Pieter vander Slaart voor de eeuwigheid bewaard; met dank aan de boekenmarkt van Deventer

Vandaag vond de 29ste boekenmarkt van Deventer plaats. In de loop der jaren moesten wij hooguit twee keer verstek laten gaan. Vanaf het eerste jaar waren wij daar present, want waar krijg je anders de kans om zoveel boeken bijeen te zien en zijn er zoveel mogelijkheden om verrassende vondsten te doen. Daarvoor is het wel zaak vroeg op te staan en in alle vroegte ter plekke te zijn, op het moment dat handelaren nog bezig zijn hun waar uit te stallen. Op dat tijdstip, zo vanaf half negen, heb je nog alle ruimte en gelegenheid om de boeken op de kramen te bekijken. Het spannende is dat je ‘s-ochtends niet weet, waarmee je ‘s-middags naar huis terug zult keren. Ik heb wel eens specifiek naar een boek gezocht, maar dan kom je het zelden of nooit tegen. Maar wel boeken die je daar nooit had verwacht of waarvan je het bestaan niet wist.

Slaart

Ook dit jaar keerden wij rond het middaguur huiswaarts met een goed gevulde rugtas. Dit keer werd zelfs de hand gelegd op een zestal fraaie oude drukken, die te koop werden aangeboden voor ongedacht lage prijzen. Ook dat is een charme van deze boekenmarkt: soms worden belachelijke, veel te hoge prijzen gevraagd, maar een andere keer kent de aanbieder overduidelijk de marktprijs van zijn waar niet. Dan is het zaak toe te slaan en dat deed ik vandaag. De meest bijzondere aankoop was een boekje met een bijzondere en dierbare herinnering, die teruggaat tot mijn studententijd. Rond 1980 volgden mijn studiegenoot Ton Wouters en ik het bijvak “Intellectuele betrekkingen” bij professor Hans Bots. In deze (werk)colleges kregen de deelnemers opdracht onderzoek te doen naar een van de vele boekdrukkers die eind zeventiende en begin achttiende eeuw actief waren in Rotterdam.

Ton en ik kozen voor de boekdrukker Pieter vander Slaart. Hij had een gat in de markt ontdekt door een Nederlandstalig geleerdentijdschrift uit te geven, getiteld Boekzaal van Europe.  Hierin waren vooral recensies te lezen van pas verschenen boeken. De Rotterdamse geleerde Pieter Rabus was eindredacteur. Beiden stonden aanvankelijk op goede voet met elkaar en de persen van Van der Slaart produceerden naast het tijdschrift ook diverse boekwerken. De eerste vrucht van hun samenwerking betrof de uitgave van een door Rabus bezorgde Zeeuwse dichter, P.J. Beronicius. Uitgerekend dit boekwerkje uit 1691, in octavo gedrukt en in perkament gebonden, vond ik vandaag in Deventer. Het was destijds de tweede titel in het fonds van Van der Slaart, in het eerste jaar van het bestaan van zijn drukkerij, en de eerste uitgave met zijn eigen drukkersmerk: in elkaar gevlochten initialen PvdS.

De relatie tussen Rabus en Van der Slaart verslechterde naar verloop van tijd en de boekdrukker had het steeds moeilijker om zijn hoofd financieel boven water te houden. Uiteindelijk ging hij in 1702 failliet. In de bij die gelegenheid opgemaakt boedelinventaris staan ook grote voorraden onverkochte, door hem gedrukte boeken. Het boekje van Beronicius was toen blijkbaar al uitverkocht, want dat wordt niet vermeld.

Ons artikel over Van der Slaart ging vergezeld van een reconstructie van zijn uitgeversfonds. In totaal traceerden wij destijds 81 titels met eigen titelpagina’s. Daarmee wist deze Rotterdamse drukker een klein, maar zeer divers fonds op de markt te brengen. De resultaten van onze inspanningen bleven erg lang op de plank liggen, maar onze bijdrage zou zeventien jaar later alsnog in druk verschijnen (P.H.A.M. Abels, A.P.F. Wouters, Pieter vander Slaart, boekdrukker en boekverkoper in Cicero, 1691-1702, in: H. Bots, O.S. Lankhorst, C. Zevenbergen (red.), Rotterdam bibliopolis. Een rondgang langs boekverkopers uit de zeventiende en achttiende eeuw, Rotterdam 1997, p. 327-363).

Dankzij de Deventer boekenmarkt ben ik thans in het gelukkige bezit van een door Pieter van der Slaart gedrukt boekje!

