Hofje van Jongkind, een verstopt en bedreigd pareltje aan de Zeugstraat

Iemand die op dit moment door de Zeugstraat langs het voor­ma­lige pand van Van der Jongkind5Goes Wonen loopt, zal niet kun­nen bevroe­den dat zich achter de wit­gekalkte eta­lages een bij­zon­der mon­u­men­tje bevindt. Er is niets dat daar op wijst. De enige indi­catie daar­voor vindt de oplet­tende bezoeker niet in de Zeugstraat, maar in de tuin van het Verzetsmu­seum aan de Turf­markt. Daar staat de poort die ooit toe­gang bood tot de achter de Zeugstraat gele­gen woninkjes, namelijk het Hofje van Jongkind, daterend uit 1702. In dit Hofje van Lief­dadigheid bevon­den zich elf kleine wonin­gen voor alleen­staande vrouwen, die deze woon­ruimte te danken had­den aan Adri­aan Jongkind. Deze notaris en pro­cureur had in zijn tes­ta­ment bepaald dat een dergelijke ‘zor­gin­stelling’ na zijn dood gebouwd zou wor­den ten 15f6iwhbeho­eve van arm­lastige weduwen en andere alleen­staande vrouwen. Die moesten overi­gens wel lid­maat zijn van de her­vor­mde gemeente om in aan­merk­ing te komen voor deze woon­ruimte. Het Hofje, een van de maar liefst 25 hof­jes die er in Gouda ooit waren, werd dan ook bestierd door de kerken­raad van deze gemeente.

 

Luchtfoto waarop het hofje achter de Zeugstraat zeer goed kerkenbaar is

Lucht­foto waarop het hofje achter de Zeugstraat zeer goed kerken­baar is

Nadat de laat­ste bewoon­ster het Hofje in 1959 ver­liet, kre­gen de beide huur­wonin­gen aan de straatz­i­jde een winkelbestem­ming. Het poortje en de gang wer­den bij de winkel­ruimte getrokken, zodat een verkoper van mod­el­trein­t­jes jaren­lang zijn mod­ellen kon uit­stallen op schap­pen die in het poortje waren getim­merd. De achterliggende negen woninkjes bleven zo goed al onaangeroerd, al raak­ten ze in toen­e­mende mate in ver­val. Uitein­delijk kwam het com­plex in han­den van een pro­jec­ton­twikke­laar uit Utrecht – die meer pan­den in de stad bezit – die de winkelz­i­jde o2ybpver­hu­urde aan Van der Goes Wonen. Toen de eige­naar toestem­ming vroeg een mod­ernistis­che en detonerende winkelpui te plaat­sen, is de gemeente Gouda hier­mee ken­nelijk akko­ord gegaan. Het daar­bij blijk­baar hin­der­lijk in de weg staande poortje werd – zoals veel kleinere mon­u­men­t­jes in de jaren 60–70 – eruit gehaald en her­bouwd op een andere plek, in dit geval dus achter het Verzetsmuseum.

9avn5tIn 2013 betrok Van der Goes een belen­dend pand, omdat de gevraagde huur exor­bi­tant was. Sinds­dien staat het pand leeg en werd de ooit zo mod­erne winkelpui een pijn­lijke aan­klacht tegen het gemeen­telijke mon­u­menten­beleid. Even leek er schot in te zit­ten toen poli­tieke par­ti­jen en make­laars de idee had­den om het Hofje in oude luis­ter te laten her­stellen, maar de eige­naar ging onver­stoor­baar verder met zijn ontwik­kel­ings­plan. Hij zag alleen brood in het schep­pen van nieuwe winkel­ruimtes. De voorz­i­jde zou daar­bij opge­s­plitst wor­den in drie winkels. Geen terug­plaats­ing van de oude poort en her­s­tel van de oor­spronke­lijke par­cel­ler­ing dus, maar gewoon drie winkel­gevels. Daar­voor is – naar het schi­jnt — inmid­dels ver­gun­ning ver­leend. Wel eist de gemeente dat de achterliggende woninkjes behouden wor­den, maar een bestem­ming is er niet voor. Naar alle waarschi­jn­lijkheid zullen ze dus achter de nieuwe winkel­pan­den dicht­ge­tim­merd bli­jven, ont­trokken aan het oog van geïn­ter­esseerde Gouwe­naars en toeris­ten. Ook de poort van Jongkind zal dus niet terugge­plaatst worden.

Jonkind4
Via via heb ik de beschikking gekre­gen over foto’s die laten zien hoe de wonin­gen van het Hofje Jonkind3er op dit moment aan toe zijn. Veel van het orig­inele kind1mate­ri­aal is ver­wi­jderd, maar ze zijn als zodanig nog steeds goed herken­baar. Her­s­tel is zeer wel mogelijk, al zal dit wel de nodige moeite en geld kosten. Toch leent het zich de moeite om de gemeente aan te sporen tot een strin­gen­ter toezicht en hard­ere eisen wat betreft her­s­tel van de oude sit­u­atie. Alles staat of valt dan bij de eis de poort en gang terug te plaat­sen en in plaats van drie, twee winkels toe te staan. Voorheen heeft de Chris­ten Unie zich druk gemaakt om dit mon­u­ment. Nu wordt het tijd dat anderen, zoals de His­torische Verenig­ing, het His­torisch Plat­form en Behoud Stadss­choon van zich laten horen. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald!

 

De ‘Hollandse’ tegel als historische bron

Officier van de schutterij. Tegel, gevonden in een huis aan de Oosthaven in Gouda.

Officier van de schut­terij. Tegel, gevon­den in een huis aan de Oost­haven in Gouda.

De his­tori­cus werkt hoofdza­ke­lijk met geschreven bron­nen om zicht te kri­j­gen op het verleden. Maar er zijn natu­urlijk ook tal van ander­soor­tige bron­nen die hem behulpzaam kun­nen zijn. De schilderkunst is altijd al een belan­grijk hulp­mid­del geweest, al klinkt voor­durend de waarschuwing dat het afge­beelde is voort­ge­spro­ten uit de fan­tasie van de kun­ste­naar en dat de afbeeld­ing dus hele­maal geen waarhei­ds­getrouwe weer­gave van de werke­lijkheid hoeft te zijn. Foto’s leken van meet af aan betrouw­baarder als his­torische bron, met de groei van mogelijkhe­den om foto’s te bew­erken en te manip­uleren neemt ook de noodzaak van scherpe bronkri­tiek toe. Hoe ouder de geschiede­nis, des te min­der schriftelijke bron­nen heeft de his­tori­cus tot zijn beschikking, en in dat geval moet hij wel afgaan op materiele bron­nen, zoals grafvond­sten, sporen in het land­schap en opgravin­gen. Maar niet alleen de afs­tand tot het heden bepaalt het belang van niet-schriftelijke bron­nen, maar ook het object van onder­zoek. Schriftelijke bron­nen zijn door­gaans de weer­gave van wat vooral een boven­laag in de maatschap­pij belan­grijk vond en van wat afwijkt van het nor­male. Over brave, oppassende burg­ers werd vaak weinig opgetek­end; over crim­ine­len en andere nor­mover­schri­jders is veel meer terug te vin­den. En ook het gewone en alledaagse ont­trekt zich vaak aan de blik van de speurende his­tori­cus. Hij zal cre­atief moeten zijn als hij daar toch zicht op wil krijgen.

