagse normen kan dan ook gesproken worden van een hoge mate van professionaliteit, uitgevoerd door iemand die weliswaar niet het klassieke postuur van een onverschrokken geweldpleger had, maar wel de intelligentie die nodig was voor een geslaagde uitvoering van zo’n gecompliceerd plot. Door zich te verzekeren van religieuze en politieke dekking voor zijn actie dacht hij tevens een succesvolle basis te leggen voor de beloning voor hemzelf en/of zijn familie, hier en in het hiernamaals. Een beloning die koning Philips in de nu door de KB verworven brief toekende.

Bewaken & Beveiligen 
De andere vraag zou op zijn Van Gaals kunnen luiden: was Balthasar Gerards nu zo slim of waren de prins en zijn gevolg nu zo dom? Bekeken door de bril van een professional op het gebied van bewaken en beveiligen kan gesteld worden dat er behoorlijk veel ‘early warning signals’ zijn geweest, die een aanslag op het leven van de prins in hoge mate voorstelbaar maakten. De daad in Delft kwam zeker niet als een donderslag bij heldere hemel. De vogelvrijverklaring van de prins in 1580, met de torenhoge prijs die op het hoofd van de prins werd gezet door de toen machtigste man van de wereld, had misschien wel meer implicaties dan een fatwa van een Iraanse geestelijke in onze tijd. Daarom hadden alle alarmbellen bij de entourage van de prins op dat moment al af moeten gaan. Een vorm van ‘close protection’ (persoonsbeveiliging) of het instellen van enkele beveiligingsringen rond de prins, zou vanaf dat moment zeker niet overdreven zijn geweest.

Een verdere alertering was zeker aan de orde geweest, toen de prins in 1582 ternauwernood aan de dood ontsnapte bij een aanslag op zijn leven, uitgevoerd in Antwerpen door de Bask Jean Jaureguy, een eenvoudige bontwerker die tot zijn daad werd aangezet door zijn baas, die uit was op de beloning van de koning. Ook hij koos, net als later Balthasar Gerards, voor de lunchtijd als het moment van toeslaan en gebruikte eveneens een pistool als aanslagmiddel. De prins raakte gewond aan zijn hoofd, maar herstelde snel. Zijn beveiligers hadden hiermee een voorstelbaar risico gematerialiseerd zien worden, op een manier die grote overeenkomsten vertoonde met wat zich twee jaar later zou afspelen.

Jarreguy

Het is uit de bronnen niet te achterhalen of deze gebeurtenissen geleid hebben tot verhoogde waakzaamheid bij de prins en zijn omgeving en maatregelen om herhaling van dit specifieke scenario te voorkomen. Het zou kunnen zijn dat hij de middelen niet had – of ervoor over had – om extra beveiligers in te huren voor zijn veiligheid. Maar ook zonder die fysieke ‘sloten op de deur’ zou bij een verhoogde alertheid wellicht eerder argwaan zijn ontstaan over de achtergronden, motieven, verhalen en gedragingen van Balthasar. De informatiepositie van de prins was blijkbaar belabberd, want van enige verificatie van de achtergronden van Gerards lijkt geen sprake te zijn geweest. Dat de echtgenote van de prins, Louise de Colligny, hem als een onguur type aanduidde, leidde ook niet tot handelen, waarmee opnieuw een belangrijk signaal werd gemist. De argeloosheid was blijkbaar zo groot, dat men er zelfs geen bezwaar in zag nieuweling Balthasar Gerards zwaarbewapend toegang te verschaffen tot de directe omgeving van de prins. Zo beschouwd zou je kunnen zeggen dat de prins hoog nodig een coördinator bewaken & beveiligen had kunnen gebruiken. Wellicht had die hem wel zijn leven kunnen redden.

Dirk van Vreumingen en Jeremias van der Grijp: een verrassende ontmoeting van twee Gouwenaars uit de vroege 19de eeuw

De aankoop van twee mij onbekende negentiende-eeuwse litho’s van het interieur van de Goudse Sint-Janskerk, was voor mij aanleiding een kort onderzoekje te starten naar de prenten, de maker en de herkomst. Beide identiek ingelijste prenten werden op Marktplaats te koop aangeboden, tezamen met een veel grotere litho van de binnenzijde van dezelfde kerk. Deze grote prent was mij al langer bekend en is van de hand van de Goudse kunstenaar Dirk Johannes van Vreumingen (1818-1897). Bij aanblik van de drie prenten werd meteen duidelijk dat ze alle van dezelfde maker zijn. De verkopers, een moeder en dochter uit Den Haag, vertelden dat de werkjes afkomstig waren uit de nalatenschap van hun overleden  vader en grootvader van moeders zijde. Zij hadden geen idee wat de goede man met Gouda van doen had, omdat ze niet anders wisten dan dat hij en zijn ouders Hagenezen waren. Bij het afhalen van de aankoop vertelden ze mij dat ze onderin de lade een stapel papieren hadden gevonden die ook een link met Gouda hadden. Dat betrof een aantal voorgedrukte en met de namen en handtekening van de koper voorziene betalingsbewijzen van graven in de Goudse Sint-Janskerk, daterend uit 1816, en toebehorend aan de Goudse notaris Jeremias van der Grijp, een voorvader van beide Haagse dames.

Vreum4

Familie Van der Grijp

Naslag leert dat het geslacht Van der Grijp afkomstig was Zierikzee en elders in Zeeland, waar ze onder meer apotheker en dominee waren. Jeremias is in de loop van de achttiende eeuw naar Gouda getrokken en vestigde zich daar als notaris en procureur. Hij werkte hier zeker van 1782 tot zijn overlijden in 1819, de roerige tijd van de patriotten, de komst van de Pruisische legers, de Franse bezetting en Bataafse Republiek en tot slot het Koninkrijk Nederland onder Koning Willem I. Jeremias was gehuwd met Johanna Loos en na haar overlijden trouwt hij in 1798 de veel jongere Cornelia de Hor. Hij liet bij zijn overlijden zes kinderen achter. De gereserveerde graven in de Sint-Jan waren voor hen bestemd. Jeremias zelf is nog wel in de kerk begraven, maar kort daarop werd een verbod op begraven in de kerk ingesteld, dus moesten zijn nazaten uiteindelijk kiezen voor begraven op een begraafplaats.

Grijp1

Omdat Jeremias van der Grijp notaris was, worden er in het Goudse archief tientallen akten bewaard met zijn naam en handtekening eronder. Maar er zijn ook tal van andere documenten van en over hem terug te vinden, zoals belastingen die hij moest betalen, bepalingen over zijn nalatenschap en stukken over zijn activiteiten in het Goudse vrijkorps en als regent van het Weeshuis.

(meer…)

Ongebonden. Wiebe Bergsma, de kerk, de wetenschap en zijn leven

[Tekst, uitgesproken bij de aanbieding van een bundeling van artikelen van de in 2015 overleden Friese kerkhistoricus Wiebe Bergsma aan zijn dochter Maaike en zoon Gysbert, op 14 juni 2018 in het Historisch Centrum Leeuwarden]

Wiebe1

U zult zich wellicht afvragen waarom ik hier sta en spreek bij de aanbieding van de bundel met studies van de hand van Wiebe Bergsma. Ik ben geen Fries, geen intimus van Wiebe geweest en onze contacten bleven beperkt tot de kerkgeschiedenis en doorgaans dan ook nog op grote afstand van elkaar. Letterlijk dan. Want Wiebe en ik, hoezeer wij ook verschilden als mens, in religieuze achtergrond, professie en ‘etniciteit’ , deelden één fascinatie: te weten een fascinatie voor ‘de ongebonden mens’. Dat kwam naar voren in onze kerkhistorische arbeid, onze relatie tot de wetenschap en de wijze waarop wij eigen keuzes maakten en maken in het leven.

