Op zoek naar Goudana in museum Bisdom van Vliet

Aan de rand van het dorp Haastrecht, aan de weg richting Gouda, ligt een bijzonder negentiende-eeuws woonhuis. Tot 1923 werd dit bewoond door een voorname dame, Paulina Bisdom van Vliet, telg uit een oud patriciërsgeslacht dat een voorname rol heeft gespeeld in de locale gemeenschap en ook in het stadsbestuur van het vijf kilometer verderop gelegen Gouda. Op dezelfde plek stond al vanaf 1694 een voornaam huis, bewoond door leden van genoemde familie. Paulina zorgde ervoor dat het huis, en de bijbehorende grote tuin, na haar overlijden ondergebracht werd in een stichting en bepaalde dat alles in haar huis moest blijven zoals het was. Tot op de dag van vandaag kunnen bezoekers zich vergapen aan al het fraais dat deze puissant rijke familie gedurende ruim drie eeuwen heeft verzameld.

Het Museum Bisdom van Vliet, dat tegenwoordig met zorg in stand wordt gehouden door een beheerder en een leger van vrijwilligers, stond al ruim drie decennia op ons lijstje om te gaan bezoeken. Er was altijd echter wel een reden om daarvan af te zien, of het was gesloten als wij voor de deur stonden. Op zondag 5 november kwam het er dan eindelijk van. Voorzien van overschoenen, bedoeld om slijtage van de kostbare tapijten in het huis zoveel mogelijk te voorkomen, stapten wij terug in de geschiedenis. Op de benedenverdieping voldeed het huis aan de verwachtingen die je hebt als je een dergelijk museum binnentreedt; veel ‘pompe’, in de vorm van kostbaar zilver, porselein, meubels en schilderijen. Ook het serviesgoed en fraaie kachels ontbreken niet.

Interessant voor de – Goudse – historicus wordt het pas in de gang en op de Bisdom1bovenverdieping. Hij wordt eerst op het verkeerde been gezet, door enkele kasten vol met Orangistisch serviesgoed uit de patriottentijd. Kopjes, schotels, borden en kommen met afbeeldingen van stadhouder Willem V en zijn daadkrachtige echtgenote Wilhelmina van Pruisen, voorzien van tal van politieke teksten die trouw aan het Oranjehuis benadrukken. De eerste indruk ontstaat hierdoor dat de familie Bisdom van Vliet niets moest hebben van de Bisdom3vernieuwende ideeën van de patriotten. En een dergelijke partijkeuze zou ook passen bij het beeld en de atmosfeer die het huis uitstraalt. Niets is minder waar, want in de roerige tijd zelf blijkt de heer des huizes, Marcellus Bisdom van Vliet (1729-1806), de zijde van de patriotten te hebben gekozen. Dat moest hij uiteindelijk flink bezuren.  Toen de Orangisten, met steun van het door prinses Wilhelmina te hulp geroepen Pruisische leger van haar broer, de strijd in hun voordeel wisten te beslechten,  werden bij het huis van deze Bisdom van Vliet aan de Westhaven 12 ruiten ingegooid, net als bij andere patriotten.  Het Orangistische serviesgoed moet dus door latere generaties zijn aangeschaft, zo concluderen wij.

Marcellus, die gehuwd was met Maria Catharina Reijnders, bekleedde een hele waslijst aan functies in Gouda. Hij was onder meer vroedschapslid, burgemeester, schepen, weeshuisregent, kerkmeester en kapitein/kolonel  van de schutterij in Gouda. Aan hem herinnert in het museum nog zijn Goudse regentenkussen, compleet met het stadswapen, dat in ongekend goede staat is; weinig op gezeten waarschijnlijk, wat weer verklaarbaar is als je zoveel functies vervult.

Bisdom14

Op de bovenverdieping zijn er andere sporen die leiden naar Gouda. In de bibliotheek, gevuld met een keur aan boeken van belangrijke Nederlandse historici, natuurkundigen, Bisdom4wereldreizigers, theologen en stadsgeschiedenissen, ontbreekt natuurlijk de ‘Walvis’ niet, Bisdom13de door deze Goudse pastoor geschreven Beschryvinge van die Goude uit 1713. In een vitrine legt ook een stapeltje pamfletten en verordeningen die betrekking hebben op Haastrecht, maar die van de persen komen van de Goudse stadsdrukkers.

Alle banden van de boeken in de bibliotheek zijn in uitmuntende staat en uniform gebonden, wat niet getuigt van grote belezenheid van de bezitters. Prominent aanwezig is ook een Nederlandse vertaling van de Koran, die blijkens een uitleenbriefje dat erin ligt door diverse vooraanstaande Haastrechters is gelezen in de achttiende eeuw. Verder werken van Darwin en andere wetenschappers, wat erop zou kunnen duiden dat de eigenaar(s) in vrijzinnig protestantse kringen verkeerde(n). Ze waren in elk geval protestants-christelijk, wat ook blijkt uit de opengeslagen Sophia- of Prachtbijbel, in 1855 gedrukt bij G.B. van Goor in Gouda. Deze bijbel heeft uiteraard de luxe band met reliëf, maar de originele boekklampen van leer zijn vervangen door zilveren exemplaren, waarin de naam van Paulina Bisdom van Vliet is gegraveerd, die het boek cadeau kreeg van haar ouders toen zij op 1 april 1858 belijdenis deed in de hervormde kerk.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

De Sophia- of Prachtbijbel van Van Goor uit Gouda. Met rechts een aan de binnenzijde graveerde zilveren boekklamp.

Bisdom11

Het meest opvallend in de bibliotheek zijn twee reusachtige kaarten van het Bisdom6Hoogheemraadschap Rijnland uit de 17de eeuw en van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard uit begin 19de eeuw. De aanwezigheid van deze kaarten blijkt te maken te hebben met het feit dat deze kamer in de negentiende eeuw dienst heeft gedaan als vergaderplek voor het hoogheemraadschap Krimpenerwaard, waarvan een andere Marcellus Bisdom van Vliet dijkgraaf was. Op beide kaarten is aan de rand ook de stad Gouda getekend.

Links het detail uit de kaart van de Krimpenerwaard. Hieronder is Gouda te zien temidden van de polders in het Hoogheemraadschap Rijnland.

Bisdom7

 

 

In dezelfde kamer hangen ook enkele afbeeldingen van verre oorden. Fascinerend is een gravure van Algiers. In het cartouche staat een naam gemeld van een telg uit een vooraanstaand Gouds regenten (en kunstenaars)geslacht: Reynier Crabeth.

Bisdom9

 

 

Al met al herbergt Museum Bisdom van Vliet een schat aan kostbaarheden; maar genoemde Goudana maken het museum ook tot een bijzondere lieu de memoire van de Goudse geschiedenis. We zullen het niet bij dit ene bezoek laten.

 

Franciscaanse erfenis naar Museum Gouda

In 1963 werd in Gouda-Noord een voor die tijd zeer modern nieuwe kerkgebouw ingewijd, met als patroonheilige Sint-Jozef. Deze gebeurtenis vond plaats terwijl in Rome het

gouwekerkvoorTweede Vaticaans Concilie nog in volle gang was, dat onder aanvoering van de populaire paus Johannes XXIII zou besluiten tot een ingrijpende hervorming van de Rooms-Katholieke Kerk. Het kerkgebouw aan het Aalberseplein ademde deze geest van vernieuwing in al zijn vezels uit. Gekozen werd voor een grote kerkzaal zonder pilaren en met lange, gelijkvormige kerkbanken. Het altaar was niet meer dan een kleine verhoging over de volle breedte van het gebouw en de muren waren egaal wit. Met zijn soberheid, nederigheid en gelijkheid werd dit gebouw destijds gezien als een eigentijdse vertaling van de opvattingen van de Heilige Franciscus, de inspiratiebron van de religieuze orde van de franciscanen (ook wel minderbroeders genoemd) die 330 jaar eerder de grondslag voor deze Goudse parochie had gelegd en waarvan haar paters eeuwenlang de zielzorg hadden verrichten.

kerk2

kerk1In weinig deed deze twintigste-eeuwse kerk meer denken aan haar directe voorganger, de Sint-Josephkerk aan de Hoge Gouwe, die in 1979 werd overgenomen door de Johan Maasbach Stichting en in de volksmond Gouwekerk wordt genoemd. Deze door de Goudse architect C.P.W. Dessing ontworpen neogothische kerk met 80-meter hoge torenspits werd in 1902-1904 gebouwd. Het interieur was allesbehalve sober, maar vormde als het ware de architectonische vertaling van de vreugde over het wederopluikend katholicisme. Het contrast met de twee opeenvolgende kerkjes die eerder op dezelfde plek hadden gestaan diende aan het begin van de 20ste eeuw dan ook zo groot mogelijk te zijn, want die representeerden de eeuwenlange achterstelling van de katholieken, die alleen in ver van de straat gelegen schuilkerken bijeen mochten komen.

