De staat van de stad: historisch Gouda in 2018

Net voor het aflopen van dit opmerkelijke kalenderjaar werd bekend dat de Goudse leraar klassieke talen, archeoloog, historicus en ‘ontdekkingsreiziger’ Henkjan Sprokholt een nieuwe spectaculaire ontdekking heeft gedaan. Nadat hij eerder de exacte plek van de MelkbussenhoogteGoudse motte wist te vinden, de versterkte verhoging in het landschap waaromheen Gouda ontstaan is, heeft hij nu een volstrekt onbekende handgetekende kaart uit de archieven opgeduikeld die als ware het een luchtfoto (volgens anglofielen een bird eye view) zicht biedt op de stad in de vroege zeventiende eeuw. Zo’n kaart verdient diepgaande bestudering omdat zij zicht kan bieden op tal van onbekende details ten aanzien van het aangezicht van de stad, de stadsontwikkeling en de stadsverdichting. Sprokholt heeft beloofd zich hier vol op te storten in het nieuwe jaar.

Het jaar 2018 kan in veel andere opzichten de boeken in als een historisch jaar. Dat geldt niet alleen voor brede ontwikkelingen als de opwarming van de aarde, de politieke instabiliteit in de wereld of de economie, maar op microniveau ook voor zaken in Gouda. Dat ook Gouda geraakt wordt door deze bredere problematiek blijkt alleen al uit de berichten over droogte en bodemdaling, die een directe bedreiging beginnen te vormen voor de monumenten in de historische binnenstad. Dit jaar was de stad – en met name ‘onze’ Turfmarkt veelvuldig in beeld, om waarschuwende woorden van wethouder Hilde Niezen te illustreren met zorgwekkende beelden van een zeer lage kademuur. Dat het water al eeuwen zo hoog staat aan deze gracht, teneinde turfschepen makkelijker te kunnen laden en lossen, deed daarbij blijkbaar niet te zake.

Avondrood

Toch is er wel degelijk wat aan de hand; ook aan de Turfmarkt. Door inklinking van de bodem blijft de bodem dalen en worden grenzen bereikt voor het verder kunstmatig naar beneden brengen van het grondwaterpeil. Als dit nog verder daalt komen de houten palen onder sommige woningen droog te liggen en zullen ze in een mum van tijd gaan rotten. Daardoor kunnen de huizen gaan verzakken of uit het lood worden getrokken door huizen die met betonnen palen zijn onderheid. De gemeente Gouda heeft dit jaar serieus werk gemaakt van het onderzoeken van deze problematiek en daarbij ook haar burgers betrokken. Gezamenlijk wordt naarstig gezocht naar betaalbare oplossingen.

Hoe fout het kan gaan met fundamenten liet de eveneens aan de Turfmarkt gelegen voormalige gereformeerde kerk zien. Bij de bouw van een woningencomplex annex parkeergarage op het erachter gelegen voormalige brandweerterrein, naar een eerdere Kerksloopbestemming aangeduid als de Clarissenhof, is er zoveel grondwater aan het terrein van de kerk onttrokken dat paalrot optrad en de kerk dreigde in te storten. De eigenaar, de er naast wonende Khalid Boutachekourt, wilde het godshuis al slopen en op die plek een appartementencomplex in de vorm van de te verdwijnen kerk bouwen, maar die tijd werd hem niet gegund. Eerste nam de gemeente in het diepste geheim een voorbereidingsbesluit om het bestemmingsplan te wijzigen, zodat het bouwplan geen doorgang kon vinden in deze vorm. Daarna gelastte de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) snellere sloop omdat de veiligheid van omwonenden in het geding zou zijn. Daarbij werd uiteindelijk gegrepen naar het paardenmiddel van de bestuursdwang om de eigenaar tot actie te dwingen. Zijn voorbereidende werkzaamheden werden echter keer op keer afgekeurd, hoezeer hij zich ook precies trachtte te houden aan de voorschriften van de ODMH. Overnacht werd vervolgens een noodverordening uitgevaardigd, waarbij de gemeente een aantal omwonenden adviseerde en later dwong hun huis een tijdlang te verlaten wegens instortingsgevaar. Vrachtwagens mochten zelfs niet – en later slechts stapvoets – over de gracht rijden. Vervolgens nam de gemeente de sloop van de kerk volledig uit handen van de eigenaar. Alle beloften ten spijt werd vervolgens niet gewerkt met de door de eigenaar al ingehuurde sloopbedrijven, maar met andere bedrijven. Boutachekourt kreeg te horen dat alle kosten – die in de tonnen zullen gaan lopen – voor zijn rekening zullen komen.

Zelden heeft een monument in Gouda zoveel beroering veroorzaakt. Heel Gouda heeft er wel een mening over. Sommigen verwijten de eigenaar nalatigheid, anderen vrezen voor de financiële consequenties voor de belastingbetaler. Boutachekourt kan namelijk aanspraak maken op zogeheten planschade, aangezien hij door het voorbereidingsbesluit zeer waarschijnlijk niet het volume kan bouwen dat hij op het oog had. Anderen betwijfelen zeer de noodzaak van de noodverordening. In december ging de eigenaar in bezwaar en vervolgens legde de rechter de sloop stil tot haar uitspraak op 13 december. Daarin werd de gemeente in het gelijk gesteld, omdat een noodverordening ook bij twijfel verdedigbaar is. Veel spoed maakte de gemeente vervolgens niet met de afbraak, want wegens de Kerst en de jaarwisseling werden de sloopwerkzaamheden dit jaar toch niet meer hervat. Op dit moment is de kerk besteigerd, onttopt en ontpand, maar nog even in haar volle omvang te zien. Wordt vervolgd.

Ook op een andere manier kwam het terrein waar vroeg het Clarissenklooster stond (tussen Turfmarkt en Nieuwe Haven) in het nieuws. Begin deze eeuw, voor de bouw van het appartementencomplex, werd uitvoerig archeologisch onderzoek gedaan. Omdat de bouwer vervolgens failliet ging ontbraken de middelen om de resultaten daarvan in kaart te brengen en te beschrijven. Dankzij een massafinancieringsactie, door anglofielen ook crowd funding genoemd, wist de archeologische vereniging Golda dit jaar echter voldoende middelen bijeen te schrapen om het project alsnog af te ronden. Dat resulteerde in een prachtig boek, waarin nu iedereen kan lezen waar precies de kapel van de zusters heeft gestaan en wie er zoal begraven lag bij en in die kerk. Dankzij een onderzoek naar de opgegraven gebeenten weten we nu dat er niet alleen zusters begraven lagen, maar ook enkele mannen en kinderen.

Positiever en voorspoediger dan de gang van zaken rond de Turfmarktkerk lopen op dit moment diverse projecten van projectontwikkelaar White House Development. Zo is deze maand een begin gemaakt met de verbouwing van het Weeshuiscomplex tot hotel, restaurants en appartementen. In goed overleg met onder meer Historische Vereniging Die Goude is besloten de Paterssteeg niet te overkappen en de Jeruzalemkapel beschikbaar goudschaatste houden voor publieksactiviteiten. Een andere ‘uitdaging’ voor WHD was dit jaar de verbouwing van het Spaardersbad tot appartementen. De afronding is nabij. Een fraai winkel-hoekpand aan de Kleiweg-Turfmarkt is eveneens onder handen genomen. De onderetage is hersteld en weer als winkel ingericht, terwijl erboven diverse wooneenheden worden gerealiseerd. Ook de Gouwekerk is inmiddels in handen van een van de betrokkenen bij WHD. Hij is nog op zoek naar een passende bestemming, maar biedt de majestueuze ruimte in afwachting daarvan aan voor diverse activiteiten. In november-december lag er een ijsbaan in. Of dit echt passend is, mag worden betwijfeld. Dezelfde eigenaar heeft ook het voormalige bankgebouw aan de Turfmarkt gekocht, waar tot nu het Verzetsmuseum Zuid-Holland is gevestigd. Hij is van plan daar zelf zijn woonhuis van te maken.

