Mooiste aanwinst in 2014: onbekend boekje van Poppius uit 1624

Bib­li­ografisch terug­b­likkend op het afgelopen jaar springt een klein boekje onmid­del­lijk in het oog, als de meest bij­zon­dere aan­winst van 2014. Het betreft een boekje uit 1624 van de uit Gouda ver­dreven remon­strantse predikant Eduardus Pop­pius, waar­van het bestaan niet bek­end was. Op de ten­toon­stelling UITGELEZEN! zal ook dit bij­zon­dere werkje te zien zijn. Het betreft zijn Chris­teli­icke gebe­den ten dien­ste van crancke per­soo­nen, die boet­vaerdigh zijn ende in Chris­tum ghelooven, so om voor ende met hun­lieden van andere; als oock om van haer sel­ven gedaen te wor­den. Het titel­blad ver­meldt verder dat de gebe­den op schrift zijn gesteld door genoemde Pop­pius, “in sijn leven Dien­aer des Heeren Jesu Christi, in de Ghe­meente bin­nen der Goude”. Een volledig impres­sum ontbreekt, niet ver­won­der­lijk gelet op de zware ver­vol­gin­gen waaraan de remon­stran­ten bloot ston­den in die jaren. Ook in Gouda. De titel­pag­ina bevat slechts de sobere ver­meld­ing: “Ghe­druckt in ’t Jaer ons Heeren 1624″. Hieruit valt af te lei­den dat het boekje kort na het over­li­j­den van de auteur, op 9 maart 1624, gedrukt moet zijn. Die zat gevan­gen op Slot Loevestein op een vage ver­denk­ing van betrokken­heid bij het bera­men van een aanslag op stad­houder prins Maurits.

SceperusKaderPoppius

Noch in de zoge­heten STCN (een overzicht van de Konin­klijke Bib­lio­theek van alle in Ned­er­land gedrukte werken tot 1800 die bek­end zijn) noch wereld­wijd in enige bib­lio­theek is een exem­plaar van dit 96 pagina’s tel­lende werkje terug te vin­den. Een unicum dus, opge­do­ken op een onverwachte plek, ver weg van de plek waar het ooit gedrukt werd, namelijk op een veil­ing in San Fran­cisco in de Verenigde Staten. Dankzij een gouden tip van een stu­dent uit Apel­doorn, Arie van Elst, die op deze web­site mijn belang­stelling voor Pop­pius zag, kon ik nog net mee­bieden en het werkje naar Gouda halen.

Het boekje heeft een sleets, over­slaand perka­menten bandje en op de bin­nen­z­i­jde een eigen­dom­sin­schri­jv­ing van “Elis­a­beth de Puw. Mijn boek al in het jaer 1755”. Het kleinood is van klein octavo-formaat, geschikt om zo in de bin­nen­zak bij je te steken. Het VUMCC01_UBVU001-1-POP-001_Xis driftig gebruikt, want de bladz­i­j­den zijn beduimeld en rafe­lig. Dat prikkelt de fan­tasie. Voor Goudse remon­stran­ten, die diepbedroefd moeten zijn geweest over de tragis­che dood van hun ver– en opge­jaagde predikant, moet het boekje een tast­baar en dier­baar aan­denken aan hem zijn geweest, dat ze bij zich kon­den dra­gen als ze op weg waren na een clan­destiene gods­di­en­stvier­ing in de velden buiten de stad, beducht voor arresta­tie en beboet­ing door baljuw Antony Cloots. De drukker moest zijn iden­titeit daarom ook geheim houden. Afgaand op een orna­ment in het boekje, dat ook in andere werken voorkomt, lijkt het van de persen gekomen te zijn bij Pieter Ram­mazeyn, remon­strants boek­drukker die vanaf ongeveer 1619 een drukkerij had aan de Korte Groenendaal.

In 1628, toen de ver­vol­gin­gen van de remon­stran­ten geluwd waren, werd het boekje opnieuw gedrukt, nu in Ams­ter­dam. Daar zijn meerdere exem­plaren van bewaard gebleven. De Goudse edi­tie is nu ook uit de ver­getel­heid opgediept. Met dank aan Arie van Elst.

Eerbetoon aan Gheraert Leeu op tentoonstelling Uitgelezen!

