Artikel Nico Habermehl over de islam in Gouda oogst lof hoogleraar protestantisme

De jubileum­bun­del van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd) heeft een mooie besprek­ing gekre­gen in het His­torisch Tijd­schrift Hol­land, geschreven door door Fred van Lieburg, bij­zon­der hoogler­aar Geschiede­nis van het Ned­er­lands protes­tantisme aan de Vrije Uni­ver­siteit. Opmerke­lijk is, dat hij hierin het artikel van wijlen Nico Haber­mehl pri­jst als boeiend en grensver­leggend voor de VNK.

Hieron­der de recen­sie van Van Lieburg: Dit boek ver­scheen ter gele­gen­heid van het 25-jarig bestaan van de Verenig­ing voor ScanNed­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK), die op 27 mei 1989 in Gouda werd opgericht. Deze aan­lei­d­ing vormt de helft van de verk­lar­ing van de hoofdti­tel Terug naar Gouda en van de inhoud van de bun­del, die voor een deel bestaat uit artike­len over de geschiede­nis van deze inter­con­fes­sionele verenig­ing van beroeps– en ama­teurk­erkhis­torici. De andere helft van de verk­lar­ing is dat de meeste artike­len – net als inder­tijd de eerste bun­del die door de VNK werd uit­gegeven – gewijd zijn aan onder­w­er­pen uit de Goudse religie– en kerkgeschiede­nis. In één artikel, dat van John Exalto over ‘De opmars van de bevin­delijk gere­formeer­den in de his­to­ri­ografie’, lopen beide per­spec­tieven zelfs een beetje door elkaar, in zoverre als de recente geschied­schri­jv­ing van de Bible­belt geïl­lus­treerd wordt vanuit plaat­selijke ontwik­kelin­gen op het ter­rein van kerk en onder­wijs. De overige bij­dra­gen over Gouda zijn pri­mair lokaal-historisch van aard, wat uit­er­aard niet weg­neemt dat ze daarmee een spiegel vor­men van gewest­elijke of inter­na­tionale ontwik­kelin­gen in de geschiede­nis van het chris­ten­dom. Wel hebben deze bij­dra­gen vri­jwel alle­maal betrekking op de late Mid­deleeuwen en de Refor­mati­etijd. Voor de lez­ers van Hol­land ligt daarin dan ook de groot­ste waarde van deze bun­del cas­es­tud­ies over het gods­di­en­stige leven in de vroeg­mod­erne periode.

Koen Goudri­aan beschri­jft enkele, rond 1500 in Gouda gedrukte boeken waarin de beteke­nis van de mis werd uit­gelegd. Hij plaatst deze in de con­text van een kerke­lijk catechese-offensief waarmee geestelijken de aan­dacht van leken voor de eucharistie probeer­den terug te win­nen. Jan van Her­waar­den behan­delt straf­be­de­vaarten die tussen 1447 en 1563 door Goudse rechters wer­den opgelegd aan per­so­nen die zich aan aller­lei kleinere of grotere overtredin­gen had­den schuldig gemaakt. Drie artike­len, geschreven door Mir­jam van Veen, Kees Plaizier en Gert­jan Glis­mei­jer, gaan in op de min of meer spir­i­tu­al­is­tis­che stro­ming in het door con­fes­sion­al­isme beïn­vloede protes­tantisme rond 1600, verte­gen­wo­ordigd door auteurs als Dirck Vol­ck­ertsz. Coorn­hert en Her­man Her­bers. De aan­dacht voor deze schak­er­ing van het chris­telijke spec­trum wordt in de bun­del niet echt gecom­penseerd door stud­ies over de gere­formeerde ortho­doxie, die uitein­delijk ook in Gouda lang­durig de toon aan­gaf. Maar liefst drie artike­len, aange­bo­den door Paul Abels, Marieke Abels en Mar­i­anne van der Veer, bestrijken het rooms– en oud-katholieke leven in Gouda in de vroeg­mod­erne tijd. De negen­tiende en twintig­ste eeuw komen er in de bun­del bekaaid af. Gelukkig leverde Henny van Dolder-de Wit nog een lezenswaardige bij­drage over de kerk­muzikale ontwik­kelin­gen in de Goudse her­vor­mde gemeente in de loop der eeuwen.

