Op ontdekkingtocht naar een oude liefde

Zo’n 35 jaar geleden kwam ik met enige regelmaat in Bentheim-Steinfurt-Tecklenburg, een nabij Twente gelegen graafschap. In mijn studie naar de eerste gereformeerde dominees van Twente trof ik menige evangeliedienaar aan die was opgeleid in Steinfurt (tegenwoordig Burgsteinfurt geheten), waar graaf Arnold II van Bentheim in 1588 een Gymnasium Illustre had gevestigd in een speciaal daarvoor gebouwd onderkomen. Deze humanistisch geschoolde gereformeerde landsheer wilde met deze school kader opleiden dat in zijn gebieden aan de slag kon als ambtenaar, jurist, predikant of medicus. Op deze school werd onderwijs op academisch niveau gegeven, maar zij miste het promotierecht van een universiteit. De graaf wist niettemin geleerden van naam aan te stellen, zoals de filosoof Clemens Timpler, de jurist Johannes Althusius en de theoloog Conradus Vorstius. Hun aanwezigheid trok niet alleen studenten uit de graafschappen aan, maar ook jongelieden uit alle windstreken, zelfs uit Polen, Zevenburgen en Hongarije. Een fors deel van de studenten aan deze calvinistisch gereformeerde school was afkomstig uit de nabij gelegen oostelijke delen van de Nederlanden. Daarmee werd het Arnoldinum op haar beurt weer een van de belangrijkste ‘leveranciers’ van predikanten in Twente en de Achterhoek na de doorvoering van de Reformatie aldaar.

Het gebouw van het Gymnasium Arnoldinum in (Burg)Steinfurt

Matrikels (inschrijvingslijsten van studenten) zijn niet bewaard gebleven, dus ik moest destijds proberen in allerlei andere bronnen te ontdekken welke Twentse predikanten in Steinfurt hun opleiding hadden genoten. Daarbij ging het om rekeningen, de senaatsbesluiten, brieven en drukwerken. Veel hulp daarbij kreeg ik van Graaf Oscar, nazaat van Arnold II, die mij toegang verschafte tot het huisarchief dat was opgeslagen in de middeleeuwse waterburcht van het stadje. Ook de voorzitter van de Heimatverein Bentheim, de geoloog dr. Heinrich Voort was zeer behulpzaam. Mijn interesse in het gebied was zelfs zo groot dat ik in het jaarboek van deze vereniging publiceerde, jarenlang lid was en in 1988 zelfs gevraagd werd mee te werken aan de feestbundel die werd samengesteld ter gelegenheid van het vierhonderdjarig bestaan van de school (die tot op de dag van vandaag nog voortbestaat als een gewoon gymnasium). Dat resulteerde in het artikel ‘Das Arnoldinum und die Niederlande während seiner ersten Blütezeit: Das verhältnis einer Hassliebe’, verschenen in 400 Jahre Arnoldinum 1588-1988. Festschrift, Greven 1988, p.78-97). In 2003 ben ik naar aanleiding van een in Bentheim gehouden kerkhistorische dag opnieuw in dit onderwerp gedoken, wat resulteerde in het artikel ‘Een kweekvijver met troebel water’ in een bundel van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (VNK).

De Waterburcht van Burgsteinfurt (l) en de band van de disputatie uit 1610

Na deze publicatie werd mijn aandacht meer en meer opgeëist door andere onderwerpen en bezigheden en verloor ik deze jeugdliefde een beetje uit het oog. Het is aan de corona-crisis te danken dat ik haar voor even weer heb teruggevonden. Zoals altijd – maar in deze dagen van huisarrest meer dan ooit – speurend op het internet naar oude boeken stuitte ik op het Duitse Ebay op een zeer zeldzaam drukwerkje van een oude bekende van mij, Theophil Ceasar (de Latijnse naam voor Gottlieb Kaiser), die drukker was voor het Arnoldinum in Steinfurt. Zijn gedrukte disputatie van studenten met hun hoogleraar waren destijds voor mij een belangrijke bron om namen van studenten te achterhalen, dus mijn interesse was meteen gewekt. Toen ik ook nog eens ontdekte dat deze disputatie niet genoemd werd in de door Günther Richter gereconstrueerde fondslijst van Caesar (Günter Richter, Theophil Caesar. Drucker am Gymnasium Illustre zu (Burg-) Steinfurt, Nieuwkoop 1967), besloot ik het niet al te duur geprijsde werkje dan toch maar aan te schaffen.

Het boekwerkje dat enkele dagen later al bezorgd werd is getiteld: Decades tres theorematum controversorum, ex philosophia practica desumptorum. Quarum prima est ethica, altera oeconomica, tertia politica. Quas Deo duce, & auspice Christo in Illustri Arnoldino, quod est Steinfurti, sub praesidio Clarissimi, Doctissimiq Viri Dn. Clementis Timpleri, philosophiae professoris ordinarii [.] ad publicam syztesin proponit, ac defendere conatur, ad diem [25] augusti [.] Arnoldus Hauszbrant Teclaburg, [Orn.].Steinfurti [Steinfurt] excudebat Theop. Cäsar [Theophil Caesar], Anno 1610, 4o, [xvi] p.

Het betreft een disputatie van de uit Tecklenburg afkomstig student Arnold Hauszbrant met zijn hoogleraar filosofie Clemens Timpler, verbonden aan het Arnoldinum in Steinfurt. De disputatie vond volgens de titelpagina plaats in augustus 1610; in oud handschrift is daar ‘25’ als exacte datum aan toegevoegd. Timpler (1563-1624) was een uit Stolpen (Dtl.) afkomstige filosoof, natuurkundige en theoloog, die wordt beschouwd als de grondlegger van de gereformeerde neo-scholastiek. De grote kenner van diens werk, de Amerikaan Joseph S.Freedman heb ik destijds nog ontmoet bij mijn bezoeken aan het archief in de Waterburcht van Burgsteinfurt in 1987-1988. De biografie waaraan Freedman toen werkte, verscheen in 1988 in Hildesheim (European Academic Philosophy in the Late Sixteenth and Early Seventeenth Centuries the Life, Significance and Philosophy of Clemens Timpler, 1563/4-1624)

De rond 1563 in Augsburg geboren Theophil Caesar werd in 1597 naar Steinfurt gehaald om geschriften van de hoogleraren en de disputaties van de studenten te drukken. Hij zou tot 1622 als drukker aan het Arnoldinum verbonden blijven. Deze disputatie van Hauszbrant is dan ook door Caesar gedrukt. Het jaar van verschijnen, 1610, zou overigens voor de school in Steinfurt een omslagpunt vormen. Conradus Vorstius werd in dat jaar namelijk naar Leiden gehaald om aan de universiteit aldaar Jacobus Arminius op te volgen als hoogleraar theologie. Rond de persoon Vorstius zouden weldra hevige debatten uitbreken, omdat hij onder verdenking stond dat hij sociniaan zou zijn; iemand die de Goddelijke Drieëenheid loochende, wat gezien werd als een van de zwaarste ketterijen. Hierdoor kwam ook de school in Steinfurt in een kwade reuk te staan en werd in de Nederlanden gewaarschuwd geen studenten uit dit graafschap meer tot de kansel toe te laten. Hauszbrant ondervond hier geen hinder van, want hij was geen theoloog maar een jurist.

Arnoldus Hauszbrant was niet van eenvoudige komaf. Hij werd op 9 november 1593 in Tecklenburg geboren als zoon van Wilhelm Hausbrand, “Tecklenbürgischer Kornschreiber” en jonkvrouwe Anna von Dedem, zu Esch und Zwoll. Zijn grootouders waren aan vaderszijde Georg Hausbrandt (Richter in Tegte) en Catharina von Backe. Aan moederszijde waren dit Gisbert von Dedem zu Esch und Zwoll en Elsabein von Ham. De kleine Arnoldus kreeg huisonderricht van een preceptor en werd daarna als student ingeschreven aan het Arnoldinum “welche damals in ihrem besten Flor war” [in een bloeiperiode verkeerde]. In zijn studietijd legde hij de basis voor zijn grote belangstelling voor oudheden en geschiedenis. Hij vervolgde zijn studie aan de lutherse universiteit van Marburg. Van daar trok hij voor zijn verdere scholing naar Giessen, Heidelberg en Speier om uiteindelijk in 1620 in Marburg te promoveren als doctor in de rechten. Ondertussen was hij in 1617 teruggekeerd naar zijn geboortestreek om zich te vestigen in Lengerich. Daar werd hij door graaf Adolf van Bentheim, Tecklenburg, Steinfurt en Limburg eerst als Raad en Secretaris aangesteld en in 1619 als Raad en Landrichter. Onder graaf Maurits werd hij in 1651 benoemd tot “Canzler, Geheim Rath und Landrichter”. In deze functies heeft hij veelvuldig diplomatieke missies uitgevoerd naar diverse landen en gebieden, zoals naar de Staten-Generaal in Den Haag. Ook werd hij afgevaardigd naar de onderhandelingen over de Vrede van Münster en Osnabrück. Hij wordt nog genoemd in de correspondentie van Constantijn Huygens. Op 3 december 1622 trad hij in het huwelijk met Regina Agnes Schnitters, dochter van Johan Schnitters, Osnabrücks Kamerheer. Zij schonk hem acht kinderen: drie zonen en vijf dochters.

