Het nieuwe Goudse Glas in de Sint-Jan: tussen vrees en hoop

Op deze site heb ik eerder twi­jfels geuit over de plan­nen om in de Goudse Sint-Janskerk een nieuw gebrand­schilderd glas te plaat­sen ter gele­gen­heid van het Eras­mus­jaar 2016. De eerste pub­li­caties hierover in de plaat­selijke media, inclusief een afbeeld­ing van een klein frag­ment van het glason­twerp, deden mij vrezen voor een dis­so­nant in het zo har­monis­che glazen­pro­gramma van deze mon­u­men­tale kerk. Boven­dien ver­weet ik de ini­ti­atiefne­mers een gebrek aan open­heid en betrokken­heid van Gouwe­naars bij de besluitvorm­ing en keuze.

Een antwo­ord liet niet lang op zich wachten. De opdracht­ne­mer, glaze­nier en beeldend kun­ste­naar Marc Mul­ders, en de opdracht­gever, muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn reageer­den bei­den per mail. Mul­ders stu­urde per ommegaande de schriftelijke con­cepten en ideeën die ten grond­slag liggen aan het ontwerp en bei­den nodig­den mij uit voor een bezoek aan het glasate­lier in Tilburg op een moment dat de ver­vaardig­ing van het glas enigszins gevorderd was. Uit­er­aard heb ik de uitn­odig­ing aangenomen in het belang van een meer onder­bouwde oordeelsvorming.

Op 19 mei stapte ik dan ook, gewapend met de nodige scep­sis, in een busje dat een

Een gedreven Marc Mulders geeft uitleg over zijn Goudse Glas

Een gedreven Marc Mul­ders geeft uit­leg over zijn Goudse Glas

gezelschap belang­stel­len­den naar Tilburg bracht. Daar wer­den we bedol­ven onder een stortvloed van Bra­bantse gastvri­jheid en een niet afla­tende woor­den­stroom van de kun­ste­naar. En de bezoek­ers kre­gen ruim de tijd om het in word­ing zijnde glas, dat in zijn volle omvang plat op een lage licht­bak lag, te bek­ijken en te bespreken. De mij toege­zon­den doc­u­menten en — meer nog — het engage­ment en de gedreven­heid van Mul­ders maak­ten in elk geval duidelijk dat de maker niet over een nacht ijs is gegaan. Hij  leeft zich in in Eras­mus en probeert het wezen van diens ideeën te vat­ten. Maar hij heeft niet alleen zijn eigen cre­atie voor ogen, maar ook de mon­u­men­tale omgev­ing waarin het glas zich zal moeten voe­gen, zowel qua vorm en kleur als qua bood­schap. De kun­ste­naar is nog mid­den in het schep­ping­spro­ces, dus het is nog moeil­ijk door het (let­ter­lijk) voorliggende raam heen te kijken naar het eindresultaat.

Hoe het uitein­delijk zal uit­pakken als het fonkel­nieuwe glas las in feb­ru­ari 2016 onthuld zal wor­den bij de

Het Goudse Glas in wording. Misleidend is het wit van de lichtbakken, terwijl ook de figuratieve elementen nog ontbreken.

Het Goudse Glas in word­ing. Mis­lei­dend is het wit van de licht­bakken, ter­wijl ook de fig­u­ratieve ele­menten nog ontbreken.

open­ing van het Eras­mus­jaar in Gouda, is nog onzeker. Mul­ders werkt namelijk niet vanuit een vast­staand ontwerp, zoals veel glaze­niers in het heden en verleden deden met behulp van een aan de opdracht­gev­ers voorgelegd ‘vidimus’, maar werk­endeweg. Wel is er een hoofd­con­cept en hanteert hij rand­voor­waar­den. Dat hoofd­con­cept is er een van hoop in donkere tij­den, met de opstand­ing als wenk­end en lich­t­end per­spec­tief. Het Kwaad wordt door het Goede naar de zijkan­ten van het bestaan gedrukt. Het licht en donker ver­taalt zich ook in de gebruikte kleuren, die nauw aansluiten bij de drie hoofdt­in­ten — van onder naar boven — in de meeste  Goudse Glazen: grijs, oranje en blauw. Geen schree­uwende, uit de toon val­lende kleuren dus. En Het wordt ook geen volledig abstract glas, maar een com­bi­natie van abstrac­tie en figuratie.

Van groot belang is ook de plek waar het glas geplaatst zal wor­den: niet pal naast de grote zestiende– of zeventiende-eeuwse glazen, maar in de zuidz­i­jde achter­aan, op een plek waar nu nog een moza­ïek­glas met scher­ven die overbleven bij de restau­ratie van Jan Schouten in de jaren der­tig. Daarmee komt het glas niet alleen recht tegen­over het tot op heden laat­ste glas dat in de kerk werd aange­bracht, het bevri­jd­ings­glas, maar ook in de directe nabi­jheid van het ‘Coorn­hert­glas’, het raam met een alle­gorische ver­beeld­ing van de Vri­jheid van con­sciën­tie (geweten). Daarmee zouden het gedachte­goed van Coorn­hert en Era­sumus, als pijlers onder het vri­jzin­nige geestelijke kli­maat in het vroeg­mod­erne Gouda, vanaf vol­gend jaar weer­spiegeld wor­den in twee naburige glazen. In die zin valt het glas ook zeker niet uit de toon, maar kan het een waarde­volle verdere inkleur­ing wor­den van het bij­zon­dere ver­haal dat in de ramen van de Sint-Jan wordt verteld.