Lopik past predikantenlijst aan

Een van de redenen om historisch onderzoek te doen is het steeds scherper in beeld brengen van het verleden. Daarom is het altijd een groot genoegen om te zien dat de resultaten van deze inspanningen concrete vruchten afwerpen. Vandaag stuitte ik op een lokale nieuwszender in Lopik, die bericht over een correctie van de borden met de namen van de predikanten die in dit dorp op de kansel stonden. Die aanpassingen blijken gebaseerd om een onderzoek van mij uit 2004.

predikantenlijst

Lopik – Op woensdag 5 juli 2017 heeft de voorzitter van de kerkenraad van Lopik, ds. A.J. Sonneveld een nieuwe en bijgewerkte predikantenlijst ontvangen. Deze oude lijst is in 1944 aangeboden door onze oud predikant Prof. Dr. S. van der Linden. Alle daarop volgende predikanten worden daar op vermeld. Van der Linden heeft deze lijst samen kunnen stellen alleen aan de hand van de beschikbare kerkenraads notulen. Volgens deze lijst zou onze huidige predikant Sonneveld de 39ste predikant zijn, maar dat is volgens deze nieuwe predikantenlijst niet correct. Hij is nu de 41ste predikant in onze gemeente.

In 2004 heeft kerkhistoricus Dr. Paul H.A.M. Abels een artikel gepubliceerd, “Predikantenlijst provincie Utrecht tot 1622” hierin stond Lopik ook vermeld, met 2 predikanten die niet op de Van der Linden lijst voorkomen.
Aan de hand van deze lijst is er verder onderzoek gedaan. Dr. Abels gaf al aan dat hij onderzoek had gedaan voor zijn boek “Ovittius metamorphosen. De onnavolgbare gedaantewisselingen van een (zielen)dokter in de reformatietijd”. In het oude archief van de State van Utrecht heeft hij deze gegevens gevonden en deze flarden van aantekeningen in het genoemde artikel beschreven.
Er zijn nu 2 predikanten toegevoegd, namelijk de 4de predikant in rij, ds. Pieter Jansz. Backer en de 5de is ds. Dirck Thomasz. Van der Goude. Deze predikanten worden ook niet genoemd in de lijst van Frans Verkade van de website www.dominees.nl.
De predikanten komen inderdaad voor in de oude stukken van de Staten van Utrecht. Ze zijn in ieder geval benoemd door de State van Utrecht, of ze ook daadwerkelijk in Lopik geweest zijn is niet duidelijk. Ze komen niet voor in de kerkenraads notulen, dat weten we. Het kwam in die tijd wel vaker voor dat een benoemde predikant, nog nooit een voet heeft gezet in het dorp waar hij aangesteld was.
Als je de predikantenlijst zo ziet, zegt het ons niet veel, het zijn namen van predikanten. Maar achter deze namen schuilen vele verhalen. Het waren niet altijd brave borsten geweest, zeker niet net na de reformatie. Om deze namen wat meer te laten leven, wordt er nog steeds onderzoek gedaan naar deze predikanten. Diverse archieven worden onderzocht om zo meer te weten te komen over deze herders en leraren.
Op zaterdag 9 september is er op Lopik Open Monumentendag, met als thema: Boeren, burgers en buitenlui. Het grootste monument, onze dorpskerk zal dan ook open zijn. U kunt dan deze nieuwe predikantenlijst bekijken en er zal dan ook kleine stukjes te lezen zijn over de (eigen)aardigheden van de predikanten. Verder is er een fototentoonstelling te zien, een diapresentatie met ingekleurde foto’s van de oude kerk en dorpsstraat en word er op diverse borden in de kerk informatie gegeven over de kerkklok, muurschilderingen en restauratie van de kerk.

Bus vol Büchnerfans bij opening Büchnerhuis aan de Turfmarkt

Bordje

Op de plek waar van 1806 tot 1855 de bekende Goudse stadsarts Willem Frederik Büchner woonde met zijn vrouw Elisabeth Polijn is op 15 juni 2017 een ANWB-tekstbordje onthuld,

Oudste foto van het woonhuis van Büchner, door zijn dochter gezonden naar familie in Hessen.

Oudste foto van het woonhuis van Büchner, door zijn dochter gezonden naar familie in Hessen.

waarop de verdiensten van de mans voor de gezondheidszorg in Gouda zijn beschreven. Het bordje is aangebracht op het kantoor en woonhuis van Khalid Boutachekourt en zijn echtgenote Linda Emmelkamp. Zij kochten het pand in 2009. Voorheen deed het gebouw dienst als kerkelijk centrum Het Brandpunt, behorend bij de nabijgelegen gereformeerde Noorder- of Turfmarktkerk. Kerk en toebehoren werden in dat jaar verkocht omdat ze door de fusie van de gerformeerden en hervormden tot Protestantse Kerk in Nederland (PKN) overbodig waren geworden. Toen de nieuwe eigenaren hoorden dat op de plek van hun pand ooit de beroemde stadsarts had gewoond, besloten ze Het Brandpunt om te dopen in het W.F. Büchnerhuis, welke naam in fraaie letters boven de hoofdingang werd aangebracht. Dankzij het tekstbordje weten voorbijgangers nu ook op wie de naam van het pand betrekking heeft.