Arnold Hausbrant overleed op 24 februari 1669 op 76-jarige leeftijd. Hij werd op 16 maart daaropvolgend in aanwezigheid van talrijke adellijke en burgerlijk hoogwaardigheidsbekleders begraven in de kerk van Tecklenburg. De lijkpredikatie werd verzorgd door dominee Bernhardus Erasmus Schrammius. De tekst verscheen in druk bij Emanuel Wellenberg in Steinfurt. Deze uitgave is in fotokopie bij de disputatie ingebonden. In dit boekwerkje worden al zijn functies en werkzaamheden uitvoerig opgesomd, alsmede bijzonderheden over zijn studie, huwelijk en kinderen. Het werkje wordt afgesloten met troostgedichten van de predikant – en schrijver van de geschiedenis van Tecklenburg – Gerhard Arnold Rumpius en de predikant Alhard Theodorus Snetlage.

De in een nieuwe perkamenten band gebonden disputatie, met daarachter in fotokopie de lijkpredikatie voor Arnold Hauszbrant uit 1669 is een zogeheten ‘doorschoten’ exemplaar, dat wil zeggen na elke bedrukte pagina een lege bladzijde volgt, meestal bedoeld voor het maken van aantekeningen. Een vorige eigenaar schreef in het blad ervoor: “Unsere Alwin Anna Hausbrand war die Schwester des Arnold Hausbrand, dessen Doktorarbeit und Leichenpredigt in diesem Buch enthalten sind. Die Leichenpredigt ist wichtig wegen der Abstammung von den v. Dedem”, ondertekend door Hans Krüsy. De naam “Hausbrand” staat in grote zwarte letters op het voorplat afgedrukt, met daaronder het familiewapen. Het titelblad is aan de bovenzijde licht beschadigd en vakkundig gerestaureerd met Japans papier. Op deze titelpagina is in handschrift een klein Andreaskruis aangebracht met de cijfers 31 en 78, waarvan de betekenis onduidelijk is. Op de binnenzijde van het voorplat is een heraldisch ex-libris ingeplakt van Hans Krüsy . Op de verso-zijde van de titelpagina is een opdracht aan Arnoldus afgedrukt van Joannis en Wilhelmus (Guilie[l]mo) Hauszbrant, respectievelijk zijn oom en vader. Op de laatste bladzijde staat een opdracht aan de student van Georgius Brinckhoff (Brinckhovius), hoogleraar logica en later ook rector van het Arnoldinum.

Deze nieuwe aanwinst voor mijn bibliotheek bleek nog een verrassing te bevatten. Na de disputatie en de lijkpredikatie trof ik aan de binnenzijde van het achterplat, achter een insteekstrook, een originele acte, gedateerd 2 januari 1624 aan en een afschrift daarvan op de achterzijde van een kalenderblad uit 1947. De acte betreft een handgeschreven begunstiging (“Bewilligung”) van 32 Reichsthalers aan Johannes Oortcamp en zijn echtgenote Catharina Veltmans, als compensatie voor het overlijden van de vader van Oortcamp en de inkwartiering van soldaten in Lengerich. Op de buitenzijde staat vermeld dat de “Bewilligung” in 1634 door Johannes Oortcamp is bestemd voor de armen ‘alhier’. Onder de acte sporen van drie zegels van ondertekenaars, met hun handtekening.

De middelste handtekening is van “Arnolt Hauszbrant”. In de zegel erboven is zijn familiewapen herkenbaar, zoals dat ook op het voorplat van het boekje staat afgedrukt.

Links de voorzijde van de opgevouwen acte, waarop staat dat Oortcamp de 32 Reichsthaler schenkt aan de armen; rechts de acte.

De aanwezigheid van dit document bleef blijkbaar onopgemerkt voor de antiquaar die het boekje verkocht, want in de uitvoerige beschrijving op Ebay werd hier geen melding van gemaakt. Het boekwerkje was al bijzonder vanwege de zeldzame disputatie, de bijzonderheden over de student – die een vooraanstaand lid van de hofhouding zou worden van de graaf van Tecklenburg – en de provenance (kenmerken van vorige eigenaars). Een nazaat – mogelijk Hans Krüsy – heeft de disputatie blijkbaar zo bijzonder gevonden dat hij het werkje in een luxe band met wapenopdruk heeft laten inbinden, samen met een kopie van de lijkpredikatie en het genoemde document. Het geheel maakt mijn nieuwe aanwinst tot een bijzondere historische bron. Met dank aan corona zal ik maar zeggen.

Boek over inlichtingenleiderschap bij BVD/AIVD in aantocht

Mocht u zich afvragen waarom ik de afgelopen tijd maar een beperkt aantal historische artikelen heb geschreven; zie hier de oorzaak. Het afgelopen jaar heb ik – naast mijn twee banen – veel tijd gestoken in het schrijven van dit boek over inlichtingenleiderschap. Omdat ik al 35 jaar meedraai in deze merkwaardige wereld, heb ik 8 van de 11 diensthoofden van nabij zien functioneren. Die herinneringen en ervaringen heb ik ook nadrukkelijk in dit boek verwerkt. In september zal dit boek verschijnen; rampen als corona voorbehouden. In de zomerfolder van uitgeverij Prometheus staat het boek al aangekondigd. [NB: blijkbaar is de invloed van mijn kleinkinderen momenteel groot op mijn taalvaardigheid: oeteren moet oesteren zijn]

Gouda 700 jaar stadsrechten: een feest dat niet is vergeten

Gouda loopt langzaam warm voor de viering van 750 jaar stadsrechten. Vanuit de schoolmeesterswoning naast de Jeruzalemkapel is een voorbereidingsgroep hard bezig om de Gouwenaren warm te maken voor dit feestjaar en de talrijke initiatieven om dit jubileum kracht bij te zetten in goede banen te leiden. “Geef Gouda door” is het motto voor deze viering. Vijftig jaar geleden werd het zevende eeuwfeest van Gouda’s bestaan als stad ook met veel enthousiasme gevierd.

Oudheidkundig Kring ‘Die Goude’ – onder invloed van modieuze vernieuwingsdrang in de jaren negentig omgedoopt in Historische Vereniging – had in die tijd nog nadrukkelijk het voortouw bij de organisatie. Een poging om met een ‘nieuwe Walvis’ te komen, een nieuwe stadsgeschiedschrijving, liep echter stuk op goede bedoelingen. Met kunst en vliegwerk wist ‘De Kring’ uiteindelijk met een artikelenbundel te komen, met daarin een aantal inderhaast door archivaris Geselschap geschreven artikelen en een uitgebreide serie bijdragen over de kerkgeschiedenis van Gouda, die blijkbaar wel op tijd klaar waren.

Links de omslag van de bundel van die Goude; boven het feestprogramma

De bundel Gouda 1272-1972 is een van de vele tastbare herinneringen aan de viering van Gouda700. De stad stond dat jaar dan ook bol van de activiteiten. Uit een speciale folder Gouda 700 jaar stad blijkt dat op 27 mei begonnen werd met een demonstratie parachutespringen. In de maanden daarna volgden onder meer sportwedstrijden, concerten van koren en drumbands, tentoonstellingen, beiaard- en orgelconcerten, kerkdiensten, filmvertoningen, lezingen (onder meer over Erasmus) en tekenwedstrijden. Het jubeljaar werd afgesloten met een feestweek, niet rond de eigelijke jubileumdatum van 19 juli, maar in de week van 19 tot en met 26 augustus.