De voor­lop­ige tussen­bal­ans met betrekking tot het nieuwe Goudse Glas is dus niet negatief. Los van de gebrekkige betrokken­heid van de Goudse gemeen­schap bij dit plan en de vraag of na de Bevri­jd­ing het Eras­mus­jaar wel belan­grijk genoeg is om er een glas aan te wij­den, lijken andere zor­gen na het bezoek aan Tilburg en de toelicht­ing van Marc Mul­ders in belan­grijke mate te wor­den weggenomen. Die hoop heb ik zeker, en die is net zo sterk als de hoop die het glas moet verbeelden.

Tentoonstelling over Marokkanen in Gouda trekt aandacht; met dank aan Nico Habermehl

Over vijf maan­den gaat de ten­toon­stelling Lalla Golda van start in Museum Gouda, geor­gan­iseerd door de Sticht­ing Boug­haz. De voor­berei­din­gen zijn in volle gang en de lokale media hebben het opgepikt. De reac­ties zijn zeer posi­tief. Mooi was dat van­daag niet alleen een groot stuk in het Alge­meen Dag­blad — Groene Hart stond over de exposi­tie, maar ook een bijna pag­i­na­grote necrolo­gie van Nico Haber­mehl, de bedenker van de ten­toon­stelling. Boughaz2Boughaz   Nico

Gouds Librijebord uit 1648 terug in de Sint-Janskerk?

Eigen­lijk was iedereen het ding allang ver­geten. Het ruim vier meter brede zwarte bord met de in goud geschreven namen van Goudse Lib­ri­je­meesters uit 1648–1649 hing ver­weesd in een klaslokaal van de Casimirschool, een lesruimte die een jaar gele­den beschik­baar kwam toen het Streekarchief Midden-Holland ver­huisde naar zijn nieuwe onderkomen in de Chocalade­fab­riek. Blijk­baar was het bord te groot en te onhandig om mee te ver­huizen en bleef het achter. Pas toen medew­erk­ers van Museum Gouda het fragiele gevaarte voorzichtig van de muur kwa­men halen om het een plaats te geven in een tijdelijke ten­toon­stelling over de boek­drukkunst, ont­dek­ten de juf en haar kinderen dat er al die tijd iets heel bij­zon­ders boven hun hoofd had gehangen. OLYMPUS DIGITAL CAMERA Voor­dat het Lib­ri­je­bord kon wor­den beves­tigd aan de muur in het museum moest het eerst grondig schoonge­maakt en ver­ste­vigd wor­den. Er moest zelfs een spe­ciale con­struc­tie gemaakt wor­den om het grote object te onder­s­te­unen en op de gewen­ste plek, boven enkele replica’s van boekenkas­ten te studeerbeves­ti­gen. Na reinig­ing werd de schoonheid van het bord pas goed zicht­baar, waar­door het onmisken­baar de blik­vanger van de ten­toon­stelling Uit­gelezen werd. Aan de link­erz­i­jde van het bord is een geleerde te zien, die zit te stud­eren in de Lib­rije, het boek openges­la­gen op een stan­daard. Voor hem ligt een stuk perka­ment en een ganzen­veer en staat een ink­t­s­tel, zodat hij aan­tekenin­gen kan maken. Boven hem hangt een olielam­pje, dat lezen bij duis­ter­nis mogelijk moet maken. Daar weer boven is een boeken­plank te zien, waar­bij opvalt dat de boeken met de rug naar de muur zijn geplaatst en met de boekklam­pen – waarmee de boek­ban­den bij elkaar gehouden wer­den – naar voren. De geleerde zit op een een­voudig houten krukje, met achter zich een haan, ongetwi­jfeld het sym­bool van lezen (denk aan de bek­ende ‘hanen­boek­jes’ waaruit kinderen leer­den lezen) en van wijsheid. Aan de andere flank van het bord is een vrouwen­figuur te zien. Daar­bij valt allereerst op dat het meest rechtse deel van de afbeeld­ing verd­we­nen is en ver­van­gen door enkele vernieuwde plankjes; ongetwi­jfeld het resul­taat van een aan­pass­ing van het bord in latere

De achterzijde van het Librijebord laat zien, dat de conditie slecht is en restauratie noodzakelijk

De achterz­i­jde van het Lib­ri­je­bord laat zien, dat de con­di­tie slecht is en restau­ratie noodzakelijk

tijd. De vrouwen­figuur zelf lijkt de voor­naam­ste dis­ci­plines of weten­schap­pen te ver­beelden waar­van boeken in de Lib­rije te vin­den waren: het hert aan haar voeten voor de natu­ur­weten­schap­pen, de escu­laap in haar link­er­arm voor de medis­che weten­schap, de spiegel in haar hand voor de filosofie en de kroon op haar hoofd ver­beeldt de kroon van alle weten­schap­pen in die dagen, de the­olo­gie. In het mid­den van het bord wordt in sier­lijke gouden let­ters de lof gezon­gen op de Lib­ri­je­meesters uit het mid­den van de zeven­tiende eeuw, onder wier bewind een ingri­jpende restau­ratie en mod­erniser­ing van de stads­boek­erij plaatsvond. Met hun pro­fes­sionele achter­grond verte­gen­wo­ordi­gen zij als het ware ook de vier eerder genoemde weten­schap­pen. Naast de gere­formeerde predikan­ten Scepe­rus en Hein­sius, zijn ook de medicus Bloncq en de apotheker Cincq ver­meld. De vijfde lib­ri­je­meester in de lijst is de beroemde Goudse regent en diplo­maat van stad­houder Willem III, Hierony­mus van Bev­ern­ingh (ja, van die statige laan). In de notulen van de lib­ri­je­meesters valt te lezen dat hij het is geweest, die het ontwerp voor het bord heeft gemaakt.