Het begon allemaal met één minderbroeder, die in 1633 in opdracht van zijn overste vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar Gouda was getrokken om hier zielzorg te gaan verrichten. Volgens zijn ordeleiding waren de Nederlanden missiegebied geworden omdat220px-Gregorius_Simpernel_door_Jan_Ariens_Duif de gereformeerden alle kerkgebouwen hadden overgenomen en er geen bisschoppelijk bestuur meer bestond. De betreffende pater, Gregorius Hendricksz Simpernel,[1] die in Sint-Truiden tot het klooster was toegetreden, arriveerde tegen de avond met alleen een simpele knapzak op zijn rug in de stad. Volgens overlevering rustte hij in de Naaierstraat even uit op een stoepje van een huis, waarna hij door de bewoners werd uitgenodigd de nacht bij hen door te brengen. Al snel kon hij een huis huren in de Groenendaal, dat de naam “De Pijpkan” droeg, waar hij zijn eerste missen opdroeg. Lang zou hij daar niet blijven, want ondanks tegenwerking van de reeds in Gouda werkzame pastoors – die niet gediend waren van een dergelijke ‘buitenlandse’ concurrent in de zielzorg – wist Simpernel met hulp van enkele medestanders een huis te kopen, ten zuiden van de Aaltje Bakstraat aan de Hoge Gouwe. Op deze plek richtte hij een schuilkerk in, waar hij in de daaropvolgende jaren vele Goudse gelovigen aan zich wist te binden, inclusief enkele tientallen klopjes. Deze ongehuwde geestelijke dochters ondersteunden hem niet alleen bij de pastorale taken, maar de kapitaalkrachtigsten onder hen verschaften hem ook voldoende middelen om het gebouw in te richten en te verfraaien. Aan het vermogende klopje Anna van Geffe, van wie ook nog een portret nog in het bezit is van de Sint-Josephkerk, had Simpernel het te danken dat na zijn overlijden een grote geldschuld kon worden weggewerkt.[2]

Opmerkelijk is dat van deze grondlegger van de Sint-Josephparochie maar liefst drie geschilderde portretten bewaard zijn gebleven. Museum Gouda heeft een unieke collectie schilderijen en voorwerpen die de rooms- en oud-katholieke kerkgeschiedenis van Gouda illustreren. Dat verhaal wordt ook op prachtige wijze aan het publiek getoond, met in de Gasthuiskapel alle altaarstukken die tot 1573 stonden in de (in herbouw zijnde) grote Sint-Janskerk, aangevuld met kunstwerken uit de drie seculiere Goudse staties (schuilkerken) en de statie van de Jezuïeten uit de Keizerstraat. Tot nu toe ontbrak in de collectie-uitstalling het laatste stukje van het verhaal, namelijk de statie van de minderbroeders (rechtstreekse voorganger van Gouda’s grootste rooms-katholieke kerk in onze tijd). De drie werken, die nu in bruikleen zijn afgestaan aan het museum, maken dit verhaal compleet en zullen hopelijk op termijn een plekje krijgen in de vaste opstelling. Daarbij gaat het om:

* Een portret van Gregorius Simpernel (zie boven). Dit schilderij is reeds in bezit (en in het magazijn) van het Museum Gouda en toont een nog jeugdige pater. Hij is geheel in de stijl van de minderbroeders gekleed in een eenvoudige bruine pij en heeft zijn handen vroom gevouwen. De handen zijn tamelijk primitief geschilderd, maar het hoofd van de pater is beter getroffen en is zeker karaktervol te noemen. Oorspronkelijk was dit schilderijtje in het bezit van het Weeshuis van Gouda. Vreemd is dit niet, want het portret is hoogstwaarschijnlijk rond 1640 vervaardigd door Jan Ariansz Duyf (1617-1647), een weeskind met artistieke kwaliteiten, die leerling was van zijn neef Wouter Pietersz Crabeth.

* Jan Duyf was ook de schilder van een tweede, nog opmerkelijker, portretje van Simpernel. Het toont de pater ten voeten uit, opnieuw gekleed in zijn franciscaner pij, maar nu liggend op zijn doodsbed, met een crucifix in de hand. Onder zijn hoofd ligt een korenschoof en hij is omgeven door tal van symbolen die verwijzen naar de tijdelijkheid van het leven en de redding die nabij is door het offer van Jezus. De korenaren zijn bedoeld als een verwijzing naar de ‘hemelse wedergeboorte’. Verder is een Mariabeeldje te zien in een stralenkrans, met onder haar voeten een tekstrol uit 1649, met als opschrift: Pater Gregorius Simpernellius XXVI Februarii in Deo obiit (Pater Gregorius Simpernel overleed in de Here op 27 februari).

simper

Nadere beschouwing leert dat Maria een zwaard in haar borst heeft. Dit is een verwijzing naar de profetie van Simeon: “Ook door uw ziel zal een zwaard gaan”. In witte schrijfletters wordt in dichtvorm de lof gezongen op Simpernel, die in vijftien jaar tijd honderden zielen gewonnen zou hebben voor het geloof. Van dit doodsportretje zouden meerdere exemplaren hebben bestaan, die bedoeld waren als devotionalia (ter stimulering van de vroomheid van de gelovigen). Het schilderijtje van Simpernel op zijn doodsbed heeft altijd een plek gehad in de pastorie van de Sint-Josephkerk; al aan de Gouwe en nu nog steeds aan het Aalberseplein. Het is in de vorige eeuw opnieuw ingeraamd, waarbij op de lijst in sierlijke letters de belangrijke jaartallen en activiteiten van de minderbroeders in Gouda zijn geschreven. Mogelijk is dit gebeurd door of op initiatief van pater Dalmatius van Heel, een van de laatste bruingepijde paters die te zien was in het straatbeeld in Gouda en die kort na de Tweede Wereldoorlog de Geschiedenis van de Minderbroeders te Gouda te boek stelde. In dit boek, maar ook in andere publicaties, zijn foto’s van beide schilderijtjes afgedrukt, maar alleen in tamelijk eenvoudige zwartwit-opnames.

* Het derde portret betreft een portret van een klopje uit het midden van de zeventiende eeuw. Afgaand op de provenance (afkomstig uit en bewaard in de St-Jozefparoche en de klopminderbroederstatie van Pater Simpernel) wordt ervan uitgegaan dat het om een minderbroederklopje gaat. Simpernel zelf had al zeker dertig klopjes – ongehuwde vrouwen die hun leven volledig wilden wijden aan Jezus en zijn kerk – in zijn entourage en dat gold ook voor zijn opvolger Joannes van der Elst. Gelet op de belangrijke rol die een specifieke klop bij de financiering van de minderbroederstatie in deze jaren heeft gespeeld (zij bestemde 4000 gulden voor de kerk), het formaat en de uitvoering, wordt ervan uitgegaan dat het hier om Anna van Geffe gaat. Het betreft een vrouw op middelbare leeftijd, afgebeeld tegen een donkere achtergrond. Zij kijkt de toeschouwer recht aan en heeft een boekje in haar hand. Mogelijk is het een kloppenboekje of bijbel, waarmee de onbekende schilder verwijst naar de religieuze identiteit en wijsheid van de vrouw. Hoewel het om een traditioneel kloppenportret lijkt te gaan (in de Republiek waren er na het kloosterverbod geen nonnen meer), zijn er geen eenduidige religieuze verwijzingen zoals een heiligenbeeld, crucifix, rozenkrans etc. op het schilderij te zien.

[1] Bijzonderheden over Simpernel zijn te vinden in Dalmatius van Heel, De Minderbroeders te Gouda, deel II, (Gouda 1947) 18-30; J. Schouten, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten (Alphen a/d Rijn 1980) 91-97; X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 (Delft 1994) 97-103 en P.H.A.M. Abels e.a. (ed.), Ignatius Walvis. Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (1525-1712) (Delft 2012) passim en Paul H.A.M. Abels, ‘Portretten van Peter Simpernel, de grondlegger van de St.-Josephkerk, in: De Tidinge 31 (2013) 66-68. ‘Peter is een drukfout van de drukker van de Tidinge; lees Pater)

[2] Zie over de klopjes en Anna van Geffe: M.A.W.L.M. Abels, Tussen sloer en heilige. Beeld en zelfbeeld van Goudse en Haarlemse kloppen in de zeventiende eeuw (Gouda 2010).

Ovittius Abbema junior laat van zich horen

Deze maand is het op de kop af vijftien jaar geleden dat mijn boek over de Friese ‘schavuit’ Pibe Wytthiesz Abbema verscheen, beter bekend onder zijn aan de Romeinse dichter oviOvidius ontleende naam Ovittius. Daaraan vooraf gingen 25 jaar archiefonderzoek, waarbij ik in alle uithoeken van Nederland en de aangrenzende Duitse gebieden steeds opnieuw stuitte op zijn naam. Uiteindelijk was het mijn goede en veel te jong gestorven vriend dr. Wiebe Bergsma, die mij wist over te halen een punt te zetten achter de zoektocht en de resultaten van alle naspeuringen te verwerken in een ‘aangeklede’ biografie van deze markante Fries. Zijn levensloop vormde een perfecte ‘kapstok’ om tegelijkertijd hier het verhaal aan op te hangen van wat Alastair Duke, mijn co-promotor, zo beeldend omschreven heeft als “the Reformation of the Backwoods”. Het moeizame verloop van de Tachtigjarige Oorlog in de randgewesten zorgde immers voor steeds weer schuivende panelen, die mijn hoofdpersoon altijd weer kansen bood om op zijn vlucht voor het verleden een tijdlang zijn diensten aan te bieden als pestmeester, pastoor of gereformeerde predikant.