AbelsCoorn

Kerkgeschiedenis heeft mij altijd geboeid; niet omdat ik als roomse jongen bijzonder vroom ben opgevoed of een speciaal gevoel heb voor de mystieke kanten van religie, maar omdat ik als vroegmodern historicus wil weten wat mensen ten diepste heeft beroerd. En als je de mensen uit die tijd echt wilt begrijpen, kun je eenvoudigweg niet om het geloof, de kerk en geloofsuitingen heen. Juist de tijd waarin de christelijke eenheid werd verbroken door de Reformatie, boeide ons zeer. Welke keuzes maakten mensen in die tijd? Door wat werden ze gedreven? Was de reformatie wel zo’n breuk met de middeleeuwen? En wat betekende de kerkveranderingen in de zestiende en zeventiende eeuw voor de gewone man?

Bavianen-en-slijkgeuzen-A.Th_.-van-Deursen

Het was professor Arie van Deursen die met zijn fameuze boek Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt uit 1974 ons allebei op dit spoor heeft gezet, een spoor dat wij nooit meer hebben verlaten. Diens boek was voor ons inspiratiebron en irritatiebron tegelijk. Van Deursen liet met het gebruik van primaire bronnen als kerkenraads- en classicale acta, uitspraken van het Hof van Holland en predikantencorrespondentie zien hoe dicht je als historicus bij het alledaagse leven in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw kon komen. Met vaardige – soms zeer humoristische – pen wist hij daaruit verhalen te destilleren waarin de lezer de kleuren en geuren van die tijd weldadig tot zich kan laten komen.

Tegelijk was Van Deursen een historicus van zwaar-gereformeerde snit, voor wie de Ware Kerk de gereformeerde kerk was en dan ook nog de contra-remonstrantse variant, die in zijn eigen leven overigens vijf verschillende varianten bleek te kennen. Aan die gereformeerde norm mat hij alles af. Zijn gortdroge commentaar op mijn bijdrage aan de Geschiedenis van Holland zal ik dan ook niet licht vergeten: ik constateer, zo liet Van Deursen de redactie weten, dat de vooroordelen van de heer Abels niet dezelfde zijn als die van mij.

Wiebe2

Voor Wiebe en voor mij – elk op onze eigen wijze en natuurlijk ook kerkelijk gedeformeerd als respectievelijk PKN’er en rooms-katholiek – kon het niet zo zijn dat de inwoners van de Noordelijke Nederlanden met de Reformatie massaal een eenvorming calvinistisch geloof gingen aanhangen en dat degenen die dat niet deden feitelijk geen recht van spreken hadden. Zelf bracht mij dat – samen met mijn betreurde vriend en collega Ton Wouters – tot een minutieuze bestudering van het kerkelijk leven in Delft en Delfland in de jaren 1572-1621. Wiebe op zijn beurt stortte zich – hoe kan het ook anders – op zijn eigen Friesland. In de jaren die wij hieraan besteedden hebben we veelvuldig met elkaar gesproken en gediscussieerd, met name over het spanningsveld tussen de gereformeerde kerk als keuzekerk en als publieke kerk, zo fraai naar voren komend in de titel van het magistrale boek dat Wiebe in 1999 voltooide: Tussen Gideonsbende en Publieke Kerk. Wij deden dat bij de colleges van de Werkgroep 16de eeuw van prof. Juliaan Woltjer in Leiden, op bijeenkomsten hier in Leeuwarden en zelfs een keer op een congres in Oxford.

In die discussies ging het daarbij vaak over mensen die zich niet formeel wilden binden aan de enige formeel in de Republiek toegelaten en bevoorrechte kerk, de calvinistisch gereformeerde. Wij zagen in de bronnen hoe weinig gelovigen belijdenis deden en deelnamen aan het Heilig Avondmaal. De gereformeerde diensten werden echter door veel grotere groepen dan deze kleine binnenring bezocht. Dat waren de zogeheten ‘liefhebbers’ of de vrouwelijke variant daarvan – zoals wij in ons Delftse onderzoek ontdekten – de ‘beminsters’. Van Deursen zag hen louter als aspirant-lidmaten; Wiebe heeft voor Friesland – en later ook voor Drenthe – overtuigend aangetoond dat dit niet klopt; de meesten zetten niet die stap naar een belijdenis, onder meer omdat zij gevrijwaard wilden blijven van de kerkelijke tucht; een streng toezicht van de kerkenraden op hun levenswandel dus.

Maar nog veel meer gelovigen kwamen helemaal niet in deze officiële kerk. “Gelijck daer sijn” – om een favoriet citaat van Wiebe aan te halen – “Coornhertisten, Arministen, Vorstianen, Socinianen ofte Poolse broeders, Papisten, Mennisten, David Joristen, Hendrick Nicolaiten ende andere meer, daer ’t land so vol van is, als den somer vol mugghen”. De Delftse predikant Regnerus Donteclock, die prominent figureert in onze studie, voegde aan een soortgelijke opsomming nog toe dat “de aldergrootste sekte” bestond uit mensen die helemaal niets deden aan religie. Het beeld dat in dit soort citaten, maar ook uit andere primaire bronnen, naar voren komt, is er een van een religieus zeer veelkleurig landschap, dat schril afsteekt tegenover wat Van Deursen ons wilde doen geloven.

Wiebe4

Wiebe erkende later dat hij zijn boek over de Reformatie in Friesland vooral had geschreven vanuit een grote betrokkenheid bij de spiritualisten. Die ‘afwijking’ zat er bij hem al vroeg in, gelet op de hoofdpersoon van zijn proefschrift, de Schwenckfeldiaan Aggaeus van Albada. Maar ook later schreef hij menig epistel over dergelijke ‘vrijgeesten’, zoals zijn bijdrage aan een bundel over ‘mijn held’ Dirck Volkertsz Coornhert en diens opvattingen over de godsdienstpolitiek, onder de titel “God alleen mag die ziele dooden”. . Ik deelde en deel Wiebes fascinatie voor deze ‘Stiefkinderen van het Christendom’. Het zal een speling van het lot zijn geweest dat ik in 1984 ben gaan wonen in Gouda, dat in gereformeerde ogen het ‘rattennest ende den dreckwagen van alle ketterijen’ genoemd werd. Vrijdenkers van uiteenlopende pluimage, onder wie ook Vorstius en de genoemde Coornhert, werden elders verjaagd maar waren in deze stad welkom. Daar mochten zij schrijven wat zij wilden en laten drukken wat zij wilden, en veel werken van door Wiebe bewonderde spiritualisten, konden dan ook uitgerekend in mijn woonplaats Gouda voor het eerst op de persen worden gelegd.

(meer…)

Een wonderdoend Mariabeeld voor even terug naar de Goudse Sint-Jan?

Inmiddels worden in Gouda grootse plannen gemaakt voor de viering van 750 jaar stadsrechten in 2022. Het meest spectaculaire idee tot nu toe is wel het tijdelijk terugbrengen van het koor van de grote Sint-Janskerk in laat-middeleeuwse sfeer met behulp van alle altaarstukken die daar hebben gestaan voor de Reformatie en – uniek voor Nederland – alle behouden zijn gebleven. Dat bracht mij op het idee om ook het Middeleeuwse Mariabeeld voor even terug te laten brengen naar deze plek, dat door toedoen van een Goudse pastoor in de zeventiende eeuw in Waddinxveen is beland. Eerder schreef ik hier al over. Dit idee is inmiddels in Waddinxveen opgepikt, zoals blijkt uit dit bericht uit het AD Groene Hart van 6 april 2019.

wondervangouda

Een overgrootvader als kerkenbouwer

Mijn fascinatie voor wat mensen door de eeuwen heen altijd ten diepste heeft beziggehouden, bracht mij nu alweer veertig jaar geleden in de ban van kerkgeschiedenis. Om te beginnen wilde ik weten waarom de bevolking van Twente, de streek waar ik opgroeide, grotendeels trouw was gebleven aan het rooms-katholieke geloof. Onbewust koos ik daarmee voor een thema dat nauw verbonden was met de geschiedenis van mijn eigen familie. Zonder het beklijfde katholicisme waren mijn voorvaderen namelijk niet vanuit het

Hilbert Abels op de voorgrond, met achter hem zijn oudste zoon, Hendrik Abels

Hilbert Abels op de voorgrond, met achter hem zijn oudste zoon, Hendrik Abels

Duitse Emsland uitgerekend naar deze streek in Oost-Nederland getrokken en zonder de grote behoefte aan nieuwe kerkgebouwen en kloosters hadden zij ook geen broodwinning gevonden die het mogelijk maakte een Abelstak in Nederland te laten wortelen.