Zoals gezegd hinkt de bun­del een beetje op twee gedachten – de religiegeschiede­nis van Gouda en de geschiede­nis van de VNK zijn ver­mengd. Veel aan­dacht wordt besteed aan de ver­schillen tussen het in 2005 uit­gegeven hand­boek Ned­er­landse religiegeschiede­nis en het een jaar later gepub­liceerde Hand­boek Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. Vreemd genoeg heeft de VNK zich van meet af aan nogal sterk met het laat­stge­noemde werk geï­den­ti­ficeerd. Daarmee ver­bon­den was een kram­pachtige verdedig­ing van iets wat spec­i­fiek ‘kerkgeschiede­nis’ in tegen­stelling tot ‘religiegeschiede­nis’ zou moeten heten. Het is winst dat in deze bun­del meer nuchter­heid wordt betra­cht en zelfs een zekere spijt wordt betu­igd dat een kwarteeuw gele­den niet gewoon een Verenig­ing voor Ned­er­landse Religiegeschiede­nis is opgericht. Ini­ti­atiefne­mer Henk ten Boom voorzag al tij­dens een bestu­ursver­gader­ing in decem­ber 1988 dat het vak zich in deze richt­ing zou bewe­gen. Zelf heb ik aan het einde van een voor­berei­d­ings­bi­jeenkomst van de oprichters op schrikkeldag 1988 voorgesteld de aan­dacht niet te beperken tot het chris­ten­dom, maar ook het joden­dom erbij te betrekken. Van de opmars van de islam in Ned­er­land had ik nog geen kaas gegeten. Ook in de eerste VNK-bundel over Gouda wordt met geen woord over moslims gerept, hoewel de stad in 1989 al twee moskeeën telde. Teke­nend voor de ver­schuivin­gen in his­to­rie én his­to­ri­ografie is dat in de huidige bun­del een boeiend artikel over de islam in Gouda is opgenomen [van Nico Haber­mehl, P.A.]. Daarmee kri­jgt de onder­ti­tel van het boek – Religieus leven in de maal­stroom van de tijd – het volle pond en toont de VNK vol­wassen te zijn gewor­den. Haar open­heid voor een in alle opzichten brede beoe­fen­ing van de geschiede­nis van religie, geloof en kerk in Ned­er­land ver­di­ent lof en steun. De frisse blik op de toekomst blijkt ook uit de feestrede die Willem Fri­jhoff hield bij de pre­sen­tatie van de bun­del op de VNK-jubileumdag op 11 okto­ber 2014 in Gouda. Zijn titel bevatte een uitroepteken en een vraagteken – in die vol­go­rde: ‘Lang leve de kerkgeschiedenis!?’

Paul H.A.M. Abels, Jan Jacobs en Mir­jam van Veen red., Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd Meinema, Zoeter­meer, 2014, 304 p., geïll., ISBN 9021143720, prijs €28,50

Gouds stadhuis in fantasieomgeving van Willem Koekkoek

Op pres­tigieuze kunst en antiek­beurs Art Breda, die deze week zijn (tent)deuren opende in de West-Brabantse stad, wordt een opmerke­lijk schilderij van het stad­huis van Gouda aange­bo­den, geschilderd door de negentiende-eeuwse schilder Willem Koekkoek (1839–1895). Willem Koekkoek was zoon en leer­ling van de mari­neschilder Her­manus Koekkoek sr. Hij spe­cialiseerde zich in het schilderen van gefan­taseerde Hol­landse stads­gezichten, waar­bij Cor­nelis Springer zijn grote voor­beeld was. Het grote doek (77 x 112 cm) laat goed zien hoe hij daar­bij fan­tasie en werke­lijkheid com­bi­neerde. Het stad­huis is behoor­lijk waarhei­ds­getrouw weergegeven, maar iedereen die de sit­u­atie op en rond de Goudse Markt kent zal meteen zien dat de overige pan­den weinig gemeen hebben met de werke­lijkheid. Koekkoek heeft het Goudse stad­huis in een Anton Pieck­achtige omgev­ing geplaatst, om zo als negentiende-eeuwer een roman­tisch beeld van de Gouden Eeuw te geven.