Portret van Büchner (ca. 1840)

Portret van Büchner (ca. 1840)

De plechtigheid werd extra bijzonder dankzij de aanwezigheid van 22 leden van het Louise Büchner Gesellschaft uit Hessen, de geboortestreek van de Goudse arts. De Duitse gasten zijn bewonderaars van de familie, die naast de Goudse arts onder meer ook een bekende feministische schrijfster – achternicht Louise, naar wie de vereniging is genoemd – en de invloedrijke toneelschrijver Georg Büchner, een neef, telde. Het gezelschap kwam speciaal naar Gouda om in het voetspoor van Willem Frederik de stad te leren kennen. Na rondleidingen door stad en museum werden ze ook in het Büchnerhuis ontvangen, waar ze in twee lezingen bijzonderheden voorgeschoteld kregen over de Nederlandse tak van de familie. In de verhalen van de germanist en tekstbewerker Jan Gielkens en handtekeningBuchnerondergetekende viel op dat de familie Büchner talrijke artsen, wetenschappers en schrijvers  heeft voortgebracht. Ook de gelijkenis in de fysionomie tussen de verschillende Büchners viel op, met name het gedrongen gestalte, ronde hoofd, de ‘hohe Stirn’ en de diepe frons in het voorhoofd. Ook de wenkbrauwen van de aanwezigen fronsten, toen uit het verhaal bleek dat de bewonderde Goudse arts naast zeven wettige kinderen ook nog een onwettig kind had verwekt bij de pijpmaakster Krijna van Reeuwijk, dat notabene dezelfde namen als de arts meekreeg: Willem Frederik Büchner.

Leden van het Louise Büchner Gesellschaft bij de buste van Friedrich Wilhelm

Leden van het Louise Büchner Gesellschaft bij de buste van Friedrich Wilhelm

 

Büchnerfan uit Hessen fotografeert zijn idool in Museum Gouda

Büchnerfan uit Hessen fotografeert zijn idool in Museum Gouda

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bordje2Nadat het Duitse gezelschap was uitgezwaaid arriveerden een select gezelschap van Goudse gasten uit de medische en historische wereld voor de officiële onthulling van het tekstbordje. Die werd verricht door de Goudse burgemeester Milo Schoenmaker. Daarna mochten de aanwezigen luisteren naar de twee eerdergenoemde voordrachten, maar nu in de Nederlandse taal, en naar een verhaal van dr. Van de Heijden, internist in het voormalige St-Jozefziekenhuis. Na een schets van de ziekenzorg door de eeuwen heen sloot hij zijn betoog af met een boeiende reconstructie van het bewogen en zich jarenlang voortslepende fusieproces van de Goudse ziekenhuizen tot het Groene Hart Ziekenhuis, waarbij hij nauw betrokken was geweest. De drie verhalen leidden tot een prachtige gedachtenwisseling over de ziekenzorg, de verzuiling en het kerkelijk leven in Gouda.

 

500 jaar Reformatie in Gouda herdacht

Dit jaar is het op de kop af 500 jaar geleden dat de Duitse monnik Maarten Luther de knuppel in het Roomse kippenhok wierp. Met het aanslaan van 99 stellingen aan de deur van de slotkapel van Wittenberg, waarin hij zijn kritiek op de aflatenpraktijk van de Rooms-Katholieke Kerk vervatte, werd de aanzet gegeven voor een ingrijpende verandering en uiteindelijk ook een versplintering van de christelijke eenheid in de wereld. Refo500StJanDeze beweging, die Hervorming of Reformatie ging heten, kende en kent vele richtingen. Ook een middelgrote stad als Gouda telt vele tientallen vertakkingen van een beweging die begon met Luther en hier in de Nederlanden vooral werd doorgezet door volgelingen van een andere hervormer, de Fransman Jean Calvin (Calvijn).

Historische Vereniging Die Goude heeft ter gelegenheid van 500 jaar Reformatie een speciaal themanummer het licht laten zien. Onder de titel ‘De Goudse Reformatie vertakt’ worden hierin de lotgevallen van enkele tientallen grote en kleine protestantse kerken beschreven. In eerdere studies en ook in de stadsgeschiedenis uit 2002 werd er al veel over deze religieuze geschiedenis van de stad gepubliceerd, maar de diverse (kerk)historici die aan dit nummer meewerkten zijn erin geslaagd nog veel onbekende episodes en gegevens uit de bronnen op te duikelen. Zo beschrijft mw. Henny van Dolder – De Wit, de onverslijtbare oud-archivaresse van de Sint-Janskerk – de geschiedenis van de Waals-gereformeerde gemeente, die twee eeuwen kerkte in de Gasthuiskapel. Aan deze Franstalige kerk was tot op heden nog nauwelijks aandacht besteed. J.M. ten Napel dook in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Gouda vanaf 1849 tot haar opgaan in de Protestantse Kerk van Nederland (PKN). Hij liet zelfs reconstructietekeningen vervaardigen van het verdwenen kerkgebouw aan de Kattensingel en ook de thans bouwvallige Turfmarktkerk komt aan bod.