Het Librijebord wordt weer van de muur gehaald, nu de tentoonstelling voorbij is. Daar zijn niet minder dan zes museummedewerkers

Het Lib­ri­je­bord wordt weer van de muur gehaald, nu de ten­toon­stelling voor­bij is. Daar zijn niet min­der dan zes museummedewerkers

De opval­lende afmetin­gen en de hal­fronde vorm – inclusief de kleine inkeping bove­naan — van het Lib­ri­je­bord zijn een­voudig te verk­laren. Het bord is exact op maat gemaakt voor de ruimte in de Sint-Janskerk, waar de bib­lio­theek vanaf eind zestiende eeuw was gehuisvest. De Goudse Lib­rije was namelijk eeuwen­lang onderge­bracht in het zaaltje boven de toeris­teningang van de Sint-Jan. Sail­lant detail daar­bij is overi­gens dat het toeris­ten­winkeltje is geves­tigd in de voor­ma­lige Van Bev­ern­inghkapel, waar de genoemde ontwer­per van het lib­ri­je­bord begraven heeft gele­gen. De Lib­rije bevond zich dus eeuwen­lang recht boven zijn hoofd. Eind negen­tiende eeuw is besloten het boek­bezit van de Lib­rije over te bren­gen naar de kapel van het Catha­rina Gasthuis, waar nu het museum gehuisvest is. De ver­huiz­ing in 1893 geschiedde vooral in ver­band met ruimtege­brek. Ver­vol­gens is de Lib­rije in 1977 opnieuw ver­huisd, toen naar het stads(thans streek)archief in het weeshuis­com­plex, waar de boeken verd­we­nen in stalen archiefkas­ten, voor­taan onzicht­baar voor het grote pub­liek. Het bord en de inger­aamde naam­li­jsten van sleutel­rechthoud­ers ver­huis­den steeds mee; boekenkas­ten en andere onderde­len van de Lib­rije wer­den blijk­baar verkocht of bij het grof vuil gezet. Dat laat­ste gold ook voor het eeuwe­noude col­lege van Lib­ri­je­meesters, dat in 1980 werd ont­bon­den. Toen het archief vorig jaar ver­huisde naar de Choco­lade­fab­riek, ging het kost­bare boeken­bezit niet mee naar die locatie, maar naar het archiefde­pot in Moor­drecht. Met de ten­toon­stelling Uit­gelezen hebben de Gouwe­naars en andere bezoek­ers gedurende drie maan­den een glimp kun­nen opvan­gen van hoe de Goudse Lib­rije er ooit in al zijn pracht heeft uit­gezien. Over twee weken is dit echter voor­bij en verd­wi­j­nen de kost­bare boeken en atlassen weer richt­ing het depot in Moor­drecht, net als de

Namenlijst van sleutelrechthouders aan de muur. In de vitrine de catalogusplankjes uit de Librije

Namen­li­jst van sleutel­rechthoud­ers aan de muur. In de vit­rine de cat­a­lo­gus­plankjes uit de Librije

archief­plankjes, wapen­boeken en naam­li­jsten van de sleutel­rechthoud­ers. Wat er met het reusachtige lib­ri­je­bord zal gebeuren is nog niet duidelijk. Dat het terugge­hangen zal wor­den in het klaslokaal van de basiss­chool lijkt uit­ges­loten. Meer waarschi­jn­lijk is het dat het pro­vi­sorisch weggeschoven zal moeten wor­den achter een archiefkast in het genoemde depot. De Goudse streekarchivaris Sigfried Janz­ing heeft daarom op twit­ter al gesug­gereerd dat het bord beter een vaste plek zou moeten kri­j­gen in het museum. Gelet op de vele ent­hou­si­aste reac­ties van bezoek­ers aan de ten­toon­stelling op de tijdelijke librije-opstelling zou het terug­plaat­sen van het bord op zijn oor­spronke­lijke plek in de Sint-Janskerk vol­gens mij een betere keus zijn. Bij het opdoeken van de oor­spronke­lijke Lib­rije zijn onderde­len ver­spreid ger­aakt over het museum, het plank2archief en de kerk. Het ophangen van het bord in de vroegere Lib­ri­jezaal – waar tegen­wo­ordig de Sticht­ing Goudse Sint-Jan kan­toor houdt – zou een mooie aanzet kun­nen zijn om deze ruimte op den duur te benut­ten voor een kleine – vaste – Lib­ri­je­ten­toon­stelling, als extra attrac­tie voor toeris­ten en andere bezoek­ers van de kerk. Ook de naam­bor­den van de sleutel­rechthoud­ers, de houten cat­a­lo­gus­plankjes en een kleine – miss­chien wis­se­lende – selec­tie van Lib­ri­je­boeken zouden daar getoond kun­nen wor­den. Dat alles zou gere­aliseerd kun­nen wor­den onder begelei­d­ing van een te reanimeren col­lege van Lib­ri­je­meesters, in nauw con­tact met de kerkvoogdij en de Sticht­ing Sint-Janskerk.