Een punt zetten achter zo’n lange zoektocht viel destijds allerminst mee. Ovittius was door de jaren heen zo’n vaste waarde geworden in mijn leven als historicus en had mij zo vaak verrast door op te duiken op weer een andere plaats of streek, dat ik als de dood was om direct na verschijning van het boek te stuiten op toch weer een belangrijke nieuwe archiefvondst. Stel je voor dat er ergens nog brieven van hem zouden liggen of zelf persoonlijke aantekeningen in de vorm van een dagboek. De kans daarop was door mijn systematische zoektocht inmiddels zeer klein geworden, maar toch… Die ‘vrees’ werd echter niet bewaarheid, op een klein detail na. Onno Hellinga onthulde bij de presentatie van mijn fraai door de Fryske Akademy uitgegeven boek (Ovittius’ metamorphosen. De onnavolgbare gedaantewisselingen van een zielendokter in de Reformatietijd) , dat deze Friese ‘loper’ ook nog een tijdlang in Kollum gewoond had. De bron voor deze bewering zou hij mij nog doen toekomen, maar daar is door zijn ontijdige overlijden nooit meer iets van gekomen.

Nu, vijftien jaar later, kan ik het nog steeds niet nalaten om bij het digitaal beschikbaar komen van steeds meer archiefbestanden af en toe naslag te doen naar Ovittius, Pibo, Abbema, Wytthiezoon en varianten daartussen. Ook dat leverde nooit meer iets op. Incidenteel is er nog wel een vriendelijke onderzoeker die mij attendeert op het voorkomen van de naam van Ovittius in bronnen die ook nog niet kende. Zo wees Bert Thissen van het archief in Kleve mij op de vermelding van een uitbetaling aan hem in de functie van pastoor van Weeze in 1591.

[54] item heb ick dno Christiano alsolche acht daller alss dat capitel aen dem Pastorn van Weess Piboni Ouitio de Abema verrichtt, restituirtt, vnd van dem Pastorn quitiert. Actum den 28 Decembr. f. 8 dall 4 alb (Bron: Friedrich Gorissen (Berarb.), Urkunden und Regesten des Stiftes Monterberg-Kleve, dln., Kleve 1989-1993. Nummer 3756 bevindt zich in Band 2, 1990).

Meer dan een extra bevestiging dat Ovittius in Weeze als katholiek pastoor werkzaam was levert dit echter niet op.

Toch werd ik deze week voor het eerst in al die jaren verrast door een vermelding van Ovittius Abbema, die meer opleverde dan een bevestiging van reeds bekende feiten. Maar dan gaat het niet om de hoofdpersoon van mijn boek, maar om zijn gelijknamige zoon. Van deze Wytze Pibezoon Abbema had ik al achterhaald dat hij in Harlingen werd opgeleid als geleybacker (iemand die beschilderd en tingeglazuurd aardewerk maakt, waaronder tegels). In de loop van 1619 begaf hij zich naar Amsterdam om op een VOC-schip aan te monsteren als ziekentrooster. Hij gebruikte vanaf dat moment de naam Ovittius als voornaam, onmiskenbaar een eerbetoon aan zijn vader. Een jaar later was hij in Batavia, waar hij samen met onder anderen de beruchte Jan Pieterszoon Coen deelnam aan het allereerste Avondmaal dat op Indische bodem  werd gehouden.

In 1624 verlegde Ovittius Abbema zijn werkveld als ziekentrooster naar West-Indië. Onbekend is waar hij zich daar ophield. Twee jaar later was hij in de Nederlanden terug en vestigde hij zich in Delft. Waarmee hij daar zijn brood verdiende is onduidelijk, maar in 1627 ging hij opnieuw als ziekentrooster aan boord van een schip naar de Oost. Daar gaf de kerkenraad van Batavia hem in 1629 een attestatie om definitief naar het vaderland terug te keren. Een jaar later begon hij alweer aan een nieuw buitenlands avontuur, door zich aan te melden voor een diplomatieke missie van de Staten-Generaal naar Moskou.  Hij zou de kleine Nederlandse groep gereformeerden in de Russische hoofdstad gaan dienen als ziekentrooster, maar bij de ontmoeting van de delegatie met de Russische Tsaar, werd Ovittius Abbema predikant genoemd en mocht hij de geloofsbrieven dragen. Geschiedschrijver Lieuwe van Aitzema vermeldt dit in zijn Saeken van Staet en Oorlogh.

Met al deze reizen op zee en over land heeft Ovittius jr.  zijn vader in mobiliteit nog verre

notaris Schoudt, inventaris 149 pagina 14 (digitaal) , toegang tot het Haarlemse oud-notarieel archief vanaf 1617.betreft 21 januari 1636, akte 8 Ene Roeloff Steenbergh verklaart op verzoek van Willem Jansz Verstraeten dat hij getuige was bij een transactie tussen Willem Jansz Verstraeten en Ovitius Abbema te Utrecht die de gereedschappen en materialen die hij gebruikte voor het geleijers of plateelbacken  verkocht, inclusief een partij brandhout. Maar genoemde Ovitius zou een groot deel van het hout achter gehouden hebben tot groot ongenoegen van Willem Jansz Verstraeten.

notaris Schoudt, inventaris 149 pagina 14 (digitaal) , toegang tot het Haarlemse oud-notarieel archief vanaf 1617.betreft 21 januari 1636, akte 8
Ene Roeloff Steenbergh verklaart op verzoek van Willem Jansz Verstraeten dat hij getuige was bij een transactie tussen Willem Jansz Verstraeten en Ovitius Abbema te Utrecht die de gereedschappen en materialen die hij gebruikte voor het geleijers of plateelbacken verkocht, inclusief een partij brandhout. Maar genoemde Ovitius zou een groot deel van het hout achter gehouden hebben tot groot ongenoegen van Willem Jansz Verstraeten.

weten te overtreffen. Maar 1631 was de wereldreiziger terug in Utrecht, waar hij met zijn echtgenote Doed Eelckesdochter een testament op langst levende liet opstellen bij een notaris. In mijn eigen onderzoek liep het spoor van de zoon van Pibo daarmee destijds dood. Dankzij een mail van Peter Sprangers uit Utrecht weet ik nu dat junior daar zijn oude ambacht van geleybacker weer heeft opgepakt. Voor zijn aardewerkproductie kocht hij mogelijk een pand aan de Agter ‘t Weystraat, waar Rotterdammer Claes Jansz Wijtmans tot dan als ‘plattielbacker’  werkzaam was. Ovittius Abbema stopte in 1636 als gelybacker. Hij verkocht toen de hele inventaris, inclusief een grote partij brandhout, aan de Haarlemse schotelbakker Willem Janszoon Verstraeten. Over deze transactie ontstond vervolgens nog onenigheid, omdat Verstraeten Ovittius ervan beschuldigde een groot deel van het haardhout achter te hebben gehouden.

De ontdekking dat Ovittius jr. het ambacht van tegelbakker na al zijn omzwervingen opnieuw heeft opgepakt, roept de vraag op of dit nog consequenties moet hebben voor de toeschrijving van het bijzondere familie-tegeltableau, dat in de muur van de kerk van Oldeboorn (Aldeboarn) is gemetseld. Deze tegels vermelden dat Pibo Ovittius Abbema in 1612 predikant is van het Utrechtse dorp Zuilen. De tegels zijn lang ten onrechte beschouw als een epitaaf en het jaartal 1612 als diens sterfjaar. Beiden zijn onjuist. Het jaartal is ook niet het beroepingsjaar geweest. Pibo Ovittius kwam al in 1610 naar Zuilen en zou daar in de loop van 1618 overlijden. Dat tegelsjesbracht mij tot de hypothese dat Ovittius junior – die opgroeide in het Utrechtse – de tegels vervaardigde in de periode dat hij in Harlingen het vak van geleybacker leerde en uitoefende en dat hij ze als een vorm van eerherstel liet plaatsen in de kerk van zijn ouders in Oldeboorn, boven de grafsteen van zijn moeder.

Kenners van tegelwerk – onder wie de bekende Nanne Ottema –  betwijfelen op technische gronden echter of de tegels wel vroeg-zeventiende-eeuws zijn. De kleur groen zou pas in de achttiende eeuw op deze wijze vervaardigd hebben kunnen worden en Makkumse trekken hebben. Als dat zo is, dan kunnen de tegels evenmin door Ovittius junior gemaakt zijn in de jaren dertig va de zeventiende eeuw, in zijn Utrechtse periode. De mogelijkheid die dan resteert is dat de oorspronkelijke versie van de tegels verloren is gegaan bij de afbraak van de oude kerk van Oldeboorn in 1753 en dat er voor het nieuw gebouwde godshuis een replica is vervaardigd. Daarmee zou het ontwerp wel van de hand van Ovittius jr. zijn, maar de uitvoering niet. Blijft staan dat hij daarmee zijn omstreden vader een vorm van eerherstel heeft gegeven in diens oorspronkelijke Friese omgeving.