Heel langzaam werpt de viering van Gouda750 haar schaduw vooruit. De gemeente had een Rotterdams reclame- en evenementenbureau in de arm genomen om bekendheid te geven aan deze viering. De uitvoering laat echter te wensen over, want de campagne ‘Het Geheim van Gouda’ sloeg nauwelijks aan en de relatie met het jubileum was voor weinig mensen duidelijk. Inmiddels heeft de gemeente ingegrepen en het project in handen gegeven van twee Gouwenaren, Marien Brand en Ronald van Rossum, die vast voornemens zijn het in de stad aanwezige potentieel aan te boren voor de planvorming. Historische Vereniging Die Goude wilde al niet langer afwachten en heeft een eindredacteur in de arm genomen, die met behulp van een schrijverscollectief in 2022 een gepopulariseerde versie van de stadsgeschiedenis uit 2002 gaat produceren. Veel nieuwe historische boeken verschijnen er op dit moment niet over Gouda. Een gunstige uitzondering was dit jaar een boek over een klein buurtje bij de Boelekade, bijgenaamd de Glazen Kast. Het boek dat hierover het licht zag, onder redactie van de gebroeders Helmond, is een fraai voorbeeld van kleine geschiedschrijving voor een groter publiek. Bovendien is het boek zeer fraai vorm gegeven.

verradersbriefjeHet Streekarchief Midden-Holland (SAMH) deed dit jaar een serieuze gooi naar het ‘Archiefstuk van het jaar’. De Gouds inzending betrof het zogeheten ‘verradersbriefje’ uit 1574, een inderdaad zeer ontroerend document, dat vele mensen het leven zou kosten en anderen hun bezittingen. Het briefje bevat een gecodeerde boodschap aan complotplegers die buiten de stad lagen en voornemens waren Gouda terug te brengen onder het gezag van de Koning van Spanje. Nabij het Vlamingpoortje (waar nu de Guldenbrug ligt) trok de als kleermaker vermomde bode door zenuwachtig gedrag de aandacht van de wachten. Hij liet een bolletje garen vallen, met daarin het briefje. Toen kwam het complot uit en werden betrokkenen gearresteerd, berecht en ter dood veroordeeld. Hun hoofden werden ter afschrikking op de stadspoorten gespiest. Het nootlottige briefje, met een staaltje van het garen, wordt nog steeds bewaard in het Goudse archief. Ondanks dit verhaal en een zeer creatief tekenfilmpje, met archivaresse Coretta Wijbrans in de hoofdrol, werd dit toch zeer dramatische document uiteindelijk niet verkozen, maar behaalde wel een eervolle vierde plaats.

De Sint-Janskerk trok dit jaar ook weer nationale belangstelling. Voor het eerst sinds lange tijd werd een (deel van) een gebrandschilderd glas uitgenomen om elders tentoongesteld te worden. De afbeelding van koning Philips II werd op deze wijze de ouverture voor de grote tentoonstelling over 80 Jaar Oorlog in het Rijksmuseum in Amsterdam. Daar is ook nog een carton (ontwerptekening) van de glazen te zien. De kerk is nu ook met de Museumjaarkaart toegankelijk, wat het toch al hoge bezoekersaantal verder zal doen toenemen. De kerk wordt ook professioneler uitgebaat dan voorheen, wat blijkt uit het grote aantal concerten, de inmiddels tot een traditie geworden grote Kerstmarkt rond Gouda bij Kaarslicht (voor heen Kaarsjesavond) en het uitlichten van de Goudse Glazen van binnenuit.

Pieter-Pourbus-en-de-vergeten-meesters-2

Museum Gouda brak alle records qua bezoekersaantallen met een zeer geslaagde tentoonstelling over Pieter Pourbus, een in Gouda geboren zestiende-eeuwse schilder, die vooral furore maakte in Brugge. Ter gelegenheid van deze expositie verscheen ook een fraaie catalogus. Ook werd bij de voorbereidingen duidelijk dat de Sint-Jan na de grote brand een retabel als hoofdaltaar heeft gehad, gewijd aan Johannes de Doper. Drie panelen ervan blijken nog bewaard te zijn (een in Museum Gouda en twee in het Rijks). Het museum zal pogingen doen de twee andere panelen ook ‘naar huis’ te halen. De museumcollectie werd verder uitgebreid met twee schilderijen die afkomstig zijn uit de Sint-Franciscuskerk van de franciscanen, de kerk die nu als Gouwekerk bekend staat. Op een van de schilderijen is Peterus Simpernel, de zeventiende-eeuwse stichter van de betreffende statie (parochie), op zijn doodsbed te zien. Het ander stelt het klopje Anna van Geffe voor, die de aankoop van het kerkje destijds financierde.

Aan de randen van de stad waren ook enkele initiatieven waar te nemen, die het historische karakter van de stad positief beïnvloeden. Zo is een groep bewoners bezig de oude wallen te herstellen als groenstroken, waardoor een wandeling rond de stad weer tot een aangenaam tijdverdrijf kan worden. Aan de overzijde van de Hollandse IJssel is het terrein van de voormalige asfaltcentrale inmiddels uitgegroeid tot een bloeiende kweekvijver van talrijke initiatieven op cultureel gebied. Pal ernaast is ook nog eens een fabriekshal tot toneelzaal omgevormd, de TheaterBakkerHey, waardoor het cultureel aanbod in Gouda met sprongen vooruit gaat. In de binnenstad zelf is het einde van de crisis zeer goed zichtbaar, want de winkelleegstand neemt zienderogen af. Boven de winkels worden steeds meer ruimtes omgevormd tot wooneenheden, wat de levendigheid van de stad zeer ten goede komt.

Tot slot verdienen ook particulieren vermelding die kosten noch moeite hebben gespaard Ingehuisom hun oude huizen te restaureren en te verfraaien. Was vorig jaar de regentenwoning De Roos aan de Oosthaven vermeldenswaardig, dit jaar is dat het woonhuis van Tony en Inge Philips aan de Hoge Gouwe. Met een ijzeren volharding hebben zij hun totaal vervallen huis weten op te kalefateren tot een fraai monument en een sierraad aan de gracht. Dit jaar werd als laatste onderdeel van dit project de voorgevel onder handen genomen. Hun voorbeeld verdient navolging, want er zijn nog steeds monumenten in Gouda die een stevige opknapbeurt verdienen. Om te eindigen waar we begonnen: aan de Turfmarkt staan nog steeds vier voormalige gemeentepanden leeg, die wachten op grondige renovatie. Dat gebeurt, maar tergend traag. Jammer dat ODMH hier niet de daadkracht aan de dag legt, die ze wel toont rond de Turfmarktkerk. Risico’s voor omwonenden zijn zo mogelijk nog groter (er was al eens brand door een verborgen hennepplantage op zolder), maar nog steeds leidt dat niet tot doortastendheid.

 

Henkjan Sprokholt ontdekt onbekende plattegrond van Gouda uit ca. 1615

Bij het besturen van de ruimtelijke ontwikkeling van Gouda kan vanouds worden teruggegrepen op oude stadsplattegronden die door de eeuwen heen zijn getekend. De oudste in dit genre is van de hand van Jacob van Deventer en stamt uit ongeveer 1562. Deze in opdracht van koning Philips II vervaardigde kaart zou de basis voor latere kaarten vormen en werd vijf jaar geleden ook gebruikt voor de stadsmaquette in Museum Gouda. Die laat de situatie in dat jaar zien, waarbij de vele kloosters in de stad nog in bedrijf zijn en de grote Sint-Janskerk als gevolg van de grote brand van 1552 nog deels in puin ligt. Het onderzoek voor deze maquette werd destijds gedaan door de Goudse archeoloog en leraar klassieke talen Henkjan Sprokholt, die met minutieus archiefonderzoek de situatie zo getrouw mogelijk heeft trachten weer te geven.  Dezelfde Sprokholt deed deze maand de ontdekking van zijn leven, toen hij in het bestand van het Rijksmuseum een vroege stadsplattegrond van Gouda ontdekte die tot op heden volstrekt onbekend was.

Gouda-1615

Voor zijn maquette heeft Sprokholt ook veelvuldig gebruik gemaakt van de eerste figuratieve kaart van de stad, getekend door Braun en Hogenberg in 1585 en de beroemdste kaart van de stad van Johannes Blaeu uit 1649. De nu boven water gekomen kaart zorg voor een nieuw meetmoment; ongeveer halverwege deze tijdspanne. Sprokholt vermoed dat betreffende plattegrond is getekend door de landmeter Hendrik de Vos, die begin zeventiende eeuw diverse opdrachten van het stadsbestuur kreeg om gebieden in kaart te brengen. Afgaand op de details wordt vermoed dat deze Vos de situatie weergeeft van rond 1615. Sprokholt, die momenteel met een groep Goudse historici werkt aan het nauwkeurig in beeld brengen van alle onroerendgoedbezit, zal de kaart uitvoerig bestuderen en vergelijken en hoopt daarover in het voorjaar te publiceren in de Tidinge, het blad van Historische Vereniging die Goude. De nieuw ontdekte kaart biedt de mogelijkheid de ontwikkeling van de stad in deze jaren van snelle groei veel scherper in beeld te brengen dan tot nu toe mogelijk was.

Het pronkstuk van Gouda: de Deductie van Vrancken

Begin 2018 werd het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 bij een landelijke ‘verkiezing’ gekozen tot het Pronkstuk van Nederland.  Met dit document verklaarden de opstandige

Het originele handschrift van de Acte van Verlatinghe, compleet met lelijke archiefstempel

Het originele handschrift van de Acte van Verlatinghe, compleet met lelijke archiefstempel

gewesten van de Noordelijke Nederlanden formeel dat de koning, Philips II van Spanje, zijn recht had verspeeld om hun vorst te zijn door de gewelddadige wijze waarop hij zijn gezag over de bevolking van deze gewesten had laten gelden en de aantasting van aloude rechten. De Verlatingsacte wordt gezien als de geboorteacte van Nederland en was voor anderen – zoals de opstandige Staten van Noord-Amerika – een inspiratiebron. Toch zijn bij de interpretatie van dit archiefstuk vraagtekens te plaatsen. De opstellers waren nog niet zover, dat zij dachten het ook zonder koninklijk gezag te kunnen redden. Vandaar dat zij na de afdanking van de Spaanse koning de soevereiniteit over de Nederlanden eerst aanboden aan de broer van de koning van Frankrijk, de hertog van Anjou. Zijn regeerperiode liep uit op een echec door een mislukte poging Antwerpen onder zijn gezag te brengen.