Stamboomonderzoek naar de familie wees uit dat mijn over-overgrootvader Menna Abels samen met zijn zoon, mijn in 1861 geboren overgrootvader Hilbert Abels, in januari 1877 als metselaars naar het Twentse plaatsje Zenderen trokken, gelegen tussen Almelo en Borne. Ik leefde lang in de veronderstelling dat zij rechtstreeks vanuit hun toenmalige woonplaats Rhederfeld naar dit door de paters Karmelieten gedomineerde plaatsje kwamen om daar werk te vinden bij de bouw van een kerk en een klooster voor die religieuze orde. Dankzij een tip van een achternicht weet ik nu dat de tocht eerst via het Gooi en Friesland moet zijn gegaan. Van Hilbert is nu zeker dat hij

De rooms-katholieke kerk van Harlingen aan de Zuiderhaven

De rooms-katholieke kerk van Harlingen aan de Zuiderhaven

werkte voor de firma Peters in Bussum. Deze aannemers, de broers N.H. en A. Peters, wonnen op 23 december 1879 de aanbesteding voor de bouw van de rooms-katholieke neogotische Sint Michaëlskerk met toren aan de Zuiderhaven in Harlingen, naar een ontwerp van de in zijn tijd beroemde kerkenarchitect Alfred Tepe uit Utrecht.  Als laagste inschrijvers wisten zij deze klus voor f.118.790,- in de wacht te slepen. Voor deze klus verhuisde Hilbert op 1 juli 1880 van Bussum naar Harlingen.

Tepe was na de beroemde P.J.A. Cuypers de meest productieve bouwer van neogotische kerken in Nederland. Tussen 1871 en 1905 ontwierp hij maar liefst zeventig  kerken. Deze getallen onderstrepen niet alleen zijn productiviteit, maar laten ook zien dat het wederopluikende katholicisme in Nederland juist in dat laatste kwart van de negentiende eeuw op even indrukwekkende als demonstratieve wijze zijn plaats in de Nederlandse samenleving opeiste. In tal van steden verrezen imposante gebedshuizen, die plaats moesten bieden aan de sterk groeiende aantallen gelovigen en met hoge torens de aandacht van de omgeving vroegen. De Michaëlskerk in Harlingen is hier een fraai voorbeeld van.

De vraag naar handwerkslieden die met hun vakmanschap de bouw van deze monumentale kerken mogelijk moesten maken oversteeg op dat moment ver het aanbod van Nederlandse vaklieden. Vanuit de aangrenzende, vaak armlastige, Duitse gebieden beproefden daarom in die jaren talrijke metselaars, timmerlieden, beeldhouwers en andere arbeidskrachten hun geluk in Nederland, zoals Polen dat tegenwoordig doen. Dankzij deze ‘Hollandgängerei’ wisten dus ook vader en zoon Abels – die steeds moeilijker een inkomen konden verdienen als agrariërs – hun weg te vinden naar het buurland. Menna keerde al snel terug naar vrouw en kinderen in het Emsland, maar Hilbert wist daadwerkelijk een broodwinning te vinden als metselaar.

Interieur van de neogotische kerk van Harlingen

Interieur van de neogotische kerk van Harlingen

Bij de bouw van de aan de Zuiderhaven gelegen Harlingse kerk kon Hilbert zich als metselaar zeker uitleven. Hij arriveerde kort na de eerste steenlegging, die op 4 juni 1880 plaatsvond. Al op 20 augustus wapperde de vlag omdat de kap op de kerk was aangebracht. En op 4 september was ook al de spits op de toren aangebracht, alsmede de leien op het dak van de pastorie. Op 18 november werden de laatste gewelven in de kerk afgemetseld. Deze korte opsomming van de bouwgeschiedenis, ontleend aan het dagboek van bouwpastoor J.J. Sletering, laat zien in welk tempo dergelijke nieuwe Godshuizen uit de grond werden gestampt. Voor de afwerking was nog een half jaar nodig, maar toen op 31 mei 1881 het hoofdaltaar werd gewijd, was Hilbert al vertrokken naar zijn nieuwe bouwproject.

Dezelfde combinatie van architect en aannemer die in Harlingen de kerk had gebouwd sleepte namelijk in 1881 ook de opdracht in de wacht voor de bouw van de kerk van de Karmelieten in het Twentse Zenderen. Deze neogotische kerk, in de volksmond ook wel ‘de kapel’ genoemd, was een jaar later gereed en werd op 24 augustus 1882 gewijd door Mgr.

Kloosterkerk te Zenderen. Hilbert was niet alleen als metselaar betrokken bij de bouw, maar volgens overlevering bezocht hij aan het eind van zijn leven dagelijks de Heilige Mis in deze kerk.

Kloosterkerk te Zenderen. Hilbert was niet alleen als metselaar betrokken bij de bouw, maar volgens overlevering bezocht hij aan het eind van zijn leven dagelijks de Heilige Mis in deze kerk.

Kistemakers. Hilbert Abels verhuisde voor die klus op 17 mei 1881 van Harlingen naar Zenderen, waar hij weldra zijn eerste vrouw zou ontmoeten. Zij woonde met haar ouders op de boerderij de Haarboer, waar vader en zoon Abels in de kost gingen. Op 2 juni 1882 trad Hilbert, als 20-jarige metselaar uit Pruissen, in Zenderen (gemeente Borne) in het huwelijk met deze praktisch even oude Hendrika Johanna ter Haar, landbouwster en geboren te Borne op 22 april 1862, dochter van Hendrikus ter Haar en Johanna Wissink. Zij baarde al drie maanden na hun huwelijk een eerste zoon, Hendrikus Abels, die mijn opa zou worden en naar wie ik ben vernoemd in een van mijn vier voornamen.

Het echtpaar verhuisde op 1 mei 1884, toen Hendrika twee maanden zwanger was van haar inmiddels tweede kind, naar het Brabantse Boxmeer, waar hij ook weer als metselaar aan de slag ging. Ook in deze plaats bevond zich een Karmelietenklooster en werd een door de architect Tepe ontworpen kerk gebouwd, de Heilige Petruskerk. Veel geluk was het jonge echtpaar Abels in Brabant niet beschoren. Hendrika overleed op zeer jonge leeftijd. Beide kinderen werden daarop alvast bij familie in Zenderen ondergebracht en na afronding van zijn klus in Boxmeer keerde ook Hilbert terug naar Zenderen om zich daar definitief te vestigen. Hij hertrouwde en kreeg met zijn tweede vrouw, Johanna Meijer, nog zeven kinderen.

Hilbert Abels werkte dus als metselaar mee aan de bouw van zeker drie nieuwe kerken.  De architect Alfred Tepe, en niet de Karmelieten, was daarin de rode draad. Waarschijnlijk ligt hierin mijn blijkbaar genetisch bepaalde fascinatie voor kerken en religie. Met dank aan opa Hilbert.