Leeu1484In de ten­toon­stelling UITGELEZEN!, die vanaf 15 feb­ru­ari 2015 te zien is in Museum Gouda, brengt Jan Willem Klein — archivaris in het Goudse Streekarchief en ken­ner van Mid­deleeuwse hand­schriften en incun­abe­len — in de eerste zaal een ode aan Gher­aert Leeu. Deze grond­leg­ger van de Goudse boek­drukkunst geniet niet alleen inter­na­tionale bek­end­heid door zijn boeken van hoge kwaliteit, maar ook door de wijze waarop hij deze illus­treerde met aantrekke­lijke hout­sne­den en een brede leken­markt wist aan te boren.  Leeu was zeven jaar in Gouda werkzaam (1477–1484) en legde in die peri­ode ongeveer  zeventig werken op de persen. Daarna ver­plaat­ste hij zijn bedrijf naar Antwer­pen, de Europese ‘hoofd­stad’ van dat moment, om zo een nog grotere afzetmarkt te vin­den. Ook zijn broer Claes Leeu ging daar aan de slag als boek­drukker en geza­men­lijk wis­ten zij een omvan­grijk oeu­vre te pro­duc­eren. Uitein­delijk zou Gher­aert tragisch aan zijn eind komen. Tij­dens een ruzie met zijn letter-snijder bracht deze hem in 1492 met een burijn een klein steekje toe in zijn hoofd, aan de gevol­gen waar­van de drukker enkele dagen later overleed.

In Gouda is Gher­aert Leeu altijd in hoge acht­ing bli­jven staan. Er is een straat naar hem 150px-Gheraert_Leeu_drukker_Goudagenoemd en in het Willem Vroe­sen­park staat een stand­beeld van Leeu, staande achter zijn drukpers (Roel Bendijk, 1976). In de Goudse Lib­rije wor­den nog twaalf incun­abe­len van hem bewaard. Tij­dens de ten­toon­stelling zullen veel van deze wiegen­drukken aan het pub­liek getoond wor­den, waar­bij Klein er zelfs in ges­laagd is vanuit Duit­s­land een hand­schrift in bruik­leen naar Gouda te halen dat door Leeu in druk is uit­gegeven. Voor het eerst sinds 1993 kri­jgt het pub­liek de kans een grotere col­lec­tie werken van Leeu te bewon­deren. Voor het boek­mu­seum Meer­manno in Den Haag is de Goudse exposi­tie aan­lei­d­ing om in dezelfde peri­ode de eigen col­lec­tie van Leeu-drukken ook uit de kluis te halen en ten­toon te stellen.

Waarschi­jn­lijk is ook het laat­ste werk dat Leeu in 1484 in Gouda op de persen legde te zien in de exposi­tie. Dit was het Boeck van den seven sacra­menten. Zoals gebruike­lijk is zijn impres­sum hele­maal aan het eind van het werk te vin­den, met ver­meld­ing van de exacte datum waarop hij zijn druk­w­erk afs­loot. Hij meldt: “Voleyn­det ter goude in Hol­lant by my Gherit Leew int iaer ons heren M.CCCC ende lxxxi­iii [1484], den xix dach in Junio”.  De tekst kent de vorm van een dialoog tussen ‘Hostien­sis’ en de leer­ling ‘Actoer’. Het werk is geïn­spireerd door Aurea summa, een geschrift van Hen­ri­cus de Segu­sio (ca. 1200–1271), ook wel Henry de Susa of Hostien­sis genoemd, en door de werken van Nico­laus de Tude­schis. Elk van de zeven hoofd­stukken begint met een hout­snede die het betr­e­f­fende sacra­ment uit­beeldt. Daar­naast staan steeds ook beide gesprekspart­ners afge­beeld. Door een gelukkig toe­val kon op een recente veil­ing een blad uit dit werk gekocht wor­den, han­de­lend “Van dat hey­lighe sacra­ment des out­aers dat is dat hey­lighe waerdighe lichaem gods christi”. Dat was een Uit­gelezen! mogelijkheid om mijn col­lec­tie te ver­rijken met het oud­ste frag­ment van een in Gouda gedrukt boek­w­erk, inclusief een van de fraaiste afbeeldingen.