Op de openingsdag van die week, een zaterdag, trokken leden van de gemeenteraad, gekleed in historische kostuums, per voet van museum Catharinagasthuis naar het stadhuis, waar een buitengewone raadsvergadering plaatsvond. Bij die gelegenheid werd het genoemde ‘gedenkboek’ van Die Goude aangeboden. Na de officiële opening van de feestweek trokken herauten de stad in om de bevolking te informeren wat er allemaal op het programma stond. Gedurende de hele week was er kermis (op de Veemarkt dit keer). Verder vonden er allerlei muzikale evenementen plaats, sportdemonstraties en een tentoonstelling van ‘antieke spaarpotten’ in het Catharinagasthuis. Het programma komt naar de normen van nu tamelijk belegen over. Toch is het slotakkoord wel blijven in het collectieve geheugen van de Gouwenaar, namelijk en historische optocht, onder de titel ’t Herte van Holland (van 1572-1816).

Aan de optocht namen honderden Gouwenaars deel, zingend, dansend, spelend – en op de achtergrond – door kostuums te maken, wagens op te tuigen, decors te schilderen, het doen van historisch onderzoek en het schrijven van teksten. In 19 hoofdstukken beeldden zij hoogtepunten uit de Goudse geschiedenis uit. Graaf Floris V – die de stad haar rechten gaf –  wandelde voorop met zijn hofhouding. Dan volgde Nicolaas Cats die namens de graaf het handvest voor de stadsrechten overhandigde aan de president-schepen. Verder in de stoet bouwmeesters die de bouwtekening voor de Sint-Janskerk toonden, Jacoba van Beieren en een jachtgezelschap, boekdrukker Gheraert Leeu, een over de stad en het vochtige klimaat mopperende Desiderius Erasmus, de gebroeders Crabeth met ontwerpen voor Goudse Glazen, Goudse rederijkers, de pest in Gouda, de eerste Goudse pijpenmaker Willem Barentsz, stadhouder Willem III met opstandige boeren, Wilhelmina van Pruisen en de patriotten, een paardenmarkt en de begrafenis van Paulina Soekpenning (een spaarzaam weeskind dat graf in de Sint-Janskerk wist te bemachtigen). De stoet eindige met een wagen waarop de wapenspreuk van Gouda, Per aspera ad astra (door de doornen naar de sterren) verbeeld werd. Opvallend afwezig was overigens Dirck Volkertsz. Coornhert, naar wie notabene het stedelijk gymnasium genoemd was. Mogelijk was deze vrijdenker destijds nog te omstreden voor de grote midden-orthodoxe meerderheid in Gouda.

Een bijzonder aandenken aan Gouda700 werd op vrijdag 16 juni aan de burgemeester van Gouda, mr. P. van Dijke, aangeboden. Het betrof een voor deze gelegenheid door Willem Vis uit Hazerswoude ontworpen bronzen gietpenning. Vis (1936-2007) had van 1957 tot 1971 de artistieke leiding over Koninklijke Begeer te Voorschoten, waar ook de Goudse penning werd geslagen. In totaal werden driehonderd exemplaren geslagen, die uiteindelijk minder aftrek vonden dan was gehoopt. Wellicht was de naakte vrouwenfiguur op de munt iets te gewaagd voor de behoudende Gouwenaars. Uiteindelijk werden er amper 220 verkocht, waarna abonnees van het blad ‘De Geuzenpenning’ in de gelegenheid werden gesteld om een exemplaar voor het gereduceerde bedrag van 25 gulden aan te schaffen. Wat de oorspronkelijke prijs is gewest, is mij niet bekend.

De penning weegt 378 gram en meet 65 millimeter. . Aan de voorzijde in de middenbaan is te zien hoe en naakte vrouwenfiguur zich uit de doornenstruiken omhoog reikt naar de sterren. Op de flankerende segmenten de wapenspreuk van Gouda met beide jaartallen: PER ASPERA 1272 – AD ASTRA 1972. De keerzijde van de penning toont het Goudse stadhuis met evenwijdig aan de middenbaan de zes sterren uit het stadswapen en het omschrift GOUDA 700 JAAR STAD. Verder is het ontwerpersmerk ‘visje’ te zien.

]

Twentse parels van de boekdrukkunst

Als bibliofiel begin je doorgaans richtingloos te verzamelen. De opbloeiende liefde voor het boek maakt gretig, niet kieskeurig. Maar naarmate de boekenkasten, boekenmolens en andere bergplaatsen zich vullen met nieuwe aanwinsten wordt de verzamellust gaandeweg getemperd door door het knellende besef dat ruimtegebrek heet. En als je dan ook nog eens zo verknocht bent aan al de liefdes die je in de loop der jaren hebt opgedaan, wordt je uiteindelijk toch gedwongen selectiever te zijn in je aankopen, zelfs als de mooiste drukwerken die je altijd al had willen hebben, maar te duur waren, door de ineenstorting van het moderne antiquariaat bij de euroknallers voor een grijpstuiver voor het oprapen liggen. Zelfs in het accepteren van schenkingen, die met het klimmen der jaren en het wegvallen van betreurde boekenvrienden, snel in aantal toenemen , is – soms pijnlijke – afhoudendheid noodzakelijk.

Ooit begon ik mijn ontdekkingstocht in de geschiedenis, die onvermijdelijk verliep via het gedrukte boek, in Twente. In deze bijna-geboortestreek  stortte ik mij als jonge student-geschiedenis met overgave op de vele boeken en artikelen die over dit gebied verschenen waren, in mijn zoektocht naar een antwoord op de vraag waarom zoveel mensen hier katholiek waren gebleven in een door het calvinisme gekleurde zee om hen heen. Pastoor J. Geerdink hielp mij mooi op weg met zijn Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twenthe, uitgegeven door pastoor E. Geerdink te Vianen en verschenen in 1895. Het oorspronkelijke boek was destijds nog onvindbaar, dus ik moest mij behelpen met een fotografische herdruk in een eenvoudig geplakt bandje, waarvoor ik het onwaarschijnlijke bedrag van 125 gulden moest neertellen. Eenzelfde bedrag was ik kwijt voor het werk van W.G.A.J. Röring over Wereldlijk en kerkelijk Twenthe, ook een herdruk, en zelfs het standaardwerk over mijn woonplaats, Ter Kuile’s De opkomst van Almelo en omgeving, kon ik ook alleen maar in facsimile te pakken krijgen.

Het aantal serieuze werken over de geschiedenis van Twente is beperkt, maar er is toch bijzonder veel over deze streek geschreven. Het meeste van dit werk is zogeheten ‘grijze literatuur’, eenvoudige uitgaves van amateurhistorici en lokale historische kringen, die ik ook driftig ben gaan verzamelen. Op den duur kon ik de oorspronkelijke edities van de eerdergenoemde werken toch te pakken krijgen, zelfs in diverse uitvoeringen en drukken, zoals het Almelose boek. Dat een van die werken nog de oorspronkelijke – ante-moderne – stofomslag heeft [zie boven], blijkt zelfs waardeverhogend te zijn, zo hoorde ik pas onlangs van een kenner. 

Ds. Johannes Palthe (1639-1702), predikant in de kerk van Denekamp (boven)

Er was één standaardwerk dat ik nooit in bezit wist te krijgen en waarvan ik ook nooit gedacht had dat ik de vier delen ooit nog eens zou kunnen toevoegen aan mijn bibliotheek: de bibliofiele uitgave uit 1934 over de havezathe Singraven bij Denekamp. De eerste keer dat ik deze boeken in handen kreeg was in de jaren tachtig van de vorige eeuw, bij een bezoek aan de kasteelbibliotheek van het Duitse stadje Burgsteinfurt, vlak over de grens bij Denekamp. In mijn onderzoek naar de eerst gereformeerde predikanten van Twente kwam naar voren dat velen van hen hadden gestudeerd aan de Illustere School in die plaats, opgericht door de gereformeerde graaf Arnold van Bentheim en Steinfurt. Vandaar dat ik ook daar op zoek ging naar sporen. In het genoemde werk vond ik een portret van de Denekampse predikant Johannes Palthe.