Nadat Anjou de Nederlanden met de staart tussen de benen had verlaten, boden de Staten-Generaal de soevereiniteit over hun gewesten aan aan koningin Elisabeth van Engeland. Zij stuurde haar vertrouweling, de graaf van Leicester, die er evenmin in slaagde een behoorlijk bestuur over de landen te vestigen. Na zijn terugkeer zon met name het grootste en belangrijkste gewest Holland, onder leiding van de kersvers aangetreden raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt, op een manier om verder te gaan zonder vorstelijk soeverein. De Republiek Venetië was daarbij een lichtend voorbeeld. Daarom werd gezocht naar een kundig jurist, die de formele rechtvaardiging en onderbouwing kon leveren voor een republikeins  bestuurssysteem. Die werd in 1587 gevonden; niet in Den Haag, maar in Gouda. Het was Francois Vranck(en), die enkele jaren eerder voor veel geld door het Goudse stadsbestuur als pensionaris was aangetrokken, die zijn pen leende voor deze opdracht. Gouda bood hem daartoe maar al te graag de gelegenheid, omdat het stuk tegelijkertijd kon dienen als basis voor de autonome positie die de stad wenste in te nemen binnen het gewest Holland.

CorteVrancken

Vrancken schreef het gewenste stuk, dat  als titel meekreeg: Corte verthooninge van het recht by den Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollandt ende Westvrieslant van allen ouden tyden in den voorschreven Lande gebruyckt tot behoudenisse van de vryheden, gerechticheden, privilegien ende loffelicke ghebruycken van denselven Lande. Het geschrift, ook wel aangeduid als de Justificatie of de Deductie van Vrancken, werd op 16 juli 1587 gepresenteerd aan de Staten van Holland en in Rotterdam gedrukt op de persen van Matthijs Bastiaensz, boekverkoper op ’t Steygher. De Goudse pensionaris vergeleek de opstandige gewesten meteen al in het begin al met Venetië, omdat beide nooit veroverd of verwoest waren. Na eerst nog eens de voorgeschiedenis met Philips en andere soevereinen geschetst te hebben, legt hij het fundament voor het gezag van de Staten bij de edelen en de steden. Uitvoerig schetst hij hoe de steden, met instemming van de burgerij, min of meer op dezelfde wijze bestuurd worden door een Raad of Vroedschap en daaruit gekozen burgemeesters en schepenen. “Bij deze colleges alleen ligt de macht om te adviseren, resolveren en disponeren [besluiten] inzake staat van stad en land”, aldus Vrancken. Ook zijn Goudse broodheren zullen dit met instemming gelezen hebben.

De macht van de Oranjes wordt tegelijkertijd door Vrancken gerelativeerd: “Want wat is de macht van een Prince, sonder goede correspondentie van sijne ondersaten”. Dat brengt hem tot de volgende conclusie dat iedereen zal moeten begrijpen dat “de souverainiteijt der Landen te wesen by den Staten, Edelen en Steden”. De pensionaris van Gouda, die van 1583 tot 1589 in de stad werkte en woonde op de hoek van de Naaierstraat en de Blauwstraat, heeft met dit stuk het daadwerkelijke theoretische fundament gelegd onder de wijze waarop de Noordelijke Nederlanden vanaf 1587 de bestuursvorm aannamen van een republiek. Niet de Acte van Verlatinghe, maar deze Deductie van Vrancken had wat mij betreft het Pronkstuk van Nederland mogen zijn.

Zie: Paul H.A.M. Abels, Mr. Franchois Vranck, pensionaris van het stadsbestuur. Vergeten icoon van de Goudse eigenzinnigheid, in: Erfgoud. Iconen en symbolen. Open Monumentendag Gouda 2016, p. 38-39. 

Op zoek naar Goudana in museum Bisdom van Vliet in Haastrecht

Aan de rand van het dorp Haastrecht, aan de weg richting Gouda, ligt een bijzonder negentiende-eeuws woonhuis. Tot 1923 werd dit bewoond door een voorname dame, Paulina Bisdom van Vliet, telg uit een oud patriciërsgeslacht dat een voorname rol heeft gespeeld in de locale gemeenschap en ook in het stadsbestuur van het vijf kilometer verderop gelegen Gouda. Op dezelfde plek stond al vanaf 1694 een voornaam huis, bewoond door leden van genoemde familie. Paulina zorgde ervoor dat het huis, en de bijbehorende grote tuin, na haar overlijden ondergebracht werd in een stichting en bepaalde dat alles in haar huis moest blijven zoals het was. Tot op de dag van vandaag kunnen bezoekers zich vergapen aan al het fraais dat deze puissant rijke familie gedurende ruim drie eeuwen heeft verzameld.

Het Museum Bisdom van Vliet, dat tegenwoordig met zorg in stand wordt gehouden door een beheerder en een leger van vrijwilligers, stond al ruim drie decennia op ons lijstje om te gaan bezoeken. Er was altijd echter wel een reden om daarvan af te zien, of het was gesloten als wij voor de deur stonden. Op zondag 5 november kwam het er dan eindelijk van. Voorzien van overschoenen, bedoeld om slijtage van de kostbare tapijten in het huis zoveel mogelijk te voorkomen, stapten wij terug in de geschiedenis. Op de benedenverdieping voldeed het huis aan de verwachtingen die je hebt als je een dergelijk museum binnentreedt; veel ‘pompe’, in de vorm van kostbaar zilver, porselein, meubels en schilderijen. Ook het serviesgoed en fraaie kachels ontbreken niet.

Interessant voor de – Goudse – historicus wordt het pas in de gang en op de Bisdom1bovenverdieping. Hij wordt eerst op het verkeerde been gezet, door enkele kasten vol met Orangistisch serviesgoed uit de patriottentijd. Kopjes, schotels, borden en kommen met afbeeldingen van stadhouder Willem V en zijn daadkrachtige echtgenote Wilhelmina van Pruisen, voorzien van tal van politieke teksten die trouw aan het Oranjehuis benadrukken. De eerste indruk ontstaat hierdoor dat de familie Bisdom van Vliet niets moest hebben van de Bisdom3vernieuwende ideeën van de patriotten. En een dergelijke partijkeuze zou ook passen bij het beeld en de atmosfeer die het huis uitstraalt. Niets is minder waar, want in de roerige tijd zelf blijkt de heer des huizes, Marcellus Bisdom van Vliet (1729-1806), de zijde van de patriotten te hebben gekozen. Dat moest hij uiteindelijk flink bezuren.  Toen de Orangisten, met steun van het door prinses Wilhelmina te hulp geroepen Pruisische leger van haar broer, de strijd in hun voordeel wisten te beslechten,  werden bij het huis van deze Bisdom van Vliet aan de Westhaven 12 ruiten ingegooid, net als bij andere patriotten.  Het Orangistische serviesgoed moet dus door latere generaties zijn aangeschaft, zo concluderen wij.

Marcellus, die gehuwd was met Maria Catharina Reijnders, bekleedde een hele waslijst aan functies in Gouda. Hij was onder meer vroedschapslid, burgemeester, schepen, weeshuisregent, kerkmeester en kapitein/kolonel  van de schutterij in Gouda. Aan hem herinnert in het museum nog zijn Goudse regentenkussen, compleet met het stadswapen, dat in ongekend goede staat is; weinig op gezeten waarschijnlijk, wat weer verklaarbaar is als je zoveel functies vervult.

Bisdom14

Op de bovenverdieping zijn er andere sporen die leiden naar Gouda. In de bibliotheek, gevuld met een keur aan boeken van belangrijke Nederlandse historici, natuurkundigen, Bisdom4wereldreizigers, theologen en stadsgeschiedenissen, ontbreekt natuurlijk de ‘Walvis’ niet, Bisdom13de door deze Goudse pastoor geschreven Beschryvinge van die Goude uit 1713. In een vitrine legt ook een stapeltje pamfletten en verordeningen die betrekking hebben op Haastrecht, maar die van de persen komen van de Goudse stadsdrukkers.

Alle banden van de boeken in de bibliotheek zijn in uitmuntende staat en uniform gebonden, wat niet getuigt van grote belezenheid van de bezitters. Prominent aanwezig is ook een Nederlandse vertaling van de Koran, die blijkens een uitleenbriefje dat erin ligt door diverse vooraanstaande Haastrechters is gelezen in de achttiende eeuw. Verder werken van Darwin en andere wetenschappers, wat erop zou kunnen duiden dat de eigenaar(s) in vrijzinnig protestantse kringen verkeerde(n). Ze waren in elk geval protestants-christelijk, wat ook blijkt uit de opengeslagen Sophia- of Prachtbijbel, in 1855 gedrukt bij G.B. van Goor in Gouda. Deze bijbel heeft uiteraard de luxe band met reliëf, maar de originele boekklampen van leer zijn vervangen door zilveren exemplaren, waarin de naam van Paulina Bisdom van Vliet is gegraveerd, die het boek cadeau kreeg van haar ouders toen zij op 1 april 1858 belijdenis deed in de hervormde kerk.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

Bisdom11

Het meest opvallend in de bibliotheek zijn twee reusachtige kaarten van het Bisdom6Hoogheemraadschap Rijnland uit de 17de eeuw en van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard uit begin 19de eeuw. De aanwezigheid van deze kaarten blijkt te maken te hebben met het feit dat deze kamer in de negentiende eeuw dienst heeft gedaan als vergaderplek voor het hoogheemraadschap Krimpenerwaard, waarvan een andere Marcellus Bisdom van Vliet dijkgraaf was. Op beide kaarten is aan de rand ook de stad Gouda getekend.