Expositie plaatst Librije en Jacobus Sceperus in de schijnwerpers

OLYMPUS DIGITAL CAMERAIn het Museum Gouda wordt op 15 feb­ru­ari 2015 de exposi­tie UITGELEZEN! geopend, gewijd aan boek­drukkunst, boeken en lezen. Vier gastcu­ra­toren – Jan Willem Klein (Streekarchief Mid­den Hol­land), Paul H.A.M. Abels, Mau­rice Wery en Petra Luijkx (Museum Meer­manno) – kri­j­gen de kans om hun fas­ci­natie voor het boek ten­toon te sprei­den. Elke gastcu­ra­tor staat daar­voor een hele zaal ter beschikking. Jan Willem Klein, ken­ner van de vroeg­ste boek­drukkunst, brengt een eerbe­toon aan Gouda’s vroeg­ste boek­drukker Ger­aert Leeu. Hij toont een unieke verza­mel­ing van vroege incun­abe­len van deze boek­drukker met inter­na­tionale faam, voor wie Gouda in 1484 te klein werd en die zijn drukkerij daarom ver­plaat­ste naar Antwer­pen. Mau­rice Wery brengt een bij­zon­dere verza­mel­ing schilder­i­jen bijeen van lezende per­son­ages, onder wie de gezusters Arntze­nius (vol­gens Maarten van Rossum het mooiste schilderij van Ned­er­land) en Sjaan­tje (vol­gens Vind Mag­a­zine het mooiste naakt van Ned­er­land). Petra Luijkx tekent voor een pre­sen­tatie van de der­tig best vorm gegeven boeken van deze eeuw, ges­e­lecteerd door een deskundige jury.

Dan is er nog een zaal die door bovengetek­ende wordt ingericht. Daarin zal een kleine DSC06726recon­struc­tie te zien zijn van de Goudse Lib­rije, die zich in de Sint-Janskerk bevond. De basis voor deze eeuwe­noude stads­boek­erij werd na de refor­matie gelegd met de inbeslagname van boeken van kerken en kloost­ers. In deze zaal wordt ook een ode gebracht aan de ‘Goudse Vri­jheid’, de peri­ode 1585–1618, toen Gouda een vri­j­plaats was voor schri­jver en drukkers die elders ver­volgd wer­den. Cen­trale figuur in dit deel van de exposi­tie is Jacobus Scepe­rus (1607–1677). Deze ultra-orthodoxe zeventiende-eeuwse dom­i­nee is van grote beteke­nis geweest voor de Goudse Lib­rije. Een Col­lege van Lib­ri­je­meesters beheerde dit laat-middeleeuwse boeken­bezit en vulde het aan met belan­grijke boek­w­erken die nadien ver­sch­enen. Devanderhem-2 Lib­rije weer­spiegelt daarmee de intel­lectuele inter­esse en smaak van de Goudse elite door de eeuwen heen. Scepe­rus was vele jaren Lib­ri­je­meester, in welke func­tie hij in 1648–1649 nauw betrokken was bij een her­in­richt­ing en mod­erniser­ing van de leeszaal. Ook ver­zorgde hij een nauwgezette admin­is­tratie en reg­is­tratie van het boeken­bezit. Hij zorgde er hoogst­per­soon­lijk voor dat de Lib­rije ver­rijkt werd met een unieke negen­delige Atlas van Bleau. Uit brieven van Scepe­rus aan deze beroemde Ams­ter­damse boek­drukker blijkt dat hij zich met suc­ces inspande voor de aan­schaf van deze kost­bare kaartenverzameling.

(meer…)