Toen al bleek mij dat het om zeer bijzondere boeken ging, die verschenen waren in een kleine oplage. Initiatiefnemer was de laatst particuliere bewoner van Singraven, Willem Frederik Jan Laan [foto]. Hij liet de geschiedenis van zijn woonstede minutieus uitzoeken door prof.dr. Karl Döhmann, op dat moment archivaris op het eerdergenoemde kasteel in Burgsteinfurt. Hij werd geassisteerd door de bekende Denekampse schoolmeester en historicus Willem Hendrik Dingeldein. In de inleiding op het werk stelt Laan zichzelf de vraag waarom er zo’n enorm, vierdelig boekwerk moest verschijnen over een schijnbaar onbelangrijke Twentse havezate. Voor hem waren er twee redenen. Allereerst wilde hij recht doen aan de auteur. Deze was door toedoen van eerdergenoemde G.J. ter Kuile op zijn pad gekomen en had op zijn verzoek tien jaar intensief onderzoek gedaan naar alle archiefstukken die er over Singraven bewaard waren gebleven. Daarnaast was Laan gaandeweg tot de overtuiging gekomen dat de geschiedenis van dit Huis van belang was voor de hele streek, omdat zij licht wierp op tal van nog onbekende aspecten van de Twentse geschiedenis. In zijn stellige overtuiging was het daarmee hét standaardwerk voor Twente.

Döhmann deed het leeuwendeel van het archiefonderzoek en schreef de tekst. Maar wel in het Duits. Dingeldein vertaalde de boeken niet alleen in het Nederlands, maar zorgde er ook voor dat lange passages over de Duitse geschiedenis “verknipt en verkort” werden. Het moest immers een Nederlands boek worden. Verder leverde de Denekamper schoolmeester allerlei informatie aan, bijvoorbeeld over veldnamen. Ook ontwierp hij alle kaarten die in het boek zijn afgedrukt, alsmede enkele grote uitvouwbare en ingekleurde kaarten, die achterin het vierde deel in een mapje zijn opgeborgen. Overigens duurde het na afronding van dit omvangrijke onderzoek nog lang, voor het gedrukt kon worden. De druk van het werk moest namelijk wegens de economische crisis, “die voortdurend scherper vormen aannam”, enige jaren worden uitgesteld.

De resultaten van het onderzoek vonden uiteindelijk hun weerslag in vier dikke delen op foliantformaat, waarbij de modernste technieken uit de jaren dertig werden gebruikt. Kosten noch moeite werden daarbij bespaard. Verschillende firma’s uit Nederland, Duitsland, België en Frankrijk werden daarbij ingeschakeld.

De boeken verschenen in een genummerde oplage van 165 sets en zijn volledig gedrukt op handgeschept papier van de firma Van Gelder Zonen, met in elk blad als watermerk SINGRAVEN en de handtekeningen van beide auteurs.

De afbeeldingen in lichtdruk, de gekleurde wapens en kaarten, en de titelplaat van deel 3 zijn gemaakt door de firma J. de Brunoff in Parijs. De firma Carl Schünemann in Bremen leverde de titelplaten van deel 1 en 2, de firma Van Leer & Co in Amsterdam het facsimile van de acte van allodificatie uit 1506. Het bindwerk is van de firma J. de Brunoff in Parijs. De boeken bevatten talrijke paginagrote afbeeldingen, die niet zijn meegenomen in de paginanummering. Voor elke afbeelding zit een vloeiblad, waarop het bijschrift staat afgedrukt. De meeste foto’s zijn zwartwit, maar vele ook in kleur. Achterin deel 4 een mapje met alle kaarten. De stevige band heeft turquoise platten, die met goudopdruk zijn versierd. De rug is beigekleurig, met in goudopdruk Singraven, deelnummer en het jaartal 1934. Dit werk mag beschouwd worden als het mooiste drukwerk dat ooit over (een deel ) van Twente is verschenen en leek wegens zijn zeldzaamheid en kostbaarheid voor mij onbereikbaar.

Na mijn emigratie om den brode naar Holland heb ik mijn deelverzameling boeken over Twente min of meer ‘bevroren’, met uitzondering van nieuwe werken over de plek waar ik opgroeide, het stedeke Almelo. Toen zich vorige maand echter, door toedoen van Robert Kemper Alferink, een boekenvriend uit Haarle, een unieke kans voordeed om die bijzondere set boeken over Singraven te bemachtigen, kon ik het toch niet laten mijn verzameling nog eenmaal te ontdooien en plek in te ruimen voor deze parels van de boekdrukkunst. Mijn collectie Twente is nu ‘compleet’.

De Bijbel van Jan Habermehl uit 1859

Op mijn niet aflatende speurtocht naar oude boeken stuitte ik deze week – na een tip van mijn bibliofiele Twittervriend Perkamentus – op een wel heel bijzonder boek, dat werd aangeboden op Marktplaats. Het betreft een Statenbijbel uit 1851, gedrukt door de Nederlandsche Bijbelcompagnie voor J. Brandt & Zn en P. Proost in Amsterdam en Johannes Enschede en Zonen te Haarlem. De Bijbel is samengebonden met het Boek der Psalmen uit 1852 en de Evangelische Gezangen uit 1848. Deze Bijbel en toebehoren zijn op zichzelf niet bijzonder, want er zijn er duizenden van gedrukt. Bijzonder is wel het formaat van het boekwerk en de band. Het gaat om een kwarto-editie, bedoeld voor gebruik in de kerkbanken. Op het voorplatten van het in bruin leer gebonden boek staat in gouden letters de naam J. HABERMEHL. gestempeld en onderop het jaartal 1859. De Bijbel kan worden gesloten met twee koperen boekklampen, die aan een zijde met leertjes aan de band zijn vastgemaakt.

De uitvoering van de Bijbel doet vermoeden dat dit een exemplaar is geweest van een kerkenraadslid of lid van de kerkvoogdij. Het boekblok zelf geeft verder geen enkele informatie over de eigenaar of gebruiker. Toch kan het bijna niet anders of deze Bijbel heeft toebehoord aan Jan Habermehl uit Nieuwveen (nabij Schiphol), de over-overgrootvader van mijn helaas veel te jong gestorven collegahistoricus en vriend Nico Habermehl. De naam van deze uit Duitsland afkomstige familie Habermehl is in Nederland zo zeldzaam en ten tijde van het vervaardigen van de Bijbel was de overovergrootvader van Nico, Jan Habermehl als president-kerkvoogd zeer actief betrokken bij de Nederlandse Hervormde Kerk in zijn woonplaats. Op zijn website heeft Nico het volgende over deze voorvader geschreven:

f

Jan Habermehl werd geboren in 1822. Toen hij zestien jaar oud was verhuisde hij met zijn ouders naar Nieuwveen, waar hij als timmermansknecht aan de slag ging. In 1850 kocht hij van het geld dat hij van de weduwe Horstman erfde de hoeve het Verlangen onder Mijdrecht. Drie jaar later ging hij er met zijn gezin wonen. Het was een juiste beslissing, want Jan bleek een goed agrariër. In 1868 verwierf hij uit de nalatenschap van zijn vader de boerderij Amsterdam en de twee arbeiderswoningen nabij de Liemeerbrug. Twee jaar daarvoor had hij reeds de imposante korenmolen het Fortuijn gekocht. Rond 1870 kon Jan met recht een grootgrondbezitter worden genoemd.

Vijf jaar later begonnen de landbouwprijzen te dalen door de import van goedkoop graan uit Amerika. De schrale gronden van de polders rond Nieuwveen waren daardoor nauwelijks meer rendabel. De inkomsten namen aanzienlijk af. Drie zonen van Jan, die ieder een boerderij beheerden, pasten hun levenswijze niet aan. Evenals in de rijke jaren besteedden zij grote sommen geld aan kostbare feesten en aan paardenraces. De gevolgen waren desastreus. Een uitzondering daarop vormde korenmolenaar Dirk Nicolaas. Evenals zijn vader bekleedde Jan een aantal voor Nieuwveen belangrijke openbare functies. Hij was raadslid en later wethouder en drukte op die manier een stempel op de ontwikkelingen in Nieuwveen. Als president-kerkvoogd van de Hervormde kerk was hij dus ook op kerkelijk terrein actief. Zijn belangrijkste functie was wel die van dijkgraaf van de Zevenhovense polder. Tot aan zijn dood zette hij zich volledig voor de polder in.

In zijn persoonlijk leven kampte Jan met veel tegenslag. De vroegtijdige dood van enkele kinderen raakte hem diep, evenals het verlies van zijn vrouw Christina Bunschoten in 1893 met wie hij 45 jaar getrouwd was geweest. Hij bleef niet lang weduwnaar, want ruim een jaar later hertrouwde hij met Adriana van Straten. Het meest leed hij onder de handelwijze van drie van zijn zoons voor wie hij zich te lankmoedig toonde. Hij leende hen veel geld zonder daar ooit iets van terug te zien. Jan overleed in 1908 in de hoge ouderdom van 86 jaar, slechts een schamele erfenis achterlatend waarom zijn twee nog in leven zijnde zoons verbeten vochten.