Links het detail uit de kaart van de Krimpenerwaard. Hieronder is Gouda te zien temidden van de polders in het Hoogheemraadschap Rijnland.

Bisdom7

 

 

In dezelfde kamer hangen ook enkele afbeeldingen van verre oorden. Fascinerend is een gravure van Algiers. In het cartouche staat een naam gemeld van een telg uit een vooraanstaand Gouds regenten (en kunstenaars)geslacht: Reynier Crabeth.

Bisdom9

 

 

Al met al herbergt Museum Bisdom van Vliet een schat aan kostbaarheden; maar genoemde Goudana maken het museum ook tot een bijzondere lieu de memoire van de Goudse geschiedenis. We zullen het niet bij dit ene bezoek laten.

 

Franciscaanse erfenis naar Museum Gouda

In 1963 werd in Gouda-Noord een voor die tijd zeer modern nieuwe kerkgebouw ingewijd, met als patroonheilige Sint-Jozef. Deze gebeurtenis vond plaats terwijl in Rome het

gouwekerkvoorTweede Vaticaans Concilie nog in volle gang was, dat onder aanvoering van de populaire paus Johannes XXIII zou besluiten tot een ingrijpende hervorming van de Rooms-Katholieke Kerk. Het kerkgebouw aan het Aalberseplein ademde deze geest van vernieuwing in al zijn vezels uit. Gekozen werd voor een grote kerkzaal zonder pilaren en met lange, gelijkvormige kerkbanken. Het altaar was niet meer dan een kleine verhoging over de volle breedte van het gebouw en de muren waren egaal wit. Met zijn soberheid, nederigheid en gelijkheid werd dit gebouw destijds gezien als een eigentijdse vertaling van de opvattingen van de Heilige Franciscus, de inspiratiebron van de religieuze orde van de franciscanen (ook wel minderbroeders genoemd) die 330 jaar eerder de grondslag voor deze Goudse parochie had gelegd en waarvan haar paters eeuwenlang de zielzorg hadden verrichten.

kerk2

kerk1In weinig deed deze twintigste-eeuwse kerk meer denken aan haar directe voorganger, de Sint-Josephkerk aan de Hoge Gouwe, die in 1979 werd overgenomen door de Johan Maasbach Stichting en in de volksmond Gouwekerk wordt genoemd. Deze door de Goudse architect C.P.W. Dessing ontworpen neogothische kerk met 80-meter hoge torenspits werd in 1902-1904 gebouwd. Het interieur was allesbehalve sober, maar vormde als het ware de architectonische vertaling van de vreugde over het wederopluikend katholicisme. Het contrast met de twee opeenvolgende kerkjes die eerder op dezelfde plek hadden gestaan diende aan het begin van de 20ste eeuw dan ook zo groot mogelijk te zijn, want die representeerden de eeuwenlange achterstelling van de katholieken, die alleen in ver van de straat gelegen schuilkerken bijeen mochten komen.

Het begon allemaal met één minderbroeder, die in 1633 in opdracht van zijn overste vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar Gouda was getrokken om hier zielzorg te gaan verrichten. Volgens zijn ordeleiding waren de Nederlanden missiegebied geworden omdat220px-Gregorius_Simpernel_door_Jan_Ariens_Duif de gereformeerden alle kerkgebouwen hadden overgenomen en er geen bisschoppelijk bestuur meer bestond. De betreffende pater, Gregorius Hendricksz Simpernel,[1] die in Sint-Truiden tot het klooster was toegetreden, arriveerde tegen de avond met alleen een simpele knapzak op zijn rug in de stad. Volgens overlevering rustte hij in de Naaierstraat even uit op een stoepje van een huis, waarna hij door de bewoners werd uitgenodigd de nacht bij hen door te brengen. Al snel kon hij een huis huren in de Groenendaal, dat de naam “De Pijpkan” droeg, waar hij zijn eerste missen opdroeg. Lang zou hij daar niet blijven, want ondanks tegenwerking van de reeds in Gouda werkzame pastoors – die niet gediend waren van een dergelijke ‘buitenlandse’ concurrent in de zielzorg – wist Simpernel met hulp van enkele medestanders een huis te kopen, ten zuiden van de Aaltje Bakstraat aan de Hoge Gouwe. Op deze plek richtte hij een schuilkerk in, waar hij in de daaropvolgende jaren vele Goudse gelovigen aan zich wist te binden, inclusief enkele tientallen klopjes. Deze ongehuwde geestelijke dochters ondersteunden hem niet alleen bij de pastorale taken, maar de kapitaalkrachtigsten onder hen verschaften hem ook voldoende middelen om het gebouw in te richten en te verfraaien. Aan het vermogende klopje Anna van Geffe, van wie ook nog een portret nog in het bezit is van de Sint-Josephkerk, had Simpernel het te danken dat na zijn overlijden een grote geldschuld kon worden weggewerkt.[2]

Opmerkelijk is dat van deze grondlegger van de Sint-Josephparochie maar liefst drie geschilderde portretten bewaard zijn gebleven. Museum Gouda heeft een unieke collectie schilderijen en voorwerpen die de rooms- en oud-katholieke kerkgeschiedenis van Gouda illustreren. Dat verhaal wordt ook op prachtige wijze aan het publiek getoond, met in de Gasthuiskapel alle altaarstukken die tot 1573 stonden in de (in herbouw zijnde) grote Sint-Janskerk, aangevuld met kunstwerken uit de drie seculiere Goudse staties (schuilkerken) en de statie van de Jezuïeten uit de Keizerstraat. Tot nu toe ontbrak in de collectie-uitstalling het laatste stukje van het verhaal, namelijk de statie van de minderbroeders (rechtstreekse voorganger van Gouda’s grootste rooms-katholieke kerk in onze tijd). De drie werken, die nu in bruikleen zijn afgestaan aan het museum, maken dit verhaal compleet en zullen hopelijk op termijn een plekje krijgen in de vaste opstelling. Daarbij gaat het om:

* Een portret van Gregorius Simpernel (zie boven). Dit schilderij is reeds in bezit (en in het magazijn) van het Museum Gouda en toont een nog jeugdige pater. Hij is geheel in de stijl van de minderbroeders gekleed in een eenvoudige bruine pij en heeft zijn handen vroom gevouwen. De handen zijn tamelijk primitief geschilderd, maar het hoofd van de pater is beter getroffen en is zeker karaktervol te noemen. Oorspronkelijk was dit schilderijtje in het bezit van het Weeshuis van Gouda. Vreemd is dit niet, want het portret is hoogstwaarschijnlijk rond 1640 vervaardigd door Jan Ariansz Duyf (1617-1647), een weeskind met artistieke kwaliteiten, die leerling was van zijn neef Wouter Pietersz Crabeth.

* Jan Duyf was ook de schilder van een tweede, nog opmerkelijker, portretje van Simpernel. Het toont de pater ten voeten uit, opnieuw gekleed in zijn franciscaner pij, maar nu liggend op zijn doodsbed, met een crucifix in de hand. Onder zijn hoofd ligt een korenschoof en hij is omgeven door tal van symbolen die verwijzen naar de tijdelijkheid van het leven en de redding die nabij is door het offer van Jezus. De korenaren zijn bedoeld als een verwijzing naar de ‘hemelse wedergeboorte’. Verder is een Mariabeeldje te zien in een stralenkrans, met onder haar voeten een tekstrol uit 1649, met als opschrift: Pater Gregorius Simpernellius XXVI Februarii in Deo obiit (Pater Gregorius Simpernel overleed in de Here op 27 februari).

simper

Nadere beschouwing leert dat Maria een zwaard in haar borst heeft. Dit is een verwijzing naar de profetie van Simeon: “Ook door uw ziel zal een zwaard gaan”. In witte schrijfletters wordt in dichtvorm de lof gezongen op Simpernel, die in vijftien jaar tijd honderden zielen gewonnen zou hebben voor het geloof. Van dit doodsportretje zouden meerdere exemplaren hebben bestaan, die bedoeld waren als devotionalia (ter stimulering van de vroomheid van de gelovigen). Het schilderijtje van Simpernel op zijn doodsbed heeft altijd een plek gehad in de pastorie van de Sint-Josephkerk; al aan de Gouwe en nu nog steeds aan het Aalberseplein. Het is in de vorige eeuw opnieuw ingeraamd, waarbij op de lijst in sierlijke letters de belangrijke jaartallen en activiteiten van de minderbroeders in Gouda zijn geschreven. Mogelijk is dit gebeurd door of op initiatief van pater Dalmatius van Heel, een van de laatste bruingepijde paters die te zien was in het straatbeeld in Gouda en die kort na de Tweede Wereldoorlog de Geschiedenis van de Minderbroeders te Gouda te boek stelde. In dit boek, maar ook in andere publicaties, zijn foto’s van beide schilderijtjes afgedrukt, maar alleen in tamelijk eenvoudige zwartwit-opnames.