Fantasieweergave van de Goudse Markt, geschilderd door Willem Koekkoek

Fan­tasie­weer­gave van de Goudse Markt, geschilderd door Willem Koekkoek

De weer­gave van de bebouwing rond het stad­huis maakt het niet erg waarschi­jn­lijk dat Koekkoek dit tafer­eel ter plaatse, in Gouda, ver­vaardigd heeft. Miss­chien heeft hij het

Achttiende-eeuwse prent van het Goudse stadhuis

Achttiende-eeuwse prent van het Goudse stadhuis

Goudse stad­huis zelfs nooit met eigen ogen aan­schouwd. Waarschi­jn­lijk heeft hij zich bedi­end van een oude prent van het stad­huis, waar­van er diverse in ruime aan­tallen in omloop waren. Uit uiter­lijk van het stad­huis is tot in detail namelijk op vergelijk­bare wijze weergegeven.  Even vreemd als de bebouwing is ook de kled­ing van de vele mensen die zich rond de kraam­p­jes op de markt bevin­den. Hier zien we zowel mensen met een zeventiende-eeuwse kledij, als mensen met kled­ing die in de mode was in de tijd dat Koekkoek leefde. Schilder­i­jen als deze zijn lange tijd ver­guisd van­wege hun valse romantiek. De afgelopen decen­nia hebben ze echter snel aan waarde gewon­nen, zo sterk zelfs, dat ze tegen­wo­ordig voor zeer grote bedra­gen van de hand gaan. Smaak veran­dert nu een­maal in de loop der tijden.

Lekenprediker komt uit de (boeken)kast

In de Lutherse St.-Joostkapel aan de Lage Gouwe, hield bovengetek­ende op zondag 15 maart de laat­ste Preek van de Leek van dit seizoen, geor­gan­iseerd door de Fed­er­atie van doops­gezin­den, remon­stran­ten en vri­jzin­nige protes­tanten. Bek­ende Gouwe­naars als muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn, Tweedekamer­lid  Mohan­dis, oper­azan­geres Tania Kross en interim-burgmeester Jan Mans gin­gen mij voor. Ik heb ervoor gekozen mijn liefde voor het oude boek als uit­gangspunt te nemen voor de preek.

Beminde gelovi­gen en ongelovigen,

Een lekenprediker op de kansel van de Sint-Joostkapel. Foto: Bobby de Vos

Een leken­prediker op de kansel van de Sint-Joostkapel. Foto: Bobby de Vos

Van­daag gaat voor mij een lang gekoes­terde wens in vervulling, namelijk zelf een keer op 
de kansel staan om de goege­meente toe te spreken. Al van jongst af aan ben ik namelijk gefasci­neerd door geloof en religie. De basis daar­voor werd uit­er­aard gelegd door mijn oud­ers, die zon­der dwang, maar met een grote vanzelf­sprek­end­heid ons het rooms-katholieke geloof met de spreek­wo­ordelijke paple­pel ingoten. Van grote invloed was ook mijn lange loop­baan – of beter gezegd kniel­baan – als mis­di­en­aar. Tij­dens de vele mis­sen die ik in de Almelose Sint-Egbertuskerk en het aan­pal­ende fran­cis­canessen­klooster mocht dienen – soms een weeklang ’s ocht­ends om zeven uur – heb ik de waarde van mystiek en riten van bin­nenuit en van nabij leren ken­nen. Het ein­de­loos dicht­knopen van de zwarte toga, het over het hoofd trekken van de witte sup­per­plie, het pre­cies op tijd legen van de ampullen met water en wijn in de kelk van de priester of het lang­gerekte ‘amen’ meezin­gen aan het eind van het Credo; het zijn stuk voor stuk repert­erende onderde­len die in in mijn geheugen gegrift staan. Net als: in alle vroegte flessen vullen uit zojuist geze­gende teilen met wijwa­ter en deze samen met palm­tak­jes rond­bren­gen langs parochi­a­nen. Of het vooro­plopen met het grote kruis en de wijwa­terem­mer plus kwast bij begrafenis­sen en in feestelijk rode toga’s assis­teren bij huwelijksinze­genin­gen. En dat alle­maal onder schooltijd! Op die manier maakte ik al vanaf mijn zevende lev­en­s­jaar mee hoe ver­driet en vreugde religieus ingekaderd en geduid werden.