Deze bijzondere Bijbel bleek te koop te worden aangeboden door een particulier in het Twentse Tubbergen, op zeker 175 kilometer afstand van Nieuwveen. De verkoper kocht het boek van een handelaar uit Vriezenveen. Hoe de Bijbel in Twente is terechtgekomen is niet meer na te gaan. Maar ik beschouwde het als mijn bijzondere plicht ervoor te zorgen dat het boek niet alleen terugkomt naar Holland, maar ook in het bezit van de familie Habermehl. Jammer alleen dat ik het niet meer kan overhandigen aan Nico.

De staat van de stad. Historisch Gouda in 2019

Het achter ons liggende jaar was in menig opzicht een ‘ademjaar’, waarin de stad even adem haalde na alle commotie en veranderingen van het jaar ervoor en ook even de adem inhield voor wat gaat komen. Op historisch vlak vielen er daardoor nauwelijks ingrijpende zaken te vermelden. De verbouwing van het Weeshuis-cum-annex is het afgelopen jaar nog steeds niet gestart. Wel zijn er uitbaters gevonden van het hotel-restaurantgedeelte. Dat is het echtpaar Van Gastel, dat al eerder deLichtfabriek en het Museumcafé nieuwe glans gaf. Inmiddels wordt het echter hoog tijd dat begonnen wordt met de verbouwing, want het oude onderkomen van de weeskinderen begint hier en daar al de sporen van langdurige leegstand te vertonen.

Eigenaar en projectontwikkelaar White House Development heeft intussen wel een tijdelijke bestemming weten te vinden voor de Schoolmeesterwoning en de Jeruzalemkapel; die worden beschikbaar gesteld aan de Werkgroep Gouda750, die onder leiding van Ronald van Rossum en Marien Brand de voorbereidingen treft voor de viering van het jubeljaar 2022. In jaar jaar – liever gezegd vanaf juli 2021 tot juli 2022 – herdenkt Gouda op grootse wijze dat het 750 jaar geleden is dat graaf Floris V van Holland aan de bewoners van deze nederzetting op het kruispunt van Hollandse IJsel en Gouwe stadsrechten gaf. De voorbereidingen daarvoor zijn het afgelopen jaar echt van start gegaan.

De viering van Gouda750 zal lopen van juli 2021 tot juli 2022. De eerste initiatieven die in voorbereiding zijn doen vermoeden dat het een bijzonder jaar zal worden. Spectaculair is het plan van Museum Gouda om alle bewaard gebleven altaarstukken van na de grote brand van 1552 – en dat zijn ze allemaal – teruggeplaatst zullen worden op de oorspronkelijke plek in het koor van de Sint-Janskerk. Daar hebben ze gestaan tot 1572, totdat Gouda de zijde van de Prins van Oranje en daarmee de Reformatie koos. Een ander plan dat inmiddels in uitvoering is, is de vervaardiging van een populaire versie van de stadsgeschiedenis. Twintig jaar na de verschijning van het standaardwek Duizend jaar Gouda wil Historische Vereniging Die Goude dit publieksboek het licht laten zin.  Op 19 juli 2022, de exacte datum van de verlening van de stadsrechten, is dan de grote slotmanifestatie.  

De gemeente Gouda heeft voor de financiering van dit soort initiatieven speciaal een fonds in het leven geroepen (genaamd: Geef Gouda Door) dat maar liefst 1,2 miljoen Euro mag besteden aan de waaier van activiteiten die in dat jaar zullen plaatsvinden. Bovendien heeft de gemeente 150.000 Euro uitgetrokken voor eigenaars van monumenten met achterstallig onderhoud, die bereid zijn hun woning of andersoortig onroerend goed op te knappen, zodat de stad zich in het feestjaar op haar mooist gaat tonen.

Wethouder Thierry van Vugt van Cultuur overhandigt een cheque van meer dan 1,2 mln aan de drie leden van het Fonds Geef Gouda Door, bestemd voor de viering van Gouda750

Van achterstallig onderhoud aan monumenten is in Gouda helaas nog steeds sprake. Er zijn divers plekken aan te wijzen die verval tonen. Zo is de Gouwekerk, het ‘landmark’ dat van de reizigers al van verre aandacht vraagt voor de stad als ware het een opgestoken vinger, een zorgenkindje. Sinds de groep van Johan Maasbach het gebouw verlaten heeft en de kerk gekocht is door een particulier wordt er gezocht naar een nieuwe bestemming. Dat geldt ook voor de aanpalende pastorie. De pastoorswoning is groot genoeg om daar verschillende luxe appartementen in te vestigen – dat zal het probleem niet zijn – maar de kerk is een lastig te vullen reusachtige ruimte. Tegelijkertijd bied die majestueuze ruimte een unieke gelegenheid voor grootschalige evenementen. Na de ijsbaan van vorig jaar – niet de meest respectvolle en geschikte herbestemming van dit monument – hebben er dit jaar onder meer een tentoonstelling met werken van Chagall, een grootschalige informatiemarkt en een pop-up restaurant onderdak gevonden. Een definitieve bestemming lijkt nog niet in zicht. Ook hier is het White House Development die een geschikte bestemming moet vinden.

Een directeur van deze firma heeft voor eigen (prive)gebruik nog een ander monument gekocht, dat momenteel een ingrijpende verbouwing ondergaat. Het voormalige bankgebouw van Knox en Dortland aan de Turfmarkt, waar tot voor kort het Verzetsmuseum was gehuisvest, wordt grondig hersteld. Dat was ook dringend noodzakelijk, omdat funderingsproblemen ervoor zorgden dat het gebouw en de aangebouwde ‘toren’ van elkaar losgescheurd waren. Met nieuwe onderheiing is verder verval gestopt.

Ook de achter het bankgebouw gelegen grote tuin wordt door de nieuwe eigenaar stevig onder handen genomen. Niet helemaal duidelijk is wat er met het Poortje van Jongkind gebeurt, dat toegang geeft tot deze tuin. Dat poortje, in de jaren tachtig hier geplaatst, stond eeuwenlang aan de Zeugstraat. Op deze plek is het achter de huizen gelegen hofje met twaalf woningen voor een belangrijk deel intact gebleven en daar is inmiddels een goed draaiend restaurant in gevestigd. De eigenaars zouden niets liever willen, dan een van die hofjeswoningen, die nu nog in gebruik is als opslagruimte, volledig in de oorspronkelijke staat herstellen en toegankelijk maken voor publiek. De middelen daarvoor ontbreken helaas nog. Terugplaatsing van het Poortje op de oorspronkelijke plek lijkt niet meer mogelijk, maar wellicht zou het binnen in het hofje een toepasselijke plek kunnen krijgen.

Het jaar 2019 was ook het jaar van de verdwenen beelden. Zo viel het plots op dat De Moriaan, het voormalige pijpen- en aardewerkmuseum aan de Westhaven dat een jaar of tien geleden ten prooi viel aan gemeentelijke bezuinigingsdrift en verkocht werd aan een particulier die er een woonhuis van heeft gemaakt, het al jaren moet stellen zonder het beeld van een pijprokende Afrikaan en het daarachter geplaatste bord met een indiaan. Beide objecten blijken bij verkoop van het gebouw overgebracht te zijn naar Museum Gouda. Door de aandacht die het Algemeen Dagblad/ Groene Hart eraan schonk klinken er nu weer geluiden om het beeldje op zijn oorspronkelijke plek terug te plaatsen.

De Blau Haan op de originele plek

Een ander verdwenen beeld is de Blau Haan, dat het kaaspakhuis van De Producent aan de Kattensingel sierde. Die haan stond in een nis in de voorgevel van het pakhuis, dat in de jaren tachtig vervangen werd door een modernere opslagruimte voor Gouda’s bekendste exportproduct. Op initiatief van de Oudheidkundige Kring Die Goude werd dit beeldje destijds herplaatst. Nu ook dit vernieuwde pakhuis zijn langste tijd heeft gehad en afgebroken zal worden, is de haan zijn sokkel ontvlucht. Inmiddels is een ‘amber alert’ uitgegaan.