* Het derde portret betreft een portret van een klopje uit het midden van de zeventiende eeuw. Afgaand op de provenance (afkomstig uit en bewaard in de St-Jozefparoche en de klopminderbroederstatie van Pater Simpernel) wordt ervan uitgegaan dat het om een minderbroederklopje gaat. Simpernel zelf had al zeker dertig klopjes – ongehuwde vrouwen die hun leven volledig wilden wijden aan Jezus en zijn kerk – in zijn entourage en dat gold ook voor zijn opvolger Joannes van der Elst. Gelet op de belangrijke rol die een specifieke klop bij de financiering van de minderbroederstatie in deze jaren heeft gespeeld (zij bestemde 4000 gulden voor de kerk), het formaat en de uitvoering, wordt ervan uitgegaan dat het hier om Anna van Geffe gaat. Het betreft een vrouw op middelbare leeftijd, afgebeeld tegen een donkere achtergrond. Zij kijkt de toeschouwer recht aan en heeft een boekje in haar hand. Mogelijk is het een kloppenboekje of bijbel, waarmee de onbekende schilder verwijst naar de religieuze identiteit en wijsheid van de vrouw. Hoewel het om een traditioneel kloppenportret lijkt te gaan (in de Republiek waren er na het kloosterverbod geen nonnen meer), zijn er geen eenduidige religieuze verwijzingen zoals een heiligenbeeld, crucifix, rozenkrans etc. op het schilderij te zien.

[1] Bijzonderheden over Simpernel zijn te vinden in Dalmatius van Heel, De Minderbroeders te Gouda, deel II, (Gouda 1947) 18-30; J. Schouten, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten (Alphen a/d Rijn 1980) 91-97; X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 (Delft 1994) 97-103 en P.H.A.M. Abels e.a. (ed.), Ignatius Walvis. Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (1525-1712) (Delft 2012) passim en Paul H.A.M. Abels, ‘Portretten van Peter Simpernel, de grondlegger van de St.-Josephkerk, in: De Tidinge 31 (2013) 66-68. ‘Peter is een drukfout van de drukker van de Tidinge; lees Pater)

[2] Zie over de klopjes en Anna van Geffe: M.A.W.L.M. Abels, Tussen sloer en heilige. Beeld en zelfbeeld van Goudse en Haarlemse kloppen in de zeventiende eeuw (Gouda 2010).

Ovittius Abbema junior laat van zich horen

Deze maand is het op de kop af vijftien jaar geleden dat mijn boek over de Friese ‘schavuit’ Pibe Wytthiesz Abbema verscheen, beter bekend onder zijn aan de Romeinse dichter oviOvidius ontleende naam Ovittius. Daaraan vooraf gingen 25 jaar archiefonderzoek, waarbij ik in alle uithoeken van Nederland en de aangrenzende Duitse gebieden steeds opnieuw stuitte op zijn naam. Uiteindelijk was het mijn goede en veel te jong gestorven vriend dr. Wiebe Bergsma, die mij wist over te halen een punt te zetten achter de zoektocht en de resultaten van alle naspeuringen te verwerken in een ‘aangeklede’ biografie van deze markante Fries. Zijn levensloop vormde een perfecte ‘kapstok’ om tegelijkertijd hier het verhaal aan op te hangen van wat Alastair Duke, mijn co-promotor, zo beeldend omschreven heeft als “the Reformation of the Backwoods”. Het moeizame verloop van de Tachtigjarige Oorlog in de randgewesten zorgde immers voor steeds weer schuivende panelen, die mijn hoofdpersoon altijd weer kansen bood om op zijn vlucht voor het verleden een tijdlang zijn diensten aan te bieden als pestmeester, pastoor of gereformeerde predikant.

Een punt zetten achter zo’n lange zoektocht viel destijds allerminst mee. Ovittius was door de jaren heen zo’n vaste waarde geworden in mijn leven als historicus en had mij zo vaak verrast door op te duiken op weer een andere plaats of streek, dat ik als de dood was om direct na verschijning van het boek te stuiten op toch weer een belangrijke nieuwe archiefvondst. Stel je voor dat er ergens nog brieven van hem zouden liggen of zelf persoonlijke aantekeningen in de vorm van een dagboek. De kans daarop was door mijn systematische zoektocht inmiddels zeer klein geworden, maar toch… Die ‘vrees’ werd echter niet bewaarheid, op een klein detail na. Onno Hellinga onthulde bij de presentatie van mijn fraai door de Fryske Akademy uitgegeven boek (Ovittius’ metamorphosen. De onnavolgbare gedaantewisselingen van een zielendokter in de Reformatietijd) , dat deze Friese ‘loper’ ook nog een tijdlang in Kollum gewoond had. De bron voor deze bewering zou hij mij nog doen toekomen, maar daar is door zijn ontijdige overlijden nooit meer iets van gekomen.

Nu, vijftien jaar later, kan ik het nog steeds niet nalaten om bij het digitaal beschikbaar komen van steeds meer archiefbestanden af en toe naslag te doen naar Ovittius, Pibo, Abbema, Wytthiezoon en varianten daartussen. Ook dat leverde nooit meer iets op. Incidenteel is er nog wel een vriendelijke onderzoeker die mij attendeert op het voorkomen van de naam van Ovittius in bronnen die ook nog niet kende. Zo wees Bert Thissen van het archief in Kleve mij op de vermelding van een uitbetaling aan hem in de functie van pastoor van Weeze in 1591.

[54] item heb ick dno Christiano alsolche acht daller alss dat capitel aen dem Pastorn van Weess Piboni Ouitio de Abema verrichtt, restituirtt, vnd van dem Pastorn quitiert. Actum den 28 Decembr. f. 8 dall 4 alb (Bron: Friedrich Gorissen (Berarb.), Urkunden und Regesten des Stiftes Monterberg-Kleve, dln., Kleve 1989-1993. Nummer 3756 bevindt zich in Band 2, 1990).

Meer dan een extra bevestiging dat Ovittius in Weeze als katholiek pastoor werkzaam was levert dit echter niet op.

Toch werd ik onlangs voor het eerst in al die jaren verrast door enkele vermeldingen van Ovittius Abbema, die meer opleverde dan een bevestiging van reeds bekende feiten. Maar dan gaat het niet om de hoofdpersoon van mijn boek, maar om zijn gelijknamige zoon. Van deze Wytze Pibezoon Abbema had ik al achterhaald dat hij in Harlingen werd opgeleid als geleybacker (iemand die beschilderd en tingeglazuurd aardewerk maakt, waaronder tegels). In de loop van 1619 begaf hij zich naar Amsterdam om op een VOC-schip aan te monsteren als ziekentrooster. Hij gebruikte vanaf dat moment de naam Ovittius als voornaam, onmiskenbaar een eerbetoon aan zijn vader. Een jaar later was hij in Batavia, waar hij samen met onder anderen de beruchte Jan Pieterszoon Coen deelnam aan het allereerste Avondmaal dat op Indische bodem  werd gehouden.

In 1624 verlegde Ovittius Abbema zijn werkveld als ziekentrooster naar West-Indië. Onbekend is waar hij zich daar ophield. Twee jaar later was hij in de Nederlanden terug en vestigde hij zich in Delft. Waarmee hij daar zijn brood verdiende is onduidelijk, maar in 1627 ging hij opnieuw als ziekentrooster aan boord van een schip naar de Oost. Daar gaf de kerkenraad van Batavia hem in 1629 een attestatie om definitief naar het vaderland terug te keren. Een jaar later begon hij alweer aan een nieuw buitenlands avontuur, door zich aan te melden voor een diplomatieke missie van de Staten-Generaal naar Moskou.  Hij zou de kleine Nederlandse groep gereformeerden in de Russische hoofdstad gaan dienen als ziekentrooster, maar bij de ontmoeting van de delegatie met de Russische Tsaar, werd Ovittius Abbema predikant genoemd en mocht hij de geloofsbrieven dragen. Geschiedschrijver Lieuwe van Aitzema vermeldt dit in zijn Saeken van Staet en Oorlogh.

De heer Philippus Breuker wees mij op een brief van Jan Veltdriel, magistraatslid uit Dokkum en gezant van de Staten-generaal, die in 1631 naar Moskou was gestuurd om te onderhandelen over een monopolie over de graanhandel. Vanuit Moskou schreef Veltdriel op 12 februari 1631 deze brief aan Abbe Freerks Gabbema te Leeuwarden. Daarin schreef hij aan de heer Gabbema geruststellende woorden over diens naar Rusland meegereisde zoon. Deze had te kennen gegeven het ruige leven in Rusland de rug toe te willen keren en in deze wintertijd terug te willen keren naar zijn vader in Friesland. Veltdriel had bewilligd in dit verzoek “te meer oock vermits hij in compaignie hadden den persoon van den seer eerlycken Heere onsen predicant Owitius Abbema, waer meede hij seer wel bewaert sal weesen”. Dit korte citaat is opmerkelijk omdat Ovitius junior hier niet als ziekentrooster wordt aangeduid, maar als predikant. Bovendien worden hem kwalificaties toegedicht waarvan zijn vader alleen maar had kunnen dromen.