Tegeltableau uit Oost-Nederland met heilige Brigitta, beschermvrouwe van het vee

Tegeltableau uit Oost-Nederland met heilige Brigitta, bescher­mvrouwe van het vee

Een inter­es­sante bron die het alledaagse, qua gebruik en smaak, in beeld kan bren­gen zijn de tegels, waarmee vanaf eind zestiende eeuw de wan­den van menige huiskamer, keuken,

Tegeltableau, gemaakt door Wytze Abbema, zoon van Pibo Ovittius Abbema, uit de kerk van Oldeboonr

Tegeltableau, gemaakt door Wytze Abbema, zoon van Pibo Ovit­tius Abbema, uit de kerk van Oldeboonr

gang en kelder bek­leed werd. Dat kon dankzij een uit het Ital­i­aanse Fayence overge­waaide tech­niek, waar­bij een eerste keer gebakken aardew­erken tegels (bisquits) voorzien wer­den van een laagje tinglazuur, ver­vol­gens opnieuw gebakken en daarna beschilderd met tal van patro­nen en motieven. De pro­duc­tie van dergelijke tegels nam in korte tijd een grote vlucht. Overal in de Repub­liek ontston­den tegel­bakker­i­jen, zoals in Har­lin­gen, waar de zoon van de leg­en­darische Friese predikant-pastoor-medicus Pibo Ovit­tius van Abbema al heel vroeg het vak van “galey­bakker” (tegel­bakker) leerde. Hij gebruikte zijn ambacht om zijn vader in 1612 een in klei gebakken eerbe­toon te bezor­gen in de kerk van Olde­boorn. Maar ook in Hol­land ontston­den tal­rijke van deze pla­teel­bakker­i­jen, grote en kleine. Uit­er­aard in Delft, het pars pro toto voor alle Hol­landse aardew­erk, maar ook in ste­den als Rot­ter­dam en – uit­er­aard – Gouda. In laat­stge­noemde plaats was het in 1621 Willem Jansz die de grond­slag legde voor pla­teel­bakkerij ‘De Swaen’, waar tot in de eerste helft van de acht­tiende eeuw vele tegels gepro­duceerd werden.

Het meest bek­end gewor­den zijn de zoge­heten ‘spijk­ertegels’ van De Swaen. Op deze tegels zijn kleur­rijke vogels afge­beeld die op een spijker zit­ten. Deze bij­zon­dere tegels zijn heden ten dage zozeer gezocht, dat er grif enkele hon­der­den euro’s – zo niet meer – voor neer­geteld wordt. De belang­stelling voor deze ‘oud-Hollandse tegels’, inclusief de zoge­heten ‘wit­jes’ (die overi­gens alles­be­halve egaal wit waren, maar door het bakpro­cedee tel van wit– en grijs-varianten kenden) is de afgelopen jaren trouwens zeer sterk toegenomen. Wer­den tegels tot voor kort tot kort beschouwd als oud­er­wets en ruck­sicht­los uit oude huizen ver­wi­jderd – hele tegeltableaus wer­den zo in puin ges­la­gen – tegen­wo­ordig wor­den ze in situ gelaten en als ze al in de weg zit­ten, dan wor­den ze met de grootst mogelijke voorzichtigheid los­ge­bikt, waar nodig ger­estau­reerd en hergebruikt.

Maria en Jozef op de vlucht naar Egypte

Maria en Jozef op de vlucht naar Egypte

Kruisafname. Achttiende-eeuwse Bijbeltegel

Kruisaf­name. Achttiende-eeuwse Bijbeltegel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de prak­tijk is het vaak niet een­voudig de tegels te lokalis­eren qua pro­duc­tiecen­tra en te dateren. Anders dan bij veel schilder­i­jen of bij het lat­ere Goudse pla­teel zijn ze immers zelden gesigneerd. Gelukkig kan de gein­ter­esseerde sinds enige tijd terug­gri­jpen op het stan­daard­w­erk van Jan Pluis, De Ned­er­landse Tegel 1570–1930. Voor de deter­mi­natie van tegels zijn diverse ele­menten van belang, zoals de dikte, de afmetin­gen, de spijk­er­gaat­jes, de afbeeld­ing, de orna­menten en – vooral – de hoek­motieven. Maar dan nog moet vaak een slag om de arm gehouden wor­den. Zeer belan­grijk voor de bepal­ing van de herkomst is ook de stad of dorp waar de tegel is aangetrof­fen. En dan nog geschiedt de dater­ing met grove marges van twintig tot der­tig jaar. Zo kan van een fraaie tegel met een officier van de schut­terij, die in een pand aan de Oost­haven in Gouda is aangetrof­fen, op grond van deze locatie, de voorstelling, het hoek­motief , het for­maat en de dikte vast­gesteld wor­den dat deze dateert uit 1630–1650 en mogelijk gemaakt is in Gouda bij De Swaen.

Tegel uit het Willem Vroesenhuis in Gouda

Tegel uit het Willem Vroe­sen­huis in Gouda

Naast blauwe tegels produceerde De Swaen ook kleurrijker motieven. Soms ging er iets mis en waren de kleuren en lijnen wat minder helder, zoals bij dit exemplaar

Naast blauwe tegels pro­duceerde De Swaen ook kleur­rijker motieven. Soms ging er iets mis en waren de kleuren en lij­nen wat min­der helder, zoals bij dit exemplaar

Iets meer zek­er­heid bestaat er over blauwe tegels met een bloem­motief met ovale omli­jst­ing, die veelvuldig aangetrof­fen wer­den in de oude huizen in de Goudse bin­nen­stad. In het oude­man­nen­huis, genaamd het Willem Vroe­sen­huis aan de Spier­ingstraat, werd deze tegel zelfs in zeer grote aan­tallen aangetrof­fen. Ook vari­anten daar­van zijn veelvuldig in Gouda aangetrof­fen. Van al deze tegels kan wor­den aangenomen dat zij door De Swaen zijn ver­vaardigd in het mid­den van de zeven­tiende eeuw. Het inter­es­sante van deze vondst is dat het laat zien dat een lokaal bedrijf in dit tijd­vak in belan­grijke mate de smaak in een stad bepaalde, al zullen er natu­urlijk ook Gouwe­naars zijn geweest die hun tegels van elders haalden. Interessant van deze tegels is ook dat zij afbeeldin­gen tonen van mensen uit aller­lei rangen en standen, van jon­gen en oud, met aller­lei beroepen en liefheb­ber­i­jen en in zowel eervolle als enigszins ontluis­terende omstandighe­den. Tegels met poepende en plassende man­nen en vrouwen zijn bijvoor­beeld verre van zeldzaam. Zo geven de tegels op een heel eigen wijze een fraaie ‘film’ of ‘foto’ van de zeventiende-eeuwse samen­lev­ing in Hol­land. Zij geven ook een beeld van de smaak in de zeven­tiende en acht­tiende eeuw en zijn deels ook een weer­spiegeling van de vroomheid van de burg­ers uit die tijd, Vromangetu­ige de vele tegels met Bij­belse voorstellin­gen en ander­soor­tige religieuze motieven. De fig­uren zijn door­gaans tamelijk een­voudig geschilderd. Men zou de afbeeldin­gen af kun­nen doen als volk­skunst, maar dan wordt onrecht gedaan aan het ver­mo­gen van de tegelschilders om met slechts een paar ver­fli­j­nen tre­f­fend een voor iedereen herken­baar figuur neer te zetten. Zij doen daarmee niet onder voor Jeroen Hen­ne­man, de maker van het portret van Leo Vro­man op de Chocaladefabriek.