Een historische ontwikkeling voltrok zich ook in de huiskamer van Gouda, de oude Markt. Aan de ronde zijde daarvan, vanwege die vorm vanouds aangeduid als de regenboog, verdwenen de laatste winkels. De hele boog is thans gevuld met horeca-ondernemingen, met als enige onderbrekingen twee monumenten: De Waag en Arti Legi. Gouda is hiermee meer en meer ook een uitgaansstad geworden, waar de terrassen  tot ’s avonds laat overvol zijn met bezoekers. Milieuvervuilende buitenkachels maken dit mogelijk, evenals steeds verder uitdeiende ‘tentenkampen’ waar rokers hun verslaving kunnen blijven botvieren. Dat komt enerzijds de levendigheid van de stad zeker ten goede, maar zorgt ook voor bijhorende problemen als lawaai-overlast en vervuiling. Aangezien nu ook al aan beide zijflanken van de Markt nog weer nieuwe horeca opduikt, bestaat het gevaar dat Gouda ‘verPurmerent’. In deze Noord-Hollandse stad is de historische Markt inmiddels volledig omgevormd tot een door cafe’s omzoomd groot terras. Hoog tijd voor de gemeente Gouda dus om enige paal en perk te stellen aan deze ontwikkeling.

Ook het stadhuis op de Markt – eveneens ten prooi gevallen aan bezuinigingsdrift van de gemeente en verhuurd als evenementenhal – vraagt oplettendheid. Het gebouw was ruim zes eeuwen lang het middelpunt van de stad, waar elke Gouwenaar terecht kon voor contacten met politiek en bestuur en waar hele generaties zijn getrouwd. Nu is het alleen nog toegankelijk voor bruidsparen of andersoortige gezelschappen met een goed gevulde portemonee. Het gebouw wordt hierdoor relatief weinig gebruikt en maakt vooral in de avonden een desolate indruk. Bovendien zijn er rond dit middeleeuwse gebouw veelvuldig activiteiten die in potentie beschadigend kunnen zijn voor dit monument, zoals een ijsbaan die er tegenaan wordt gebouwd en een kermis met steeds groter wordende attracties die het stadhuis doen trillen op de grondvesten. Ook in dat opzicht is bijzondere zorg op zijn plaats.

Bijzondere zorg kregen het afgelopen jaar ook enkele zaken in het museum en het archief. Museum Gouda kreeg van de rooms-katholieke  Sint-Jozefparochie twee porttretten in langdurige bruikleen die een belangrijk gat in de rijke en unieke collectie Goudse schuilkerkenkunst opvullen. Met een schilderij van de minderboeder Gregorius Simpernel op zijn doodsbed en van ‘zijn’ klopje Anna van Geffe is naast de seculiere staties en de jezuietenstatie nu ook de minderboederstatie aan de Hoge Gouwe (waar nu de Gouwekerk staat) stoffelijk aanwezig. Het Streekarchief Midden-Holland ontving dit jaar een belangrijke schenking, te weten het persoonlijk archief van de stadshistoricus Nico Habermehl. Zijn weduwe Jeanette Habermehl droeg dit archief over aan archivaris Sigfried Janzing.

Kaas is wereldwijd zo ongeveer synoniem met Gouda. Toch is tot voor kort relatief weinig gedaan met deze naamsbekendheid. Daar begint nu verandering in te komen. Na en lange aanloop lijkt begin volgend jaar dan toch eindelijk de Gouda Cheese Experience zijn deuren te openen. Met deze in het oude Magdalenaklooster-Pestgasthuis-Kazernegebouw-Veemarkt-Bioscoop, gehuisveste ‘beleving’ krijgen toeristen en andere geïnteresseerden op luchtige wijze het proces van kaasmaken voorgeschoteld. Naast het in de Waag gehuisveste kaasmuseum kent Gouda daarmee strakt twee gele toeristische attracties. Ook de middenstand speelt hier inmiddels goed op in, met diverse kaaswinkels die ook op zon- en feestdagen zijn geopend.

De vele honderdduizenden toeristen die jaarlijks Gouda bezoeken – dit jaar werd zelfs het miljoen aangetikt –  kunnen zich ook vergapen aan andere typisch Goudse producten. In de oude bakkerij van De Vlaam op de Markt is sinds twee jaar ook en siroopwafel-experience gevstigd, die grote groepen belangstellenden trekt. Of ook de Goudse pijp blijft trekken, was tot voor kort de vraag, omdat met Adrie Mourings de laatste pijpenmaker het licht uitdeed en de oudste tabakswinkel van Nederland (Van Vreumingen) in de Wijdstraat zijn deuren leek te gaan sluiten. Gelukkig heeft de eigenaar van laatstgenoemde winkel, Loet van Vreumingen, toch een opvolger gevonden. Dat wordt na drie generaties Van Vreumingen weliswaar iemand met een andere achternaam, maar die is vast van plan het bijzondere interieur van de winkel te behouden.

Aan de tragedie rond de Turfmarktkerk is het afgelopen jaar een nieuw hoofdstuk toegevoegd. De door de gemeente naar zich toegetrokken sloop van dit gebouw – volgens de gemeente onvermijdelijk geworden wegens instortingsgevaar – heeft zich in de eerste maanden van 2019 voltrokken. Het werd een sloop met fluwelen handschoenen: dakpan voor dakpan en steen voor steen. Er was volgens de gemeente door het spoedeisende karakter van de afbraak geen tijd en geen mogelijkheid om deze sloop op reguliere wijze te doen. Het gevolg daarvan was dat de sloopkosten opliepen tot een slordige zes ton, waarvan de rekening werd neergelegd bij eigenaar Khalid Boutachekourt. Voor dit bedrag werd de kerk overigens niet eens volledig gesloopt, maar alleen tot ‘veilige hoogte’, die 8 meter moest zijn, maar op sommige plekken nog een stuk hoger uitkwam.

Schandvlek van Gouda

Tegelijkertijd werd gewerkt aan een nieuwe (in het diepste geheim voorbereid) bestemmingsplan voor deze locatie, dat moest voorkomen dat de eigenaar een gebouw van de omvang en het volume van de kerk zou neerzetten. Met veel stoom en kokend water slaagde het college erin dit bestemmingplan in de laatste weken van dit jaar door de raad te krijgen, waarbij op het laatste moment nog enkele aanpassingen gedaan werden wat betreft de hoogte van de toegestane bouw en de mogelijkheid van het sluiten van de bebouwing aan de Turfmarkt (‘de plint’).  Wat nu rest is een ruïne als schandvlek in het hart van de stad en verruïneerde verhoudingen in de buurt en in de politiek. Rechtsgang kan nog jaren duren, reden voor de eigenaar om zijn hand uit te steken naar de gemeente en voor te stellen een ultieme poging tot overeenstemming te ondernemen, onder leiding van een onafhankelijke bemiddelaar.

Niet alleen in de kwestie rond de Turfmarktkerk, maar ook op andere vlakken, is in Gouda behoefte aan samenbindend leiderschap. In dat opzicht is de hoop zeker gevestigd op de nieuwe burgemeester die een maand geleden zijn intrede deed. Pieter Verhoeve, voorheen burgervader van Oudewater, was als SGP’er een verrassende keuze. Zijn enthousiasme en voorliefde voor geschiedenis zijn hoopvolle tekenen dat deze historicus veel kan betekenen voor de stad en het bewaren en koesteren van haar geschiedenis.

Niet alleen Gouda750 werpt zijn schaduw vooruit, ook een ander bijzonder jubileum dat in 2022 gevierd gaat worden. In dat jaar is is het namelijk 500 jaar geleden dat Dirck Volkertszoon Coornhert werd geboren, de humanist en veelzijdig denker die met zijn pleidooi voor Vrijheid van Conciëntie grote invloed heeft gehad op de politiek van de stad in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw. Om niet overvaren te worden door het slagschip van Gouda750 zal het zwaartepunt van de activiteiten rond Coornhert in de laatste helft van 2022 liggen, met onder meer een grote Coornhert-herdenking in de Sint-Janskerk, toneelstukken, een wetenschappelijk congres en een Coornhertwandeling. Ook zal er een Kraamkamer van de Vrijzinnigheid ingericht worden, als uitvalsbasis voor alle activiteiten in dit kader.