Detail uit brief van J. van Veltdriel aan Abbe Freercks Gabbema, "rentemeester der stad Leeuwaerden", d.d. 12 februari 1631. (in: OBW 84, HCL, Leeuwarden)

Detail uit brief van J. van Veltdriel aan Abbe Freercks Gabbema, “rentemeester der stad Leeuwaerden”, d.d. 12 februari 1631. (in: OBW 84, HCL, Leeuwarden)

Met al deze reizen op zee en over land heeft Ovittius jr.  zijn vader in mobiliteit nog verre

notaris Schoudt, inventaris 149 pagina 14 (digitaal) , toegang tot het Haarlemse oud-notarieel archief vanaf 1617.betreft 21 januari 1636, akte 8 Ene Roeloff Steenbergh verklaart op verzoek van Willem Jansz Verstraeten dat hij getuige was bij een transactie tussen Willem Jansz Verstraeten en Ovitius Abbema te Utrecht die de gereedschappen en materialen die hij gebruikte voor het geleijers of plateelbacken  verkocht, inclusief een partij brandhout. Maar genoemde Ovitius zou een groot deel van het hout achter gehouden hebben tot groot ongenoegen van Willem Jansz Verstraeten.

notaris Schoudt, inventaris 149 pagina 14 (digitaal) , toegang tot het Haarlemse oud-notarieel archief vanaf 1617.betreft 21 januari 1636, akte 8
Ene Roeloff Steenbergh verklaart op verzoek van Willem Jansz Verstraeten dat hij getuige was bij een transactie tussen Willem Jansz Verstraeten en Ovitius Abbema te Utrecht die de gereedschappen en materialen die hij gebruikte voor het geleijers of plateelbacken verkocht, inclusief een partij brandhout. Maar genoemde Ovitius zou een groot deel van het hout achter gehouden hebben tot groot ongenoegen van Willem Jansz Verstraeten.

weten te overtreffen. Maar 1631 was de wereldreiziger terug in Utrecht, waar hij met zijn echtgenote Doed Eelckesdochter een testament op langst levende liet opstellen bij een notaris. In mijn eigen onderzoek liep het spoor van de zoon van Pibo daarmee destijds dood. Dankzij een mail van Peter Sprangers uit Utrecht weet ik nu dat junior daar zijn oude ambacht van geleybacker weer heeft opgepakt. Voor zijn aardewerkproductie kocht hij mogelijk een pand aan de Agter ‘t Weystraat, waar Rotterdammer Claes Jansz Wijtmans tot dan als ‘plattielbacker’  werkzaam was. Ovittius Abbema stopte in 1636 als gelybacker. Hij verkocht toen de hele inventaris, inclusief een grote partij brandhout, aan de Haarlemse schotelbakker Willem Janszoon Verstraeten. Over deze transactie ontstond vervolgens nog onenigheid, omdat Verstraeten Ovittius ervan beschuldigde een groot deel van het haardhout achter te hebben gehouden.

De ontdekking dat Ovittius jr. het ambacht van tegelbakker na al zijn omzwervingen opnieuw heeft opgepakt, roept de vraag op of dit nog consequenties moet hebben voor de toeschrijving van het bijzondere familie-tegeltableau, dat in de muur van de kerk van Oldeboorn (Aldeboarn) is gemetseld. Deze tegels vermelden dat Pibo Ovittius Abbema in 1612 predikant is van het Utrechtse dorp Zuilen. De tegels zijn lang ten onrechte beschouw als een epitaaf en het jaartal 1612 als diens sterfjaar. Beiden zijn onjuist. Het jaartal is ook niet het beroepingsjaar geweest. Pibo Ovittius kwam al in 1610 naar Zuilen en zou daar in de loop van 1618 overlijden. Dat tegelsjesbracht mij tot de hypothese dat Ovittius junior – die opgroeide in het Utrechtse – de tegels vervaardigde in de periode dat hij in Harlingen het vak van geleybacker leerde en uitoefende en dat hij ze als een vorm van eerherstel liet plaatsen in de kerk van zijn ouders in Oldeboorn, boven de grafsteen van zijn moeder.

Kenners van tegelwerk – onder wie de bekende Nanne Ottema –  betwijfelen op technische gronden echter of de tegels wel vroeg-zeventiende-eeuws zijn. De kleur groen zou pas in de achttiende eeuw op deze wijze vervaardigd hebben kunnen worden en Makkumse trekken hebben. Als dat zo is, dan kunnen de tegels evenmin door Ovittius junior gemaakt zijn in de jaren dertig va de zeventiende eeuw, in zijn Utrechtse periode. De mogelijkheid die dan resteert is dat de oorspronkelijke versie van de tegels verloren is gegaan bij de afbraak van de oude kerk van Oldeboorn in 1753 en dat er voor het nieuw gebouwde godshuis een replica is vervaardigd. Daarmee zou het ontwerp wel van de hand van Ovittius jr. zijn, maar de uitvoering niet. Blijft staan dat hij daarmee zijn omstreden vader een vorm van eerherstel heeft gegeven in diens oorspronkelijke Friese omgeving.

Harlingen2Bij een bezoek aan Museum Hannema in Harlingen1Harlingen ontdekte ik in de eerste week van 2019 dat bij opgravingen dat de eerste galeibakkers in Harlingen wel degelijk groen gebruikten bij de beschildering van hun aardewerk. Dat blijkt uit opgravingen die gedaan zijn in 1987 bij een pand op de hoek van de Schritsen en de Raamstraat. Daar startte Steffen Gunter in 1600 de eerste aardewerkfabriek van Harlingen. Dat zou betekenen dat het tegeltableau in de kerk van Oldeboorn wel degelijk uit 1612 stamt, zoals ik altijd verondersteld heb.

 

Geuzen en ISIS; hoe terreur leidt tot terrorisme en omgekeerd

Al vele decennia probeer ik journalisten, wetenschappers, bestuurders en ‘gewone’ burgers ervan te overtuigen dat terreur en terrorisme geen synoniemen zijn, die je willekeurig kunt gebruiken. Het misverstand dat het bij deze woorden om synoniemen gaat is echter onuitroeibaar. ‘Terreur’ bekt nu eenmaal beter en het woord is toch net als ‘terrorisme’ afgeleid van het Latijnse woord voor angst, ‘terror’. Deze week kreeg ik een unieke kans om het verschil in betekenis tussen beide woorden voor een wel heel breed publiek nog eens duidelijk te maken. Mijn geleidelijke toenemende bekendheid als hoogleraar Inlichtingenstudies in Leiden leidt geregeld tot verzoeken van media om kwesties rond het werk van geheime diensten te duiden. Maar die verzoeken raken soms ook mijn oorspronkelijke vakgebied, de (kerk)geschiedenis van de vroegmoderne tijd.

bieb

Als historicus werd ik benaderd door Suzanne Hendriks, bureauredactrice bij de NPO, die met Andere Tijden-presentator Hans Goedkoop werkte aan een zevendelige serie over de Tachtigjarige Oorlog, door moderne wetenschappers aangeduid als de Nederlandse Opstand. Zij was op zoek naar een geschiedkundige die enige parallellen durfde te trekken tussen de gebeurtenissen van toen en de actualiteit. Bij haar zoektocht liep ze vaak aan tegen grote aarzelingen en voorzichtigheid bij historici om dit te doen, bang als zij worden voor kritiek of hoon van hun vakgenoten. Toen ik aangaf vanuit mijn twee hoedanigheden (historicus en terrorismedeskundige) wel de nodige parallellen te zijn, werd ik van harte uitgenodigd voor opnames in de fraaie bibliotheek van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Op die fraaie historische locatie werd ik door Hans Goedkoop aan de tand gevoeld over hetTachtig1 vele geweld dat de geuzen uitoefenden bij hun opmars in Holland. Dat gebeurde aan de hand van een geuzenpenning, die de tekst ‘Liever Turkse dan paus’ droeg en die massaal door de geuzen werd gedragen. In het uitgebreide interview, waarvan slechts een klein deel te zien was in de op 5 oktober 2018 uitgezonden tweede aflevering van de serie ’80 jaar oorlog’ , heb ik het geuzengedrag vergeleken met dat van ISIS in Syrië. De terreur (in de zin van het schrikbewind van een overheid – lees Alva – tegen haar onderdanen, werd door de fanatiek gereformeerde geuzen beantwoord met terrorisme, in de zien van non-statelijk geweld van groepen opstandelingen die met moorden, verkrachtingen en plunderingen grote delen van de bevolking angst aanjoegen en op de vlucht deden slaan. Mijn stelling daarbij is dat Willem van Oranje  deze ongeordende gewelddadige bendes willens en wetens hun gang liet gaan  om zo een bres te slaan in de verdediging van de Spanjaarden. Zodra dit vuile werk was opgeknapt, wist hij niet hoe snel hij van ze af moest komen door hun leiders te ontslaan of te berechten.