De staat van de stad: historisch Gouda in 2018

Net voor het aflopen van dit opmerkelijke kalenderjaar werd bekend dat de Goudse leraar klassieke talen, archeoloog, historicus en ‘ontdekkingsreiziger’ Henkjan Sprokholt een nieuwe spectaculaire ontdekking heeft gedaan. Nadat hij eerder de exacte plek van de MelkbussenhoogteGoudse motte wist te vinden, de versterkte verhoging in het landschap waaromheen Gouda ontstaan is, heeft hij nu een volstrekt onbekende handgetekende kaart uit de archieven opgeduikeld die als ware het een luchtfoto (volgens anglofielen een bird eye view) zicht biedt op de stad in de vroege zeventiende eeuw. Zo’n kaart verdient diepgaande bestudering omdat zij zicht kan bieden op tal van onbekende details ten aanzien van het aangezicht van de stad, de stadsontwikkeling en de stadsverdichting. Sprokholt heeft beloofd zich hier vol op te storten in het nieuwe jaar.

Het jaar 2018 kan in veel andere opzichten de boeken in als een historisch jaar. Dat geldt niet alleen voor brede ontwikkelingen als de opwarming van de aarde, de politieke instabiliteit in de wereld of de economie, maar op microniveau ook voor zaken in Gouda. Dat ook Gouda geraakt wordt door deze bredere problematiek blijkt alleen al uit de berichten over droogte en bodemdaling, die een directe bedreiging beginnen te vormen voor de monumenten in de historische binnenstad. Dit jaar was de stad – en met name ‘onze’ Turfmarkt veelvuldig in beeld, om waarschuwende woorden van wethouder Hilde Niezen te illustreren met zorgwekkende beelden van een zeer lage kademuur. Dat het water al eeuwen zo hoog staat aan deze gracht, teneinde turfschepen makkelijker te kunnen laden en lossen, deed daarbij blijkbaar niet te zake.

Avondrood

Toch is er wel degelijk wat aan de hand; ook aan de Turfmarkt. Door inklinking van de bodem blijft de bodem dalen en worden grenzen bereikt voor het verder kunstmatig naar beneden brengen van het grondwaterpeil. Als dit nog verder daalt komen de houten palen onder sommige woningen droog te liggen en zullen ze in een mum van tijd gaan rotten. Daardoor kunnen de huizen gaan verzakken of uit het lood worden getrokken door huizen die met betonnen palen zijn onderheid. De gemeente Gouda heeft dit jaar serieus werk gemaakt van het onderzoeken van deze problematiek en daarbij ook haar burgers betrokken. Gezamenlijk wordt naarstig gezocht naar betaalbare oplossingen.

Hoe fout het kan gaan met fundamenten liet de eveneens aan de Turfmarkt gelegen voormalige gereformeerde kerk zien. Bij de bouw van een woningencomplex annex parkeergarage op het erachter gelegen voormalige brandweerterrein, naar een eerdere Kerksloopbestemming aangeduid als de Clarissenhof, is er zoveel grondwater aan het terrein van de kerk onttrokken dat paalrot optrad en de kerk dreigde in te storten. De eigenaar, de er naast wonende Khalid Boutachekourt, wilde het godshuis al slopen en op die plek een appartementencomplex in de vorm van de te verdwijnen kerk bouwen, maar die tijd werd hem niet gegund. Eerste nam de gemeente in het diepste geheim een voorbereidingsbesluit om het bestemmingsplan te wijzigen, zodat het bouwplan geen doorgang kon vinden in deze vorm. Daarna gelastte de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) snellere sloop omdat de veiligheid van omwonenden in het geding zou zijn. Daarbij werd uiteindelijk gegrepen naar het paardenmiddel van de bestuursdwang om de eigenaar tot actie te dwingen. Zijn voorbereidende werkzaamheden werden echter keer op keer afgekeurd, hoezeer hij zich ook precies trachtte te houden aan de voorschriften van de ODMH. Overnacht werd vervolgens een noodverordening uitgevaardigd, waarbij de gemeente een aantal omwonenden adviseerde en later dwong hun huis een tijdlang te verlaten wegens instortingsgevaar. Vrachtwagens mochten zelfs niet – en later slechts stapvoets – over de gracht rijden. Vervolgens nam de gemeente de sloop van de kerk volledig uit handen van de eigenaar. Alle beloften ten spijt werd vervolgens niet gewerkt met de door de eigenaar al ingehuurde sloopbedrijven, maar met andere bedrijven. Boutachekourt kreeg te horen dat alle kosten – die in de tonnen zullen gaan lopen – voor zijn rekening zullen komen.

Zelden heeft een monument in Gouda zoveel beroering veroorzaakt. Heel Gouda heeft er wel een mening over. Sommigen verwijten de eigenaar nalatigheid, anderen vrezen voor de financiële consequenties voor de belastingbetaler. Boutachekourt kan namelijk aanspraak maken op zogeheten planschade, aangezien hij door het voorbereidingsbesluit zeer waarschijnlijk niet het volume kan bouwen dat hij op het oog had. Anderen betwijfelen zeer de noodzaak van de noodverordening. In december ging de eigenaar in bezwaar en vervolgens legde de rechter de sloop stil tot haar uitspraak op 13 december. Daarin werd de gemeente in het gelijk gesteld, omdat een noodverordening ook bij twijfel verdedigbaar is. Veel spoed maakte de gemeente vervolgens niet met de afbraak, want wegens de Kerst en de jaarwisseling werden de sloopwerkzaamheden dit jaar toch niet meer hervat. Op dit moment is de kerk besteigerd, onttopt en ontpand, maar nog even in haar volle omvang te zien. Wordt vervolgd.

Ook op een andere manier kwam het terrein waar vroeg het Clarissenklooster stond (tussen Turfmarkt en Nieuwe Haven) in het nieuws. Begin deze eeuw, voor de bouw van het appartementencomplex, werd uitvoerig archeologisch onderzoek gedaan. Omdat de bouwer vervolgens failliet ging ontbraken de middelen om de resultaten daarvan in kaart te brengen en te beschrijven. Dankzij een massafinancieringsactie, door anglofielen ook crowd funding genoemd, wist de archeologische vereniging Golda dit jaar echter voldoende middelen bijeen te schrapen om het project alsnog af te ronden. Dat resulteerde in een prachtig boek, waarin nu iedereen kan lezen waar precies de kapel van de zusters heeft gestaan en wie er zoal begraven lag bij en in die kerk. Dankzij een onderzoek naar de opgegraven gebeenten weten we nu dat er niet alleen zusters begraven lagen, maar ook enkele mannen en kinderen.

Positiever en voorspoediger dan de gang van zaken rond de Turfmarktkerk lopen op dit moment diverse projecten van projectontwikkelaar White House Development. Zo is deze maand een begin gemaakt met de verbouwing van het Weeshuiscomplex tot hotel, restaurants en appartementen. In goed overleg met onder meer Historische Vereniging Die Goude is besloten de Paterssteeg niet te overkappen en de Jeruzalemkapel beschikbaar goudschaatste houden voor publieksactiviteiten. Een andere ‘uitdaging’ voor WHD was dit jaar de verbouwing van het Spaardersbad tot appartementen. De afronding is nabij. Een fraai winkel-hoekpand aan de Kleiweg-Turfmarkt is eveneens onder handen genomen. De onderetage is hersteld en weer als winkel ingericht, terwijl erboven diverse wooneenheden worden gerealiseerd. Ook de Gouwekerk is inmiddels in handen van een van de betrokkenen bij WHD. Hij is nog op zoek naar een passende bestemming, maar biedt de majestueuze ruimte in afwachting daarvan aan voor diverse activiteiten. In november-december lag er een ijsbaan in. Of dit echt passend is, mag worden betwijfeld. Dezelfde eigenaar heeft ook het voormalige bankgebouw aan de Turfmarkt gekocht, waar tot nu het Verzetsmuseum Zuid-Holland is gevestigd. Hij is van plan daar zelf zijn woonhuis van te maken.