Dat Gouda stijlvol kan herdenken bleek op ook het afgelopen jaar. Op 15 september werd in het Houtmansplantsoen en in Concordia uitgebreid stilgestaan bij het feit dat het exact vierhonderd jaar geleden was dat Gouwenaar Cornelis de Houtman voor het eerst voet aan wal zette in West-Australië. Met een prachtige eenakter van toneelgroep De Zwaan, een toespraak van een vertegenwoordiger van de Australische ambassade, een luisterrijk optreden van de Utrechtse muziekgroep Camerata Trajectina en twee lezingen werd op fraaie wijze stilgestaan bij dit feit. Op 2 november stond een andere historische figuur uit de stad centraal in de Sint-Janskerk, waar werd gememoreerd dat vierhonderd jaar eerder de Goudse dominee Eduardus Poppius op de Synode van Dordrecht werd veroordeeld om zijn vrijzinnigheid en het land werd uitgegooid.

Vieren en herdenken is een van de manieren om de aandacht voor de geschiedenis van de stad en haar monumenten vast te houden, dus met Gouda750 en het Coornhertjaar op komst geeft dat de historisch geëngageerde burger moed.

Franciscaans erfgoed overgedragen aan het museum

Het unieke verhaal van de Goudse schuilkerken is vandaag gecompleteerd – of in elk geval een stuk completer gemaakt – met de overdracht in van twee zeventiende-eeuwse ‘portretten’ uit de statie van de minderbroeders of franciscanen. Vorig jaar schreef ik hier al over. Beide objecten dat met goedkeuring van het Bisdom Rotterdam door de Sint-Jozefparochie in bruikleen afgestaan aan Museum Gouda. Ter gelegenheid van de overdracht heb ik voor geïnteresseerde parochianen en andere belangstellenden in de Gasthuiskapel het verhaal van de vijf Goudse staties verteld, met de nu bijeengebrachte kunstwerken als leidraad.

De statie van de minderbroeders werd gesticht door pater Gregorius Simpernel, een zuiderling die met hulp van een vermogend klopje, Anna van Geffe, een kerkzaal kon inrichten aan de Hoge Gouwe. Beide personen zijn afgebeeld op de nu overgedragen werken. Het ene is een portret van het klopje, in zeer sobere – op dat van een begijn gelijkend – habijt. Het andere betreft Simpernel op zijn sterfbed, een schilderijtje van de hand van de Gouwenaar Jan Ariansz Duyf (1617-1647), een weeskind met artistieke kwaliteiten, die leerling was van zijn neef Wouter Pietersz Crabeth. Laatstgenoemde is weer de schilder van het meest bijzondere schilderij uit de Goudse schuilkerken; de Bekering van Willem van Aquitanie door Bernardus van Clairvaux. Op dit historistuk zijn drie Goudse wereldlijke priesters te zien, met Petrus Purmerend, pastoor van de Kleine Sint-Jan aan de Hoge Gouwe, als Bernardus en zijn twee kapelaans als assistenten. Achter hen vijf klopjes, onder wie de kapitaalkrachtige Marie de Licht die het kunstwerk financierde. Dit schilderij is te beschouwen als de Nachtwacht van de Nederlandse schuilkerkenkunst, en verdient een prominete plek in de kapel in plaats van in een zijkamertje, zo heb ik vanmiddag nog maar eens betoogd.

Beiden nieuwe aanwinsten zullen ook een logische plek in dit beeldverhaal moeten krijgen, tezamen met een ander schilderij dat nu nog in het magazijn staat: een ander schilderij van Duyf, met een portret van een nog jonge Simpernel. Dit portret kende ik alleen in het zwartwit als illustratie in de boeken van pater Dalmatius van Heel over de Goudse minderbroeders uit 1947. Dankzij conservatrice Julia Zwijnenburg van het museum kreeg ik van dit portret vanmiddag ook een kleurenafbeelding. Het portret laat zien dat Duyf geen groot schilder was – met name de gevouwen handen zijn onbeholpen – maar ook dit is een uniek historisch document in het Goudse schuilkerkenverhaal.

Dat in Gouda zoveel objecten uit de schuilkerken bewaard zijn gebleven en ook alle altaarstukken uit de Sint-Janskerk, meen ik vooral toe te kunnen schrijven aan het bijzondere politiek-religieuze klimaat dat de stad in de vroegmoderne tijd heeft gekend, met een nadruk op vrijheid van consciëntie en afkeer van gewetensdwang. Hierdoor kregen katholieken meer dan elders in Holland de ruimte hun religie te belijden en de daarvoor benodigde voorzieningen in te richten. Het aandeel van katholieken in de stad is mede hierdoor met ruim 30% een stuk hoger dan in andere steden. Maar ook hier kalft de rooms-katholieke kerkgemeenschap snel in omvang af. Des te belangrijker is dat haar erfgoed bewaard blijft en verteld wordt aan het nageslacht. Zonder dit verhaal is veel in deze stad niet te begrijpen.

Wek de verwaarloosde Goudse Librije weer tot leven

Ruim vier eeuwen lang koesterde Gouda een kostbare stadsboekerij. Deze Goudse Librije vond haar oorsprong in het boekenbezit van de Sint-Janskerk en de kloosters in de stad en werd na de Reformatie op last van het stadsbestuur gevormd nadat de kloosters werden gesloten en de grote kerk in protestantse handen kwam. De boeken en middeleeuwse handschriften werden toen ondergebracht in de bovenzaal van een aanbouw aan de kerk. Er werd een stadsbibliothecaris aangesteld, die zich tooide met de naam Custos, die werd bijgestaan door een college van Librijemeesters. Gezamenlijk zorgden zij ervoor dat de boeken gecatalogiseerd werden, opgesteld in fraaie kasten en voor raadpleging beschikbaar gesteld aan een beperkte groep vooraanstaande burgers die het zogeheten Sleutelrecht kregen. Aan dat recht om gebruik te mogen maken van de Librije zat wel de verplichting dat de houder een boek moest schenken, zodat de verzameling verder kon groeien. Daarnaast ontvingen de Librijemeesters van het stadsbestuur jaarlijks een bedrag om de Librije verder te verrijken met aankopen die zij op veilingen en bij boekverkopers konden doen.

Het onderkomen van de Librije in de Sint-Janskerk bleek in de loop van de twintigste eeuw klimatologisch ongeschikt om dergelijke oude en kostbare boeken nog langer in onder te brengen. Daarom werd het boekenbezit eerst overgebracht naar het nieuwe onderkomen van het stadsarchief, in de Gasthuiskapel aan de Oosthaven. Het waardevolle interieur van de Librije werd ontmanteld en verdween naar de stort. Alleen een groot 17de-eeuwse, met namen van Librijemeesters beschilderd bord en wat unieke houden plankcatalogi werden bewaard. Hiermee werd een weg ingeslagen die tot op de dag van vandaag heeft geleid tot een verdere verwaarlozing van Gouda’s kostbare boekenbezit. De Librije werd meer en meer een dode verzameling, waarvan steeds minder mensen de unieke waarde voor de stad nog zagen of onderkenden.

Die verwaarlozing van de Goudse Librije zette verder door toen de verzameling in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd overgebracht van de Gasthuiskapel naar het nieuwe onderkomen van het stadsarchief in het Weeshuis. Stonden de boeken in de kapel nog in een open opstelling met hoge houten kasten, nu verdwenen zij naar het magazijn in stalen kasten. Dat daarbij het bestuur van Custos en Librijemeesters werd afgedankt, deed de bijzondere zorg die deze boeken nodig hebben ook geen goed. Dat bleek in 1988, toen het gemeentebestuur het drieste plan opvatte om kostbare boeken uit de verzameling te verkopen ter dekking van tekorten op de begroting. Door een gericht media-offensief van ondergetekende werd de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) wakker geschud, die toen zijn veto uitsprak over het op deze wijze verramsjen van cultuurgoed.

Inmiddels is de Goudse Librije voor de derde keer in korte tijd verhuisd; nu naar het archiefdepot in Moordrecht. De boeken zijn daarmee voor het eerst buiten de stad beland en nog verder uit het zicht geraakt van degenen voor wie de verzameling is opgebouwd en uitgebouwd; de Gouwenaar. De Librije is ook zo dood als een pier. Waar andere steden die beschikken over een dergelijke boekenschat, zoals Enkhuizen, Zutphen en Alkmaar, de afgelopen jaren er alles aan gedaan hebben de collectie te ontsluiten en ‘in situ’ te tonen aan het publiek, is het in Gouda stil gebleven. Ook is de verzameling niet verder aangevuld, terwijl een verdere aanvulling met Goudana – boeken over Gouda, in Gouda gedrukt of anderszins een relatie hebbend met de stad – al lang niet meer plaatsvindt.