Een geestelijke met een brandende kaars. Hoewel openlijke uitoefening van het katholicisme verboden was, werden dit soort tegels toch geproduceerd

Een geestelijke met een bran­dende kaars. Hoewel open­lijke uitoe­fen­ing van het katholi­cisme ver­bo­den was, wer­den dit soort tegels toch geproduceerd

sierraadTegen­wo­ordig zijn de oud-Hollandse tegels niet alleen terug te vin­den in his­torische pan­den. Ze zijn ook gewilde verza­melob­jecten, bron van inspi­ratie voor kun­stschilders en andere kun­ste­naars en de keramiekresten wor­den zelfs gebruikt bij het maken van sier­raden. Het oubol­lige is er wel van af en al bron voor his­torisch onder­zoek is er nog een wereld in steen en glazuur te ontdekken.

 

 

Spannende confrontatie Marokkaans en Gouds keramiek

Je moet maar dur­ven. Marokkaans keramiek naar Gouda halen. Sinds eeuwen is Gouda beroemd om haar Goudse aardew­erk, dat zich kan ijv­eren met het mooiste keramiek in Potjes6de wereld, maar Chahid el Hadd­outi durft een con­frontatie aan. De voorzit­ter van Sticht­ing Boug­haz, die in 1991 als 12-jarige met zijn moeder en zes broers naar deze stad kwam om zich te voe­gen bij zijn vader die hier vader werkte als ‘gas­tar­bei­der’, is volledig in de ban ger­aakt van het aardew­erk toen hij voor het eerst een bezoek bracht aan Museum Gouda. De boven­zaal van het oude Catha­rina Gasthuis bood hem een feest van herkennning. Het Goudse keramiek voelde voor hem onmid­del­lijk vertrouwd van­wege de grote overeenkom­sten die hij zag met het aardew­erk uit zijn geboortestreek, het Rifge­bergte in Marokko. Vanaf dat moment was hij vast­besloten de ten­toon­stelling Lalla Golda te ver­fraaien met een bij­zon­dere spiegelop­stelling van Gouds en Marokkaans aardewerk.

Op dat moment besefte Chahid en zijn medebestu­ur­ders nog niet waar zij aan begonnen. Jaren gele­den bleek in Gouda al eens geprobeerd te zijn om Marokkaans keramiek naar hier te halen in het kader van wat toen nog gewoon het Pot­ten­bakkers­fes­ti­val heette. Dat mis­lukte tragisch. Er arriveerde uitein­delijk geen potje uit de Rif. Nu blijkt opnieuw waarom het plan des­ti­jds waarschi­jn­lijk in scher­ven viel: de aan­schaf en het trans­port van kwets­baar mate­ri­aal als keramiek over een dergelijke afs­tand is een hache­lijke en kost­bare onderneming.

Potjes3

Gouds plateel

Gouds pla­teel

 

 

 

 

 

 

Chahid liet echter zich niet ont­moedi­gen. Hij toog zelf naar Marokko en bezocht een Potjes5bij­zon­dere aardew­erk­fab­riek in de buurt van El Hou­ceina. Deze fab­riek werd ges­ticht na de grote aard­bev­ing van 2004, en is spe­ci­aal bedoeld om werkgele­gen­heid te schep­pen voor vrouwen die weduwe waren gewor­den. Het keramiek wordt daar op de traditioneel-Riffijnse wijze gefab­riceerd. Uit de col­lec­tie van deze fab­riek heeft Chahid een keur aan gebruiks– en sier­voor­w­er­pen weten te bemachti­gen en in gereed­heid gebracht voor verzend­ing naar Gouda.

Potjes2

Het Marokkaanse keramiek ligt nu veilig in dozen met hooi ver­pakt te wachten in een pakhuis in de stad Tanger. De vol­gende stap is over­breng­ing naar Ned­er­land. Iedereen houdt de vingers gekruist. Nog even en Gouda kan ken­nis maken met een bij­zon­der aspect van de Marokkaanse cul­tur. Wij houden u op de hoogte.

Bij de dood van Wiebe Bergsma. Het (te) korte leven van Friese historici

Fries­land en de Friese geschiede­nis hebben mijn bij­zon­dere belang­stelling vanaf het moment dat ik de markante arts en pastoor-predikant Pibe Wyt­thiesz (Ovit­tius) van Abbema in de bron­nen tegenkwam. Jaren­lang ben ik de gan­gen nage­gaan van deze zestiende-eeuwse Grouster char­la­tan, waar­bij ik elke denkbare archief­s­nip­per heb bekeken om meer over hem aan de weet te komen. Uitein­delijk was het Wiebe Bergsma, his­tori­cus bij de Fryske Akademy, die mij ertoe aanzette om na 25 jaar ein­delijk een punt te zetten achter deze speur­tocht en de resul­taten vast te leggen in een boek. Het boek, met als titel Ovit­tius’ meta­mor­pho­sen’  ver­scheen in 2003 en werd uit­gegeven in de Fryske His­toaryske Rige (num­mer XVIII) van het genoemde pres­tigieuze Friese onder­zoeksin­sti­tuut. Bij de pre­sen­tatie van het boek in Leeuwar­den en later in de kerk van Alde­boarn (Olde­boorn), onder het tegeltableau dat herin­nert aan mijn Friese held, was Wiebe aan­wezig, net als twee andere his­torici die mij hebben geholpen en geïn­spireerd bij het onder­zoek: Onno Hellinga, ken­ner van de Friese archieven, en Sjouke Vool­stra, doops­gezind hoogler­aar en mijn medebestu­ur­der van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiedenis.

Wiebe_c18-e1435742445145

Vorige week ontv­ing ik het droeve bericht dat Wiebe Bergsma was overleden. Zijn over­li­j­den komt veel te vroeg, want hij was nog maar net zes­tig jaar oud. Daarmee is hij de vierde Friese his­tori­cus die ik mocht leren ken­nen en waarderen om een enorme ken­nis van de Friese (kerk)geschiedenis, die de afgelopen vijf­tien jaar op veel te jonge leeftijd is overleden. De eerste was in 2001 Samme Zijl­stra, een zwi­jgzame man die zeer door­wrochte boeken en artike­len schreef over de dop­ers en doops­gezin­den. Hij werd slechts 48 jaar oud. Drie jaar later, in 2004, veron­gelukte Sjouke Vool­stra op tragis­che wijze toen hij zijn zeil­boot naar de stalling bracht. Hij was pas 62 jaar. In 2011 werd Onno Hellinga op zijn studeerkamer dood tussen zijn boeken aangetrof­fen. “Nu maakt hij zelf deel uit van het verleden, waarmee hij zich zo graag bezig hield”, luidde de zeer toepas­selijke tekst op zijn rouwkaart, uit­er­aard in het Fries.

En dan nu dus het ver­schei­den van Wiebe Bergsma, waarmee voor mij de laat­ste van het kwartet zeer bij­zon­dere ‘vroeg­mod­erne’ his­torici uit Fries­land ook tot dat verleden is gaan behoren. Wiebe, die ik in 1992 leerde door­gron­den tij­dens een inter­na­tion­aal con­gres over Europees calvin­isme in Oxford. Uren hebben wij toen — samen met andere ambitieuze jonge kerkhis­torici zoals Ton Wouters, Mar­cel Back­house (bei­den ook veel te jong overleden), Owe Boersma en Chris­tine Kooi — gedis­cussieerd over de vroege refor­matie, de span­ning tussen pub­lieke kerk en keuzek­erk, de beteke­nis van vluchtelin­genge­meen­ten en aan­tallen lid­maten. Ton en ik zaten toen mid­den in het schri­jf­pro­ces van ons dubbel­proef­schrift en kon­den op deze manier onze inzichten scher­pen. Dat deden wij ook in de bijeenkom­sten van de Werk­groep Zestiende Eeuw, onder lei­d­ing van prof. J.J. Wolt­jer, waaraan Wiebe een actief deel­ne­mer en sfeer­bepaler was.