 

Geuzen en ISIS; hoe terreur leidt tot terrorisme en omgekeerd

Al vele decennia probeer ik journalisten, wetenschappers, bestuurders en ‘gewone’ burgers ervan te overtuigen dat terreur en terrorisme geen synoniemen zijn, die je willekeurig kunt gebruiken. Het misverstand dat het bij deze woorden om synoniemen gaat is echter onuitroeibaar. ‘Terreur’ bekt nu eenmaal beter en het woord is toch net als ‘terrorisme’ afgeleid van het Latijnse woord voor angst, ‘terror’. Deze week kreeg ik een unieke kans om het verschil in betekenis tussen beide woorden voor een wel heel breed publiek nog eens duidelijk te maken. Mijn geleidelijke toenemende bekendheid als hoogleraar Inlichtingenstudies in Leiden leidt geregeld tot verzoeken van media om kwesties rond het werk van geheime diensten te duiden. Maar die verzoeken raken soms ook mijn oorspronkelijke vakgebied, de (kerk)geschiedenis van de vroegmoderne tijd.

bieb

Als historicus werd ik benaderd door Suzanne Hendriks, bureauredactrice bij de NPO, die met Andere Tijden-presentator Hans Goedkoop werkte aan een zevendelige serie over de Tachtigjarige Oorlog, door moderne wetenschappers aangeduid als de Nederlandse Opstand. Zij was op zoek naar een geschiedkundige die enige parallellen durfde te trekken tussen de gebeurtenissen van toen en de actualiteit. Bij haar zoektocht liep ze vaak aan tegen grote aarzelingen en voorzichtigheid bij historici om dit te doen, bang als zij worden voor kritiek of hoon van hun vakgenoten. Toen ik aangaf vanuit mijn twee hoedanigheden (historicus en terrorismedeskundige) wel de nodige parallellen te zijn, werd ik van harte uitgenodigd voor opnames in de fraaie bibliotheek van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Op die fraaie historische locatie werd ik door Hans Goedkoop aan de tand gevoeld over hetTachtig1 vele geweld dat de geuzen uitoefenden bij hun opmars in Holland. Dat gebeurde aan de hand van een geuzenpenning, die de tekst ‘Liever Turkse dan paus’ droeg en die massaal door de geuzen werd gedragen. In het uitgebreide interview, waarvan slechts een klein deel te zien was in de op 5 oktober 2018 uitgezonden tweede aflevering van de serie ’80 jaar oorlog’ , heb ik het geuzengedrag vergeleken met dat van ISIS in Syrië. De terreur (in de zin van het schrikbewind van een overheid – lees Alva – tegen haar onderdanen, werd door de fanatiek gereformeerde geuzen beantwoord met terrorisme, in de zien van non-statelijk geweld van groepen opstandelingen die met moorden, verkrachtingen en plunderingen grote delen van de bevolking angst aanjoegen en op de vlucht deden slaan. Mijn stelling daarbij is dat Willem van Oranje  deze ongeordende gewelddadige bendes willens en wetens hun gang liet gaan  om zo een bres te slaan in de verdediging van de Spanjaarden. Zodra dit vuile werk was opgeknapt, wist hij niet hoe snel hij van ze af moest komen door hun leiders te ontslaan of te berechten.

In de overlevering – en met name in de negentiende-eeuwse nationalistische geschiedschrijving – zijn de geuzen neergezet als de eigenlijke bevrijders van het Spaanse juk.  Dat daarmee dood en verderf gezaaid werd onder een grote meerderheid van rooms-katholieken, die in de eeuwen daarna ook nog eens veroordeeld werd tot een bestaan van tweederangs burgers, bleef ook naar de mening van de makers van dit programma veel te veel onderbelicht. Vandaar dat presentator Hans Goedkoop in de voorpubliciteit van de serie vooral dit aspect benadrukte, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van mijn uitspraken en vergelijking. Zoals viel te verwachten, stuitte dit beeld onmiddellijk op kritiek van zowel historici als gereformeerde zegslieden. De discussies spitsten zich toe op de vraag of dergelijke vergelijkingen wel gemaakt konden worden, gelet op de totaal verschillende tijden en of de geuzen geen onrecht aangedaan wordt met zo’n vergelijking; de Spanjaarden waren immers begonnen met hun Bloedraad.

De grote waarde van een serie als ’80 jaar oorlog’ is dat een gecompliceerd politiek-militair-religieus conflict voor een breed publiek op een toegankelijke manier wordt ontleed en getoond. Doorkijkjes naar het heden kunnen daar behulpzaam zijn, al moet daarbij uiteraard wel recht gedaan worden aan ‘andere tijden’. Maar ook die tijden zullen steeds opnieuw verteld worden en geïnterpreteerd vanuit het nieuwe heden. Na een tamelijk gestold geschiedbeeld van de Opstand, lijkt de tijd wel rijp voor een meer genuanceerd beeld, dat ook recht doet aan degenen die geleden hebben onder de gereformeerde overheersing.

Zomaar een donderdag op de Haagse boekenmarkt

Een van de stille genoegens van een Haagse ambtenaar is het wekelijkse bezoekje aan de boekenmarkt. In de winter hebben de handelaren in oud papier hun plek op het Plein, tegenover de bezoekersingang van de Tweede Kamer. In de zomer verhuizen zij naar de Korte Voorhout, waar ook antiek- en curiosaverkopers dan een plek hebben. Ik ben niet de boekenige trouwe bezoeker. Na verloop van tijd haal je de vaste klanten er zo uit. Soms zijn het echte verzamelaars, die vooral te herkennen zijn aan de geconcentreerde blik waarmee zij heel precies de uitgestalde boeken schouwen; het hoofd licht gebogen om de titels te kunnen lezen. Meestal zijn het mannen, vaak met lange regenjas en een plastic of stoffen tas in de hand. Daarnaast zijn er de ambtenaren, strak in het pak, die de middagpauze benutten om quasi nonchalant even langs de kramen te lopen en dan het liefst van de tafels met boeken voor 1 of 2 euro enkele exemplaren meegraaien. Dan is er ook de categorie ‘bekende Nederlanders’. Zij doen doorgaans hun uiterste best om onbekende Nederlander te lijken, maar ontkomen niet aan blikken van herkenning en semi-grappige opmerkingen van omstanders. Piet Hein Donner scharrelde er in zijn ministerstijd vaak even rond, net als oud-staatssecretaris Aad Kosto, oud-minister Ad van der Steur, en D’66-fractievoorzitter Pechtold. Maar ook de historicus Han van der Horst en de Leidse hoogleraar Edwin Bakker laten zich er geregeld zien. De meest markante bezoeker, die bijna elke week even opduikt – al dan niet in gezelschap van zijn vrouw – is Wim de Bie. Deze cultheld uit mijn jeugd begint met het klimmen der jaren steeds meer te lijken op de typetjes die hij vroeger speelde. Geen idee naar welke boeken hij op zoek is, maar als een ware bibliofiel monstert hij zorgvuldig alle kramen. Iets kopen heb ik hem nooit zien doen.

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

Oud-minister Van der Steur bij handelaar Paul

 

 

De handelaren zelf weten precies wie ze voor zich hebben en grijpen elke kans de bibliofielen te wijzen op een exemplaar dat niet in hun collectie mag ontbreken. Minzaam wordt zo’n boek dan in de hand genomen en doorgebladerd.  Na de standaardverzuchting dat hij eigenlijk geen plek meer in de boekenkast heeft en zich eigenlijk had voorgenomen niks meer aan te schaffen, begint toch altijd het loven en bieden. De ene handelaar is daar meer bedreven in dan de andere: die schat in tot welke prijs hij redelijkerwijs moet zakken om de koper te verleiden en dat lukt dan ook meestal. Anderen houden stug vast aan hun prijs en zien belangstellenden dan weer snel afhaken. Interessant zijn ook de onderlinge  gesprekken tussen de handelaren. Het zijn beroepsklagers, die geen gelegenheid onbenut laten met een sombere gezichtsuitdrukking luid te verklaren dat de handel waardeloos is en dat ze liever vandaag dan morgen ermee zouden stoppen. Maar de week erop staan ze er weer; weer of geen weer.

Toegegeven. De handel in oude boeken is geen vetpot. Het zogeheten ‘modern antiquariaat’, dat wil zeggen boeken vanaf circa 1900, is volledig ingestort. Waar vroeger grif tientallen guldens werden betaald voor zo’n antiquarisch boek, daar gaan dezelfde boeken nu vaak voor enkele euro’s van de hand. Als koper is dat enerzijds natuurlijk geweldig, want vele fraaie boeken zijn nu voor een prikkie aan te schaffen. Anderzijds is er voortdurend het knagende, ongemakkelijke gevoel dat het eigen huis wordt volgestouwd met waardeloos oud papier, waar je nazaten straks geen weg mee weten. Maar als dan weer hele bibliotheken van gerenommeerde boekbezitters bij de euroknaller worden uitgestald – zoals onlangs nog een keur aan standaardwerken over de boekdrukkunst – dan ga je als koper toch weer heel opgewekt met een tas vol naar huis.

En dan zijn er nog de oude drukken. De prijs hiervan is niet zo dramatisch gedaald als die van modernere drukwerken, maar op sommige terreinen zit er ook op dit gebied de klad behoorlijk in. Door de razendsnelle secularisering en sluiting van kerk- en kloosterbibliotheken komen theologische werken in groten getale op de markt. Het aanbod van Statenbijbels, gebedsboeken en andere vrome lectuur is zo groot, en de vraag zo klein, dat de prijzen hiervoor stevig zijn gedaald. Bijzondere exemplaren worden doorgaans nog wel voor hoge prijzen in de (nog resterende) gespecialiseerde veilinghuizen verkocht, maar steeds grotere restpartijen vinden via deze veilingen hun weg naar de boekhandelaren op markten als die in Den Haag. Veelal gaat dat dan om exemplaren met kleinere of grotere mankementen, zoals ontbrekende prenten, beschadigde boekbanden of een boek zonder titelpagina. Maar voor de volhouder zijn er ook nog altijd juweeltjes te vinden.