Zo kan het dan ook gebeuren dat in principe waardevolle aanvullingen op de Goudse Librije nu uit het zicht raken. Een goed voorbeeld daarvan is de Collectie Trapman, een groot aantal boeken over Erasmus dat in het bezit was van deze grote Erasmuskenner uit onze tijd, die door de vorige museumdirecteur Gerard de Kleijn voor Museum Gouda was aangekocht voor een luttel bedrag en werd uitgesteld in de Erasmustentoonstelling in 2016. Zijn opvolger Marc de Beyer was van oordeel dat de boeken niet pasten in de collectie en heeft geprobeerd ze elders in Gouda onder te brengen. Ook het Streekarchief – toch de hoeder van de Librije – toonde geen belangstelling, ondanks inspanningen van het Erasmusgenootschap. Het gevolg is dat de boeken nu Erasmus achterna zijn gegaan en geschonken zijn aan het Erasmus Center in Rotterdam, waar ze de meeste titels weliswaar al hadden, maar deze exemplaren laagdrempelig door het publiek  in handen laten nemen.

Ook op andere momenten doen er zich kansen voor om unieke Goudana toe te voegen aan de collectie. Zo kocht ik op de Kerstmarkt in de Sint-Janskerk en hele stapel ‘grijze literatuur’ over de Goudse Glazen, die afgaand op de stempels in de boekjes afkomstig waren uit het bezit van het voormalige Fonds Goudse Glazen. Ik ben ervan overtuigd dat het Streekarchief diverse van deze titels niet in de collectie heeft, zeker niet exemplaren die voorzien zijn van aantekeningen. Ook op veilingen duiken soms voor Gouda unieke boeken en geschriften op, die met enige inspanning verworven zouden kunnen worden. De zogeheten ‘Vrienden van Archief & Librije’ spelen een enkele keer een verdienstelijke rol op dit vlak, maar hebben een te brede doelstelling en te weinig invloed, middelen en kennis om op dit vlak veel te betekenen.

Ik kom op grond van de lotgevallen van de Goudse Librije tot de conclusie dat deze boekenschat bij archivarissen niet in goede handen is. Wat deze verzameling nodig heeft is aandacht en zorg van echte bibliofielen, die erop gespitst zijn en blijven de collectie aan te vullen, toegankelijk te maken en tentoon te stellen. Vandaar dat ik hartstochtelijk zou willen pleiten voor het weer in ere herstellen van het college van Librijemeesters en de aanstelling van een Custos. Zo’n college kan dan optreden als de echte pleitbezorger van de collectie en het leven terugbrengen in de Librije. Ik ben ervan overtuigd dat dit unieke en kostbare Goudse boekenbezit dan niet langer door uitverkoop, verwaarlozing en uitsterven bedreigd zal zijn. De Goudse Librije verdient echt beter!

Pleidooi voor terugkeer van de Moriaan en de Indiaan

Aangezet door de redactie van AD/Groene Hart heb ik mij even verdiept in het beeldje van de vrolijke roker, die eeuwenlang de voorgevel van de Moriaan aan de Westhaven sierde. Het beeldje verdween in 2007, nadat het apothekersmuseum in dit pand de deuren moest sluiten en de gemeente op het dieptepunt van de huizencrisis besloot het gebouw te koop te zetten. Voor een schamele zes ton kwam het in handen van een particulier, die zijn resterende geld primair moest steken in het omvormen van dit museum in een woonhuis; dus aanleg van badkamers en keuken. De voorgevel bleef onttakeld als hij was bij de overdracht en wordt ook nog eens gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door tegen de winkelpui gestalde fietsen van de bewoners.

Op mijn zoektocht kwam ik er ook achter dat achter het beeld altijd een beschilderd bord heeft gehangen, met daarop een rokende indiaan. Beide figuurtjes – die nu in het magazijn van Musea Gouda bewaard worden – verbeelden daarmee als het ware de overgang van rookwaar die afkomstig was van de indianen naar rookwaar van de Amerikaanse plantages. De daar door Afrikanen geplukte tabaksbladen werden te drogen gehangen rond klossen, waarvan er vier nog wel te zien zijn op de gevel van de Moriaan. Het zou mooi zijn als beeld en bord teruggeplaatst zouden worden op de plek waar ze horen, want ze vormen een organisch geheel met andere elementen aan de gevel, zoals die klossen, maar de dat koopwaar die vermeld staat onder de ramen. In het Goudse jubeljaar 2022, als Gouda viert dat ze 750 jaar stadsrechten heeft, hoort dit pand weer de uitstalling van weleer te hebben (en de fietsen achterom in de prachtige tuin gestald).

De Goudse pijp als historische bron

Roker op schilderij van Pieter de Hooch

Eerder in dit weblog heb ik uitvoerig aandacht besteed aan de waarde van tegels als historische bron. Een ander – meer nog dan tegels – Gouds product dat een historicus interessante informatie verschaft is de kleipijp. Bewoners van de binnenstad van Gouda weten dat je geen spade in de grond kunt steken, zonder dat er een pijpenkop of pijpensteel mee naar boven komt. Vanaf de introductie van deze pijpen met lange steel, door Engelse migranten in de stad in het begin van de zeventiende eeuw, – de eerste was William Baerneltss in 1617 – ontwikkelde het ambacht van pijpenmaker zich steeds meer als een belangrijke pijler onder de stedelijke economie. Aanvankelijk was het een nevenproduct van de plateelindustrie, omdat pijpenmakers op de arbeidsluwe uren gebruik konden maken van de ovens van de pottenbakkers.

In de loop van de achttiende eeuw nam het pijproken een hoge vlucht en werd de pijpmakerij bijna synoniem met Gouda. In 1713 telde de stad al meer dan driehonderd pijpenmakersbazen. Het was een industrie die in zekere zin zelf zorgdroeg voor een blijvende vraag, omdat het een uiterst kwetsbaar product betrof, dat snel aan vervanging toe was. Niet voor niets worden de meeste pijpenkoppen gevonden op de bodem van (voormalige) grachten. Zij knapten snel van de lange dunne steel af bij het uitkloppen van de asresten op de achterkant van de schoen. Die kwetsbaarheid bleef nog lang een wezenskenmerk van de Goudse pijp; nog mijn moeder, opgegroeid in West-Brabant, wist te vertellen dat jongens uit haar dorp er een sport van maakten om ’s winters bij het schaatsen een pijp te gaan halen in Gouda. Die werd op de rug gebonden en de schaatser die de pijp zo heel in West-Brabant wist af te leveren was de gevierde held.

Bijzonder aan de Goudse pijpen is dat de producent een ‘handtekening’ achterliet op het zogeheten hielmerk van elke pijp. dat biedt de mogelijkheid om pijpenkoppen niet alleen te dateren, maar ook te lokaliseren qua productie. Aanvankelijk waren de pijpenkoppen klein en zonder versiering. Na verloop van tijd werden ze iets groter en vaker versierd met afbeeldingen. Ook di afbeeldingen geven bijzondere historische informatie. Zo zijn er in de patriottentijd – toen de Goudse pijpenindustrie door het nagenoeg wegvallen van de internationale markt fors was ingekrompen – pijpen veelvuldig voorzien van teksten en portretten die de partijkleur (patriot of orangist) van de roker moest duidelijk maken.

Goudse pijpenkop frontaal stadswapen met zes sterren en de wapenspreuk Per aspera ad astra

Mijn interesse voor dit voor nog onbekende domein van de pijpenkoppen werd onlangs geprikkeld door de verwerving van een achttiende-eeuwse , die het toonbeeld is van Goudse stedelijke trots. Prominent aan de voorzijde is het stadswapen met de zes sterren aangebracht, geflankeerd door twee Hollandse leeuwen. Daaromheen is in een tekstbanderol de wapenspreuk van Gouda te lezen: Per aspara ad astra (door de doornen naar de sterren).

Hielmerk van landman met schop

Het hielmerk toont een landman met schop. Dat was het pijpenmerk van pijpenmaker Jacobus van der Draaij (1782-1803). De pijp is waarschijnlijk in 1785 geproduceerd, tien jaar voor het Ancien Regime ten einde kwam. Zo bezien hebben we hier te maken met een late demonstratie van stedelijke autonomie, die met de komst van de Fransen in rook opging.