Ook na afrond­ing van mijn dis­ser­tatie heb ik altijd goed con­tact gehouden met Wiebe. Vaak belde hij onverwacht, meestal laat op de avond, om met zijn ken­merk­ende Fries-nasale stemgeluid zijn licht te laten schi­j­nen over een inter­es­sant his­torisch vraagstuk. Zoals over het thema onkerke­lijkheid in de zeven­tiende eeuw, dat hij uit de schaduw van de verzuilde geschied­schri­jv­ing wist te halen door aan te tonen dat dit veel omvan­grijker was dan altijd is aangenomen. Veel inzichten deed hij op bij zijn onder­zoek naar de Refor­matie in Dren­the, dat hij deed in het kader van een bun­del uit 1998 van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK) over dit gewest. Het resul­taat kreeg niet alleen een plek in dit boek, maar ver­scheen ook in een afzon­der­lijke publicatie.

Wiebe1

Wiebe2Zijn belan­grijk­ste werk, over de Refor­matie in Fries­land (Tussen Gideons­bende en pub­lieke kerk, 1999), had een lange voorgeschiede­nis, Ook in dat kader hebben wij vaak inzichten uit­gewis­seld. Met zijn aan­dacht voor het klein­menselijke detail en — bove­nal — de ver­halen over klein leed, toonde hij zich een leer­ling van prof.dr. A.Th. van Deursen — Arie voor hem — met wie hij veelvuldig con­tact had over het onder­zoeken en die hij naar mijn mening uitein­delijk in ana­lytis­che scherpte overtrof.  Het span­ningsveld in hun opvat­tin­gen heeft Wiebe aan — naar nu blijkt — het einde van zijn leven indrin­gend bloot­gelegd in een artikel in het Tijd­schrift voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis, onder de Wiebe­ri­aanse titel “Gepre­des­ti­neerde kolen en dieven. Naar aan­lei­d­ing van Van Deursens Bavia­nen en Slijkgeuzen” (sep­tem­ber 2014).

Wiebe Bergsma heeft zijn plaats in de Friese his­to­ri­ografie ten volle ver­di­end. Met zijn heen­gaan ver­li­est Fries­land ander­maal een cul­tu­ur­drager van for­maat. Het is aan een nieuwe gen­er­atie om het stokje over te nemen en — als het even kan — beter op hun gezond­heid te letten.

 

Gouda voor de grote groei. Een stadsplattegrond uit 1894

Door de eeuwen heen zijn vele plat­te­gron­den van de stad Gouda gemaakt. De oudst bek­ende, die van Jacobus van Deven­ter uit 1562, ligt ten grond­slag aan de reusachtige maque­tte die enkele jaren gele­den gemaakt werd voor het Museum Gouda. In de eeuwen daarna veran­derde er in de kern weinig aan het straten­pa­troon van de stad. Kaarten van onder meer Braun & Hogen­berg (1585), Guic­cia­r­dini (1612), Bleau (1650) en Lep­elaer (1713) passen bijna naad­loos op elkaar. Her en der vond stadsverdicht­ing plaats door het bebouwen van tot dan toe braak liggend ter­rein of door afbraak vri­jgekomen ruimte. De stad bleef let­ter­lijk opges­loten bin­nen de stadsmuren. Zelfs lange tijd nadat deze muren in het mid­den van de negen­tiende eeuw waren afge­bro­ken, werd niet ‘uit­ge­bro­ken’: er viel weinig neig­ing te bespeuren om daar­buiten tot bebouwing over te gaan. De grote veran­derin­gen deden zich pas voor in de twintig­ste eeuw. Tegen­wo­ordig is het oude stad­s­cen­trum bin­nen de sin­gels slechts een kleine kern, die in alle win­drichtin­gen wordt omringd door grote nieuwbouwwijken.

DSC09482

Onlangs ver­raste mijn lief mij met een relatief onbek­ende kaart van de stad uit de fase dat Gouda zo ongeveer op de rand stond om die grote sprong ‘naar buiten’ te maken. Deze “Platte Grond van Gouda” stamt uit 1894 en maakt deel uit van een Gids voor Gouda, in dat jaar gedrukt in de “stoom­snelpers­drukkerij” van de firma Koch & Knut­tel aan de Turf­markt in Gouda. Het gid­sje was te koop voor het lut­tele bedrag van 20 cent, waar­voor de lezer dan handzame infor­matie kon vin­den over achtereen­vol­gens de geschiede­nis van de stad (‘Het oude Ter Gouw’), een toeris­tis­che wan­del­route, de voorde­len van Gouda als woon­plaats, de inricht­ing van het onder­wijs en wan­del­mo­gelijkhe­den in de omgev­ing van de stad. Verder bevat de gids prak­tis­che infor­matie als een kilo­me­terta­bel tot de omrin­gende dor­pen, de vertrek­ti­j­den van de ‘Staatsspoor­we­gen’ , de stoom­tram, de paar­den­tram, de post­wa­gen­di­enst en de stoom­boten. Tot slot geven tien­tallen adver­ten­ties een fraaie calei­doscoop van de Goudse middenstand.

Het is met deze beschri­jv­ing van de inhoud van de gids duidelijk dat we nog te maken hebben met een stad in de pre-moderne tijd, al zijn er reeds tal van sporen te ont­dekken van een nieuwe ontwik­kel­ing die Gouda wel­dra in de vaart der volk­eren zou opstoten. Nadere bestud­er­ing van de fraai gek­leurde kaart ver­sterkt die indruk. Als we de trein nemen komen we aan op het Sta­tion Staats-Spoor. De Vre­debest bestaat nog niet, dus de wan­del­ing naar het cen­trum moet via de Cra­beth­straat of de Spoorstraat. Aan laat­stge­noemde straat ligt aan de link­er­hand de Israelitis­che begraaf­plaats (hoek Boelekade). Achter deze begraaf­plaats doe­men de con­touren op van Sociëteit Ons Genoe­gen (die later Kun­st­min zal heten en nog later de Goudse Schouw­burg). Het is een van de vier sociëteiten die de stad op dat moment rijk is. De kaart ver­meldt naast Ons Genoe­gen de sociëteiten van de Reünie (Oost­haven), Vrede Best (Markt) en de Rooms-Catholieke Leesvereenig­ing (Westhaven).

Aangekomen op de Klei­weg torent aan de link­erkant de Maria Hemel­vaarts– of Klei­wegk­erk hoog boven de huizen– en winkel­rij uit, met vlak­bij nog het Oude Vrouwen­huis, ook wel aange­duid als het St. Elisabeth’s Gasthuis.

Foto van de Haven uit de Gids van Gouda uit 1894

Foto van de Haven uit de Gids van Gouda uit 1894

De kerk is op dat moment nog relatief nieuw (gebouwd in 1878), maar zal al in 1964 weer afge­bro­ken wor­den. Het onderkomen voor bejaarde dames zou nog eerder (in 1938) ten prooi vallen aan de slop­er­shamers. Aan de Markt tre­f­fen we de nog steeds bek­ende mon­u­menten:  Stad­huis, Waag en Arti Legi. Het laat­ste gebouw is vol­gens de leg­enda van de kaart een “Museum van Oud­he­den”. Dit betreft het stadsmu­seum, voor­ganger van het huidige Museum Gouda, ingericht in 1872 ter gele­gen­heid van de vier­ing van 600 jaar stad­srechten. Door­lopend richt­ing de Oost­haven komt de wan­de­laar uit 1894 langs de Gasthuiskapel, die op dat moment dienst doet als “Stads Lib­rije”. Het achterliggende gasthuis is nog in gebruik als zieken­huis en heet op de kaart het St.-Elisabeth’s Gasthuis, een ver­giss­ing omdat het gaat om het St.-Catharina Gasthuis. Verderop aan de Oost­haven ligt het “Israëli­tisch  Oude Man­nen– en Vrouwen­huis”, het bejaar­den­te­huis voor joodse mede­burg­ers waar­van de bewon­ers in de Tweede Werel­door­log op harteloze wijze weggevo­erd zouden wor­den naar de vernietigingskampen.