Tegendraads kerkhistoricus

Het Refor­ma­torisch Dag­blad is in de ban van Gouda. Dat kan niet anders. Nadat de krant Bijlage1voor bevin­delijk Ned­er­land vorige week al een drie-paginagroot inter­view met bovengetek­ende plaat­ste, ver­scheen er deze week een grote, 17 pagina’s tel­lende, bijlage onder de titel “Cul­tu­urstad Gouda”. Het begrip cul­tuur moet hier trouwens vooral opgevat wor­den als ‘gere­formeerde cul­tuur’, want daar gaat het in deze spe­ciale edi­tie om. De lezer wordt eerst weg­wijs gemaakt in de kerkgeschiede­nis van de stad met een uit­geschreven wan­del­ing onder de titel ‘Tussen Coorn­hert en Com­rie”. Daarna is er ruimte voor het lan­delijke onder­wi­jsin­sti­tuut van de gere­formeerde gemeen­ten, de Dri­es­tar, de chris­telijke boekhan­del van ‘de gezusters Smit’, het gereformeerd-kerkelijk leven in de stad, een ver­bor­gen boeken­schat in de stad (nee, niet de Lib­rije, maar de Steen­blok­bib­lio­theek, opges­la­gen in Huize Win­ter­dijk, het gere­formeerd bejaar­den­te­huis dat onder Gouwe­naars bek­end staat als ‘het kraaien­pakhuis’), de gere­formeerde kerkge­bouwen, het gere­formeerde muziek­leven, de in Gouda opgerichte Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis en het Con­ser­vatief Café (dat weke­lijks bijeenkomt in sociëteit De Reünie aan de Oost­haven, de plek waar overi­gens Coorn­hert voor het laatst zijn ogen sloot en zijn mond dicht hield). In het hart van de Gouda-bijlage van het Refor­ma­torisch Dag­blad wor­den twintig ‘Cul­tu­ur­dragers in de kaasstad’ geportret­teerd. Tot mijn ver­rass­ing trof ik ook deze Bijlage2rooms jon­gen aan in deze lijst, die toch hoofdza­ke­lijk uit mensen van protestants-christelijke huize bestaat. Ga maar na: de koster van de St.-Jan, Mau­rits Tom­pot, de archiva­resse van dezelfde kerk, mw. Henny van Dolder-de Wit, de eigenaren van de chris­telijke boekhan­del Smit, Job en Rebecca Koppe­jan, Kun­st­geschiedenisler­aar van de Dri­es­tar, Jan Veld­man, oprichter van het Con­ser­vatief Café, Wilco Boen­der, Dri­es­tar­do­cent en voorzit­ter  van de Sticht­ing Goudse St.-Jan, Ton Hage, de dichter Bert Hof­man, roman­schri­jf­ster Trudi Blom, jurist en Bomansken­ner Cor Verkade, de bib­lio­the­caris van de Steen­blok­bib­lio­theek, Johan van Berkum, con­ser­vatief pub­li­cist Bart Jan Spruyt, tek­endo­cent van de Dri­es­tar, Jan van den Berge, organ­ist Chris­ti­aan Ingelse, muziek­do­cente van de Dri­es­tar, Geral­dine van Gelder, beeldend kun­ste­naar Tijs Huis­man, uit­geef­ster bij het Boeken­cen­trum, Bep­pie de Rooy, oud-bibliothecaris van de The­ol­o­gis­che School van de Gere­formeerde Gemeen­ten, John Mas­ten­broek en onder­wi­jzer H. van Dam. Onder num­mer 20 wordt daar­naast nog een aan­tal namen genoemd van mensen die vol­gens de krant ook niet had­den mis­staan in de lijst. tegendraads In dit illus­tere gezelschap van ‘zware jon­gens en meis­jes’ komt bovengetek­ende dus ook voor , met een type­r­ing die opgevat zou kun­nen wor­den als een geuzen­naam: tegen­draads kerkhistoricus.

Gereformeerd kijkje in een Roomse ziel

Het Refor­ma­torisch Dag­blad, met een groot lez­ers­bereik in de behoudende en bevin­delijke seg­menten van protes­tants Ned­er­land, reserveerde maar liefst drie pagina’s voor een groot inter­view met bovengetek­ende. Dat deze kerkhis­tori­cus onlangs gerid­derd  was, vor­mde vol­doende aan­lei­d­ing hem eens aan de tand te voe­len over zijn kijk op het geloof en het leven. De mooie foto op de bijlage-omslag is goed gekozen, aangezien Arnaut van Geluwe, leken­polemist aan het front van de contra-reformatie, stri­jd­vaardig over mijn schoud­ers meek­ijkt. De plofkop op de bin­nen­pag­ina doet meer denken aan een gevulde pater dan aan een afge­trainde weten­schap­per, maar zal daarmee wel vol­doen aan de in refor­ma­torische kring lev­ende vooro­orde­len van het Rijke Roomse Leven… Mooi dat deze behoudende refor­ma­torische zuil toch zoveel open­heid betoont en belang­stelling heeft voor opvat­tin­gen buiten de eigen kring. Daar kun­nen de vele religie–bash­ers in deze tijd wat van leren.