Schriftlezing uit de Goudse Rammazeunbijbel uit 1647. Foto Bobby de Vos

Schriftlez­ing uit de Goudse Ram­mazeyn­bi­j­bel uit 1647. Foto Bobby de Vos

Waarschi­jn­lijk is met deze ervarin­gen mede mijn fas­ci­natie te verk­laren voor wat mensen ten diep­ste bezighoudt. Want anders kan ik het niet verk­laren dat ik in de roerige jaren zeventig tegen de stroom in koos voor een studie Kerkgeschiede­nis en dan ook nog uit­gerek­end in het toen vuur­rode bol­w­erk Nijmegen. Mijn vader liet daar­bij overi­gens niet na te benadrukken dat hij, maar ook al zijn oud­ers, jaren­lang betaald had­den om de sticht­ing van deze katholieke uni­ver­siteit mogelijk te maken en dat het een schande was dat diezelfde uni­ver­siteit nu haar katholieke achter­grond steeds meer leek te verloochenen.

Hoe het ook zij, ik kreeg toch de kans om in Nijmegen af te stud­eren bij een pro­fes­sor die als leerop­dracht had, het bestud­eren van de “Geschiede­nis van het Ned­er­lands Katholi­cisme”. Dat ik mij daar­bij kon toe­leggen op de geschiede­nis van de refor­matie en in het bij­zon­der de lev­ensver­halen van de eerste gere­formeerde dom­i­nees in Twente, toont overi­gens wel aan hoe breed de goede man zijn leerop­dracht opvatte. En zo kon het gebeuren dat ik uitein­delijk samen met mijn goede roomse vriend Ton Wouters op Her­vorm­ings­dag 1994 pro­moveerde op een proef­schrift over de Refor­matie in Delft en omstreken. Vanaf die tijd komt het voor dat ik in pub­li­caties niet als dr. Abels ver­meld sta, maar als ds. Abels. Het mag zo bezien dan ook weer geen ver­won­der­ing wekken dat ik het van­daag een protes­tantse kansel mag beklimmen.

(meer…)

Wie weet waarom het joodse schooltje is afgebroken?

Een lucht­foto van de bin­nen­stad die gemaakt werd in 1978 riep bij mij de vraag op of er rond de syn­a­goge geen waarde­volle joodse ste­nen herin­ner­in­gen zijn verd­we­nen. De foto laat achter het gebed­shuis enkele oude gebouwt­jes zien met een punt­dak. Vol­gens de web­site van de huidige eige­naar van het com­plex, de Vrije Evan­ge­lis­che Gemeente, wer­den de oude gebouwen achter de kerk als joodse school gebruikt en stond hele­maal achterin de tuin ook nog een reinigingsgebouw.

synagoge

Deze gebouwt­jes ston­den er dus nog in 1978. Als ik nu uit mijn achter­raam kijk zie ik een uit goed­kope witte steen­blokken opgetrokken bijge­bouw met plat dak en een dito mod­ern vierkant gebouw met punt­dak op de plek waar het lijken­huisje stond.

schandvlek

Wat is hier gebeurd? Kan iemand mij meer infor­matie ver­schaf­fen wat hier tussen 1978 en nu is gebeurd? De troost­eloze aan­blik van deze nieuw­bouw laat schri­j­nend zien hoe onzorgvuldig in Gouda is omge­gaan met het joodse erf­goed. Gelukkig lijkt het tij te keren. De plaats­ing van zoge­heten Stolper­steine, die herin­neren aan de joden die in de oor­log zijn weggevo­erd, vormt is dit opzicht een keer­punt ten goede.