Lopend in de richt­ing van de Veer­stal passeert de wan­de­laar in die dagen het zoge­heten Dames­ges­ticht (ook wel Hoffman’s ges­ticht geheten) en het Telegraafkan­toor. Vanaf de IJs­selkade is links de brug naar Haas­trecht te zien, met aan de overz­i­jde het ter­rein van de IJs­club. Aan zijn rechter­hand ligt Korte Akkeren, met op de voor­grond “St. Kaarsen­fab­riek “Gouda”. Ervoor, aan de Schieland­sche Hooge Zeed­ijk liggen een “Excerci­tie Veld” en een “Cri­quetveld”, de geboorte­grond van de lat­ere voet­balv­erenig­ing Olympia. Achter de kaarsen­fab­riek zien we de Heerenkade (nu Heren­straat), de Tol­len­skade en de Fil­ip­slaan, ron­dom de Alge­meene Begraaf­plaats. Hier is dan al een beschei­den woon­wijk buiten de sin­gels in ontwik­kel­ing. Hele­maal aan de andere kant van de stad gebeurt in dezelfde tijd het­zelfde in wat de Kade­bu­urt ging heten, met vier genum­merde kades als zijs­traten van de Karnemelk­sloot. Ertegen­over ligt het Mil­i­tair Hos­pi­taal, een groot gebouw dat later het Belast­ingkan­toor zou worden.

Onze wan­de­laar is inmid­dels via het Hout­mans­plantsoen, met het “Mon­u­ment Gebr. Hout­man” en uitzicht op het Stoomge­maal die Sper­ingstraat doorgelopen. Daar treft hij aan de link­er­hand het Oude Man­nen­huis, ook wel het Willem Vroe­sen­huis geheten. Er tegen­over is het Wees– en Aal­moeze­nier­shuis nog volop in gebruik, ter­wijl de Jeruza­lemkapel na eeuwen nog steeds dienst doet als “Armkamer”, waar de bedel­ing plaatsvindt aan min­ver­mo­gende Gouwe­naars. De rondgang laat zien dat de oude, feit­elijk al uit de Mid­deleeuwen stam­mende infra­struc­tuur van sociale voorzienin­gen, in 1894 nog gro­ten­deels in tact is. Dat blijkt ook aan de West­z­i­jde van de stad, waar op het Bol­w­erk weliswaar de Gas­fab­riek nieuwe tij­den aankondigt, maar waar dan ook nog steeds het Prove­nier­shuis en een best­edelin­gen­huis zijn gehuisvest.

Dat de stad daar­naast op dat moment ook nog een vol­waardige gar­ni­zoensstad is blijt uit ver­schil­lende ver­meldin­gen. Naast de Armenkamer is — in de overbli­jf­se­len van het Mid­deleeuwse Paulusklooster, die in 1942 zouden wor­den afge­bro­ken om er een postkan­toor te bouwen (dat er nooit kwam) — het “Gar­ni­zoens Nachtleger– en Kleeding-Magazijn geves­tigd. Eerder zagen we al dat Gouda ook een mil­i­tair zieken­huis heeft. Al deze voorzienin­gen zijn bestemd voor de kaz­erne gelegerde sol­daten. Deze sol­daten van het 4de reg­i­ment infan­terie van het 5de batal­lion, verbli­jven in het lange gebouw dat is gele­gen aan een groot plein, dat later de Varkens­markt zou gaan heten (en tegen­wo­ordig Nieuwe Markt).

Aangekomen op de Tien­deweg brengt de rondgang de bezoeker bij het oude Doe­lenge­bouw, waar ooit de stadss­chut­terij bijeenkwam, maar waar in 1894 les wordt gegeven in de “Rijks Hoogere Burg­er­school”. De andere grote Goudse school, het Stedelijk Gym­na­sium, later genoemd naar de vri­j­denker Coorn­hert, is op dat moment gehuisvest in het oude stadspaleis van de patriot De Lange van Wijn­gaar­den aan de West­haven. Op weg terug naar het sta­tion wan­de­len wij over de lom­mer­rijke Hout­mans­gracht, waar het water schoon genoeg is voor een “Bad– en Zwem­inrigt­ing”. Aan water is in alge­meen­heid trouwens geen gebrek in de stad, want wie de Platte Grond van 1894 vergelijkt met die van van­daag ziet in een oogop­slag dat er nog veel meer grachten en sloten de stad doork­lieven dan nu. De Raam, de Nieuwe Haven, Achter de Vis­markt, de Naaier­straat, het grachtje aan de achterz­i­jde van de Wijd­straat (bij de St.-Jan), het van de Turf­markt naar de Zeugstraat door­lopende watertje met de St-Anthonybrug; stuk voor stuk water­lopen die in de twintig­ste eeuw gedempt zouden worden.

Zo geeft een een­voudige stad­splat­te­grond een mooi tijds­beeld van een ont­wak­ende stad bij het ocht­end­glo­ren van de moderniteit.

Getijden klinken na eeuwen weer in de Sint-Jan

Op 24 juni was het eeuwen­lang een drukte van belang in Gouda. Op die datum vier­den de Getijden2Gouwe­naars de naamdag van hun patroon­heilige, Johannes de Doper. Tal van geledin­gen in de maatschap­pij stapten dan op in een pro­cessie die vertrok vanuit de kerk en na een rondgang door de stad daar weer terugk­wam. Voorop liepen dan de koork­napen die met hemelse gezan­gen bij­droe­gen aan de plechtige sfeer. Gouda had geen kapit­telk­erk, met kapit­tel­heren voor het zin­gen der geti­j­den, maar net als in veel andere Hol­landse ste­den werd het gemis aan fraai kerkzang zo gevoeld, dat in het mid­den van de 15de eeuw ook hier een Col­lege van de Zeven Geti­j­den in het leven werd geroepen. Dat gebeurde op 16 juni 1453 op ini­ti­atief van Wouter van der Man­dere, pas­toor van de Sint-Jan. Dit Col­lege bracht de noodza­ke­lijke mid­de­len bijeen en regelde dat er spe­ciale geti­j­den­zangers in dienst genomen kon­den wor­den voor de zang van de bek­ende geti­j­den: de met­ten (nacht), lau­den (zon­sop­gang), priem (6 uur), terts (9 uur), sext (12 uur), noon (3 uur), ves­pers (15 uur) en com­pleten (20 uur).

Getijden3

De Refor­matie maakte hard­handig een einde aan deze meer­stem­mige Lati­jnse kerkzang. De Geti­j­den­meesters wer­den van hun func­tie ontsla­gen en de overge­bleven gelden gin­gen naar de armen­zorg. Het werd abrupt stil in de Sint-Jan, althans wat betreft dit soortGetijden1 har­monis­che gezan­gen. In plaats daar­van kwam de psalmen­zang met lang­gerekte hooi-strooi-tonen van de gere­formeerde gemeente, met hoo­guit enige orgel­begelei­d­ing. Heel bij­zon­der is het daarom, dat Sint-Jansdag 2015 is aange­grepen om de geti­j­den­zang weer eens te laten klinken in deze protes­tantse kerk. Het Ensem­ble Cantare, onder lei­d­ing van diri­gent Leo Rijkaart en begeleid door organ­ist Chris­ti­aan Ingelse, durfde het aan om vanaf 5 uur in de ocht­end de zeven geti­j­den te laten klinken.