Afgelopen donderdag hield een van mijn favoriete boekenisten een soort uitverkoop van winkeldochters en lelijke eendjes. Oude boekjes uit vervlogen eeuwen die de tand des tijds slechts met moeite hadden doorstaan, werden door hem verkocht voor een of twee tientjes. Vaak waren het losse deeltjes of obscure werkjes met een even obscure inhoud. Handelaar Peter, zoals ik Erik altijd abusievelijk noem, vertelde dat hij die ochtend al heel veel van deze partij verkocht had, bijvoorbeeld aan mensen die een cursus boekbinden volgden en hiermee mooi oefenmateriaal hadden om te restaureren. Op de kraam lag ook nog een groot boek in folioformaat, waar een klant geïnteresseerd in stond te bladeren. Ik kon de verleiding niet weerstaan over diens schouder mee te kijken en mee te luisteren welke vragen hij stelde. Of het oud was en hoe die drukletter eigenlijk genoemd werd. Dat trok ook de aandacht van een andere klant, die omslachtig begon uit te leggen dat dit wel eens een heel oud boek kon zijn en dat er ook oude aantekeningen in de marge stonden.

Eras1

Eras3Voor mij was op dat moment al duidelijk dat het een zeer oude, zestiende-eeuwse druk was; weliswaar met een zwaar beschadigde band, ontbrekende titelpagina, losliggende eerste katernen en diverse ontbrekende pagina’s aan het eind. Even leek het erop dat de geïnteresseerde beschouwer tot aanschaf zou overgaan, vooral nadat Peter meldde dat het boek voor het luttele bedrag van 25 euro weg mocht. Ik hield de adem in, maar de man liep gelukkig door. Dat was voor mij het moment om toe te slaan: zonder te weten om welk werk het ging en hoe oud het precies was (ik schatte 1540), besloot ik dit zwaar getormenteerde boek te kopen en een poging te wagen het nader te determineren.

Eras10

Dankzij de zegeningen van het internet en alle digitaliseringsprojecten van grote bibliotheken kostte het weinig moeite om te achterhalen welk werk ik had aangeschaft. Het bleek een bundeling van Latijnstalige geschriften te zijn over de vroege geschiedenis van Rome. Die geschriften zijn in de loop der jaren in vele edities uitgegeven, dus nu was het zaak te achterhalen om welke uitgave het hier ging. Na vergelijking van diverse bladzijden en diverse initialen (fraai gegraveerde beginletters) ontdekte ik dat het zowaar om een editie ging die was bewerkt door onze grote Gouwenaar Desiderius Erasmus; een uitbreiding dus van mijn collectie Goudana! De eerste uitgave van dit werk dateert uit 1518 en verscheen bij Erasmus’ lijfdrukker Johannes Froben in Basel. Maar die uitgave was het niet, want de lay-out was aanmerkelijk anders. Uiteindelijk kon ik vaststellen dat het bij mijn exemplaar gaat om een Keulse druk uit 1527; een vroege postincunabel dus en nog tijdens het leven van Erasmus gedrukt (hijEras7 stierf in 1536). Van de Rotterdamse geleerde is bekend dat hij bleef sleutelen aan zijn teksten en vertalingen en zijn boekdrukkers tot wanhoop dreef door steeds weer nieuwe edities op de persen te laten leggen.

Nu het boek gedetermineerd is, is het voor mij extra waardevol, ondanks alle beschadigingen en mankementen. Het grootste deel van het boek is nog

De ontbrekende titelpagina

De ontbrekende titelpagina

intact en de bladzijden zijn uiterst fraaie voorbeelden van vroege boekdrukkunst. De band bevat nog het originele geblindstempelde leer dat over houten platten is gespannen en ook de rug is deels nog origineel. Van de koperen boekklampen resteren alleen nog kleine gedeeltes op de platten. Het meest betreurenswaardig is het ontbreken van het zeer fraaie titelblad. Dankzij de zegeningen van het internet kon dat gelukkig nog wel in fotokopie voorin het boek gelegd worden.

En zo leverde mijn donderdagse bezoek aan de Haagse boekenmarkt weer een fraaie aanwinst voor de boekenkast op, met een bijzonder verhaal.

Een kast, een kast, een koninkrijk voor een kast

Bibliofielen zijn een raar slag mensen. Ze kenmerken zich door een niet te stillen honger naar boeken, maar lezen zelf weinig. Daar hebben ze eigenlijk geen tijd voor. Steeds zijn zij op zoek naar nieuwe aanwinsten voor hun collectie, want die is nooit compleet. Als bibliofielen namelijk iets niet kunnen, dan is het wel afgrenzen en inperken; focussen heet dat tegenwoordig. Dat komt omdat ze bij het afstruinen van boekenmarkten, kringloopwinkels, veilingen en beurzen voortdurend stuiten op exemplaren die dan wel VanderVinneniet in hun collectie passen, maar er toch ook prachtig uitzien, fraai vormgegeven zijn of een bijzondere signatuur hebben. Je bent nu eenmaal boekenliefhebber of je bent het niet. En als de prijs dan ook nog meevalt, dan kun je ook zo’n buitenbeentje natuurlijk niet laten liggen.

Gevolg is, dat de bibliofiel ondanks zijn heilige voornemen zich voortaan in te houden en zich te beperken tot zijn daadwerkelijke interessegebied, voortdurend te kampen heeft met geld- en ruimtegebrek. In plaats van het geld te reserveren voor het moment dat dat unieke boek, waarnaar hij al jaren op zoek is, op de markt komt, stilt hij zijn honger tussentijds met buitenkansjes en koopjes. Als dan het daadwerkelijke droomboek voor het grijpen c.q. kopen ligt, schieten de middelen niet zelden tekort om mee te blijven bieden. Bovendien nemen die ‘ook mooi’-aanwinsten een groot deel van de ruimte in de boekenkasten in beslag, waardoor er voor de fraaie exemplaren van de feitelijke collectie steeds minder ruimte is om ze optimaal tot hun recht te laten komen.

Gisteren had ik het voorrecht een oog te mogen werpen op de verzameling van een collectioneur die het anders aanpakt. In zijn appartement staan aan de wanden geen boekenkasten, maar grote vitrinekasten, met daarin boeken met de fraaist denkbare boekbanden vanaf de late middeleeuwen tot heden. Dat is dan ook zijn verzamelgebied: boekbanden. De inhoud doet er bij hem minder toe; het is de vorm die het doet. Fraaie leren en perkamenten geblindstempelde bijbels en theologische werken staan zij aan zij met gebedenboeken van allerlei formaat met schildpadomkleding of voorzien van kostbaar goud of zilver. Maar ook moderne boekomslagen, art deco of jugendstil, uit de negentiende of vroeg twintigste eeuw krijgen bij hem een plek. Een collectie om je vingers bij af te likken, al kun je dit beter niet doen omdat vocht slecht is voor boeken.

Het opbouwen van zo’n collectie vereist precisie, kennis, smaak en natuurlijk ook geld. Hoewel ik over al deze zaken wel enigermate denk te beschikken, denk ik niet dat het mij zou lukken zo gericht te werk te gaan. Daarvoor is mijn interessegebied eenvoudigweg te groot, evenals mijn honger voor boeken. Ik spits mij dan wel toe op enkele terreinen (Goudana, Bestandstwisten, Bijbels, stadsgeschiedenissen, katholieke polemieken en algemene geschiedwerken), maar ook daarbuiten heb ik nog vele boeken die mij dierbaar zijn en waar ik nooit afstand van zou willen doen. Mijn grootste vijand daarbij is steeds opnieuw ruimte. ‘Waar laat je al die boeken?’ is na ‘heb jij dat allemaal gelezen?’ de vraag die het meest aan mij gesteld wordt.

Bij onze verhuizing van de nieuwbouw naar de binnenstad van Gouda, nu acht jaar geleden, dacht ik voor lange tijd verlost te zijn van mijn ruimtevrees. Ik kreeg voor mijn boeken immers een hele benedenverdieping als bibliotheek beschikbaar, die schier oneindige mogelijkheden leek te bieden voor mijn verzamelwoede. Toch bleek ook dezeKast1 ruimte als snel weer te klein. Door het instorten van het modern antiquariaat kon ik het niet laten elke donderdag op de Haagse boekenmarkt, maar ook op de jaarmarkten in Dordrecht, Deventer en elders, grote aantallen prachtige boeken aan te schaffen tegen ridicuul lage prijzen. Daarnaast weten mensen mij steeds meer te vinden als zij van boeken van zichzelf of van overleden familieleden afwillen. En zeg dan maar eens nee.

Kort voor de Deventer markt, zoals altijd op de eerste zondag in augustus, leek het moment aangebroken dat ik tegen mijzelf moest zeggen: vol = vol. Dat kon niet waar zijn. Tompoes verzin een list. Ik dacht al aan het inrichten van een boekenkast in onze garage of een tijdelijke opslag op het werk, toen een inbrengwinkel – in elk geval tijdelijk – een oplossing bood. Daar zag ik in de etalage een wonderlijke kast staan, die precies bood wat ik zocht: dubbele ruimte. Deze Chinese kast, met donkere buitenkant en fraai kersenhouten binnenzijde, was ongetwijfeld niet bedoeld voor boeken, maar is er uitstekend voor geschikt. En met enig passen en meten was er nog net plek voor te maken in mijn bibliotheek, binnen de randvoorwaarden die mijn lief van meet af aan heeft gesteld: we moeten net genoeg ruimte overhouden om er met ons boodschappenkarretje langs te kunnen richting keuken. En zo heb ik met Chinese hulp voorlopig weer ruimte om mijn verzameling uit te breiden. Een hele troost.