Een joods wijkje
Sinds bijna vijf jaar woon ik aan de Turf­markt, twee huizen ver­wi­jderd van de voor­ma­lige 260px-Turfmarkt_Gouda_met_voormalige_synagogesyn­a­goge. Een joods gebed­shuis is het allang niet meer. Vri­jwel alle Goudse joden wer­den tij­dens de oor­log op trans­port gesteld en overleden in de verni­etig­ingskam­pen van de nazi’s. Slechts een enkel­ing kwam terug. Aan het joods gemeen­televen kwam daarmee op de meest ruwe wijze een eind en het gebed­shuis werd na de oor­log verkocht aan de Vrije Evan­ge­lis­che Gemeente, die daar tot op de dag van van­daag haar zondagse kerk­di­en­sten houdt. Aan het gebouw herin­nert weinig meer aan de oor­spronke­lijke bestem­ming. De Hebreeuwse spreuk op de gevel werd ver­wi­jderd. Dat was een voor­waarde van de joodse gemeente bij de verkoop. Het enige dat nog aan de syn­a­goge herin­nert is het kleine mon­u­men­tje van de kun­ste­naar Ralph Prins, dat in 1997 op de deur is aange­bracht, en beeldend uit­drukt hoe een van de zes ster­ren uit het stadswapen van Gouda is weggevallen als sym­bool voor de uitroei­ing van de joden uit deze stad.

(meer…)

Preek van de Leek over mijn liefde voor het B(b)oek

Een langgekoes­terde wens van mij zal op zondag 15 maart in vervulling gaan. Dan betreed ik een kansel om de goedge­meente stichtelijk toe te spreken en wel in de Lutherse Kerk, ook wel Sint-Joostkapel genoemd. Ik ben daar­voor gevraagd van­wege mijn kerkhis­torische achtergrond.  Met mijn leken­preek wordt het 3e seizoen van de Goudse Preek van de Leek afges­loten. Ik ben van plan te spreken over ‘de liefde voor het (B)boek’, zowel met een kleine– als met een grote let­ter. In feb­ru­ari is in Museum Gouda de ten­toon­stelling UITGELEZEN! geopend, gewijd aan boek­drukkunst, boeken en lezen. Ik ben één van de vier gastcu­ra­toren die de kans heeft gekre­gen in deze exposi­tie de fas­ci­natie voor het boek ten­toon te spreiden.

A3_poster_PAUL ABELS

De Goudse Preek van de Leek is inmid­dels een beproefd con­cept. Bek­ende Gouwe­naars –uit de wereld van kunst en cul­tuur, poli­tiek, sport of het bedri­jf­sleven– betre­den de preek­stoel. Bin­nen het for­mat van een kerk­di­enst preken ze over wat hen inspireert. Eerdere prek­ers waren onder andere Ger­ard de Kleijn, Tania Kross, Mohammed Mohan­dis, Jaap Mul­der en Willem Hes­sel­ing. De Goudse Preek van de Leek is een ini­ti­atief van de Fed­er­atie Gouda, een geloof­s­ge­meen­schap die haar inspi­ratie vindt daar waar chris­ten­dom, com­passie en cul­tuur elkaar raken. Een leken­preek begint om 16.00 uur in de St. Joost­kapel (Lage Gouwe 134) en duurt ongeveer een uur. Net als bij een nor­male kerk­di­enst is de toe­gang vrij en is reserveren niet mogelijk. Na afloop wordt er gebor­reld in de Koffiefab­riek. Op facebook.com/goudsepreekvandeleek is meer infor­matie te vinden.