Om toch enigszins chris­telijke uren te hanteren hebben zij wel wat geschip­perd met de tij­den en geti­j­den. Na de met­ten van 5 uur werd de lau­den overges­la­gen en vol­gde al een uur later de priem. Terts, sext, noon en ves­pers vol­gden op de reg­uliere uren, waarna de com­pleten twee uur naar voren gehaald zijn en om 6 uur al gezon­gen wer­den. Ter ver­hoging  van de sfeer en het inzicht wer­den daar­naast nog een mid­deleeuwse lunch en enkele lezin­gen geserveerd. Resteert bij mij de vraag waarom er sprake is van de Meesters van de Zeven Geti­j­den, ter­wijl er acht bid­ston­den zijn? Ik ben tot de con­clusie gekomen dat de zeven geti­j­den betrekking hebben op de tussen de zang­beurten liggende tijdss­pan­nen, waar­door er acht nodig zijn.

Het ini­ti­atief om de Geti­j­den weer te laten horen in de mon­u­men­tale Sint-Janskerk koorver­di­ent alle lof. En meer toe­ho­orders. Bij het krieken van de dag viel de de opkomst alleszins mee; rond de zes­tig bezoek­ers. Maar later op de dag wer­den dat er niet veel meer, hoewel er via de media, met posters en ander­szins behoor­lijk reclame voor was gemaakt. Gelukkig waren er bij de afs­lui­tende Com­pleten veel fam­i­liele­den van de zangers gekomen om hen te feliciteren met de presta­tie. Dat het mooi weer was en gelijk­ti­jdig de bin­nen­stad bruiste van andere activiteiten, zoals de Goudse Havenda­gen, zal niet bevorder­lijk zijn geweest voor de bezoek­er­saan­tallen. Hopelijk laten de organ­isatoren zich niet ont­moedi­gen, want het ini­ti­atief ver­di­ent het om daar te zetten. Het zou daar­bij helpen om de gezon­gen tek­sten en een ver­tal­ing aan de bezoek­ers uit te delen en elke geti­jde kort toe te laten lichten door de diri­gent. Wellicht kan daar­naast samen­werk­ing met de rooms-katholieke parochies meer draagvlak oplev­eren. Nu klonken in de gezan­gen nog wel een erg protes­tantse onder­toon door.

Het havenfront van Gouda door de eeuwen heen getekend en geschilderd

Deze dagen staat Gouda weer geheel in het teken van de scheep­vaart. Met Gouda Haven­stad wordt op tal van manieren stilges­taan bij het belang van het vaar­wa­ter door en voor de stad. De stad dankt niet alleen haar naam – Gouda, Ter Gouw, Ter Goude, HavendagenGolda – aan een vaar­weg, maar ook haar ontstaan dankzij de lig­ging op de plek waar de Hol­landse IJs­sel en de Gouwe samen­vloeien. Hon­derd­duizen­den schepen passeer­den in de loop der jaren de stad, aangezien alle bin­nen­vaartschepen (niet-zeewaardige schepen) die ‘bin­nen dune’ noord– of zuid­waarts door Hol­land voeren de stad moesten passeren. Zij betaalden niet alleen tol, maar moesten hier ook drie dagen stil­liggen en potvert­eren. Een groot deel van de stedelijke rijk­dom was hier­aan te danken. De Veer­stal, waar alle schepen moesten aan­meren die geschut moesten wor­den om vanaf de Hol­landse IJs­sel door – en na de aan­leg van de Mal­le­gatss­luis in 1574 om – de stad naar de Gouwe te varen, was het belan­grijk­ste ver­keer­sknoop­punt van de stad, waar vee­lal ook geladen en gelost werd als de goed­eren voor de stad zelf bestemd waren.

Met de groei van de bin­nen­vaart in de negen­tiende eeuw werd de pas­sage van Gouda voor veel schip­pers een toen­e­mende erg­er­nis wegens filevorm­ing en ver­trag­ing. Een oploss­ing voor de prob­le­men diende zich pas echt aan met de aan­leg van de Julianasluizen in 1936, toen de boten de stad links of rechts – naar gelang de vaar­richt­ing – kon­den laten liggen. Daarmee nam de drukte bij de Veer­stal en de Mal­le­gatss­luis aan­merke­lijk af. Toch bleef het nog tot halver­wege de twintig­ste eeuw mogelijk niet alleen vlak om de stad te varen, via de Turf­sin­gel, maar zelfs ook nog door de oude bin­nen­stad via de oude route langs het Tol­huis en door de Donkere Sluis en het Ams­ter­dams Ver­laat. De Water­snood van 1953, waar­bij Goude ter­nauw­er­nood aan een ramp ontsnapte, was de aan­lei­d­ing deze vaar­weg volledig af te sluiten met het dicht­tim­meren van de sluis­deuren en het doortrekken van de ver­keer­sweg in 1956. Deze door­gang had immers geen enkel economisch nut meer – aan plezier­vaart werd toen nog niet gedacht – en het ooit zo lev­endige haven­front kwi­jnde sinds­dien nog verder weg. Feit­elijk keerde de stad haar rug naar dit gebied: de spoor­lijn en de A12 zorgden ervoor dat de stedelijke ‘voordeur’ aan de andere kant kwam te liggen. Braunhogenberg Gelet op het economis­che belang voor Gouda van de oor­spronke­lijke ‘voordeur’, het haven­front aan de Hol­landse IJs­sel, is het niet ver­won­der­lijk dat dit gebied op ver­schil­lende momenten in de geschiede­nis door car­tografen en kun­ste­naars is getek­end DSC05759en geschilderd. Over geen ander gedeelte van de stad zijn wij daar­door beter geïn­formeerd wat betreft de ontwik­kelin­gen en veran­derin­gen in de loop der tijd. De vroeg­ste afbeeld­ing komt op naam van de car­tografen Georg Braun en Frans Hogen­berg. In 1585 beeld­den zij de stad af vanaf de overkant van de IJs­sel. Hoewel vaak vraagtekens geplaatst zijn bij de betrouw­baarheid van het werk van deze Duitse kaarten­mak­ers, is – als wij Henk­jan Sprokholt mogen geloven — bij het onder­zoek dat ten grond­slag lag aan de maque­tte in het museum gebleken dat hun stad­saangezicht en ook hun stad­splat­te­grond in menig opzicht wel degelijk overeenkomt met wat in andere bron­nen wordt aangegeven.