RD1
RD2RD3

 

 

Na elf jaar krijgt Pibo-boek zijn mooiste recensie

Deze maand is het alweer elf jaar gele­den dat mijn boek over de merk­waardige Fries Pibo Ovit­tius van Abbema ver­scheen. Het boek, uit­gegeven door de pres­tigieuze Fryske KrantAkademy, kreeg des­ti­jds promi­nent aan­dacht in de media. Lan­delijke dagbladen,  vakbladen als het His­torisch Nieuws­blad en zelfs het geschiedenis­pro­gramma OVT van de VPRO maak­ten er meld­ing van. Mijn jong­ste dochter Anouk was des­ti­jds nog maar 14 jaar en beloofde mij plechtig dat zij het boek zou lezen ‘als ze later groot was’. Als klein kind was ze menig­maal meegezeuld naar dor­pen en kerken in de ver­ste uithoeken van het land waar Pibo gewoond en gew­erkt had. Voor haar was hij een sprook­jes­figuur, waarover haar vader span­nende ver­halen kon vertellen. Dat prikkelde soms ook haar eigen fan­tasie, bijvoor­beeld toen we eens een bezoek brachten aan Olde­boorn, het dorp waar Pibo woonde voor zijn ver­ban­ning uit Fries­land. Lopend over een grind­pad bij de kerk aldaar zong zij tot hilar­iteit van haar twee oud­ere zussen een zelfver­zon­nen lied: “kners, kners, kners, zijn moeder is gestor­ven…”. Nu is het kleine meisje groot gewor­den en werkt ze als ein­dredac­teur van de Boekenkrant. Dit weekeinde ver­raste zij mij met een unieke edi­tie van haar krant, gewijd aan mijn boek van Pibo. Zij loste daarmee haar belofte van des­ti­jds op cre­atieve wijze in. Nu het later was en zij groot, was het vol­gens haar tijd voor een vol­waardige recen­sie van mijn boek. Ons bei­der liefde voor het boek kon niet fraaier tot uit­drukking gebracht worden.

De his­tori­cus en de kameleon van het noorden

His­tori­cus Paul Abels raakte gefasci­neerd door een zestiende-eeuwse Fries met de opmerke­lijke naam Pibo Ovit­tius Abbema. In Ovit­tius’ Meta­mor­pho­sen onthult de his­tori­cus het leven van een man van vele gezichten.

Door Anouk Abels

Paul Abels, die onlangs gerid­derd werd voor zijn inzet voor de Ned­er­landse kerkgeschiede­nis, bleef tij­dens zijn vele archief­be­zoeken aan­lopen tegen de naam Pibo. De mys­terieuze Fries ont­popte zich als apotheker, priester en dom­i­nee, maar ook als leu­ge­naar en bedrieger. Wie was deze man, die op zoveel plekken en met zoveel ver­schil­lende beroepen het verleden onveilig maakte? Toen Abels tij­dens een spon­taan bezoek aan een kerk in Alde­boarn een gedenksteen voor Pibo aantrof, besloot hij zijn lev­ensver­haal op te teke­nen. Een taak die de kerkgeschied­kundige, zoals hij in zijn inlei­d­ing schri­jft, als een echte his­tori­cus wilde aan­pakken: ‘De geschied­schri­jver is immers geen romancier die het verleden naar eigen believen kneedt in het belang van een span­nend, ontroerend of poëtisch verhaal.’

(meer…)

De geschiedenis schrijven van de stad waar je van houdt

Onder deze prikke­lende titel schreef de Enschedese uit­gever Paul Abels, van AfdH Uit­gev­ers, op 7 novem­ber in het Twentse opinieblad De Roskam een prikke­lende bij­drage over het belang van stads­geschiede­nis vanuit uit­gev­ers– en bewon­ersper­spec­tief. enschede1_560x355Aan­lei­d­ing was de ver­schi­jn­ing van de stads­geschiede­nis van Enschede, stad uit stoom en strijd door dr. Wim Nijhof.  De uit­gever voelde zich daar­toe enigszins uitgedaagd door enkele tweets van mij, zijn gelijk­namige achterneef. Als ervar­ings­deskundige, die heeft meegew­erkt aan de stads­geschiedenis­sen van Gouda en van Rijswijk, ben ik van mening dat zo’n veelz­i­jdig geschied­w­erk beter niet door 1 per­soon geschreven zou moeten wor­den. Er is immers een breed scala aan exper­tises vereist om alle rel­e­vante facetten van de geschiede­nis van een stad te doorgronden. 