Mocht de Librije in enigerlei vorm terugkeren in de Sint-Jan, dan zou er meteen iets gedaan moeten worden aan de 'rommel' naar en over de toegangssteen

Mocht de Lib­rije in eniger­lei vorm terugk­eren in de Sint-Jan, dan zou er meteen iets gedaan moeten wor­den aan de ‘rom­mel’ naast, boven en over de toe­gangssteen boven de deur naar de stadsboekerij

Als het ooit weer mogelijk zou zijn dat bezoek­ers van de Sint-Jan de trap weer kon­den nemen onder de gevel­steen Lib­rije en de tekst “Dis­cere ne cesse” (houd nooit op met leren), dan heeft de tijdelijke ten­toon­stelling Uit­gelezen in Museum Gouda ook voor de lan­gere ter­mijn zijn uitwerk­ing niet gemist.

Boughaz op zoek naar de ideale Marokkaanse vrouw in Gouda

In 1965, pre­cies vijftig jaar gele­den, ves­tig­den de eerste Marokka­nen zich in Gouda. Dat waren man­nen, die naar Ned­er­land gehaald wer­den om te werken als goed­kope arbei­d­skrachten in de indus­trie. Zij gin­gen vaak smerig en een­tonig werk doen; werkza­amhe­den waar maar weinig Ned­er­lan­ders meer voor te por­ren waren. Ze kwa­men alleen en kre­gen onder­dak in een van de vele pen­sions die inder­haast uit de grond gestampt wer­den door de bedri­jven die deze gas­tar­bei­ders naar Gouda haalden, of door inwon­ers van de stad die de kans aan­grepen om in korte tijd veel geld te ver­di­enen met hun vaak slecht onder­houden pan­den. In deze pen­sions sliepen de man­nen in dicht op elkaar gestapelde bed­den, waarin zij droom­den van de terug­keer naar hun vrouw en kinderen met een goed gevulde portemonnee.

Foto van de antropoloog David Hart uit 1954 van een traditionele Marokkaans-berberse bruid, op weg naar haar toekomstige echtgenoot

Foto van de antropoloog David Hart uit 1954 van een tra­di­tionele Marokkaans-berberse bruid, op weg naar haar toekom­stige echtgenoot

Het liep alle­maal heel anders. De man­nen keer­den meestal niet terug, maar lieten op den duur hun gezin naar Ned­er­land overkomen. De in Marokko achterge­bleven echtgenotes had­den voor de moeil­ijke taak ges­taan jaren­lang vader én moeder tegelijk te zijn voor hun kinderen. Ver­vol­gens moesten zij hun vertrouwde omgev­ing achter­laten, om zich te ves­ti­gen in een koud, nat en vreemd land, waar ze de taal niet spraken, hun fam­i­lie moesten mis­sen en een kroost moesten ver­zor­gen en opvoe­den in vaak bedompte oude wonin­gen. Ter­wijl hun man­nen in alle vroegte naar hun werk gin­gen en daar collega’s ont­moet­ten die dezelfde taal spraken en gewoontes had­den, moesten de vrouwen zich weer alleen red­den. Heimwee en depres­siviteit overvie­len menigeen. Toch wis­ten zij te over­leven, soms met hulp van een ome Piet of tante Riet, die bereid waren enige taal– of fiet­s­lessen te geven, maar vaak ook volledig aangewezen op hun eigen over­lev­ingskracht. Zij ston­den in de schaduw van de man­nen en bleven en bli­jven ook nu nog vaak let­ter­lijk buiten beeld.

De Sticht­ing Boug­haz, organ­isator van de ten­toon­stelling over 50 jaar Marokka­nen in LallaGouda, die dit najaar te zien zal zijn in Museum Gouda, hebben besloten deze Marokkaanse vrouwen in Gouda te eren als stille heldin­nen van de migratie. Zij kozen daarom voor LALLA GOLDA als titel van de exposi­tie, wat in het Marokkaans zoveel betekent als Madam Gouda of Gouden Vrouw. De organ­isatoren willen daar­bij ook bijna let­ter­lijk een stand­beeld voor deze vrouwen oprichten, in de vorm van een fraaie kledij gesto­ken beeld. Deze vrouw moet als het ware de verbind­ing sym­bol­is­eren tussen het oude Marokkaanse moed­er­land en de nieuwe Gouds-Nederlandse omgev­ing. Haar kled­ing, sier­raden en overige uit­doss­ing moeten tra­di­tie en moder­niteit com­bineren op een manier, dat zij model kan staan voor Marokkaans-Nederlandse vrouwen die zelf­be­wust de vol­gende vijftig jaar in deze stad tege­moet treden.

Boug­haz roept iedereen, maar in het bij­zon­der vrouwen en meis­jes met een Marokkaans-Nederlandse achter­grond, op ideeën of ontwer­pen aan te lev­eren voor de ide­ale LALLA GOLDA. Uitein­delijk zal het beoogde stand­beeld mede op basis van deze ideeën en ontwer­pen vorm kri­j­gen, waar­bij alle inzen­ders een uitn­odig­ing zullen kri­j­gen om bij de onthulling en de open­ing van de ten­toon­stelling aan­wezig te zijn.