Kast2

De laatste hand van de meester

Op de dag dat Jan Six, kunsthandelaar en telg uit een roemrucht Jannengeslacht, wereldkundig maakte dat hij in eigen persoon een nieuwe Rembrandt had ontdekt bij een onoplettend veilinghuis, legde een eigentijdse Rembrandt bij ons thuis de laatste hand aan een duoportret dat hij van Christa  en mij heeft gemaakt. Het schilderij hangt al enige tijd in onze kamer, maar moest nog voor een laatste keer door de kunstenaar, Reinout Krajenbrink uit Groningen, worden afgelakt om het zijn finale glans en bescherming te geven.

Vernis3

Bij het nieuw ontdekte portret van een onbekende jongeman, wordt met stelligheid door Six gesteld dat het werk is geschilderd door Rembrandt van Rijn. In een door hem handjegeschreven boek legt hij uitvoerig uit hoe hij de meesterhand heeft herkend, met name door de blik van de afgebeelde persoon die de beschouwer recht in de ogen kijkt en door de wijze waarop de kraag van de man is geschilderd. Die kraag stelt hem in staat het doek zelfs zeer nauwkeurig te dateren op 1634. Toch zijn er ook twijfels. Met name de merkwaardige hand roept vragen op, zeker op Twitter. Bij goede beschouwing blijkt het te gaan om een hand met een handschoen. Dat doet echter niets af aan het gegeven dat dit gedeelte van het portret weinig overtuigend is.

 

Hoe anders zijn de handen op ons portret. Er wordt wel eens gezegd dat handjesweinig kunstenaars bedreven zijn in het schilderen van handen. Dat kan niet gezegd worden van onze schilder, die aan de Groningse academie Minerva geschoold is in de traditie van de Noordelijke realisten. Vanavond in Museum Gouda leerde de bekende Volkskrant-recensente Wieteke van Zeil in een lezing hoe je moet kijken naar details in een schilderij om de diepere waarde van een kunstwerk goed te kunnen onderkennen. Als wij dat toepassen op ons dubbelportret, dan valt pas goed op hoe belangrijk onze handen daar zijn. Rembrandt zou er jaloers op zijn.

Geestelijken op de Hollandse tegel; geloof achter de voordeur

Eerder is op deze blog al eens gewezen op bijzondere aspecten van de oud-Hollandse tegel als bron voor historisch onderzoek. Wat betreft afbeeldingen is het een onuitputtelijke bron, want je kunt het zo gek niet bedenken of het is wel afgebeeld op een tegel. In de vuistdikke ‘bijbel’ voor tegelverzamelaars, De Nederlandse tegel. Decors en benamingen, 1570-1930 van Jan Pluis, wordt een uitputtend overzicht gegeven van afbeeldingen (decors), formaten, ornamenten, omlijstingen, hoekmotieven en de voornaamste productiecentra (tegelbakkerijen). Tegels zijn niet gesigneerd, maar op basis van verschillende bovengenoemde elementen kunnen zij met een zekere marge gedateerd worden.  Voor mij als kerkhistoricus kunnen de tegels een interessante bron zijn, die naast schriftelijke bronnen, schilderijen en religieuze voorwerpen, op een andere manier zicht kunnen bieden op het religieuze leven in de Republiek, gedurende de zeventiende en achttiende eeuw.

T1

T2T3

 

 

 

 

Tijdens mijn zoektocht naar tegels op veilingen, webshops, rommelmarkten en in antiekzaken viel mij op dat er nog al wat tegels uit met name de periode 1630-1670 bestaan, waarop een of meer geestelijken te zien zijn. Dat is een opvallende constatering, want in de Republiek was de gereformeerde kerk de enige door de overheid bevoorrechte kerk. Andere religies waren officieel verbonden en de aanhangers werden verbannen naar het kerkelijk achtererf, in schuur- en schuilkerken. Kerken werden afgepakt van de katholieken en overgedragen aan de gereformeerden. Kloosters werden gesloten en de goederen geconfisqueerd. Elke openbare manifestatie van het rooms-katholieke geloofsleven – zoals processies, knielen en bidden bij graven, het dragen van priesterkleding etc. – was bij wet verboden. Overtredingen werden fors bestraft met boetes en in sommige periodes zelfs met verbanning.  Tegen die achtergrond zou je dan ook niet verwachten dat tegelbakkerijen tegels lieten beschilderen met heiligen of geestelijken. Toch is dat in aanzienlijke mate gebeurd.

T4

T5T7

 

 

 

 

Ik heb mij bij mijn speurtocht toegespitst op tegels met geestelijken (pastoors, paters, nonnen, klopjes). Inmiddels heb ik er zeven in mijn bezit gekregen, waarbij ik moet aantekenen dat ik diverse heb laten liggen omdat er voor tegels vaak zeer hoge prijzen gevraagd worden. Ik zoek weliswaar geen zeldzame Goudse spijkertegels, zo genoemd omdat er vogels op afgebeeld staan die op een spijker zitten, die vele honderden tot duizenden euro’s kosten, maar ook voor mijn geestelijke vogels wordt soms toch tegen de honderd euro gevraagd. De prijs hangt af van de populariteit van de afbeelding (in dat opzicht heb ik geluk met mijn verzamelgebied), de ouderdom van de tegel, eventuele schade of restauratie en bovenal de kwaliteit van de afbeelding. Het is opvallend hoe sommige tegelschilders er met een paar verfstreken in slaagden geen geloofwaardige figuur neer te zetten, terwijl anderen zelfs met dikke kwasten niet echt uit de verf komen.

T6

 

Een verklaring voor het toch geregeld voorkomen van deze eerwaarde broeders en zusters op de tegels zou gezocht kunnen worden in het gebruik van dit steengoed in de private omgeving. Openbare uitingen van het katholicisme of manifestaties van de geestelijkheidGeestelijkeKruis waren taboe, maar wat de gelovigen binnenshuis aan religieuze uitingen of andere aan naar de rooms-katholieke kerk  gerelateerde voorwerpen blijf uit de greep van de overheid. Zolang religie ‘achter de voordeur’ beleden werd, kende de Republiek der Verenigde Nederlanden, zo blijkt ook uit andere bronnen, daadwerkelijk vrijheid.

Van oude documenten en oude adel

Een van mijn geheime genoegens in het leven zijn de donderdagse lunchpauzes, waarin ik al enkele tientallen jaren een bezoekje breng aan de Haagse boekenmarkt. Deze markt wordt in de zomer gehouden op de Korte Voorhout, waar zij wordt gecombineerd met een antiekmarkt. In de winter zetten alleen de boekhandelaren – ook in weer en wind – hun nering voort, maar dan op het Plein. Als vaste bezoeker ken je op den duur alle handelaren

Adolph Philip Zeyger, graaf van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg.

Adolph Philip Zeyger, graaf van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg.

(bij hun voornaam), hun specialismen en hun onderhandelingsruimte. Omgekeerd kennen ze jou ook, evenals jouw interessegebieden en zwaktes in begeerte. Ook een aanzienlijk deel van de bezoekers ken je, meestal van gezicht, maar in sommige gevallen ook bij naam, omdat het collega’s uit de eigen departementale wereld zijn of bekend zijn van radio en tv. Zo snuffelt Wim de Bie elke donderdag tussen de oude boeken. De historicus Han ter Horst en – als de tijd het toelaat – onze ‘onderkoning’ Piet Hein Donner doen hetzelfde.

Ook in de voorraad oud papier komt de vaste bezoeker vele bekenden tegen. Boeken waarvoor hij ooit als student vele tientallen guldens bijeen gespaard heeft, liggen nu achteloos bij de euroknallers voor 1 of 2 euro’s. Maar er vinden ook andersoortige ontmoetingen plaats met oude papieren bekenden, die soms zeer verrassend zijn. Zeldzame drukjes, waarvan je het bestaan kent maar denkt dat zij nooit in je handen zullen vallen, liggen soms achteloos tussen de stapels. Of – zoals in mijn geval – boekwerkjes die in Gouda gedrukt zijn en nu de kans krijgen terug te keren naar hun ‘geboorteplaats’, in mijn collectie Goudana.

Maar soms kom je bekenden tegen die je niet onmiddellijk herkent of kunt plaatsen. Vaak komt dat omdat je ze niet op deze plek verwacht. Het gevoel is dan vergelijkbaar met de

Huize Almelo, woonstee van de grafelijke familie Van Rechteren, herbouwd in 1652

Huize Almelo, woonstee van de grafelijke familie Van Rechteren, herbouwd in 1652

situatie waarin je op vakantie in een ver land plots een collega of buurman voorbij ziet lopen. Ook dan duurt het even voordat het kwartje valt. Soms is zo iemand al om de hoek uit het zicht verdwenen, voordat het besef doordringt dat het een bekende was die in een andere wereld thuishoort. Datzelfde kan ook gebeuren met oud papier. Tussen een oude stapel paperassen zag ik een document uit de achttiende eeuw liggen. Omdat ik eigenlijk principieel tegen het aankopen van archiefstukken ben, had ik het stuk perkament al achteloos terzijde geschoven, toen het tot mij doordrong dat de naam van de ondertekenaar mij wel heel bekend voorkwam. Toen werd mij duidelijk dat het ging om een telg uit het geslacht Van Rechteren, heer van Almelo en Vriezenveen, uit de adellijke familie waarvoor mijn ouders jarenlang hebben gewerkt als kokkin en toezichthouder / jachtopziener op het landgoed. Ondanks mijn huiver om archiefstukken te kopen, besloot ik om redenen van nostalgie voor een keer van die regel af te wijken.