In de overlevering – en met name in de negentiende-eeuwse nationalistische geschiedschrijving – zijn de geuzen neergezet als de eigenlijke bevrijders van het Spaanse juk.  Dat daarmee dood en verderf gezaaid werd onder een grote meerderheid van rooms-katholieken, die in de eeuwen daarna ook nog eens veroordeeld werd tot een bestaan van tweederangs burgers, bleef ook naar de mening van de makers van dit programma veel te veel onderbelicht. Vandaar dat presentator Hans Goedkoop in de voorpubliciteit van de serie vooral dit aspect benadrukte, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van mijn uitspraken en vergelijking. Zoals viel te verwachten, stuitte dit beeld onmiddellijk op kritiek van zowel historici als gereformeerde zegslieden. De discussies spitsten zich toe op de vraag of dergelijke vergelijkingen wel gemaakt konden worden, gelet op de totaal verschillende tijden en of de geuzen geen onrecht aangedaan wordt met zo’n vergelijking; de Spanjaarden waren immers begonnen met hun Bloedraad.

De grote waarde van een serie als ’80 jaar oorlog’ is dat een gecompliceerd politiek-militair-religieus conflict voor een breed publiek op een toegankelijke manier wordt ontleed en getoond. Doorkijkjes naar het heden kunnen daar behulpzaam zijn, al moet daarbij uiteraard wel recht gedaan worden aan ‘andere tijden’. Maar ook die tijden zullen steeds opnieuw verteld worden en geïnterpreteerd vanuit het nieuwe heden. Na een tamelijk gestold geschiedbeeld van de Opstand, lijkt de tijd wel rijp voor een meer genuanceerd beeld, dat ook recht doet aan degenen die geleden hebben onder de gereformeerde overheersing.

Zomaar een donderdag op de Haagse boekenmarkt

Een van de stille genoegens van een Haagse ambtenaar is het wekelijkse bezoekje aan de boekenmarkt. In de winter hebben de handelaren in oud papier hun plek op het Plein, tegenover de bezoekersingang van de Tweede Kamer. In de zomer verhuizen zij naar de Korte Voorhout, waar ook antiek- en curiosaverkopers dan een plek hebben. Ik ben niet de boekenige trouwe bezoeker. Na verloop van tijd haal je de vaste klanten er zo uit. Soms zijn het echte verzamelaars, die vooral te herkennen zijn aan de geconcentreerde blik waarmee zij heel precies de uitgestalde boeken schouwen; het hoofd licht gebogen om de titels te kunnen lezen. Meestal zijn het mannen, vaak met lange regenjas en een plastic of stoffen tas in de hand. Daarnaast zijn er de ambtenaren, strak in het pak, die de middagpauze benutten om quasi nonchalant even langs de kramen te lopen en dan het liefst van de tafels met boeken voor 1 of 2 euro enkele exemplaren meegraaien. Dan is er ook de categorie ‘bekende Nederlanders’. Zij doen doorgaans hun uiterste best om onbekende Nederlander te lijken, maar ontkomen niet aan blikken van herkenning en semi-grappige opmerkingen van omstanders. Piet Hein Donner scharrelde er in zijn ministerstijd vaak even rond, net als oud-staatssecretaris Aad Kosto, oud-minister Ad van der Steur, en D’66-fractievoorzitter Pechtold. Maar ook de historicus Han van der Horst en de Leidse hoogleraar Edwin Bakker laten zich er geregeld zien. De meest markante bezoeker, die bijna elke week even opduikt – al dan niet in gezelschap van zijn vrouw – is Wim de Bie. Deze cultheld uit mijn jeugd begint met het klimmen der jaren steeds meer te lijken op de typetjes die hij vroeger speelde. Geen idee naar welke boeken hij op zoek is, maar als een ware bibliofiel monstert hij zorgvuldig alle kramen. Iets kopen heb ik hem nooit zien doen.

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

 

 

De handelaren zelf weten precies wie ze voor zich hebben en grijpen elke kans de bibliofielen te wijzen op een exemplaar dat niet in hun collectie mag ontbreken. Minzaam wordt zo’n boek dan in de hand genomen en doorgebladerd.  Na de standaardverzuchting dat hij eigenlijk geen plek meer in de boekenkast heeft en zich eigenlijk had voorgenomen niks meer aan te schaffen, begint toch altijd het loven en bieden. De ene handelaar is daar meer bedreven in dan de andere: die schat in tot welke prijs hij redelijkerwijs moet zakken om de koper te verleiden en dat lukt dan ook meestal. Anderen houden stug vast aan hun prijs en zien belangstellenden dan weer snel afhaken. Interessant zijn ook de onderlinge  gesprekken tussen de handelaren. Het zijn beroepsklagers, die geen gelegenheid onbenut laten met een sombere gezichtsuitdrukking luid te verklaren dat de handel waardeloos is en dat ze liever vandaag dan morgen ermee zouden stoppen. Maar de week erop staan ze er weer; weer of geen weer.

Toegegeven. De handel in oude boeken is geen vetpot. Het zogeheten ‘modern antiquariaat’, dat wil zeggen boeken vanaf circa 1900, is volledig ingestort. Waar vroeger grif tientallen guldens werden betaald voor zo’n antiquarisch boek, daar gaan dezelfde boeken nu vaak voor enkele euro’s van de hand. Als koper is dat enerzijds natuurlijk geweldig, want vele fraaie boeken zijn nu voor een prikkie aan te schaffen. Anderzijds is er voortdurend het knagende, ongemakkelijke gevoel dat het eigen huis wordt volgestouwd met waardeloos oud papier, waar je nazaten straks geen weg mee weten. Maar als dan weer hele bibliotheken van gerenommeerde boekbezitters bij de euroknaller worden uitgestald – zoals onlangs nog een keur aan standaardwerken over de boekdrukkunst – dan ga je als koper toch weer heel opgewekt met een tas vol naar huis.

En dan zijn er nog de oude drukken. De prijs hiervan is niet zo dramatisch gedaald als die van modernere drukwerken, maar op sommige terreinen zit er ook op dit gebied de klad behoorlijk in. Door de razendsnelle secularisering en sluiting van kerk- en kloosterbibliotheken komen theologische werken in groten getale op de markt. Het aanbod van Statenbijbels, gebedsboeken en andere vrome lectuur is zo groot, en de vraag zo klein, dat de prijzen hiervoor stevig zijn gedaald. Bijzondere exemplaren worden doorgaans nog wel voor hoge prijzen in de (nog resterende) gespecialiseerde veilinghuizen verkocht, maar steeds grotere restpartijen vinden via deze veilingen hun weg naar de boekhandelaren op markten als die in Den Haag. Veelal gaat dat dan om exemplaren met kleinere of grotere mankementen, zoals ontbrekende prenten, beschadigde boekbanden of een boek zonder titelpagina. Maar voor de volhouder zijn er ook nog altijd juweeltjes te vinden.

Afgelopen donderdag hield een van mijn favoriete boekenisten een soort uitverkoop van winkeldochters en lelijke eendjes. Oude boekjes uit vervlogen eeuwen die de tand des tijds slechts met moeite hadden doorstaan, werden door hem verkocht voor een of twee tientjes. Vaak waren het losse deeltjes of obscure werkjes met een even obscure inhoud. Handelaar Peter, zoals ik Erik altijd abusievelijk noem, vertelde dat hij die ochtend al heel veel van deze partij verkocht had, bijvoorbeeld aan mensen die een cursus boekbinden volgden en hiermee mooi oefenmateriaal hadden om te restaureren. Op de kraam lag ook nog een groot boek in folioformaat, waar een klant geïnteresseerd in stond te bladeren. Ik kon de verleiding niet weerstaan over diens schouder mee te kijken en mee te luisteren welke vragen hij stelde. Of het oud was en hoe die drukletter eigenlijk genoemd werd. Dat trok ook de aandacht van een andere klant, die omslachtig begon uit te leggen dat dit wel eens een heel oud boek kon zijn en dat er ook oude aantekeningen in de marge stonden.

Eras1

Eras3Voor mij was op dat moment al duidelijk dat het een zeer oude, zestiende-eeuwse druk was; weliswaar met een zwaar beschadigde band, ontbrekende titelpagina, losliggende eerste katernen en diverse ontbrekende pagina’s aan het eind. Even leek het erop dat de geïnteresseerde beschouwer tot aanschaf zou overgaan, vooral nadat Peter meldde dat het boek voor het luttele bedrag van 25 euro weg mocht. Ik hield de adem in, maar de man liep gelukkig door. Dat was voor mij het moment om toe te slaan: zonder te weten om welk werk het ging en hoe oud het precies was (ik schatte 1540), besloot ik dit zwaar getormenteerde boek te kopen en een poging te wagen het nader te determineren.

Eras10

Dankzij de zegeningen van het internet en alle digitaliseringsprojecten van grote bibliotheken kostte het weinig moeite om te achterhalen welk werk ik had aangeschaft. Het bleek een bundeling van Latijnstalige geschriften te zijn over de vroege geschiedenis van Rome. Die geschriften zijn in de loop der jaren in vele edities uitgegeven, dus nu was het zaak te achterhalen om welke uitgave het hier ging. Na vergelijking van diverse bladzijden en diverse initialen (fraai gegraveerde beginletters) ontdekte ik dat het zowaar om een editie ging die was bewerkt door onze grote Gouwenaar Desiderius Erasmus; een uitbreiding dus van mijn collectie Goudana! De eerste uitgave van dit werk dateert uit 1518 en verscheen bij Erasmus’ lijfdrukker Johannes Froben in Basel. Maar die uitgave was het niet, want de lay-out was aanmerkelijk anders. Uiteindelijk kon ik vaststellen dat het bij mijn exemplaar gaat om een Keulse druk uit 1527; een vroege postincunabel dus en nog tijdens het leven van Erasmus gedrukt (hijEras7 stierf in 1536). Van de Rotterdamse geleerde is bekend dat hij bleef sleutelen aan zijn teksten en vertalingen en zijn boekdrukkers tot wanhoop dreef door steeds weer nieuwe edities op de persen te laten leggen.