STUUR UW IDEEËN OF ONTWERP VOOR DE IDEALE LALLA GOLDA, met ver­meld­ing van naam en email-adres naar secretariaat@boughaz.nl

Artikel Nico Habermehl over de islam in Gouda oogst lof hoogleraar protestantisme

De jubileum­bun­del van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd) heeft een mooie besprek­ing gekre­gen in het His­torisch Tijd­schrift Hol­land, geschreven door door Fred van Lieburg, bij­zon­der hoogler­aar Geschiede­nis van het Ned­er­lands protes­tantisme aan de Vrije Uni­ver­siteit. Opmerke­lijk is, dat hij hierin het artikel van wijlen Nico Haber­mehl pri­jst als boeiend en grensver­leggend voor de VNK.

Hieron­der de recen­sie van Van Lieburg: Dit boek ver­scheen ter gele­gen­heid van het 25-jarig bestaan van de Verenig­ing voor ScanNed­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK), die op 27 mei 1989 in Gouda werd opgericht. Deze aan­lei­d­ing vormt de helft van de verk­lar­ing van de hoofdti­tel Terug naar Gouda en van de inhoud van de bun­del, die voor een deel bestaat uit artike­len over de geschiede­nis van deze inter­con­fes­sionele verenig­ing van beroeps– en ama­teurk­erkhis­torici. De andere helft van de verk­lar­ing is dat de meeste artike­len – net als inder­tijd de eerste bun­del die door de VNK werd uit­gegeven – gewijd zijn aan onder­w­er­pen uit de Goudse religie– en kerkgeschiede­nis. In één artikel, dat van John Exalto over ‘De opmars van de bevin­delijk gere­formeer­den in de his­to­ri­ografie’, lopen beide per­spec­tieven zelfs een beetje door elkaar, in zoverre als de recente geschied­schri­jv­ing van de Bible­belt geïl­lus­treerd wordt vanuit plaat­selijke ontwik­kelin­gen op het ter­rein van kerk en onder­wijs. De overige bij­dra­gen over Gouda zijn pri­mair lokaal-historisch van aard, wat uit­er­aard niet weg­neemt dat ze daarmee een spiegel vor­men van gewest­elijke of inter­na­tionale ontwik­kelin­gen in de geschiede­nis van het chris­ten­dom. Wel hebben deze bij­dra­gen vri­jwel alle­maal betrekking op de late Mid­deleeuwen en de Refor­mati­etijd. Voor de lez­ers van Hol­land ligt daarin dan ook de groot­ste waarde van deze bun­del cas­es­tud­ies over het gods­di­en­stige leven in de vroeg­mod­erne periode.

Koen Goudri­aan beschri­jft enkele, rond 1500 in Gouda gedrukte boeken waarin de beteke­nis van de mis werd uit­gelegd. Hij plaatst deze in de con­text van een kerke­lijk catechese-offensief waarmee geestelijken de aan­dacht van leken voor de eucharistie probeer­den terug te win­nen. Jan van Her­waar­den behan­delt straf­be­de­vaarten die tussen 1447 en 1563 door Goudse rechters wer­den opgelegd aan per­so­nen die zich aan aller­lei kleinere of grotere overtredin­gen had­den schuldig gemaakt. Drie artike­len, geschreven door Mir­jam van Veen, Kees Plaizier en Gert­jan Glis­mei­jer, gaan in op de min of meer spir­i­tu­al­is­tis­che stro­ming in het door con­fes­sion­al­isme beïn­vloede protes­tantisme rond 1600, verte­gen­wo­ordigd door auteurs als Dirck Vol­ck­ertsz. Coorn­hert en Her­man Her­bers. De aan­dacht voor deze schak­er­ing van het chris­telijke spec­trum wordt in de bun­del niet echt gecom­penseerd door stud­ies over de gere­formeerde ortho­doxie, die uitein­delijk ook in Gouda lang­durig de toon aan­gaf. Maar liefst drie artike­len, aange­bo­den door Paul Abels, Marieke Abels en Mar­i­anne van der Veer, bestrijken het rooms– en oud-katholieke leven in Gouda in de vroeg­mod­erne tijd. De negen­tiende en twintig­ste eeuw komen er in de bun­del bekaaid af. Gelukkig leverde Henny van Dolder-de Wit nog een lezenswaardige bij­drage over de kerk­muzikale ontwik­kelin­gen in de Goudse her­vor­mde gemeente in de loop der eeuwen.