Erasmusbrief voor Chahid el Haddouti

Vooruit­lopend op het Goudse Eras­mus­jaar 2016, waarin de grote human­ist met onder meer een ten­toon­stelling in Museum Gouda en een nieuw gebrand­schilderd raam in de Sint-Janskerk wordt geëerd, is een ket­ting­brief van Eras­musvrien­den ges­tart. In het komende jaar schri­jven mensen die geïn­spireerd zijn door Eras­mus steeds weer een nieuwe brief aan een vriend of bek­ende, zoals Eras­mus dat zelf ook deed in zijn tijd. Deze brieven zullen uitein­delijk ook gebruikt wor­den voor de ten­toon­stelling. Muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn beet drie weken het spits af, met een brief aan bovengetek­ende. Van­daag heb ik op mijn beurt een brief geschreven en over­handigd aan Chahid el Hadd­outi, voorzit­ter van Sticht­ing Boug­haz, met wie ik samen­werk om dit najaar de ten­toon­stelling Lalla Golda te organ­is­eren naar aan­lei­d­ing van 50 jaar Marokka­nen in Gouda.

DSC09386De brief aan Chahid is opge­bouwd rond Eras­mus’ boek ‘De Turkenkrijg’ uit 1530, waarin de human­ist antwo­ord geeft op de vraag of het westen oor­log moet voeren tegen de moslims.

De Marokkaanse vrouw in de schijnwerpers op tentoonstelling Museum Gouda

 

boughazDit jaar is het pre­cies 50 jaar gele­den dat de eerste Marokka­nen zich ves­tig­den in Gouda. Een halve eeuw later telt de Marokkaanse gemeen­schap in de stad ongeveer 7000 DeOntheemdenper­so­nen, 10% van de bevolk­ing. Sticht­ing Boug­haz, die al in de jaren ’90 al aan­dacht trok met gefilmde portret­ten van migranten die her en der in de stad ver­toond wer­den in con­tain­ers, wil niet onopge­merkt voor­bi­j­gaan aan die halve eeuw Goudse migratiegeschiede­nis van de Marokka­nen. In samen­werk­ing met het Museum Gouda en diverse andere part­ners in de stad zal op cre­atieve wijze stilges­taan wor­den bij dit jubileum. Daar­bij is gekozen voor een orig­inele en bij­zon­dere inval­shoek: de vrouw als stille kracht achter de migratie. Hoewel het de man­nen waren die vanaf 1965 als eerste in Gouda arriveer­den om hier aan de slag te gaan in fab­rieken, waren het immers de vrouwen die min­stens even zoveel inspan­nin­gen moesten lev­eren. Zij waren het die alleen achterbleven en hun kinderen moesten opvoe­den. Zij waren het ook die jaren later met de opgroeiende kinderen naar Ned­er­land wer­den gehaald en in een volkomen nieuwe en onbek­ende wereld hun weg moesten vin­den, zon­der hulp van een werkgever en met een zware huishoudelijke last. Velen van hen leg­den een opmerke­lijke over­lev­ingskracht aan de dag, maar er waren ook vrouwen die wegk­wi­jn­den achter de ramen, vervuld van heimwee en zor­gen over uit de band sprin­gende kinderen. Leed en vreugd zullen dan ook beide aan bod komen.

Vertrekpunt voor alle activiteiten wordt een exposi­tie in Museum Gouda, waar de vrouw op cre­atieve wijze tot mid­delpunt gemaakt wordt van de bewogen Marokkaans-Goudse migratiegeschiede­nis. Het idee van een dergelijke ten­toon­stelling komt nog van Nico Haber­mehl, de Goudse his­tori­cus die door een ern­stige ziekte getrof­fen werd en vorig jaar over­leed. Een aan­tal Gouwe­naars van Marokkaanse en Ned­er­landse afkomst heeft het stokje van hem overgenomen. De exposi­tie, in het najaar van 2015, zal wor­den omli­jst met een groot aan­tal neve­n­ac­tiviteiten. Voorzit­ter Chahid el Hadd­outi van Sticht­ing Boug­haz is zelf geïn­trigeerd door de overeenkom­sten tussen het bek­ende Goudse aardew­erk en keramiek uit Marokko. Hij zal dit in de keramiekzaal van het museum tot uit­drukking laten komen. De his­tori­cus Paul Abels zal de moeizame begin­jaren in beeld bren­gen, zowel voor de man­nen als de vrouwen. Daar­naast zullen tal van kun­s­tu­itin­gen getoond wor­den die de the­matiek ver­beelden. Beeldend kun­ste­naar Willem Hes­sel­ing werkt daar­bij samen met Marokkaanse kunstenaars.