Tidinge

Natuurlijk ontbreken in de Tidinge de lutheranen, aanstichters van het jubileum, niet. In een bijdrage van dr. J.J.H. Bik wordt geschetst hoe zij hier al vroeg de beschikking kregen over de Joostkapel aan de Lage Gouwe. Het in deze kapel hangende fraaie – en voor Nederland unieke – portret van dominee Clemens Bijsterveldt als pastor bonus (goede herder tussen de schapen), siert ook de omslag van het tijdschrift als ode aan de lutheranen. Maar ook de vele evangelische en bevindelijke bewegingen in de stad ontbreken niet en komen aan de orde in bijdragen van respectievelijk A.J. Dijkstra en J. Mastenbroek. In de bijdrage van laatstgenoemde staat een foto van een kerkje dat verstopt ligt achter de Nieuwehaven en dat waarschijnlijk maar weinig Gouwenaren weten te vinden. De geschiedenis van de grote Hervormde Gemeente is minder onbekend, maar Udo Doedens is erin geslaagd in haar ontwikkeling in enkele heldere lijnen uit te tekenen.

Zelf heb ik geprobeerde alle doperse sporen in Gouda in kaart te brengen. Doopsgezinden AanbiedingRefo500-2waren hier weliswaar slechts een zeer kleine kudde, maar hun geschiedenis verdient het eveneens om te boek gesteld te worden. Dankzij een tip van archivaresse Marianne van der Veer kwam ook het bestaan van een doopsgezinde vermaning (kerk) in de Hoefsteeg aan het licht. Zij wees mij erop dat de kerk vermeld werd in een inventarisatie van brandemmers in de stad uit 1677. Net na afsluiting van het tijdschrift ontdekte ik overigens dat mijn veronderstelling dat het hier ging om een kerk van de behoudende stroming van de ‘Vlaamse mennisten’ door niemand minder dan  Ignatius Walvis wordt bevestigd in zijn stadsgeschiedenis uit 1713. Bij zijn beschrijving van het kort na de overgang van de stad naar de prins in 1572 afgebroken Minderbroederklooster, meldt hij dat op die plek de hoefsteeg was gebouwd en dat daar – op de plek waar het koor van de kloosterkapel had gelegen – tot voor kort de Vlaamse mennisten kerk hielden.

Deze bijzonder aflevering van de Tidinge, maar liefst 60 pagina’s dik, werd op 10 juni 2017 in de Sint-Janskerk door mij aangeboden aan de Goudse wethouder  Corine Dijkstra. Dat gebeurde tijdens de Zuid-Hollandse viering van Refo500. Voor niet-leden van die Goude is het tijdschrift in de boekhandel te koop voor 5 euro.

 

Een traan bij het einde van een dierbaar archief

Aan de Oude Delft, op steenworp van de Prinsenhof en in de slagschaduw van die scheve toren van de Oude Kerk, is het Delftse stadsarchief gevestigd. In een zestiende-eeuws AC6pand, dat de naam Wapen van Savoyen draagt. Daar worden eeuwen Delftse geschiedenis zorgvuldig bewaard en ontsloten. Nog wel, maar niet lang meer. Het archief dat zo sereen de stilte van eeuwen ademt, waar je als onderzoeker de geschiedenis aan den lijve kunt voelen en aanraken, wordt namelijk opgestoten in de vaart der volkeren. Vele archiefinstellingen gingen hem voor in een poging eigentijds en modern te zijn. Nu moet Delft er ook aan geloven en daarom moet het archief verhuizen naar een – God betert – een industrieterrein. Maar ook dat is niet nieuw. Ook in Gouda verdwenen de archiefstukken al eerder naar zo’n troosteloos gebied, ongeveer op het laagste punt van Nederland. De studiezaal bleef in de oude stad, ondergeschoven in de stedelijke bibliotheek annex uitspanning, waar de bezoeker in een lawaaierige omgeving geduldig moet wachten tot zijn aangevraagde document met een busje uit het Moordrechtse depot is gehaald. Rust kan hij alleen vinden in een container, waarvan er maar een paar zijn.

Archieven in Nederland worden dus overal opgeslokt in grotere verbanden, met musea, bibliotheken en andere erfgoedinstellingen. Daar komt bij dat het aantal echte archivarissen vaak met een zaklamp gezocht moeten worden. In plaats daarvan maken ArchiefDelftmanagers, communicatieadviseurs en educatief medewerkers de dienst uit. Wat prijs ik mij gelukkig dat ik de afgelopen veertig jaar nog historisch onderzoek heb mogen doen in echte archieven, op prachtige historische locaties, waar de stukken onder handbereik lagen en de weg werd gewezen door echte archiefkenners. Zoals in Delft, waar ik jarenlang vele dagen in de studiezaal doorbracht voor het onderzoek voor mijn dissertatie. Waar zijn ze gebleven, de Harry van Leeuwens en Bas van der Wulpen, die onvermoeibaar hielpen zoeken naar stukken die niet of op een verkeerde plek in een inventaris waren opgenomen, dozen bleven aanslepen, gratis kopieën maakten omdat het ‘voor de wetenschap’ was en die zelf ook zoveel van de materie wisten dat zij vastlopende zoektochten weer op gang wisten te brengen.