Zoals gezegd hinkt de bun­del een beetje op twee gedachten – de religiegeschiede­nis van Gouda en de geschiede­nis van de VNK zijn ver­mengd. Veel aan­dacht wordt besteed aan de ver­schillen tussen het in 2005 uit­gegeven hand­boek Ned­er­landse religiegeschiede­nis en het een jaar later gepub­liceerde Hand­boek Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. Vreemd genoeg heeft de VNK zich van meet af aan nogal sterk met het laat­stge­noemde werk geï­den­ti­ficeerd. Daarmee ver­bon­den was een kram­pachtige verdedig­ing van iets wat spec­i­fiek ‘kerkgeschiede­nis’ in tegen­stelling tot ‘religiegeschiede­nis’ zou moeten heten. Het is winst dat in deze bun­del meer nuchter­heid wordt betra­cht en zelfs een zekere spijt wordt betu­igd dat een kwarteeuw gele­den niet gewoon een Verenig­ing voor Ned­er­landse Religiegeschiede­nis is opgericht. Ini­ti­atiefne­mer Henk ten Boom voorzag al tij­dens een bestu­ursver­gader­ing in decem­ber 1988 dat het vak zich in deze richt­ing zou bewe­gen. Zelf heb ik aan het einde van een voor­berei­d­ings­bi­jeenkomst van de oprichters op schrikkeldag 1988 voorgesteld de aan­dacht niet te beperken tot het chris­ten­dom, maar ook het joden­dom erbij te betrekken. Van de opmars van de islam in Ned­er­land had ik nog geen kaas gegeten. Ook in de eerste VNK-bundel over Gouda wordt met geen woord over moslims gerept, hoewel de stad in 1989 al twee moskeeën telde. Teke­nend voor de ver­schuivin­gen in his­to­rie én his­to­ri­ografie is dat in de huidige bun­del een boeiend artikel over de islam in Gouda is opgenomen van de vorig jaar overleden his­tori­cus Nico Haber­mehl. Daarmee kri­jgt de onder­ti­tel van het boek – Religieus leven in de maal­stroom van de tijd – het volle pond en toont de VNK vol­wassen te zijn gewor­den. Haar open­heid voor een in alle opzichten brede beoe­fen­ing van de geschiede­nis van religie, geloof en kerk in Ned­er­land ver­di­ent lof en steun. De frisse blik op de toekomst blijkt ook uit de feestrede die Willem Fri­jhoff hield bij de pre­sen­tatie van de bun­del op de VNK-jubileumdag op 11 okto­ber 2014 in Gouda. Zijn titel bevatte een uitroepteken en een vraagteken – in die vol­go­rde: ‘Lang leve de kerkgeschiedenis!?’

Paul H.A.M. Abels, Jan Jacobs en Mir­jam van Veen red., Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd Meinema, Zoeter­meer, 2014, 304 p., geïll., ISBN 9021143720, prijs €28,50

Gouds stadhuis in fantasieomgeving van Willem Koekkoek

Op pres­tigieuze kunst en antiek­beurs Art Breda, die deze week zijn (tent)deuren opende in de West-Brabantse stad, wordt een opmerke­lijk schilderij van het stad­huis van Gouda aange­bo­den, geschilderd door de negentiende-eeuwse schilder Willem Koekkoek (1839–1895). Willem Koekkoek was zoon en leer­ling van de mari­neschilder Her­manus Koekkoek sr. Hij spe­cialiseerde zich in het schilderen van gefan­taseerde Hol­landse stads­gezichten, waar­bij Cor­nelis Springer zijn grote voor­beeld was. Het grote doek (77 x 112 cm) laat goed zien hoe hij daar­bij fan­tasie en werke­lijkheid com­bi­neerde. Het stad­huis is behoor­lijk waarhei­ds­getrouw weergegeven, maar iedereen die de sit­u­atie op en rond de Goudse Markt kent zal meteen zien dat de overige pan­den weinig gemeen hebben met de werke­lijkheid. Koekkoek heeft het Goudse stad­huis in een Anton Pieck­achtige omgev­ing geplaatst, om zo als negentiende-eeuwer een roman­tisch beeld van de Gouden Eeuw te geven.

Fantasieweergave van de Goudse Markt, geschilderd door Willem Koekkoek

Fan­tasie­weer­gave van de Goudse Markt, geschilderd door Willem Koekkoek

De weer­gave van de bebouwing rond het stad­huis maakt het niet erg waarschi­jn­lijk dat Koekkoek dit tafer­eel ter plaatse, in Gouda, ver­vaardigd heeft. Miss­chien heeft hij het

Achttiende-eeuwse prent van het Goudse stadhuis

Achttiende-eeuwse prent van het Goudse stadhuis

Goudse stad­huis zelfs nooit met eigen ogen aan­schouwd. Waarschi­jn­lijk heeft hij zich bedi­end van een oude prent van het stad­huis, waar­van er diverse in ruime aan­tallen in omloop waren. Uit uiter­lijk van het stad­huis is tot in detail namelijk op vergelijk­bare wijze weergegeven.  Even vreemd als de bebouwing is ook de kled­ing van de vele mensen die zich rond de kraam­p­jes op de markt bevin­den. Hier zien we zowel mensen met een zeventiende-eeuwse kledij, als mensen met kled­ing die in de mode was in de tijd dat Koekkoek leefde. Schilder­i­jen als deze zijn lange tijd ver­guisd van­wege hun valse romantiek. De afgelopen decen­nia hebben ze echter snel aan waarde gewon­nen, zo sterk zelfs, dat ze tegen­wo­ordig voor zeer grote bedra­gen van de hand gaan. Smaak veran­dert nu een­maal in de loop der tijden.

Lekenprediker komt uit de (boeken)kast

In de Lutherse St.-Joostkapel aan de Lage Gouwe, hield bovengetek­ende op zondag 15 maart de laat­ste Preek van de Leek van dit seizoen, geor­gan­iseerd door de Fed­er­atie van doops­gezin­den, remon­stran­ten en vri­jzin­nige protes­tanten. Bek­ende Gouwe­naars als muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn, Tweedekamer­lid  Mohan­dis, oper­azan­geres Tania Kross en interim-burgmeester Jan Mans gin­gen mij voor. Ik heb ervoor gekozen mijn liefde voor het oude boek als uit­gangspunt te nemen voor de preek.