Sticht­ing Boug­haz en het Museum Gouda stellen zich tot doel om zowel bezoek­ers met een Ned­er­landse, als met een Marokkaanse achter­grond te trekken. Om dit te bereiken wordt muse­um­be­zoek gekop­peld aan andere activiteiten buiten het museum, in de sfeer van muziek, dans, lit­er­atuur, film en debat. Boven­dien zal er een edu­catief pro­gramma ontwikkeld wor­den, om zo ook de jeugd ken­nis te laten maken met dit nog steeds actuele verleden van Gouda. De organ­isatoren weten zich ges­te­und door een Comité van Aan­bevel­ing, waar­van onder meer de Goudse burge­meester Milo Schoen­maker, het PvdA-kamerlid Mohammed Mohan­dis, de voor­ma­lige directeur van Uniqema Jan Löwik, de in Gouda opge­groeide Fatima Kalai – El Masaoui, onderneem­ster en raad­slid D’66 in Waddinxveen, Naïma Zefzafi, Samira El Yacoubi en Laila Abid, doc­u­men­taire­maak­ster, deel uit­maken. De ten­toon­stelling zal lopen van eind sep­tem­ber tot begin januari.

Zie voor het laat­ste nieuws over Lalla Golda de web­site van Sticht­ing Boughaz

Roskam over de tentoonstelling Uitgelezen!

RoskamGouda20022015 002

Oproep tot een stedelijke discussie over een Erasmusglas voor de Sint-Jan

Het voorne­men van het Col­lege van Kerkrent­meesters en Museum Gouda om ter gele­gen­heid van het Eras­mus­jaar 2016 een nieuw gebrand­schilderd glas te laten aan­bren­gen in de Sint-Janskerk is opmerke­lijk. Sinds de Tweede Werel­door­log is er geen nieuw raam ont­wor­pen en toegevoegd. Even opmerke­lijk is het uit­bli­jven van elke dis­cussie over dit besluit en over het gekozen ontwerp. Het glas vormt in meerdere opzichten een breuk met het verleden, hoezeer de argu­menten ervoor juist in het verleden gezocht wor­den. Alle tijd dus voor een dis­cussie, die breder moet zijn dan de kleine kring van ingewijden. .

Erasmus in glas. Detail uit een gebrandschilderd glas in het hoofdgebouw van de Universiteit  van Manchester

Eras­mus in glas. Detail uit een gebrand­schilderd glas in het hoofdge­bouw van de Uni­ver­siteit van Manchester

Detail van het nieuw te plaatsen glas van Marc Mulders

Detail van het nieuw te plaat­sen glas van Marc Mulders

 

De kwets­baarheid van glas
Het prog­nos­tisch inzicht en han­de­lend ver­mo­gen van de Goudse kerkvoogdij van de Sint-Janskerk waren in 1939 werke­lijk verbluffend. Ter­wijl het Duitse Rijk zijn agressie alleen nog maar ver­baal etaleerde en de Ned­er­landse pre­mier zijn onder­da­nen vertelde dat zij rustig kon­den gaan slapen, besloten de Goudse kerkbestierders toch maar het zekere voor het onzekere te nemen. Zij lieten de kost­bare gebrand­schilderde glazen zorgvuldig uit de kerk halen en brachten de glas­pan­e­len onder in boerder­i­jen in de omgev­ing en in bunkers in de duinen. In plaats van het gek­leurde glas kwam blank nood­glas. Uitein­delijk ontsnapte Gouda — anders dan het twintig kilo­me­ter verderop gele­gen Rot­ter­dam — aan het verni­eti­gende oor­logs­geweld van de Duit­sers. Maar met de waakza­amheid en voor­zorgs­maa­trege­len gaf de kerkvoogdij blijk van goed en ver­ant­wo­ord rentmeesterschap.