Nu het boek gedetermineerd is, is het voor mij extra waardevol, ondanks alle beschadigingen en mankementen. Het grootste deel van het boek is nog

De ontbrekende titelpagina

De ontbrekende titelpagina

intact en de bladzijden zijn uiterst fraaie voorbeelden van vroege boekdrukkunst. De band bevat nog het originele geblindstempelde leer dat over houten platten is gespannen en ook de rug is deels nog origineel. Van de koperen boekklampen resteren alleen nog kleine gedeeltes op de platten. Het meest betreurenswaardig is het ontbreken van het zeer fraaie titelblad. Dankzij de zegeningen van het internet kon dat gelukkig nog wel in fotokopie voorin het boek gelegd worden.

En zo leverde mijn donderdagse bezoek aan de Haagse boekenmarkt weer een fraaie aanwinst voor de boekenkast op, met een bijzonder verhaal.

Een kast, een kast, een koninkrijk voor een kast

Bibliofielen zijn een raar slag mensen. Ze kenmerken zich door een niet te stillen honger naar boeken, maar lezen zelf weinig. Daar hebben ze eigenlijk geen tijd voor. Steeds zijn zij op zoek naar nieuwe aanwinsten voor hun collectie, want die is nooit compleet. Als bibliofielen namelijk iets niet kunnen, dan is het wel afgrenzen en inperken; focussen heet dat tegenwoordig. Dat komt omdat ze bij het afstruinen van boekenmarkten, kringloopwinkels, veilingen en beurzen voortdurend stuiten op exemplaren die dan wel VanderVinneniet in hun collectie passen, maar er toch ook prachtig uitzien, fraai vormgegeven zijn of een bijzondere signatuur hebben. Je bent nu eenmaal boekenliefhebber of je bent het niet. En als de prijs dan ook nog meevalt, dan kun je ook zo’n buitenbeentje natuurlijk niet laten liggen.

Gevolg is, dat de bibliofiel ondanks zijn heilige voornemen zich voortaan in te houden en zich te beperken tot zijn daadwerkelijke interessegebied, voortdurend te kampen heeft met geld- en ruimtegebrek. In plaats van het geld te reserveren voor het moment dat dat unieke boek, waarnaar hij al jaren op zoek is, op de markt komt, stilt hij zijn honger tussentijds met buitenkansjes en koopjes. Als dan het daadwerkelijke droomboek voor het grijpen c.q. kopen ligt, schieten de middelen niet zelden tekort om mee te blijven bieden. Bovendien nemen die ‘ook mooi’-aanwinsten een groot deel van de ruimte in de boekenkasten in beslag, waardoor er voor de fraaie exemplaren van de feitelijke collectie steeds minder ruimte is om ze optimaal tot hun recht te laten komen.

Gisteren had ik het voorrecht een oog te mogen werpen op de verzameling van een collectioneur die het anders aanpakt. In zijn appartement staan aan de wanden geen boekenkasten, maar grote vitrinekasten, met daarin boeken met de fraaist denkbare boekbanden vanaf de late middeleeuwen tot heden. Dat is dan ook zijn verzamelgebied: boekbanden. De inhoud doet er bij hem minder toe; het is de vorm die het doet. Fraaie leren en perkamenten geblindstempelde bijbels en theologische werken staan zij aan zij met gebedenboeken van allerlei formaat met schildpadomkleding of voorzien van kostbaar goud of zilver. Maar ook moderne boekomslagen, art deco of jugendstil, uit de negentiende of vroeg twintigste eeuw krijgen bij hem een plek. Een collectie om je vingers bij af te likken, al kun je dit beter niet doen omdat vocht slecht is voor boeken.

Het opbouwen van zo’n collectie vereist precisie, kennis, smaak en natuurlijk ook geld. Hoewel ik over al deze zaken wel enigermate denk te beschikken, denk ik niet dat het mij zou lukken zo gericht te werk te gaan. Daarvoor is mijn interessegebied eenvoudigweg te groot, evenals mijn honger voor boeken. Ik spits mij dan wel toe op enkele terreinen (Goudana, Bestandstwisten, Bijbels, stadsgeschiedenissen, katholieke polemieken en algemene geschiedwerken), maar ook daarbuiten heb ik nog vele boeken die mij dierbaar zijn en waar ik nooit afstand van zou willen doen. Mijn grootste vijand daarbij is steeds opnieuw ruimte. ‘Waar laat je al die boeken?’ is na ‘heb jij dat allemaal gelezen?’ de vraag die het meest aan mij gesteld wordt.

Bij onze verhuizing van de nieuwbouw naar de binnenstad van Gouda, nu acht jaar geleden, dacht ik voor lange tijd verlost te zijn van mijn ruimtevrees. Ik kreeg voor mijn boeken immers een hele benedenverdieping als bibliotheek beschikbaar, die schier oneindige mogelijkheden leek te bieden voor mijn verzamelwoede. Toch bleek ook dezeKast1 ruimte als snel weer te klein. Door het instorten van het modern antiquariaat kon ik het niet laten elke donderdag op de Haagse boekenmarkt, maar ook op de jaarmarkten in Dordrecht, Deventer en elders, grote aantallen prachtige boeken aan te schaffen tegen ridicuul lage prijzen. Daarnaast weten mensen mij steeds meer te vinden als zij van boeken van zichzelf of van overleden familieleden afwillen. En zeg dan maar eens nee.

Kort voor de Deventer markt, zoals altijd op de eerste zondag in augustus, leek het moment aangebroken dat ik tegen mijzelf moest zeggen: vol = vol. Dat kon niet waar zijn. Tompoes verzin een list. Ik dacht al aan het inrichten van een boekenkast in onze garage of een tijdelijke opslag op het werk, toen een inbrengwinkel – in elk geval tijdelijk – een oplossing bood. Daar zag ik in de etalage een wonderlijke kast staan, die precies bood wat ik zocht: dubbele ruimte. Deze Chinese kast, met donkere buitenkant en fraai kersenhouten binnenzijde, was ongetwijfeld niet bedoeld voor boeken, maar is er uitstekend voor geschikt. En met enig passen en meten was er nog net plek voor te maken in mijn bibliotheek, binnen de randvoorwaarden die mijn lief van meet af aan heeft gesteld: we moeten net genoeg ruimte overhouden om er met ons boodschappenkarretje langs te kunnen richting keuken. En zo heb ik met Chinese hulp voorlopig weer ruimte om mijn verzameling uit te breiden. Een hele troost.

Kast2

De laatste hand van de meester

Op de dag dat Jan Six, kunsthandelaar en telg uit een roemrucht Jannengeslacht, wereldkundig maakte dat hij in eigen persoon een nieuwe Rembrandt had ontdekt bij een onoplettend veilinghuis, legde een eigentijdse Rembrandt bij ons thuis de laatste hand aan een duoportret dat hij van Christa  en mij heeft gemaakt. Het schilderij hangt al enige tijd in onze kamer, maar moest nog voor een laatste keer door de kunstenaar, Reinout Krajenbrink uit Groningen, worden afgelakt om het zijn finale glans en bescherming te geven.

Vernis3

Bij het nieuw ontdekte portret van een onbekende jongeman, wordt met stelligheid door Six gesteld dat het werk is geschilderd door Rembrandt van Rijn. In een door hem handjegeschreven boek legt hij uitvoerig uit hoe hij de meesterhand heeft herkend, met name door de blik van de afgebeelde persoon die de beschouwer recht in de ogen kijkt en door de wijze waarop de kraag van de man is geschilderd. Die kraag stelt hem in staat het doek zelfs zeer nauwkeurig te dateren op 1634. Toch zijn er ook twijfels. Met name de merkwaardige hand roept vragen op, zeker op Twitter. Bij goede beschouwing blijkt het te gaan om een hand met een handschoen. Dat doet echter niets af aan het gegeven dat dit gedeelte van het portret weinig overtuigend is.

 

Hoe anders zijn de handen op ons portret. Er wordt wel eens gezegd dat handjesweinig kunstenaars bedreven zijn in het schilderen van handen. Dat kan niet gezegd worden van onze schilder, die aan de Groningse academie Minerva geschoold is in de traditie van de Noordelijke realisten. Vanavond in Museum Gouda leerde de bekende Volkskrant-recensente Wieteke van Zeil in een lezing hoe je moet kijken naar details in een schilderij om de diepere waarde van een kunstwerk goed te kunnen onderkennen. Als wij dat toepassen op ons dubbelportret, dan valt pas goed op hoe belangrijk onze handen daar zijn. Rembrandt zou er jaloers op zijn.