Beminde gelovi­gen en ongelovigen,

Een lekenprediker op de kansel van de Sint-Joostkapel. Foto: Bobby de Vos

Een leken­prediker op de kansel van de Sint-Joostkapel. Foto: Bobby de Vos

Van­daag gaat voor mij een lang gekoes­terde wens in vervulling, namelijk zelf een keer op 
de kansel staan om de goege­meente toe te spreken. Al van jongst af aan ben ik namelijk gefasci­neerd door geloof en religie. De basis daar­voor werd uit­er­aard gelegd door mijn oud­ers, die zon­der dwang, maar met een grote vanzelf­sprek­end­heid ons het rooms-katholieke geloof met de spreek­wo­ordelijke paple­pel ingoten. Van grote invloed was ook mijn lange loop­baan – of beter gezegd kniel­baan – als mis­di­en­aar. Tij­dens de vele mis­sen die ik in de Almelose Sint-Egbertuskerk en het aan­pal­ende fran­cis­canessen­klooster mocht dienen – soms een weeklang ’s ocht­ends om zeven uur – heb ik de waarde van mystiek en riten van bin­nenuit en van nabij leren ken­nen. Het ein­de­loos dicht­knopen van de zwarte toga, het over het hoofd trekken van de witte sup­per­plie, het pre­cies op tijd legen van de ampullen met water en wijn in de kelk van de priester of het lang­gerekte ‘amen’ meezin­gen aan het eind van het Credo; het zijn stuk voor stuk repert­erende onderde­len die in in mijn geheugen gegrift staan. Net als: in alle vroegte flessen vullen uit zojuist geze­gende teilen met wijwa­ter en deze samen met palm­tak­jes rond­bren­gen langs parochi­a­nen. Of het vooro­plopen met het grote kruis en de wijwa­terem­mer plus kwast bij begrafenis­sen en in feestelijk rode toga’s assis­teren bij huwelijksinze­genin­gen. En dat alle­maal onder schooltijd! Op die manier maakte ik al vanaf mijn zevende lev­en­s­jaar mee hoe ver­driet en vreugde religieus ingekaderd en geduid werden.

Schriftlezing uit de Goudse Rammazeunbijbel uit 1647. Foto Bobby de Vos

Schriftlez­ing uit de Goudse Ram­mazeyn­bi­j­bel uit 1647. Foto Bobby de Vos

Waarschi­jn­lijk is met deze ervarin­gen mede mijn fas­ci­natie te verk­laren voor wat mensen ten diep­ste bezighoudt. Want anders kan ik het niet verk­laren dat ik in de roerige jaren zeventig tegen de stroom in koos voor een studie Kerkgeschiede­nis en dan ook nog uit­gerek­end in het toen vuur­rode bol­w­erk Nijmegen. Mijn vader liet daar­bij overi­gens niet na te benadrukken dat hij, maar ook al zijn oud­ers, jaren­lang betaald had­den om de sticht­ing van deze katholieke uni­ver­siteit mogelijk te maken en dat het een schande was dat diezelfde uni­ver­siteit nu haar katholieke achter­grond steeds meer leek te verloochenen.

Hoe het ook zij, ik kreeg toch de kans om in Nijmegen af te stud­eren bij een pro­fes­sor die als leerop­dracht had, het bestud­eren van de “Geschiede­nis van het Ned­er­lands Katholi­cisme”. Dat ik mij daar­bij kon toe­leggen op de geschiede­nis van de refor­matie en in het bij­zon­der de lev­ensver­halen van de eerste gere­formeerde dom­i­nees in Twente, toont overi­gens wel aan hoe breed de goede man zijn leerop­dracht opvatte. En zo kon het gebeuren dat ik uitein­delijk samen met mijn goede roomse vriend Ton Wouters op Her­vorm­ings­dag 1994 pro­moveerde op een proef­schrift over de Refor­matie in Delft en omstreken. Vanaf die tijd komt het voor dat ik in pub­li­caties niet als dr. Abels ver­meld sta, maar als ds. Abels. Het mag zo bezien dan ook weer geen ver­won­der­ing wekken dat ik het van­daag een protes­tantse kansel mag beklimmen.

(meer…)

Wie weet waarom het joodse schooltje is afgebroken?

Een lucht­foto van de bin­nen­stad die gemaakt werd in 1978 riep bij mij de vraag op of er rond de syn­a­goge geen waarde­volle joodse ste­nen herin­ner­in­gen zijn verd­we­nen. De foto laat achter het gebed­shuis enkele oude gebouwt­jes zien met een punt­dak. Vol­gens de web­site van de huidige eige­naar van het com­plex, de Vrije Evan­ge­lis­che Gemeente, wer­den de oude gebouwen achter de kerk als joodse school gebruikt en stond hele­maal achterin de tuin ook nog een reinigingsgebouw.

synagoge

Deze gebouwt­jes ston­den er dus nog in 1978. Als ik nu uit mijn achter­raam kijk zie ik een uit goed­kope witte steen­blokken opgetrokken bijge­bouw met plat dak en een dito mod­ern vierkant gebouw met punt­dak op de plek waar het lijken­huisje stond.

schandvlek

Wat is hier gebeurd? Kan iemand mij meer infor­matie ver­schaf­fen wat hier tussen 1978 en nu is gebeurd? De troost­eloze aan­blik van deze nieuw­bouw laat schri­j­nend zien hoe onzorgvuldig in Gouda is omge­gaan met het joodse erf­goed. Gelukkig lijkt het tij te keren. De plaats­ing van zoge­heten Stolper­steine, die herin­neren aan de joden die in de oor­log zijn weggevo­erd, vormt is dit opzicht een keer­punt ten goede.