Als wij ons hier beperken tot het haven­front, dan valt allereerst het reusachtige kas­teel op, dat tot de afbraak ervan in 1577 het aangezicht van de stad dom­i­neerde. Vlak erachter is een kerk­toren­tje te zien, dat toe­be­ho­orde aan het klooster van de Min­der­broed­ers. De kaart ver­scheen acht jaar nadat het slot werd ges­loopt, maar het bouww­erk lijkt qua afmetin­gen behoor­lijk reëel. Anders lijkt dit het geval met de toren van de Sint-Jan. Die torent wel erg hoog boven de stad uit, ter­wijl hij in werke­lijkheid nooit die hoogte kon kri­j­gen wegens de Goudse bodemgesteld­heid. Twee andere – ook te hoge — torens die vlak achter de Sint-Jan te zien zijn, zijn moeil­ijk te deter­mineren. Mogelijk gaat het om de toren die ooit voor de Gasthuiskapel stond en van de toren van het Agni­eten­con­vent. Meer herken­baar zijn de pinakels van het oude, uit 1450 daterende – stad­huis op de Markt. Links van de haven­mond zijn in de stadsmuur achtereen­vol­gens de Tolpoort, de Pieter Hugesz­toren en — deels ver­sc­holen achter een uit­stek­end deel van de stadsmuur – de Veer­stal– of Water­poort te zien. Verder links is onmisken­baar de Rot­ter­damse of Dijk­spoort te onderken­nen, met de twee ken­merk­ende ronde toren­t­jes. Opval­lend afwezig zijn nog de wind­molens, die later het stads­gezicht zouden gaan domineren, maar die toen nog uit­gevon­den moesten wor­den. Op de Veer­stal is het een drukte van belang, met aange­meerde schepen en sjouw­ers voor het laden en lossen. Op de kade staat ook een kraan­tje. In de riv­ier liggen enkele boeien en er varen ver­schil­lende schepen. De afbeeld­ing van Braun & Hogen­berg laat al met al een zeer com­pacte, maar nij­vere stad te zien, veilig ver­sc­holen achter stads– en kas­teel­muren. Die impressie was bij het ver­schi­j­nen van de kaart echter feit­elijk al achter­haald door de afbraak van het kas­teel. AertVanWaesGoudaRuim een halve eeuw later, in 1644, tek­ende de teke­naar en graveur Aert van Waes de stad vanaf ongeveer het­zelfde punt aan de overkant van de Hol­landse IJs­sel op de Goud­er­akse Dijk. Van Waes was een Gouwe­naar, die anders dan zijn Duitse voor­gangers, zijn infor­matie niet uit tweede of derde hand had, maar zelf kon vast­leggen wat hij zag. Dat leverde een veel gede­tailleerder beeld op. Uit­er­aard is op deze teken­ing geen kas­teel meer te zien. Wel blijkt op deze plek nog een toren te staan; de pas veel later (1808) afge­bro­ken zoge­heten char­ter­toren, een naam die terug­gaat op de negen jaar (1577–1586) dat hier archieven van het gewest Hol­land bewaard wer­den. Op de plek van het kas­teel is inmid­dels een stadsmuur opgetrokken en er is een molen op de fun­da­menten van het kas­teel gebouwd, een voor­ganger van de huidige molen Het Slot (gebouwd in 1832). Rechts van de haveningang is nu ook een aan­leg­steiger gekomen, de in 1582 aan­gelegde Nieuwe Veer­stal. Aan de smalle haven­mond is aan de lin­k­eroever nu duidelijk het Tol­huis te zien, meter­voor de in 1623 gebouwde poortwachter­swon­ing. Links ervan weer de Tolpoort en de

Curieus zelfportret van Aert van Waes. Uit de tekst eronder blijkt dat hij nauwelijks een boterham verdient aan schilderen en daarom 'in zijn palet heeft gescheten'

Curieus zelf­portret van Aert van Waes. Uit de tekst eron­der blijkt dat hij nauwelijks een boter­ham ver­di­ent aan schilderen en daarom ‘in zijn palet heeft gescheten’

Pieter Hugesz­toren, met daarachter in reële pro­por­ties en in zijn vorm duidelijk herken­baar de toren van de Sint-Jan en het Cathari­na­gasthuis met de oor­spronke­lijke toren. Verder naar links, bij de ingang naar de Peper­straat, de in 1624 vernieuwde Veer­stalpoort. Ook daar­bij is inmid­dels een poortwachter­shuis gebouwd. Links en rechts op de achter­grond zijn de sil­hou­et­ten van de Sint-Barbaratoren en de Vrouwen­toren herken­baar. Hele­maal rechts ligt de Rot­ter­damse Poort, met daar­voor een ophaal­brug. Op de buiten­ste stadsmuren zijn ook de con­touren te zien van nog twee molens, onder meer op de plek waar nu de Rode Leeuw staat. Op de kade staan wagens, enkele kra­nen en lad­ing. Er is een wat groter schip aange­meerd en er zijn enkele kleinere roei­boot­jes te zien aan de oever en op het water. Wat verder opvalt zijn de vele meer­palen en de beschoei­ing van de kade­muur. Al met al laat Van Waes min­der bedri­jvigheid zien dan zijn voor­gangers en lijkt de stad al wat inges­lapen in vergelijk­ing met de zestiende-eeuwse sit­u­atie. GezichtopGoudaHet duurde bijna een eeuw, tot Abra­ham de Haen in 1733 opnieuw het haven­front tek­ende vanaf de overz­i­jde van de riv­ier. De teken­ing werd in 1744 gegraveerd door J.C. Philips en opgenomen in een boek dat werd uit­gegeven door Isaac Tirion. Wat het meest opvalt, vooral bij de handgek­leurde ver­sies van deze prent, zijn de vele bomen die inmid­dels op beide Veer­stallen zijn gepoot. Het geeft de stad een lom­mer­rijk aangezicht. Het scheep­vaartver­keer, dat in deze jaren nog aanzien­lijk moet zijn geweest, bli­jft gro­ten­deels buiten beeld, omdat de Rot­ter­damse Poort en daarmee het gebied van de Mal­le­gatss­luis ver­sc­holen ligt achter het groen. Aan de rechterz­i­jde is de grote char­ter­toren nog steeds te zien als een ste­vig bouww­erk, ter­wijl het vernieuwde molen­type op de plek van het slot nu het meest dom­i­nant is. Het Tol­huis bij de ingang van de stad heeft inmid­dels een vorm die wij ook nu nog herken­nen, inclusief de grote schoorsteen op de zij­muur. Voor het eerst is het lange dak van de Sint-Jan, met het vier­ling­storen­tje te zien. De kerk­toren zelf lijkt wat al te ver naar links te zijn gepo­si­tion­eerd. De Tolpoort is door een boom nauwelijks te zien, maar de renais­sancegevel van de Veer­stalpoort des te beter. Een schip met een ste­vig zeil en een vlag in top, is aange­meerd aan de Nieuwe Veer­stal. Aan de Veer­stal zelf liggen vijf platte schepen aan de kade en op de voor­grond zijn man­nen in de weer met enkele roeibootjes.

Een eeuw later, rond 1850, waart er een ‘muren– en poorten­storm’ door Ned­er­land. In hoog tempo ont­doen bijna alle ste­den zich van de stadsmuren en poorten, die beschouwd

Detailopname uit de kaart van Johannes Bleau uit 1649 met de Rotterdamse- of Dijkspoort, een van de poorten die midden-achttiende eeuw werd afgebroken

Detai­lop­name uit de kaart van Johannes Bleau uit 1649 met de Rot­ter­damse– of Dijk­spoort, een van de poorten die midden-achttiende eeuw werd afgebroken

wor­den als mid­deleeuws, nut­teloos, te kost­baar in onder­houd en onge­zond. Ook het Goudse haven­front, met een ste­vige muur, enkele torens en maar liefst drie poorten op een rij, ontkomt niet aan de slop­er­shamers. In 1851 werd de Veer­stalpoort voor de sloop verkocht, met als voor­waarde dat de mon­u­men­tale onderde­len – zoals een beeld van Her­cules – behouden zouden bli­jven. Uitein­delijk zou echter alleen een van de twee leeuwt­jes de slop­er­shamers over­leven. Tien jaar eerder al waren de Tolpoort en de Jan Hugesz­toren afge­bro­ken, inclusief de erboven gele­gen portier­swonin­gen. Daarmee werd het haven­front let­ter­lijk en figu­urlijk veel min­der schilder­achtig. Dat daarna vlak tegen het gebied een grote indus­triële com­plexen ver­rezen, zoals Koud Asfalt en de Stearine Kaarsen­fab­riek, later Unigema en tegen­wo­ordig Croda geheten, maakte dat ook lucht en water rond Veer­stal sterk aan aantrekke­lijkheid inboet­ten. Het is dan ook niet ver­won­der­lijk dat Gouda lang heeft moeten wachten voor­dat een kun­ste­naar de pense­len in de verf doopte om dit gebied opnieuw af te beelden.