Heel langzaam werpt de viering van Gouda750 haar schaduw vooruit. De gemeente had een Rotterdams reclame- en evenementenbureau in de arm genomen om bekendheid te geven aan deze viering. De uitvoering laat echter te wensen over, want de campagne ‘Het Geheim van Gouda’ sloeg nauwelijks aan en de relatie met het jubileum was voor weinig mensen duidelijk. Inmiddels heeft de gemeente ingegrepen en het project in handen gegeven van twee Gouwenaren, Marien Brand en Ronald van Rossum, die vast voornemens zijn het in de stad aanwezige potentieel aan te boren voor de planvorming. Historische Vereniging Die Goude wilde al niet langer afwachten en heeft een eindredacteur in de arm genomen, die met behulp van een schrijverscollectief in 2022 een gepopulariseerde versie van de stadsgeschiedenis uit 2002 gaat produceren. Veel nieuwe historische boeken verschijnen er op dit moment niet over Gouda. Een gunstige uitzondering was dit jaar een boek over een klein buurtje bij de Boelekade, bijgenaamd de Glazen Kast. Het boek dat hierover het licht zag, onder redactie van de gebroeders Helmond, is een fraai voorbeeld van kleine geschiedschrijving voor een groter publiek. Bovendien is het boek zeer fraai vorm gegeven.

verradersbriefjeHet Streekarchief Midden-Holland (SAMH) deed dit jaar een serieuze gooi naar het ‘Archiefstuk van het jaar’. De Gouds inzending betrof het zogeheten ‘verradersbriefje’ uit 1574, een inderdaad zeer ontroerend document, dat vele mensen het leven zou kosten en anderen hun bezittingen. Het briefje bevat een gecodeerde boodschap aan complotplegers die buiten de stad lagen en voornemens waren Gouda terug te brengen onder het gezag van de Koning van Spanje. Nabij het Vlamingpoortje (waar nu de Guldenbrug ligt) trok de als kleermaker vermomde bode door zenuwachtig gedrag de aandacht van de wachten. Hij liet een bolletje garen vallen, met daarin het briefje. Toen kwam het complot uit en werden betrokkenen gearresteerd, berecht en ter dood veroordeeld. Hun hoofden werden ter afschrikking op de stadspoorten gespiest. Het nootlottige briefje, met een staaltje van het garen, wordt nog steeds bewaard in het Goudse archief. Ondanks dit verhaal en een zeer creatief tekenfilmpje, met archivaresse Coretta Wijbrans in de hoofdrol, werd dit toch zeer dramatische document uiteindelijk niet verkozen, maar behaalde wel een eervolle vierde plaats.

De Sint-Janskerk trok dit jaar ook weer nationale belangstelling. Voor het eerst sinds lange tijd werd een (deel van) een gebrandschilderd glas uitgenomen om elders tentoongesteld te worden. De afbeelding van koning Philips II werd op deze wijze de ouverture voor de grote tentoonstelling over 80 Jaar Oorlog in het Rijksmuseum in Amsterdam. Daar is ook nog een carton (ontwerptekening) van de glazen te zien. De kerk is nu ook met de Museumjaarkaart toegankelijk, wat het toch al hoge bezoekersaantal verder zal doen toenemen. De kerk wordt ook professioneler uitgebaat dan voorheen, wat blijkt uit het grote aantal concerten, de inmiddels tot een traditie geworden grote Kerstmarkt rond Gouda bij Kaarslicht (voor heen Kaarsjesavond) en het uitlichten van de Goudse Glazen van binnenuit.

Pieter-Pourbus-en-de-vergeten-meesters-2

Museum Gouda brak alle records qua bezoekersaantallen met een zeer geslaagde tentoonstelling over Pieter Pourbus, een in Gouda geboren zestiende-eeuwse schilder, die vooral furore maakte in Brugge. Ter gelegenheid van deze expositie verscheen ook een fraaie catalogus. Ook werd bij de voorbereidingen duidelijk dat de Sint-Jan na de grote brand een retabel als hoofdaltaar heeft gehad, gewijd aan Johannes de Doper. Drie panelen ervan blijken nog bewaard te zijn (een in Museum Gouda en twee in het Rijks). Het museum zal pogingen doen de twee andere panelen ook ‘naar huis’ te halen. De museumcollectie werd verder uitgebreid met twee schilderijen die afkomstig zijn uit de Sint-Franciscuskerk van de franciscanen, de kerk die nu als Gouwekerk bekend staat. Op een van de schilderijen is Peterus Simpernel, de zeventiende-eeuwse stichter van de betreffende statie (parochie), op zijn doodsbed te zien. Het ander stelt het klopje Anna van Geffe voor, die de aankoop van het kerkje destijds financierde.

Aan de randen van de stad waren ook enkele initiatieven waar te nemen, die het historische karakter van de stad positief beïnvloeden. Zo is een groep bewoners bezig de oude wallen te herstellen als groenstroken, waardoor een wandeling rond de stad weer tot een aangenaam tijdverdrijf kan worden. Aan de overzijde van de Hollandse IJssel is het terrein van de voormalige asfaltcentrale inmiddels uitgegroeid tot een bloeiende kweekvijver van talrijke initiatieven op cultureel gebied. Pal ernaast is ook nog eens een fabriekshal tot toneelzaal omgevormd, de TheaterBakkerHey, waardoor het cultureel aanbod in Gouda met sprongen vooruit gaat. In de binnenstad zelf is het einde van de crisis zeer goed zichtbaar, want de winkelleegstand neemt zienderogen af. Boven de winkels worden steeds meer ruimtes omgevormd tot wooneenheden, wat de levendigheid van de stad zeer ten goede komt.

Tot slot verdienen ook particulieren vermelding die kosten noch moeite hebben gespaard Ingehuisom hun oude huizen te restaureren en te verfraaien. Was vorig jaar de regentenwoning De Roos aan de Oosthaven vermeldenswaardig, dit jaar is dat het woonhuis van Tony en Inge Philips aan de Hoge Gouwe. Met een ijzeren volharding hebben zij hun totaal vervallen huis weten op te kalefateren tot een fraai monument en een sierraad aan de gracht. Dit jaar werd als laatste onderdeel van dit project de voorgevel onder handen genomen. Hun voorbeeld verdient navolging, want er zijn nog steeds monumenten in Gouda die een stevige opknapbeurt verdienen. Om te eindigen waar we begonnen: aan de Turfmarkt staan nog steeds vier voormalige gemeentepanden leeg, die wachten op grondige renovatie. Dat gebeurt, maar tergend traag. Jammer dat ODMH hier niet de daadkracht aan de dag legt, die ze wel toont rond de Turfmarktkerk. Risico’s voor omwonenden zijn zo mogelijk nog groter (er was al eens brand door een verborgen hennepplantage op zolder), maar nog steeds leidt dat niet tot doortastendheid.

 

Henkjan Sprokholt ontdekt onbekende plattegrond van Gouda uit ca. 1615

Bij het besturen van de ruimtelijke ontwikkeling van Gouda kan vanouds worden teruggegrepen op oude stadsplattegronden die door de eeuwen heen zijn getekend. De oudste in dit genre is van de hand van Jacob van Deventer en stamt uit ongeveer 1562. Deze in opdracht van koning Philips II vervaardigde kaart zou de basis voor latere kaarten vormen en werd vijf jaar geleden ook gebruikt voor de stadsmaquette in Museum Gouda. Die laat de situatie in dat jaar zien, waarbij de vele kloosters in de stad nog in bedrijf zijn en de grote Sint-Janskerk als gevolg van de grote brand van 1552 nog deels in puin ligt. Het onderzoek voor deze maquette werd destijds gedaan door de Goudse archeoloog en leraar klassieke talen Henkjan Sprokholt, die met minutieus archiefonderzoek de situatie zo getrouw mogelijk heeft trachten weer te geven.  Dezelfde Sprokholt deed deze maand de ontdekking van zijn leven, toen hij in het bestand van het Rijksmuseum een vroege stadsplattegrond van Gouda ontdekte die tot op heden volstrekt onbekend was.