Een schri­jver­scol­lec­tief garan­deert overi­gens niet bij voor­baat dat een stads­geschiede­nis een suc­ces wordt. Alge­meen bek­end zijn de prob­le­men die ontston­den bij de tot­stand­kom­ing van de Haar­lemse stads­geschiede­nis, toen een veel­heid van auteurs een echte syn­these in de weg stond en er een boek ver­scheen met een ver­snip­perde inhoud. Daar hebben anderen van geleerd, zodat ste­den als Dor­drecht, Lei­den en Gouda en een uit de krachten gegroeid dorp als Rijswijk, die met meer even­wichtig samengestelde boeken op de kaart wer­den gezet. Belan­grijk daar­voor is, dat vooraf goed nagedacht wordt vanuit welk per­spec­tief de betrokken auteurs het verleden van de stad bezien. Doen zij dat vanuit een soort heli­copter­view, met de stad als hoofd­per­soon, of doen zij dat vanuit de inwon­ers, met de burg­ers als vertrekpunt. Verder zijn een heldere struc­tuur en goede afspraken over stijl en omvang van de afzon­der­lijke delen, alsmede een spe­ciale beel­dredac­teur en een ein­dredac­tie met doorzettings­macht absolute voor­waar­den om een stads­geschied­schri­jv­ing­spro­ject tot een suc­ces te maken.

Daar komt dan vanuit opdracht­gev­ers– en uit­gev­ersper­spec­tief nog het finan­ciële aspect bij. De afgelopen decen­nia heeft in dat opzicht vele vari­anten te zien gegeven. Er waren extreem dure pro­jecten, zoals Dor­drecht, dat des­ti­jds ruim een miljoen gulden op tafel legde, Delft — dat onlangs ook een grote som reserveerde — of Ams­ter­dam, dat met vijf dikke delen in zes boeken finan­cieel de pan uitrees. Maar er zijn ook voor­beelden als Zut­phen en Gouda, die met releatief geringe mid­de­len en met de medew­erk­ing van een grote schare geschoolde ‘amateur-historici’ en pas afges­tudeer­den ook ges­laagde pro­jecten wis­ten af te ron­den. Het aller­be­lan­grijk­ste is echter dat de geschiede­nis van stad en land wordt vast­gelegd en dat de ken­nis erover steeds weer wordt verdiept en aange­vuld. Enschede heeft dus ‘uit armoede’ gekozen voor een een­mans­boek. Dat kon in de tijd van Van Ben­them of Stroink. Of dat nu kan betwi­jfel ik. Zwolle en Rot­ter­dam gin­gen Enschede voor en dat zijn niet bepaald de stads­geschiedenis­sen die voor­beeldig zijn.

Het aller­be­lan­grijk­ste is echter dat we een mod­erne stads­geschiede­nis van Enschede hebben en dat is voor een snel veran­derde en nog steeds veran­derende stad als Enschede van lev­ens­be­lang.  Dergelijke boeken zijn immers een belan­grijke stim­u­lans voor inwon­ers om zich te gaan verdiepen in het verleden van hun directe woonomgev­ing. Daar­door zullen zij zich eerder gaan inzetten voor behoud van mon­u­menten en stadss­choon, zullen zij hun kinderen eerder ver­halen vertellen over hun stad en haar inwon­ers en kun­nen verenigin­gen en ini­ti­atieven op het vlak van cul­tuur en his­to­rie flo­r­eren. Dan moet het niet bij een boek alleen bli­jven. Het boek moet gaan leven, bijvoor­beeld door “Enschedeologie”-cursussen, waarin geïn­ter­esseer­den een cur­sus kun­nen vol­gen over het verleden van hun stad (na Bossolo­gie is er nu ook al Goudolo­gie, Schoonho­volo­gie en Dor­tolo­gie). Ook het opstellen van canons is zo’n vorm om de inhoud van de stads­geschiede­nis breder te ver­sprei­den en bijvoor­beeld voor kinderen toe­ganke­lijk te maken. Enschede is dus nog niet klaar.  Laat het geen een­mansaan­gele­gen­heid bli­jven, maar maak deze stads­geschiede­nis tot een lev­end prod­uct van alle Enschedeërs.