Vandaag was ik voor het eerst sinds jaren weer in dat archief in Delft. Voor een klein onderzoekje. En zowaar: alsof er niks was veranderd: Bas van der Wulp zat achter de balie. Weer smaakte ik de historische sensatie van het aanvragen en per ommegaande in handen krijgen van enkele zeer bijzondere zeventiende-eeuwse archiefstukken. Maar de oude sfeer was er niet meer. De serene stilte was ver te zoeken. Geen wonder, want de oude studiezaal wordt inmiddels gebruikt voor de voorbereidingen van de verhuizing. Bezoekers moeten het doen met een provisorisch ingerichte voorkamer, met een balie, enkele ladenkasten en een paar leesapparaten. In juli sluiten de deuren definitief, waarna de bezoekers zich voortaan ergens buiten de oude stad mogen melden, om ontdaan van elke sfeer, een kille duik te nemen in het papieren verleden. Het zal wel gezeur zijn van een oude man, maar ik vind dat jammer. Oude archieven van oude steden dienen op een historische locatie bewaard en beschikbaar gesteld te worden voor onderzoek. En zij dienen in vertrouwde handen te zijn van gekwalificeerde mensen met hart voor hun vak.

Dwars durven zijn. Gouda staat stil bij 500 jaar Reformatie

Dit jaar, op 31 oktober, is het precies 500 jaar geleden dat de Duitse DSC06529monnik Maarten Luther met het (laten) aanslaan van 99 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg de aanzet gaf tot de Reformatie. De tot dan ongedeelde Katholieke Kerk spatte daarmee uiteen in een tot op het bot verdeelde en versplinterde christenheid. Ook in Gouda leidde dit uiteindelijk tot een veelheid aan kerkgenootschappen, wat tot op de dag van vandaag – met name op zondagen – zichtbaar is. Vanuit alle hoeken spoedden zich dan kerkgangers naar hun kerken en kerkjes en de lucht is zwanger van klokgebeier en orgelspel.

De Reformatie heeft gelovigen in beweging gezet en het straatbeeld – hoofdzakelijk zwart – gekleurd. De kerkgangers zijn gedreven door wat mensen ten diepste bezighoudt, hun lotsbestemming. Deze worsteling heeft door de eeuwen heen tot veel goeds geleid, maar ook tot conflicten, afsplitsingen en afsnijdingen. Dat roept de vraag op of het vijfde eeuwfeest van de Reformatie wel gevierd moet worden. Velen vinden van wel, anderen spreken liever van herdenken.

Doedens1

Hoe het ook zij, op zaterdag 10 juni organiseren 500 Jaar Protestant en Refo500 een grootschalige Reformatiebijeenkomst in Gouda. Doel van deze bijeenkomst is volgens de organisatoren “terug te zien en vooruit te kijken”. De bijeenkomst is een onderdeel van een  estafette van de Protestantse Kerk van Nederland (PKN), die het hele land doorgaat. In elke provincie is zo’n bijeenkomst; voor die in Zuid-Holland is Gouda uitgekozen als plaats van samenkomst.

In de middag zal in drie historische kerkgebouwen (de St. Janskerk, de lutherse St.Joostkapel en de Oud-Katholieke Kerk) een wandelconcert worden georganiseerd. Deze rondgang zal worden afgesloten met een middeleeuwse maaltijd in de St Janskerk Dezelfde kerk zal ’s avonds het decor zijn van een boekpresentatie, een theatrale vertelling en een expositie: zingen in kleur, de psalmen verbeeld, allemaal betrekking hebbend op 500 jaar Reformatie. Diverse prominente protestanten zullen aanwezig zijn om een bijdrage te leveren aan de Reformatiebijeenkomst. Naast prof. dr. H.J. Selderhuis, directeur Refo 500 en prof. dr. W.P. van den Berken zullen o. a. EO-presentator Tijs van den Brink, Corine Dijkstra (Wethouder ChristenUnie Gouda), drs. P.L de Jong acte de presence geven.

Onder leiding van het (gast)hoofdredacteurschap van ondergetekende heeft de Tidinge, het blad van de Historische Vereniging die Goude, speciaal voor deze gelegenheid een dik themanummer samengesteld. In een zestal bijdragen wordt de geschiedenis van een groot aantal protestantse kerken en stromingen geschetst. Natuurlijk ontbreken daarin de lutheranen niet, als aanstichters van de gehele beweging. Maar ook vroeger reformatorische vogels als de wederdopers of doopsgezinden komen uitgebreid aan de orde, ook al is hun aanhang in Gouda altijd klein geweest voor Hollandse begrippen. Uiteraard heeft de grote hervormd-gereformeerde kerk een prominente plek in het nummer, maar ook de synodaal gereformeerden, de bevindelijkheid en de evangelischen ontbreken niet.