Gouda-1615

Voor zijn maquette heeft Sprokholt ook veelvuldig gebruik gemaakt van de eerste figuratieve kaart van de stad, getekend door Braun en Hogenberg in 1585 en de beroemdste kaart van de stad van Johannes Blaeu uit 1649. De nu boven water gekomen kaart zorg voor een nieuw meetmoment; ongeveer halverwege deze tijdspanne. Sprokholt vermoed dat betreffende plattegrond is getekend door de landmeter Hendrik de Vos, die begin zeventiende eeuw diverse opdrachten van het stadsbestuur kreeg om gebieden in kaart te brengen. Afgaand op de details wordt vermoed dat deze Vos de situatie weergeeft van rond 1615. Sprokholt, die momenteel met een groep Goudse historici werkt aan het nauwkeurig in beeld brengen van alle onroerendgoedbezit, zal de kaart uitvoerig bestuderen en vergelijken en hoopt daarover in het voorjaar te publiceren in de Tidinge, het blad van Historische Vereniging die Goude. De nieuw ontdekte kaart biedt de mogelijkheid de ontwikkeling van de stad in deze jaren van snelle groei veel scherper in beeld te brengen dan tot nu toe mogelijk was.

Het pronkstuk van Gouda: de Deductie van Vrancken

Begin 2018 werd het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 bij een landelijke ‘verkiezing’ gekozen tot het Pronkstuk van Nederland.  Met dit document verklaarden de opstandige

Het originele handschrift van de Acte van Verlatinghe, compleet met lelijke archiefstempel

Het originele handschrift van de Acte van Verlatinghe, compleet met lelijke archiefstempel

gewesten van de Noordelijke Nederlanden formeel dat de koning, Philips II van Spanje, zijn recht had verspeeld om hun vorst te zijn door de gewelddadige wijze waarop hij zijn gezag over de bevolking van deze gewesten had laten gelden en de aantasting van aloude rechten. De Verlatingsacte wordt gezien als de geboorteacte van Nederland en was voor anderen – zoals de opstandige Staten van Noord-Amerika – een inspiratiebron. Toch zijn bij de interpretatie van dit archiefstuk vraagtekens te plaatsen. De opstellers waren nog niet zover, dat zij dachten het ook zonder koninklijk gezag te kunnen redden. Vandaar dat zij na de afdanking van de Spaanse koning de soevereiniteit over de Nederlanden eerst aanboden aan de broer van de koning van Frankrijk, de hertog van Anjou. Zijn regeerperiode liep uit op een echec door een mislukte poging Antwerpen onder zijn gezag te brengen.

Nadat Anjou de Nederlanden met de staart tussen de benen had verlaten, boden de Staten-Generaal de soevereiniteit over hun gewesten aan aan koningin Elisabeth van Engeland. Zij stuurde haar vertrouweling, de graaf van Leicester, die er evenmin in slaagde een behoorlijk bestuur over de landen te vestigen. Na zijn terugkeer zon met name het grootste en belangrijkste gewest Holland, onder leiding van de kersvers aangetreden raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt, op een manier om verder te gaan zonder vorstelijk soeverein. De Republiek Venetië was daarbij een lichtend voorbeeld. Daarom werd gezocht naar een kundig jurist, die de formele rechtvaardiging en onderbouwing kon leveren voor een republikeins  bestuurssysteem. Die werd in 1587 gevonden; niet in Den Haag, maar in Gouda. Het was Francois Vranck(en), die enkele jaren eerder voor veel geld door het Goudse stadsbestuur als pensionaris was aangetrokken, die zijn pen leende voor deze opdracht. Gouda bood hem daartoe maar al te graag de gelegenheid, omdat het stuk tegelijkertijd kon dienen als basis voor de autonome positie die de stad wenste in te nemen binnen het gewest Holland.

CorteVrancken

Vrancken schreef het gewenste stuk, dat  als titel meekreeg: Corte verthooninge van het recht by den Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollandt ende Westvrieslant van allen ouden tyden in den voorschreven Lande gebruyckt tot behoudenisse van de vryheden, gerechticheden, privilegien ende loffelicke ghebruycken van denselven Lande. Het geschrift, ook wel aangeduid als de Justificatie of de Deductie van Vrancken, werd op 16 juli 1587 gepresenteerd aan de Staten van Holland en in Rotterdam gedrukt op de persen van Matthijs Bastiaensz, boekverkoper op ’t Steygher. De Goudse pensionaris vergeleek de opstandige gewesten meteen al in het begin al met Venetië, omdat beide nooit veroverd of verwoest waren. Na eerst nog eens de voorgeschiedenis met Philips en andere soevereinen geschetst te hebben, legt hij het fundament voor het gezag van de Staten bij de edelen en de steden. Uitvoerig schetst hij hoe de steden, met instemming van de burgerij, min of meer op dezelfde wijze bestuurd worden door een Raad of Vroedschap en daaruit gekozen burgemeesters en schepenen. “Bij deze colleges alleen ligt de macht om te adviseren, resolveren en disponeren [besluiten] inzake staat van stad en land”, aldus Vrancken. Ook zijn Goudse broodheren zullen dit met instemming gelezen hebben.

De macht van de Oranjes wordt tegelijkertijd door Vrancken gerelativeerd: “Want wat is de macht van een Prince, sonder goede correspondentie van sijne ondersaten”. Dat brengt hem tot de volgende conclusie dat iedereen zal moeten begrijpen dat “de souverainiteijt der Landen te wesen by den Staten, Edelen en Steden”. De pensionaris van Gouda, die van 1583 tot 1589 in de stad werkte en woonde op de hoek van de Naaierstraat en de Blauwstraat, heeft met dit stuk het daadwerkelijke theoretische fundament gelegd onder de wijze waarop de Noordelijke Nederlanden vanaf 1587 de bestuursvorm aannamen van een republiek. Niet de Acte van Verlatinghe, maar deze Deductie van Vrancken had wat mij betreft het Pronkstuk van Nederland mogen zijn.

Zie: Paul H.A.M. Abels, Mr. Franchois Vranck, pensionaris van het stadsbestuur. Vergeten icoon van de Goudse eigenzinnigheid, in: Erfgoud. Iconen en symbolen. Open Monumentendag Gouda 2016, p. 38-39. 

Op zoek naar Goudana in museum Bisdom van Vliet in Haastrecht

Aan de rand van het dorp Haastrecht, aan de weg richting Gouda, ligt een bijzonder negentiende-eeuws woonhuis. Tot 1923 werd dit bewoond door een voorname dame, Paulina Bisdom van Vliet, telg uit een oud patriciërsgeslacht dat een voorname rol heeft gespeeld in de locale gemeenschap en ook in het stadsbestuur van het vijf kilometer verderop gelegen Gouda. Op dezelfde plek stond al vanaf 1694 een voornaam huis, bewoond door leden van genoemde familie. Paulina zorgde ervoor dat het huis, en de bijbehorende grote tuin, na haar overlijden ondergebracht werd in een stichting en bepaalde dat alles in haar huis moest blijven zoals het was. Tot op de dag van vandaag kunnen bezoekers zich vergapen aan al het fraais dat deze puissant rijke familie gedurende ruim drie eeuwen heeft verzameld.

Het Museum Bisdom van Vliet, dat tegenwoordig met zorg in stand wordt gehouden door een beheerder en een leger van vrijwilligers, stond al ruim drie decennia op ons lijstje om te gaan bezoeken. Er was altijd echter wel een reden om daarvan af te zien, of het was gesloten als wij voor de deur stonden. Op zondag 5 november kwam het er dan eindelijk van. Voorzien van overschoenen, bedoeld om slijtage van de kostbare tapijten in het huis zoveel mogelijk te voorkomen, stapten wij terug in de geschiedenis. Op de benedenverdieping voldeed het huis aan de verwachtingen die je hebt als je een dergelijk museum binnentreedt; veel ‘pompe’, in de vorm van kostbaar zilver, porselein, meubels en schilderijen. Ook het serviesgoed en fraaie kachels ontbreken niet.