Het voor een luttel bedrag aangekochte document betreft een op 15 juli 1743 door graaf Adolph Philip Zeyger van Rechteren ondertekende leenbrief, waarin hij Berent Ennemans als voogd van Elsken Loeveling, dochter van de overleden Lambert Loeveling, beleent met een derde deel van erve Groot Luevink (Loeveling), gelegen in het gericht Kedinge in het kerspel Markelo. Hieruit blijkt dat het Huis Almelo ook ver buiten het eigen landgoed grote percelen grond in eigendom had. Het besluit tot belening wordt genomen in overleg met de zogeheten “mannen van leene”. Dat waren de jurist en richter van Almelo dr. Joan Frederik Nilant en rentmeester Gerard Boom. Ennemans legt tegenover de graaf en genoemde mannen de verplichte eed van trouw af, waarmee hij beloofde alles te zullen doen wat van een goed en getrouw vazal tegenover zijn leenheer verwacht mag worden.

Grafelijk

De inhoud van de akte is historisch niet uniek of bijzonder, want de vermelde gegevens corresponderen met de informatie die is terug te vinden in de leenprotocollen (leenregisters) van Overijssel, die bewaard worden in het provinciaal archief (Historisch Centrum) in Zwolle. In deze registers zijn vier eeuwen lang (van 1528 tot 1805) de beleningen opgetekend van ongeveer 2500 boerderijen, landerijen, tiend- en visrechten in het gewest. Bijzonder is wel dat het document een autograaf bevat van een belangrijke telg uit het geslacht Van Rechteren en de namen van zijn twee voornaamste raadsheren vermeldt.

Adolph Philip Zeyger van Rechteren was geboren op 19 februari 1699 als oudste zoon van graaf Adolf Hendrik van Rechteren en Sophia Juliana, gravin von Castell-Rudenhausen. Zijn vader was een vooraanstaand diplomaat, die als gevolmachtigde van de Staten-Generaal in Den Haag een prominente rol speelde in de onderhandelingen die leidden tot de Vrede van Utrecht (1713). Zoon Adolph ontving waarschijnlijk eerst onderricht op het Huis, waarna hij zich als 17-jarige liet inschrijven aan de Illustre School van Deventer. In 1724 verkreeg hij aan de zijde van zijn vader een plek in de Landdag. Na het overlijden van senior in april 1731 werd de jonge Adolph beleend met de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Hij was op dat moment al weduwnaar, want Augustina Florentina, gravin Von Ysenburg Budingen, met wie hij op 11 september 1722 in het huwelijk was getreden, overleed reeds zeven jaar later, op 18 oktober 1729. Zij schonk hem twee kinderen, van wie een zoon, Frederik, zeer jong overleed en een dochter, Sophia Caroline Florentina, hem zou opvolgen.

Adolph Philip Zeyger van Rechteren op oudere leeftijd. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

Adolph Philip Zeyger van Rechteren op oudere leeftijd. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

De tragisch jong overleden echtgenote van graaf Adolph, Augusta Florentina. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

De tragisch jong overleden echtgenote van graaf Adolph, Augusta Florentina. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

 

Adolph Philip Zeyger van Rechteren bleef de rest van zijn leven ongehuwd, maar zwaaide met verve de scepter over Huis en Landgoed. Hij zette zich vastberaden in voor handhaving van allerlei rechten van zijn hoge heerlijkheid, als deze werden aangevochten. Een belangrijk geschilpunt vormde het zogeheten hoge of lijfstraffelijke gericht over de ingezetenen van zijn heerlijkheid. De strijd ging in het bijzonder over criminele daden die zijn ‘onderdanen’ gepleegd hadden buiten de heerlijkheid. Een dergelijk geval deed zich voor in juni 1747, toen twee Almeloose schippers zich in Ootmarsum schuldig hadden gemaakt aan doodslag. Beide mannen werden voor de criminele vierschaar op Huize Almelo gedaagd en bij hun verschijnen onmiddellijk in de boeien geslagen. De Landdrost van Twente tekende echter protest aan, omdat hij vond dat hij bevoegd was het tweetal voor het gerecht te dagen en hij eiste dan ook hun uitlevering. De zaak liep hoog op toen de verdachten in februari 1748 uit hun cellen op het kasteel wisten te ontsnappen. Ridderschap en Steden, het gewestelijk bestuur van Overijssel, koos in de procedure de kant van de drost. Voor graaf Adolph was dat aanleiding een topjurist in de arm te nemen, de destijds alom bekende mr. J. Schrassert, die een verweerschrift opstelde onder de titel Deductie van de rechten en gerechtigheden van het Huis Almelo (1749). Hiertegen schreven de juristen S.E. ten Brink en G. Jordens voor Ridderschap en Steden een repliek, onder de titel Consideratiën (1751), wat voor Schrassert nog in het zelfde jaar weer aanleiding was voor een dupliek of Contra-Consideratiën. De procedure bracht geen oplossing, waarna beide partijen in 1754 tot een minnelijke schikking kwamen.

De heerlijke rechten wist de Almelose graaf met zijn vasthoudendheid toch grotendeels te

Sophia Carolina Florentina, gravin van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

Sophia Carolina Florentina, gravin van Rechteren. Foto: Stichting Familie van Rechteren Limpurg

waarborgen. Dat gold ook zijn opvolging, die aan de orde was toen hij op 4 november 1771 overleed en werd bijgezet in de grafkelder van de familie in de Gravenallee. De grafelijke rechten gingen over op zijn enige dochter, Sophia Carolina Florentina. Hij zal haar ongetwijfeld het belang van goede juristen hebben bijgebracht, want naast de hulp van de fameuze Schrassert had hij jarenlang ook dagelijks assistentie van mr. Joan Frederik Nilant (1680-1750). Deze uit Deventer afkomstige gepromoveerde jurist – ook genoemd in de op de Haagse boekenmarkt gevonden leenakte – werd door graaf Adolph ‘weggekocht’ uit het graafschap Lingen, waar hij leraar Geschiedenis en Retorica was aan het Academisch Gymnasium. Nilant werd aangesteld als richter van Almelo en Vriezenveen, en had dus tot taak de heerlijke rechten in de praktijk uit te voeren.

Net als haar vader, maakte ook gravin Sophia, zich sterk voor het behoud van de eeuwenoude rechten. Als vrouw moest zij zich daarbij vooral druk maken over het recht van opvolging. De erfopvolging van gravin Sophia werd namelijk aangevochten door haar ooms en neven. Zij vonden dat de heerlijkheid Almelo alleen via de mannelijke lijn kon vererven. Dat leidde tot een jarenlange opvolgingsstrijd, die uiteindelijk in 1786 in het voordeel van gravin Sophia werd beslecht. De arme kasteelvrouwe had het overigens niet alleen te stellen met afgunstige familieleden, maar ook met weerspannige Almelose burgers. Onder invloed van de ideeën van de Franse Revolutie probeerden ook zij te morrelen aan de aloude grafelijke rechten.

Abelsboek

Bij de zoektocht naar het verhaal achter de mensen die genoemd worden in de aangekochte leenakte, kwam ik via het verhaal van gravin Sophia terecht bij een boek dat ik bijna een kwart eeuw geleden cadeau kreeg van mijn vader bij mijn promotie aan de universiteit Nijmegen. Dat boek kreeg door dit verhaal ook veel meer context, want het betreft een in 1790 in Kampen verschenen geschrift op naam van gravin Sophia, met als titel Recht van opvolging. Daarin zijn alle documenten zijn terug te vinden die zij in haar juridische strijd heeft aangevoerd. Zij grijpt daarbij uiteraard ook terug op de Deductie van haar vader en ook de naam van richter Nilant komt in het boek een aantal keren voor. Zo brengt een vondst op de Haagse boekenmarkt in kort tijdsbestek een hele adellijke familiegeschiedenis in beeld en ook de ontroerende boodschap die mijn eigen vader – die vorige maand overleed – in 1994 voorin het boek schreef. Waar een lunchwandeling in Den Haag allemaal niet toe kan leiden.

Een referendum dat er toe doet: terugblik op drie weken WIV-debatten

Mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence Services aan de Universiteit Leiden kwam op een wel heel bijzonder moment. Kort nadat de lange aanstellingsprocedure was afgerond, kregen vijf studenten van de VU het voor elkaar dat er een raadgevend referendum gehouden zou worden over een nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV), die net door het parlement was aangenomen. Daarmee belandde mijn leerstoelthematiek plots in het middelpunt van de publieke belangstelling en het maatschappelijke debat. Ik stond daarmee voor de keus eerst rustig het academische veld te verkennen en dieper te duiken in de vakliteratuur over inlichtingenstudies, of mij nadrukkelijk te mengen in het debat. Een echte keuze was dat niet, want vele media en organisatoren van debatten wisten mij onmiddellijk te vinden, omdat ik als een van de weinige experts op dit terrein kan bogen op een lange ervaring (34 jaar) als inlichtingenproducent en – consument bij achtereenvolgens de BVD/AIVD en de NCTb/NCTV. Ik besloot de handschoen op te pakken en te doen waarvoor ik onder meer ben aangesteld: inzicht verschaffen in de taken, werkwijzen, aansturing van en controle op de geheime diensten.