Een drukproef voor de Goudana-collectie

Als verzamelaar van boeken en documenten die in Gouda geproduceerd zijn of op enigerlei andere wijze betrekking hebben op Gouda doe je van tijd tot tijd zelf bijzondere ontdekkingen. Soms door eigen inspanningen, maar soms ook wordt je erop geattendeerd door bekenden die weten dat je op zoek bent naar dergelijke ‘Goudana’. Het komt zelfs voor dat mensen direct contact met je opnemen om zo’n object te schenken. Deze week deed deze laatste situatie zich voor, toen ik van Ineke Verkaaik, voorzitter van het Historisch Platform Gouda, een sleetse envelop kreeg overhandigd met daarin gecorrigeerde drukproeven van de vijfde bundel van Oudheidkundige Kring ‘die Goude’ uit 1947.  Blijkbaar heeft iemand het waard gevonden om deze papieren zeventig jaar lang te bewaren.

Knuttel

De envelop alleen al is bijzonder, omdat zij zicht biedt op het zorgvuldige productieproces bij de totstandkoming van die eerste bundels van Die Goude. Drukker van deze boeken was “Drukkerij voorheen Koch & Knuttel”, gevestigd aan de Turfmarkt 106 en het direct erachter gelegen pand aan de Nieuwe Haven 177. Telefoonnummer van deze Naamloze Vennootschap was nog kort: 2714. Blijkbaar gebruikte de drukkerij speciale enveloppen voor drukproeven, want naast het adres is ook “Drukproef met copie” voorgedrukt. In het adresvlak treffen wij de naam en adres aan van de toenmalige secretaris van de vereniging, J.H. Carlier, woonachtig aan de Van Swietenstraat 7. Verder is de datum van de drukproef in handschrift vermeld: “16 sept. ’47”.

carlierCarlier, geboren in 1882,  was naast secretaris ook een verdienstelijk amateurhistoricus. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van zijn woonplaats nadat hij in 1941 door een beenkwetsuur noodgedwongen vervroegd zijn loopbaan in het onderwijs moest beëindigen. Hij was achtereenvolgens als schoolmeester werkzaam aan de lagere rooms-katholieke school op de Gouwe en vanaf 1906 aan de toen nieuw geopende Aloysiusschool aan de Spieringstraat. In 1920 stapte hij over naar het middelbaar onderwijs om hoofd te worden van de ULO, eerst in de Keizerstaat en daarna aan de Nieuwe Haven. Na zijn pensionering verslechterde zijn gezondheid verder, waardoor hij op 2 oktober 1954 overleed op 72-jarige leeftijd.

Carlier was volgens Nico Habermehl – die hem een plaats gaf in zijn reeks korte levensbeschrijvingen van Goudse historici – vooral van belang door zijn vermogen een breed publiek aan te spreken door zijn heldere schrijfstijl en afgewogen taalgebruik. Door zijn beeldende manier van schrijven – onder meer in artikelen voor de krant De Nieuwe Zuid-Hollander – wist hij een groot lezerspubliek te trekken. Hij deed zelf weinig bronnenonderzoek, maar baseerde zich vooral op bestaande literatuur. De drukproef van de bundel laat zien dat hij daarnaast ook zeer nauwkeurig was. Met grote precisie weet hij fouten in de proefdruk  te signaleren. De met de vulpen aangebrachte verbeteringen zijn – zo blijkt uit een vergelijking met de uiteindelijke bundel – nauwgezet door de drukker doorgevoerd.

Zo vormt ook deze drukproef op zichzelf weer een aardige bron voor de Goudse geschiedenis en geschiedschrijving en daarmee een bijzondere uitbreiding van mijn verzameling Goudana.

Recensie van Pibo Ovittius’ metamorphosen in It Beaken (2006)

De schelmenbiografie van de zestiende-eeuwse Fries Pibe Whytthiesz van Abbema (ca. 1642-1618), die op de vlucht voor zijn verleden stad en land afliep in pogingen ergens als (zielen)dokter aan de slag te komen, is inmiddels alweer veertien jaar geleden afgerond. Er zijn destijds vele recensies en besprekingen aan gewijd. Daarnaast figureert de hoofdpersoon inmiddels in menige studie over de vroege reformatie, als archetype van de ‘loper’ die profiterend van de wisselende politiek-militaire constellaties er steeds weer in slaagde aan de slag te komen als pastoor, dominee of arts. Veel nieuwe informatie is er sindsdien over Pibo niet opgedoken, gelukkig maar, want dat is natuurlijk een schrikbeeld voor elke biograaf vanaf het moment dat hij zijn laatste punt heeft gezet. Eigenlijk is alleen een vondst van Onno Hellinga een relevante toevoeging, namelijk dat Pibo in zijn Friese jaren ook nog een tijdlang in Kollum heeft verbleven.