Interessant voor de – Goudse – historicus wordt het pas in de gang en op de Bisdom1bovenverdieping. Hij wordt eerst op het verkeerde been gezet, door enkele kasten vol met Orangistisch serviesgoed uit de patriottentijd. Kopjes, schotels, borden en kommen met afbeeldingen van stadhouder Willem V en zijn daadkrachtige echtgenote Wilhelmina van Pruisen, voorzien van tal van politieke teksten die trouw aan het Oranjehuis benadrukken. De eerste indruk ontstaat hierdoor dat de familie Bisdom van Vliet niets moest hebben van de Bisdom3vernieuwende ideeën van de patriotten. En een dergelijke partijkeuze zou ook passen bij het beeld en de atmosfeer die het huis uitstraalt. Niets is minder waar, want in de roerige tijd zelf blijkt de heer des huizes, Marcellus Bisdom van Vliet (1729-1806), de zijde van de patriotten te hebben gekozen. Dat moest hij uiteindelijk flink bezuren.  Toen de Orangisten, met steun van het door prinses Wilhelmina te hulp geroepen Pruisische leger van haar broer, de strijd in hun voordeel wisten te beslechten,  werden bij het huis van deze Bisdom van Vliet aan de Westhaven 12 ruiten ingegooid, net als bij andere patriotten.  Het Orangistische serviesgoed moet dus door latere generaties zijn aangeschaft, zo concluderen wij.

Marcellus, die gehuwd was met Maria Catharina Reijnders, bekleedde een hele waslijst aan functies in Gouda. Hij was onder meer vroedschapslid, burgemeester, schepen, weeshuisregent, kerkmeester en kapitein/kolonel  van de schutterij in Gouda. Aan hem herinnert in het museum nog zijn Goudse regentenkussen, compleet met het stadswapen, dat in ongekend goede staat is; weinig op gezeten waarschijnlijk, wat weer verklaarbaar is als je zoveel functies vervult.

Bisdom14

Op de bovenverdieping zijn er andere sporen die leiden naar Gouda. In de bibliotheek, gevuld met een keur aan boeken van belangrijke Nederlandse historici, natuurkundigen, Bisdom4wereldreizigers, theologen en stadsgeschiedenissen, ontbreekt natuurlijk de ‘Walvis’ niet, Bisdom13de door deze Goudse pastoor geschreven Beschryvinge van die Goude uit 1713. In een vitrine legt ook een stapeltje pamfletten en verordeningen die betrekking hebben op Haastrecht, maar die van de persen komen van de Goudse stadsdrukkers.

Alle banden van de boeken in de bibliotheek zijn in uitmuntende staat en uniform gebonden, wat niet getuigt van grote belezenheid van de bezitters. Prominent aanwezig is ook een Nederlandse vertaling van de Koran, die blijkens een uitleenbriefje dat erin ligt door diverse vooraanstaande Haastrechters is gelezen in de achttiende eeuw. Verder werken van Darwin en andere wetenschappers, wat erop zou kunnen duiden dat de eigenaar(s) in vrijzinnig protestantse kringen verkeerde(n). Ze waren in elk geval protestants-christelijk, wat ook blijkt uit de opengeslagen Sophia- of Prachtbijbel, in 1855 gedrukt bij G.B. van Goor in Gouda. Deze bijbel heeft uiteraard de luxe band met reliëf, maar de originele boekklampen van leer zijn vervangen door zilveren exemplaren, waarin de naam van Paulina Bisdom van Vliet is gegraveerd, die het boek cadeau kreeg van haar ouders toen zij op 1 april 1858 belijdenis deed in de hervormde kerk.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

Bisdom11

Het meest opvallend in de bibliotheek zijn twee reusachtige kaarten van het Bisdom6Hoogheemraadschap Rijnland uit de 17de eeuw en van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard uit begin 19de eeuw. De aanwezigheid van deze kaarten blijkt te maken te hebben met het feit dat deze kamer in de negentiende eeuw dienst heeft gedaan als vergaderplek voor het hoogheemraadschap Krimpenerwaard, waarvan een andere Marcellus Bisdom van Vliet dijkgraaf was. Op beide kaarten is aan de rand ook de stad Gouda getekend.

Links het detail uit de kaart van de Krimpenerwaard. Hieronder is Gouda te zien temidden van de polders in het Hoogheemraadschap Rijnland.

Bisdom7

 

 

In dezelfde kamer hangen ook enkele afbeeldingen van verre oorden. Fascinerend is een gravure van Algiers. In het cartouche staat een naam gemeld van een telg uit een vooraanstaand Gouds regenten (en kunstenaars)geslacht: Reynier Crabeth.

Bisdom9

 

 

Al met al herbergt Museum Bisdom van Vliet een schat aan kostbaarheden; maar genoemde Goudana maken het museum ook tot een bijzondere lieu de memoire van de Goudse geschiedenis. We zullen het niet bij dit ene bezoek laten.

 

Franciscaanse erfenis naar Museum Gouda

In 1963 werd in Gouda-Noord een voor die tijd zeer modern nieuwe kerkgebouw ingewijd, met als patroonheilige Sint-Jozef. Deze gebeurtenis vond plaats terwijl in Rome het

gouwekerkvoorTweede Vaticaans Concilie nog in volle gang was, dat onder aanvoering van de populaire paus Johannes XXIII zou besluiten tot een ingrijpende hervorming van de Rooms-Katholieke Kerk. Het kerkgebouw aan het Aalberseplein ademde deze geest van vernieuwing in al zijn vezels uit. Gekozen werd voor een grote kerkzaal zonder pilaren en met lange, gelijkvormige kerkbanken. Het altaar was niet meer dan een kleine verhoging over de volle breedte van het gebouw en de muren waren egaal wit. Met zijn soberheid, nederigheid en gelijkheid werd dit gebouw destijds gezien als een eigentijdse vertaling van de opvattingen van de Heilige Franciscus, de inspiratiebron van de religieuze orde van de franciscanen (ook wel minderbroeders genoemd) die 330 jaar eerder de grondslag voor deze Goudse parochie had gelegd en waarvan haar paters eeuwenlang de zielzorg hadden verrichten.

kerk2

kerk1In weinig deed deze twintigste-eeuwse kerk meer denken aan haar directe voorganger, de Sint-Josephkerk aan de Hoge Gouwe, die in 1979 werd overgenomen door de Johan Maasbach Stichting en in de volksmond Gouwekerk wordt genoemd. Deze door de Goudse architect C.P.W. Dessing ontworpen neogothische kerk met 80-meter hoge torenspits werd in 1902-1904 gebouwd. Het interieur was allesbehalve sober, maar vormde als het ware de architectonische vertaling van de vreugde over het wederopluikend katholicisme. Het contrast met de twee opeenvolgende kerkjes die eerder op dezelfde plek hadden gestaan diende aan het begin van de 20ste eeuw dan ook zo groot mogelijk te zijn, want die representeerden de eeuwenlange achterstelling van de katholieken, die alleen in ver van de straat gelegen schuilkerken bijeen mochten komen.