Met Karin Alberts van Radio1

Met Karin Alberts van Radio1

In totaal heb ik de afgelopen drie weken aan zeker twintig debatten en talloze interviews (NRC, Leidsch Dagblad, AD, Noord-Holands Dagblad, podcasts, stemwijzers en websites meegewerkt (Radio1, BNR, 1Vandaag, Nieuwsuur, AT5). Dat hadden er nog veel meer kunnen zijn want er is wat afgediscussieerd in den lande over de WIV, door tegenstanders en onwetenden consequent  aangeduid als de ‘Sleepwet’. Mijn inbreng bestond verder uit het actief twitteren over de materie en het schrijven van diverse opinieartikelen en een hoofdstuk in een themanummer van Justitiële Verkenningen, over ‘Intelligence leadership’. Al met al een ongekend heftige vuurdoop, die ook voor mijzelf veel inzichten heeft opgeleverd, maar mij ook deed belanden in soms ingewikkelde belangenafwegingen en dilemma’s. Als wetenschapper, wiens 0,2 leerstoel wordt gefinancierd door de NCTV, en die een deel van zijn tijd ook nog in dienst is als raadadviseur van diezelfde coordinator, is het zaak steeds transparant te zijn in welke hoedanigheid je spreekt en schrijft en te vermijden dat belangenverstrengeling optreedt. Daarbij was het van meet af aan voorspelbaar dat die onafhankelijkheidsvraag door deze en gene gesteld zou worden. Toch gebeurde dat maar sporadisch, wat enerzijds ermee te maken zal hebben gehad dat de NCTV slechts in afgeleide zin belanghebbende is (ontvanger van inlichtingenproducten) en anderzijds dat mijn verbondenheid met die organisatie op geen enkele manier verzwegen is. Mijn consequente reactie op die kritiek is dan ook geweest dat men mij moet beoordelen op basis van mijn bijdragen aan de discussie en mijn argumenten.

Het was een gelukkig toeval, dat mijn oratie gepland stond voor 16 februari, aan het begin

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

van de hele referendumdiscussie over de WIV. Ik heb die gelegenheid aangegrepen door te kiezen voor een onderwerp dat direct met de nieuwe WIV te maken heeft, de zogeheten Geïntegreerde Aanwijzing (GA). Mijn waarschuwingen tegen de gevaren van politisering van inlichtingen door deze nieuwe vorm van aansturing van de diensten door politiek en bestuur werden weliswaar door verschillende media opgepikt, maar vonden in de debatten van de maanden die erop volgden nauwelijks weerklank. Daarin overheerste de ‘sleepnet’- bevoegdheid in de nieuwe wet in alle gesprekken, alsmede enkele aanpalende bevoegdheden, zoals het bewaren van DNA-profielen, het hacken via derden en de bescherming van advocaten en journalisten. De GA-materie was wellicht te ingewikkeld en het bleek moeilijk de politiek en ambtenarij kritisch te laten kijken naar de risico’s die verbonden zijn met hun eigen bemoeienis met de I&V-diensten. Hier keurt niet de slager zijn eigen vlees, maar willen de keurmeesters niet door anderen gekeurd worden.

Met Europarlementarier Stientje van Veldhoven bij Jonge Democraten in Nijmegen

Met Europarlementariër Sophie in ‘t Veld bij Jonge Democraten in Nijmegen

In Tivoli-Utrecht in debat met BoF

In Tivoli-Utrecht in debat met Bits of Freedom

In de Rode Hoed met Douwtje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Privacy First)

In de Rode Hoed met Doutje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Bits of Freedom)

 

 

 

 

 

 

 

 

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast de GA, is ook het delen van ongeëvalueerde data met buitenlandse diensten een terugkerend punt van kritiek van mij geweest in de debatten. Daarbij vond ik de meeste van de tegenstanders van de wet aan mijn zijde, zoals Amnesty, Privacy First, Bits of Freedom en – last but not least – de Piratenpartij. Tegelijk heb ik ook steeds zware kritiek gehad op de campagnes van deze organisaties, omdat deze in belangrijke mate gebaseerd waren op het zaaien van ongerustheid en angst bij de burgers op basis van een volstrekt onjuist en uitvergroot beeld van diensten die 24-uur per dag alle burgers zouden willen afluisteren en volgen. Voor een deel lijkt deze stellingname terug te voeren op een onbegrip over wat inlichtingenwerk behelst en hoe dit verschilt van opsporing en vervolging. Voor een ander deel lijkt het ook een bewuste vertekening van de werkelijkheid te zijn geweest, vanuit het campagnedoel om zoveel mogelijk tegenstand tegen de wet te mobiliseren.

Een cruciale rol in het hele proces speelde het satirische TV-programma Lubach op Zondag. Dankzij de aandacht die dit programma besteedde slaagden de vijf studenten van de VU die het initiatief namen tot een referendumaanvraag erin op het laatste moment alsnog de vereiste aantallen handtekeningen te verzamelen. In de maanden daarna bleef dit programma bezwaren tegen de WIV op quasi luchtige wijze opvoeren, waarmee het nee-kamp een geduchte medestander had in Lubach.  Daarmee verwerd satire tot journalistiek-activisme in een komisch jasje, waar voorstanders van de wet maar moeilijk tegenspel aan konden bieden. De normale journalistieke uitgangspunten van hoor en wederhoor gelden hier immers niet.

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

Gelukkig hanteerden de meeste organisatoren van debatten dit uitgangspunt wel, al hadden zij vaak de grootste problemen mensen te vinden die zich publiek wilden uitspreken voor de wet.

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Omdat ik besloot dat wel te doen, aangezien er volgens mij een goede balans zit tussen bevoegdheden en toezicht en er op details na een evaluatie over twee jaar nog gerepareerd kan worden, werd ik een veelgevraagd expert. Ook mijn oud-collega bij de AIVD, Jan Kees Dellebeke, werd veelvuldig benaderd.  Van officiële (overheids)zijde trad vooral het hoofd van de AIVD op de voorgrond, Rob Bertholee, en – in mindere mate – zijn collega van de MIVD, Onno Eichelsheim. Verder viel selfmade expert Peter Koop op, interceptie-expert, die haarfijn kan uitleggen dat het sleepnet allesbehalve ongericht is. Pas in het allerlaatste stadium traden ook de politici, verantwoordelijk voor de wet, in de arena, minister van BZK Kajsa Ollongren voorop, gevolgd door de MP, collegaministers en enkele Kamerleden. Met name Kees Verhoeven van D’66 had het zwaar te verduren, omdat hij met de komst van het nieuwe coalitiekabinet  een draai van 180 graden moest maken van verklaard tegenstander naar enthousiast voorstander.

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

Inhoudelijk en procesmatig laat het referendumdebat een aantal positieve en negatieve zaken zien. Zo blijkt opnieuw dat zo’n simpel ja of nee feitelijk onmogelijk is bij dit soort, zeer ingewikkelde vraagstukken. Debat over zo’n vraagstuk is goed, maar het is van meet af aan een ongelijke strijd. Tegenstanders zijn altijd in het voordeel, omdat in campagnes alle nuances verloren gaan en een zeer breed onderwerp verkleind kan worden tot een klein onderdeeltje: sleepwet. Voorstanders moeten daar het genuanceerde verhaal tegenover zetten, wat altijd moeilijker verkoopt dan een botte nee. Ook doen tegenstanders weinig moeite aan te geven hoe het dan wel moet; dat laten zij maar al te graag aan de voorstanders over. Daarbij helpt het ook niet dat de meeste parlementariërs  achterover leunen, omdat hun werk met het aannemen van de wet immers gedaan is. Zij zouden veel meer hun best moeten doen het resultaat uiteindelijk ook tegenover de kiezer te verdedigen.

Uitermate positief is het politieke engagement van een grote groep jongeren. Het waren studenten die het bijna afgeschafte middel van het raadgevende referendum reanimeerden

In Nieuwsuur op 27 februari

In Nieuwsuur op 27 februari

met een maatschappelijk zeer relevant thema. Anders dan bij het vorige referendum over de Ukraine ging het dit keer over iets dat iedere burger aangaat. Bovendien is het de allereerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat er breed en uitvoerig gedebatteerd is over de vraag wat wij verwachten van I&V-diensten en tot hoever ze zouden mogen gaan. Ook zorgde de volksraadpleging ervoor dat de diensten behoorlijk uit hun oesterkramp kwamen en de natie uitlegden wat ze doen en waarom. Pure winst voor een open democratische samenleving. Burgers zijn inmiddels volwassen genoeg om te begrijpen dat diensten nodig zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Hun bestaansrecht werd in dit debat ook door niemand meer ter discussie gesteld.

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips en Constant Hijzen

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips en Constant Hijzen

Wat mij betreft doet de uitslag van het referendum er morgen niet eens meer zo toe. Belangrijk voor de toekomst en voor het vertrouwen in politiek en diensten is dat het kabinet en de Kamer de uitkomsten van de debatten serieus nemen. Zij zijn niet alleen wettelijk, maar ook moreel verplicht serieus in te gaan op de gehoorde bezwaren en commentaren en ervoor te zorgen dat deze op de een of andere wijze geadresseerd worden, om meegenomen te worden in de evaluatie, die al over twee jaar zal plaatsvinden. Ook de medewerkers van de diensten zelf en de commissies van toezicht (TIB en CTIVD) hebben ongetwijfeld goed geluisterd naar de bezwaren en zorgen van veel burgers, en ik ben ervan overtuigd dat zij deze zeker zullen meenemen in hun besluiten om te oordelen over de inzet van bepaalde bevoegdheden. Ook in dat opzicht zal deze referendumdiscussie daadwerkelijk effect sorteren.