Onlangs stuitte ik op een uitvoerige bespreking van de biografie door Jan R. Veenstra in het Friese blad It Beaken. Lezing ervan stemde tegelijk trots en verlegen. Jammer dat mijn oog er pas zo laat op viel. Om alsnog recht te doen aan deze bespreking volgt hieronder de inhoud.

Pibo0Pibo1

 

 

 

 

 

 


Pibo2Pibo3

 

 

 

 

 

 

Pibo4

Pibo5

De begeerlijke blik van een bibliofiel

In de Koninklijke Bibliotheek werd op 17 februari 2017 een symposium gehouden onder de titel ‘Maken of breken. 500 jaar Reformatie’. Een keur aan sprekers ging in op de hoofdrolspelers (Erasmus, Luther, Zwingli, Calvijn). Maar er was ook volop aandacht voor het medium dat ervoor verantwoordelijk was dat de ideeën over een nieuwe kerk zo’n vlucht konden nemen: de boekdrukpers. De KB was daarvoor natuurlijk een zeer passende omgeving en ook de bekende Erasmuscollectie uit Rotterdam toonde een keur aan oude drukken. Dankzij antiquariaat De Roo uit Zwijndrecht waren er zelfs enkele zeer oude boeken uit de Reformatietijd te koop.

beurs

De fotograaf van het Reformatorisch Dagblad, Dirk Hol, betrapte mij op mijn zwakste moment: gebiologeerd kijkend naar een wel heel bijzonder  ‘zakbijbeltje': een zeer vroege editie van het Novum Instrumentum van Erasmus, de Latijnse vertaling van de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament. Het boekje werd gedrukt in Basel, waar Pamphilius Gengenbach het in 1522 op de persen legde. Dat de initialen handgekleurd zijn en met goud opgehoogd maakt het tot een uniek exemplaar. De antiquaar heeft het kleinood onder een glazen stolp tentoongesteld, maar heeft het net daaronder vandaan gehaald om het aan de geïnteresseerde klant te tonen. Hij geeft het niet uit handen, maar laat zorgvuldig en met liefde enkele pagina’s zien. Ik houd mijn handen zorgvuldig in mijn broekzakken, om niet de indruk te wekken dat ik het uit zijn handen wil grissen. Maar mijn blik zegt alles: man wat mooi. Andere bezoekers van de stand zijn blijkbaar minder onder de indruk, want zij verdiepen zich onverstoorbaar in moderner drukwerk. Op de achtergrond, links van de paal, is de grootste Erasmuskenner van Nederland van dit moment herkenbaar, Hans Trapman, die druk aan het bellen is. Ik stel mij voor dat hij zijn bank belt om te informeren naar de mogelijkheden tot aankoop. Want veel geld is er wel nodig om het boekje in eigendom te krijgen. De Roo, een liefhebber van de Oudvaders en een van de weinige overgebleven antiquaren met een specialistisch reformatorisch winkelbestand, vraagt er namelijk € 24.000 voor. Ik besluit mijn handen die middag maar in de zakken te laten, bang als ik ben overvallen te worden door een aanval van bibliofiele begeerte.

Het wordt spannend op de Turfmarkt

De in 1932 gebouwde Turfmarktkerk, ook wel bekend als de Gereformeerde kerk B, leidt al jaren een kwijnend bestaan. Nadat de synodaal gereformeerden het gebouw aan het eind Turfpaulvan de vorige eeuw verlieten en in 2002 verkochten voor herbestemming, is er weinig meer gedaan aan onderhoud. Dit in tegenstelling tot het naastgelegen kerkelijk centrum Het Brandpunt, dat gekocht werd door een particulier die het gebouw met behoud van zijn oorspronkelijke karakter omtoverde tot een kantoor annex woonhuis. Bij de aankoop verwierf hij tevens het ernaast gelegen parkeerterrein. De kerk zelf, met het ernaast geleden parkeerterrein, werd gekocht door Tympaan, een projectontwikkelaar die zich specialiseerde in herbestemming van religieuze gebouwen. Door deze vreemde perceelsplitsing werd de ver naar achter gelegen kerk min of meer tot een eiland, omdat de openbare weg alleen dankzij het recht van overpad bereikbaar bleef. Geen wonder dus dat alle inspanningen van Tympaan om een nieuwe bestemming te vinden spaak liepen. Van alles kwam voorbij; van een gezondheidscentrum, tot het Filmhuis en een wooncomplex. Dat ook de buurt niet bepaald positief stond tegenover diverse plannen, hielp ook niet echt mee.