Zie hieron­der het betoog van uit­gever Paul G.F. Abels (meer…)

Standbeeld voor een Vlaamse Boer

Vangeluwebeeld

De zoek­tocht naar (kerk)historische objecten als boeken en beelden lev­ert de verza­me­laar soms ver­rassende ont­dekkin­gen op en brengt hem op onverwachte plaat­sen. Zo deed een adver­ten­tie op een Bel­gis­che vari­ant van Mark­t­plaats ons deze maand een tocht van 240 kilo­me­ter onderne­men naar het plaat­sje Houthalen, nauwelijks 40 kilo­me­ter ver­wi­jderd van de Franse stad Lille (Rijs­sel), om daar een curieus object te bemachti­gen. Het object, dat uitein­delijk na suc­cesvolle onder­han­delin­gen in de kof­fer­bak van de auto mee naar huis kon wor­den genomen, is in de kern te beschouwen is als een artistieke negentiende-eeuwse ver­tal­ing van lokale trots op een frontstri­jder van de contrareformatie.

De hoofd­per­soon
Drie jaar gelden wijdde het Tijd­schrift voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis een heel the­manum­mer aan Arnout van Geluwe, alias de Vlaamse boer. Deze merk­waardige figuur uit de hoogti­jda­gen van de con­trar­efor­matie wist als ongeschoolde leek in woord en geschrift de strijd aan te binden met menig gere­formeerde predikant uit de Republiek.

(meer…)

Nico Habermehl (1946–2014) is geschiedenis geworden

Van­daag over­leed mijn goede vriend en kom­paan in de geschied­schri­jv­ing van Gouda,  Nico Haber­mehl. Een gedeelde passie voor geschiede­nis legde een ste­vig fun­da­ment onder onze vriend­schap. Samen hebben we vele activiteiten onder­nomen om de stad Gouda ook in his­torisch opzicht op de kaart te zetten. De stads­geschiede­nis, in 2002

Nico Habermehl na zijn promotie in 2000 tot doctor aan de Leidse universiteit.

Nico Haber­mehl na zijn pro­motie in 2000 tot doc­tor aan de Lei­dse universiteit.

ver­sch­enen onder de titel Duizend jaar Gouda,  was daar­van het absolute hoogtepunt.  Voor Nico was de geschiede­nis een onu­it­put­telijke bron van ver­halen waar hij naar hartelust uit kon put­ten. Als geboren verteller wist hij velen in Gouda te inter­esseren voor het verleden van de stad. Hij schreef boeken, artike­len en stukken in de krant, hij maakte televisieprogramma’s over het verleden van Gouda, sprak voor de radio en gaf lessen Goudolo­gie en ontel­bare lezin­gen. Nog in zijn laat­ste lev­en­s­jaar, toen hij wist dat hij het gevecht tegen zijn ziekte niet kon win­nen, bleef hij schri­jven, met onder meer een boekje over het gebouw Arti­Legi aan de Markt en een artikel over de Islam in Gouda als resul­taat. Ook als spreker bleef hij de ver­halen opdis­sen, met als absolute hoogtepunt de geïm­pro­viseerde speech van zeker twintig minuten nadat zijn vrien­den en de burge­meester van Gouda hem let­ter­lijk overvie­len met het ere­burg­er­schap van de stad. Enkele weken gele­den viel hij let­ter­lijk stil. De man die zijn hele leven in het teken had gesteld van het gespro­ken en geschreven woord had geen tekst meer en berustte in zijn lot. Omringd door zijn vrouw en twee zonen blies hij in de ocht­end van 17 okto­ber zijn laat­ste adem uit. Wat zal iedereen hem missen!

Goudse Post, RD en ND pakken ridderlijk uit

RDVNK                                                    Refor­ma­torisch Dag­blad (boven),

Goudse Post (linkson­der)                                                   Ned­er­lands Dag­blad (rechtsonder) krant 1TNKfoto