Uitein­delijk lijkt het groot­ste gevaar voor de Goudse Glazen in de gedaante van beelden­storm­ers, oor­logs­geweld of ander onheil (bijvoor­beeld een felle brand in een schilder­skeet, pal onder het Kon­ings­glas in 2003) niet van buiten te komen, maar van bin­nenuit. In 1621 ver­greep de gere­formeerde kerken­raad zich aan drie ramen, omdat daarin afbeeldin­gen te zien waren van de Heere God, het­geen aanstoot­gevend zou zijn en in strijd met de Schrift. Het was maar een klein­schalige zuiv­er­ings­ac­tie, maar die ging wel zover dat zelfs de ontwerptekenin­gen van betr­e­f­fende glazen, de zoge­heten car­tons, ‘ont­god­delijkt’ wer­den. In 1667 meende een scherp­sli­jpende dom­i­nee niet iets uit te wis­sen in een glas, maar er juist iets toe te moeten voe­gen: een fel anti-paaps vers.

(meer…)

Maarten van Rossem houdt warm pleidooi voor het gedrukte boek

In het kader van de ten­toon­stelling Uit­gelezen in Museum Gouda hield de historicus

Maarten van Rossum tijdens zijn lezing over de lezende zusjes. Rechts museumdirecteur Gerard de Kleijn

Maarten van Rossum tij­dens zijn lez­ing over de lezende zus­jes. Rechts muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn

Maarten van Rossem op vri­jda­gavond 20 feb­ru­ari een causerie rond zijn favori­ete schilderij: de lezende zus­jes Arntze­nius van Willem Bas­ti­aan Tholen. In zijn ander­half uur durende voor­dracht hield hij op de hem ken­merk­ende iro­nis­che wijze een warm plei­dooi voor het gedrukte boek. Vol­gens hem kan geen mod­erne tech­niek op tegen de voorde­len van deze wijze van bun­de­len van infor­matie en ideeën. Mod­erne gegevens­dragers zijn immers gedoemd na ver­loop van tijd buiten gebruik te raken, waar­door de infor­matie onbereik­baar wordt. Het boek daar­ente­gen, zelfs als dat zo oud is als de incun­abe­len van Ger­aert Leeu die op de ten­toon­stelling te zijn zijn, behoudt vol­gens de vader­landse ‘aartsmop­per­aar’ zijn intrin­sieke waarde.

Boeiend was ook Van Rossems uiteen­zetting over zijn eigen leesgeschiede­nis. Met pakkende voor­beelden toonde hij aan hoeveel invloed de in zijn jonge jaren gelezen — en

Twee dwarsdenkers in beeld. Van Rossum en Coornhert in de zaal over de Goudse Vrijheid

Twee dwars­denkers in beeld. Van Rossem en Coorn­hert in de zaal over de Goudse Vrijheid

de hem voorgelezen — boeken hebben gehad op zijn voorkeuren. Verder con­sta­teerde hij dat de huidige tijd geteis­terd wordt naar een con­tinue hang naar span­ning. In TV-series, maar ook in veel gelezen thrillers, moeten gebeurtenis­sen elkaar in hoog tempo opvol­gen omdat de kijker of lezer anders al snel zijn belang­stelling ver­li­est. Het dagelijkse leven, dat in veel boeken beschreven wordt, kent echter veel min­der span­ning en afwis­sel­ing. Daar­door zijn de oude boeken in onze ogen ook vaak traag en saai. We zijn vol­gens Van Rossem gewoon niet meer gewend om dergelijke ver­halen tot ons te nemen. Man­nen van boven de 37 zouden zelfs nauwelijks meer boeken lezen. Het boek moet het vol­gens hem bijna volledig hebben van vrouwen van mid­del­bare leeftijd. Die lezen nog en kopen nog boeken.

Na afloop nam Van Rossem uit­ge­breid de tijd om de ten­toon­stelling Uit­gelezen te bek­ijken. Naast zijn fas­ci­natie voor negentiende-eeuwse schilder­i­jen, bleek hij ook zeer geboeid door de vele oude boeken die op deze ten­toon­stelling te zien zijn.