De kerk kreunde letterlijk onder dit getalm. Aan de rechterzijde openbaarden zich diversescheuren in de muren, wat wees op funderingsproblemen. Het reusachtige dak toonde ook al snel mankementen door verschuivende dakpannen en de fraaie gebrandschilderde ramen werden veelvuldig het mikpunt van baldadigheid. In de loop van 2016 was voor Tympaan de maat vol. Met veel aplomb werd in de publiciteit gebracht dat de kerk niet meer te redden was en dat sloop als enige optie overbleef. Een informatie-avond met de buurt, in de tegenover gelegen voormalige synagoge, verliep stormachtig omdat de omwonenden twijfelden aan de oprechtheid van de eigenaar. De stelligheid waarmee aangestuurd werd op afbraak en nieuwbouw riep heftige weerstand op. De woordvoerder van Tympaan liet zich daarbij ontvallen dat het gebouw, dat acht ton had gekost, in feite was afgeschreven. Daarmee opende hij de poort voor tal van ideeën over een eventuele andere inrichting van het terrein, waarbij een binnenstadstuin als meest wenselijk naar voren kwam.

De voorganger van de Turfmarktkerk, gebouwd in 1888 en afgebroken in 1931

De voorganger van de Turfmarktkerk, gebouwd in 1888 en afgebroken in 1931

Korte tijd later nam de zaak een verrassende wending, toen Brandpunteigenaar Khalid Boutachekourt bekendmaakte dat hij de kerk onder voorbehoud van financiering had gekocht van Tympaan. Hij weigert zich zomaar neer te leggen bij sloop en onderzoekt daarom alle mogelijkheden van funderingsherstel en herbestemming. Inmiddels is hij ijverig op zoek naar partners en financiers die bereid zijn geld en energie in het project te steken. Ook verdiept hij zich in de geschiedenis van de locatie. Op de plek van de kerk stond eerder ook al een gereformeerde kerk, die in 1888 werd gebouwd en waarvan de fundamenten hergebruikt werden voor de huidige kerk. In eerder eeuwen behoorde dit

Bouw van de huidige Turfmarktkerk in 1931

Bouw van de huidige Turfmarktkerk in 1931

terrein tot het klooster van de Clarissen. Op de plek van het Brandpunt, dat in 1966 werd gebouwd,  stonden tot die tijd twee woonhuizen. Het rechterhuis was in de negentiende eeuw eigendom van de beroemde Goudse stadsarts W.F. Büchner. Voor de huidige bewoner is dit aanleiding geweest zijn huis om te dopen tot “W.F. Büchnerhuis”.

Huis en kerk hebben geen monumentenstatus. Waarom dat toch alle inspanningen om het complex zoveel mogelijk in deze staat te bewaren? Allereerst is het een markant overblijfsel van een bijzondere episode uit de geschiedenis van de gereformeerde kerken in Gouda. De evenknie van deze kerk, de Gereformeerde kerk A aan de Kattensingel, is reeds lang geleden afgebroken, dus dit is de enige herinnering aan de begintijd van deze denominatie. Daarnaast is de ligging op het achtererf zeer bijzonder. Het was weliswaar geen schuilkerk, maar een gebedshuis dat zo ver achter de rooilijn ligt, is een zeldzaamheid. Tot slot zijn vorm en verschijning van het gebouw een passend en goed geïntegreerd onderdeel van de bebouwde noordwand van de Turfmarkt. Nieuwbouw op deze locatie zou een lelijke inbreuk betekenen op dit (beschermde) stadsgezicht van Gouda’s mooiste gracht.

De Turfmarkt in 1903. Goed zichtbaar zijn de twee kleine huisjes en daarna de smalle poort naar de (niet zichtbare) gereformeerde kerk. Daarnaast de twee huizen die in 1965 moesten wijken voor het Brandpunt, met rechts de woning van dokter Büchner.

De Turfmarkt in 1903. Goed zichtbaar zijn de twee kleine huisjes en daarna de smalle poort naar de (niet zichtbare) gereformeerde kerk. Daarnaast de twee huizen die in 1965 moesten wijken voor het Brandpunt, met rechts de woning van dokter Büchner.

Waar nu het parkeerterrein de huizenrij openbreekt om zicht te bieden op de kerk, stonden vroeger enkele kleine huisjes. Oude ansichtkaarten laten de situatie voor 1931 zien, en maken ook duidelijk dat op de plek van het meest linkse huisje later een veel groter huis verrees, waar nu de bekende Goudse kunstschilder Jan Lokhorst huis houdt. Door deze woning lijkt de kerk ietwat links uit de flank te staan. Mocht de kerk onverhoopt niet te behouden zijn, dan zijn er nog twee alternatieve denkbaar. Het zou wellicht mogelijk zijn alleen de voorgevel te behouden (net als bij de parkeergarage op de Raam) en erachter nieuwbouw te plegen. Mocht de kerk uiteindelijk toch geheel tegen de vlakte gaan en het gebied tot een (besloten) binnenstadstuin evolueren, dan is ook nog de (her)bouw van de woonhuizen aan de straat te overwegen, maar dan zal er wel historiserend gebouwd moeten worden in de trant van de herstelde gevelrij aan de Lage Gouwe.

Het zou een prestatie van historisch formaat zijn als deze gereformeerde kerk uiteindelijk gered zou worden door een Goudse Marokkaan.