Het begon allemaal met één minderbroeder, die in 1633 in opdracht van zijn overste vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar Gouda was getrokken om hier zielzorg te gaan verrichten. Volgens zijn ordeleiding waren de Nederlanden missiegebied geworden omdat220px-Gregorius_Simpernel_door_Jan_Ariens_Duif de gereformeerden alle kerkgebouwen hadden overgenomen en er geen bisschoppelijk bestuur meer bestond. De betreffende pater, Gregorius Hendricksz Simpernel,[1] die in Sint-Truiden tot het klooster was toegetreden, arriveerde tegen de avond met alleen een simpele knapzak op zijn rug in de stad. Volgens overlevering rustte hij in de Naaierstraat even uit op een stoepje van een huis, waarna hij door de bewoners werd uitgenodigd de nacht bij hen door te brengen. Al snel kon hij een huis huren in de Groenendaal, dat de naam “De Pijpkan” droeg, waar hij zijn eerste missen opdroeg. Lang zou hij daar niet blijven, want ondanks tegenwerking van de reeds in Gouda werkzame pastoors – die niet gediend waren van een dergelijke ‘buitenlandse’ concurrent in de zielzorg – wist Simpernel met hulp van enkele medestanders een huis te kopen, ten zuiden van de Aaltje Bakstraat aan de Hoge Gouwe. Op deze plek richtte hij een schuilkerk in, waar hij in de daaropvolgende jaren vele Goudse gelovigen aan zich wist te binden, inclusief enkele tientallen klopjes. Deze ongehuwde geestelijke dochters ondersteunden hem niet alleen bij de pastorale taken, maar de kapitaalkrachtigsten onder hen verschaften hem ook voldoende middelen om het gebouw in te richten en te verfraaien. Aan het vermogende klopje Anna van Geffe, van wie ook nog een portret nog in het bezit is van de Sint-Josephkerk, had Simpernel het te danken dat na zijn overlijden een grote geldschuld kon worden weggewerkt.[2]

Opmerkelijk is dat van deze grondlegger van de Sint-Josephparochie maar liefst drie geschilderde portretten bewaard zijn gebleven. Museum Gouda heeft een unieke collectie schilderijen en voorwerpen die de rooms- en oud-katholieke kerkgeschiedenis van Gouda illustreren. Dat verhaal wordt ook op prachtige wijze aan het publiek getoond, met in de Gasthuiskapel alle altaarstukken die tot 1573 stonden in de (in herbouw zijnde) grote Sint-Janskerk, aangevuld met kunstwerken uit de drie seculiere Goudse staties (schuilkerken) en de statie van de Jezuïeten uit de Keizerstraat. Tot nu toe ontbrak in de collectie-uitstalling het laatste stukje van het verhaal, namelijk de statie van de minderbroeders (rechtstreekse voorganger van Gouda’s grootste rooms-katholieke kerk in onze tijd). De drie werken, die nu in bruikleen zijn afgestaan aan het museum, maken dit verhaal compleet en zullen hopelijk op termijn een plekje krijgen in de vaste opstelling. Daarbij gaat het om:

* Een portret van Gregorius Simpernel (zie boven). Dit schilderij is reeds in bezit (en in het magazijn) van het Museum Gouda en toont een nog jeugdige pater. Hij is geheel in de stijl van de minderbroeders gekleed in een eenvoudige bruine pij en heeft zijn handen vroom gevouwen. De handen zijn tamelijk primitief geschilderd, maar het hoofd van de pater is beter getroffen en is zeker karaktervol te noemen. Oorspronkelijk was dit schilderijtje in het bezit van het Weeshuis van Gouda. Vreemd is dit niet, want het portret is hoogstwaarschijnlijk rond 1640 vervaardigd door Jan Ariansz Duyf (1617-1647), een weeskind met artistieke kwaliteiten, die leerling was van zijn neef Wouter Pietersz Crabeth.

* Jan Duyf was ook de schilder van een tweede, nog opmerkelijker, portretje van Simpernel. Het toont de pater ten voeten uit, opnieuw gekleed in zijn franciscaner pij, maar nu liggend op zijn doodsbed, met een crucifix in de hand. Onder zijn hoofd ligt een korenschoof en hij is omgeven door tal van symbolen die verwijzen naar de tijdelijkheid van het leven en de redding die nabij is door het offer van Jezus. De korenaren zijn bedoeld als een verwijzing naar de ‘hemelse wedergeboorte’. Verder is een Mariabeeldje te zien in een stralenkrans, met onder haar voeten een tekstrol uit 1649, met als opschrift: Pater Gregorius Simpernellius XXVI Februarii in Deo obiit (Pater Gregorius Simpernel overleed in de Here op 27 februari).

simper

Nadere beschouwing leert dat Maria een zwaard in haar borst heeft. Dit is een verwijzing naar de profetie van Simeon: “Ook door uw ziel zal een zwaard gaan”. In witte schrijfletters wordt in dichtvorm de lof gezongen op Simpernel, die in vijftien jaar tijd honderden zielen gewonnen zou hebben voor het geloof. Van dit doodsportretje zouden meerdere exemplaren hebben bestaan, die bedoeld waren als devotionalia (ter stimulering van de vroomheid van de gelovigen). Het schilderijtje van Simpernel op zijn doodsbed heeft altijd een plek gehad in de pastorie van de Sint-Josephkerk; al aan de Gouwe en nu nog steeds aan het Aalberseplein. Het is in de vorige eeuw opnieuw ingeraamd, waarbij op de lijst in sierlijke letters de belangrijke jaartallen en activiteiten van de minderbroeders in Gouda zijn geschreven. Mogelijk is dit gebeurd door of op initiatief van pater Dalmatius van Heel, een van de laatste bruingepijde paters die te zien was in het straatbeeld in Gouda en die kort na de Tweede Wereldoorlog de Geschiedenis van de Minderbroeders te Gouda te boek stelde. In dit boek, maar ook in andere publicaties, zijn foto’s van beide schilderijtjes afgedrukt, maar alleen in tamelijk eenvoudige zwartwit-opnames.

* Het derde portret betreft een portret van een klopje uit het midden van de zeventiende eeuw. Afgaand op de provenance (afkomstig uit en bewaard in de St-Jozefparoche en de klopminderbroederstatie van Pater Simpernel) wordt ervan uitgegaan dat het om een minderbroederklopje gaat. Simpernel zelf had al zeker dertig klopjes – ongehuwde vrouwen die hun leven volledig wilden wijden aan Jezus en zijn kerk – in zijn entourage en dat gold ook voor zijn opvolger Joannes van der Elst. Gelet op de belangrijke rol die een specifieke klop bij de financiering van de minderbroederstatie in deze jaren heeft gespeeld (zij bestemde 4000 gulden voor de kerk), het formaat en de uitvoering, wordt ervan uitgegaan dat het hier om Anna van Geffe gaat. Het betreft een vrouw op middelbare leeftijd, afgebeeld tegen een donkere achtergrond. Zij kijkt de toeschouwer recht aan en heeft een boekje in haar hand. Mogelijk is het een kloppenboekje of bijbel, waarmee de onbekende schilder verwijst naar de religieuze identiteit en wijsheid van de vrouw. Hoewel het om een traditioneel kloppenportret lijkt te gaan (in de Republiek waren er na het kloosterverbod geen nonnen meer), zijn er geen eenduidige religieuze verwijzingen zoals een heiligenbeeld, crucifix, rozenkrans etc. op het schilderij te zien.

[1] Bijzonderheden over Simpernel zijn te vinden in Dalmatius van Heel, De Minderbroeders te Gouda, deel II, (Gouda 1947) 18-30; J. Schouten, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten (Alphen a/d Rijn 1980) 91-97; X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 (Delft 1994) 97-103 en P.H.A.M. Abels e.a. (ed.), Ignatius Walvis. Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (1525-1712) (Delft 2012) passim en Paul H.A.M. Abels, ‘Portretten van Peter Simpernel, de grondlegger van de St.-Josephkerk, in: De Tidinge 31 (2013) 66-68. ‘Peter is een drukfout van de drukker van de Tidinge; lees Pater)

[2] Zie over de klopjes en Anna van Geffe: M.A.W.L.M. Abels, Tussen sloer en heilige. Beeld en zelfbeeld van Goudse en Haarlemse kloppen in de zeventiende eeuw (Gouda 2010).