Een joods wijkje
Sinds bijna vijf jaar woon ik aan de Turf­markt, twee huizen ver­wi­jderd van de voor­ma­lige 260px-Turfmarkt_Gouda_met_voormalige_synagogesyn­a­goge. Een joods gebed­shuis is het allang niet meer. Vri­jwel alle Goudse joden wer­den tij­dens de oor­log op trans­port gesteld en overleden in de verni­etig­ingskam­pen van de nazi’s. Slechts een enkel­ing kwam terug. Aan het joods gemeen­televen kwam daarmee op de meest ruwe wijze een eind en het gebed­shuis werd na de oor­log verkocht aan de Vrije Evan­ge­lis­che Gemeente, die daar tot op de dag van van­daag haar zondagse kerk­di­en­sten houdt. Aan het gebouw herin­nert weinig meer aan de oor­spronke­lijke bestem­ming. De Hebreeuwse spreuk op de gevel werd ver­wi­jderd. Dat was een voor­waarde van de joodse gemeente bij de verkoop. Het enige dat nog aan de syn­a­goge herin­nert is het kleine mon­u­men­tje van de kun­ste­naar Ralph Prins, dat in 1997 op de deur is aange­bracht, en beeldend uit­drukt hoe een van de zes ster­ren uit het stadswapen van Gouda is weggevallen als sym­bool voor de uitroei­ing van de joden uit deze stad.

(meer…)

Preek van de Leek over mijn liefde voor het B(b)oek

Een langgekoes­terde wens van mij zal op zondag 15 maart in vervulling gaan. Dan betreed ik een kansel om de goedge­meente stichtelijk toe te spreken en wel in de Lutherse Kerk, ook wel Sint-Joostkapel genoemd. Ik ben daar­voor gevraagd van­wege mijn kerkhis­torische achtergrond.  Met mijn leken­preek wordt het 3e seizoen van de Goudse Preek van de Leek afges­loten. Ik ben van plan te spreken over ‘de liefde voor het (B)boek’, zowel met een kleine– als met een grote let­ter. In feb­ru­ari is in Museum Gouda de ten­toon­stelling UITGELEZEN! geopend, gewijd aan boek­drukkunst, boeken en lezen. Ik ben één van de vier gastcu­ra­toren die de kans heeft gekre­gen in deze exposi­tie de fas­ci­natie voor het boek ten­toon te spreiden.

A3_poster_PAUL ABELS

De Goudse Preek van de Leek is inmid­dels een beproefd con­cept. Bek­ende Gouwe­naars –uit de wereld van kunst en cul­tuur, poli­tiek, sport of het bedri­jf­sleven– betre­den de preek­stoel. Bin­nen het for­mat van een kerk­di­enst preken ze over wat hen inspireert. Eerdere prek­ers waren onder andere Ger­ard de Kleijn, Tania Kross, Mohammed Mohan­dis, Jaap Mul­der en Willem Hes­sel­ing. De Goudse Preek van de Leek is een ini­ti­atief van de Fed­er­atie Gouda, een geloof­s­ge­meen­schap die haar inspi­ratie vindt daar waar chris­ten­dom, com­passie en cul­tuur elkaar raken. Een leken­preek begint om 16.00 uur in de St. Joost­kapel (Lage Gouwe 134) en duurt ongeveer een uur. Net als bij een nor­male kerk­di­enst is de toe­gang vrij en is reserveren niet mogelijk. Na afloop wordt er gebor­reld in de Koffiefab­riek. Op facebook.com/goudsepreekvandeleek is meer infor­matie te vinden.

Erasmusbrief voor Chahid el Haddouti

Vooruit­lopend op het Goudse Eras­mus­jaar 2016, waarin de grote human­ist met onder meer een ten­toon­stelling in Museum Gouda en een nieuw gebrand­schilderd raam in de Sint-Janskerk wordt geëerd, is een ket­ting­brief van Eras­musvrien­den ges­tart. In het komende jaar schri­jven mensen die geïn­spireerd zijn door Eras­mus steeds weer een nieuwe brief aan een vriend of bek­ende, zoals Eras­mus dat zelf ook deed in zijn tijd. Deze brieven zullen uitein­delijk ook gebruikt wor­den voor de ten­toon­stelling. Muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn beet drie weken het spits af, met een brief aan bovengetek­ende. Van­daag heb ik op mijn beurt een brief geschreven en over­handigd aan Chahid el Hadd­outi, voorzit­ter van Sticht­ing Boug­haz, met wie ik samen­werk om dit najaar de ten­toon­stelling Lalla Golda te organ­is­eren naar aan­lei­d­ing van 50 jaar Marokka­nen in Gouda.

DSC09386De brief aan Chahid is opge­bouwd rond Eras­mus’ boek ‘De Turkenkrijg’ uit 1530, waarin de human­ist antwo­ord geeft op de vraag of het westen oor­log moet voeren tegen de moslims.