Uitein­delijk is het de uit Kam­pen afkom­stige schilder Sjaak Kaashoek geweest die zich de afgelopen maan­den hier­aan heeft gewaagd, op ver­zoek van Anita Gaas­beek van Galerie De Hol­land­sche Maagd aan de Oost­haven. Zijn aangezicht van de stad komt op een belan­grijk moment, een fase waarin voor het eerst sinds lange tijd plan­nen gemaakt wor­den om deze voor­ma­lige ‘voordeur‘ van de stad nieuwe glans te geven. Aan de overz­i­jde is Koud Asfalt ermee opge­houden, wat de kans aan de stad biedt om de ‘Ijs­sel­sprong’ te maken, vergelijk­baar met de ‘Waal­sprong’ in Kaashoeks huidige woon­plaats Nijmegen. Aankoop van dit fab­riek­ster­rein door de gemeente kan de Krimpen­er­waard open­leggen als aantrekke­lijk recre­atiege­bied. Het kan ook een impuls geven aan de veel langer bestaande plan­nen om de oude Havensluis weer te ope­nen en de door­vaart door het cen­trum weer mogelijk te maken. De bruggen in de stad zijn daarop reeds aangepast in de afgelopen decen­nia. Alle reden dus om het huidige haven­front weer scherp te gaan bek­ijken en de bij­zon­dere schoonheid daar­van uit te lichten. Gouda2659Sjaak Kaashoek is net als zijn voor­gangers op de Goud­er­akse Dijk aan de overkant gaan staan om het gebied over de volle breedte – zijn schilderij meet ongeveer een meter – te schet­sen en te schilderen. Hij heeft daar­bij bewust gekozen voor het vroege voor­jaar, zodat het gebladerte en het hoge riet het zicht op de stad niet ont­ne­men. Diverse DSCN2332markante pun­ten die in het verleden beeld­bepal­end waren, zien wij ook nu nog terug. Aan de rechterz­i­jde torent molen ’t Slot, gele­gen in een lom­mer­rijk park, hoog boven de bomen uit Ook het Tol­huis is duidelijk herken­baar, achter een – na de afs­luit­ing van de Havensluis — door­lopende kade. De Sint-Jan, over de volle lengte en met zijn beschei­den toren, ont­breekt vanzelf­sprek­end niet. De sluis­deuren van de Mal­le­gatss­luis schemeren door een kale boom heen, met ervoor het schip­per­swacht­lokaal. Een imposante nieuwe ver­schi­jn­ing in het aangezicht vormt de Gouwek­erk, met zijn spitse hoge toren. Met deze kerk, gereed gekomen in 1902, wilden de rooms-katholieken demon­stratief bewi­jzen dat zij – na twee eeuwen achter­stelling in schuilk­erken – weer volledig terug waren. De toren, hoger dan die van de Sint-Jan, moest dat onder­strepen. Afwijk­end van alle eerdere gezichten op de stad is verder het ont­breken van elke vorm van scheep­vaart. Het schilderij toont daarmee een fraai, maar slapend haven­front, dat er als het ware om vraagt gewekt en openge­bro­ken te worden.

Rest de vraag hoe betrouw­baar de achtereen­vol­gende stads­gezichten zijn. Dankzij enkele foto’s die Kaashoek gemaakt heeft gedurende het word­ing­spro­ces van zijn schilderij, en enkele foto’s van de huidige sit­u­atie, zien wij dat de kun­ste­naar zich soms de vri­jheid heeft veroor­loofd om af te wijken van het­geen hij ziet, waarschi­jn­lijk in het belang van zijn compositie.

Zoek de verschillen!

Goudaschets1

Goudaschets2Kaashoek1 Kaashoek2

Gouda2659

Kaashoek4foto Opval­lende ver­schillen zijn onder meer de sterke pro­fi­ler­ing van de Gouwek­erk, de invulling van het gebied tussen de molen en restau­rant De Malle­molen aan de kop van de Oost­haven. Het zicht op dit laat­ste deel wordt namelijk in werke­lijkheid ont­nomen door enkele bouwsels van (waarschi­jn­lijk) de Koud Asfalt­fab­riek. Ook het riet is wat kor­ter Goudaschets3bijgesne­den dan het in werke­lijkheid was of kan zijn geweest. De boom aan de rechterz­i­jde daar­ente­gen toont weer opmerke­lijke bijeenkomst met de boom die daar in werke­lijkheid staat. Kor­tom: de achtereen­vol­gende ‘gezichten op Gouda’ bli­jven inter­pre­taties van kun­ste­naars en daarmee mensen­werk en zijn geen fotografis­che weer­gave van de werke­lijkheid. Het bli­jft dus altijd oplet­ten geblazen als je ze gebruikt als his­torische bron.

Familie Abels: Wilgen die zich niet laten knotten

Leo Abels, sta­moud­ste van de Enschedees-Almelose Abels-clan, ontv­ing van­daag ter gele­gen­heid van zijn 85ste ver­jaardag het eerste exem­plaar van de in druk ver­sch­enen fam­i­li­es­tam­boom uit­gereikt. Na een onder­zoek van 35 jaar wist zijn zoon Paul Abels, met steun van twee achtern­even (een met dezelfde naam uit Enschede en Henry Vos uit Lonneker/Epe) geneal­o­gisch een draad terug te spin­nen tot 1450. Het onder­zoek bracht veel aan het licht over de herkomst van deze van oor­sprong Duitse fam­i­lie. Het meest ver­rassend daar­bij is dat de naam Abels pas aan het begin van de 18de eeuw in zwang raakt. Voor die tijd tooit de fam­i­lie zich met een naam Tho Wilgen, To Willige en Willich­mann, namen die ontleend zijn aan een grote boeren­ho­eve, gele­gen in een oksle van de riv­ier de Ems, even buiten het dorp Rhede. Het blijken door de eeuwen heen eigen­zin­nige lieden te zijn geweest die in en rond Rhede de kost ver­di­en­den als vee­houder, landbouwer, turfsteker of metselaar.

stamboom

Pas in 1861 waagt Hilbert Abels op de nog jeugdige leeftijd van 15 jaar de sprong naar elders. Meege­zo­gen in de Hol­landgän­gerei  van zijn dagen, waar­bij vele Duit­sers hun geluk in het Koninkrijk Hol­land beproef­den als seizoen­sar­bei­der, kamer­meisje of bouw­vakker, trok hij naar het Twentse Zen­deren (tussen Almelo en Hen­gelo) om daar mee te werken aan de bouw van twee kloost­ers en een kerk. Met deze emi­gratie legde Hilbert de basis voor de Twentse Abels-tak, waar­van de geschiede­nis nu is vast­gelegd. Kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van Leo Abels kre­gen allen een exem­plaar van dit in een zeer kleine oplage ver­sch­enen boek. Met een knipoog naar de oor­spronke­lijke naam van de fam­i­lie en het eigen­zin­nige karak­ter van menig fam­i­lielid, heeft het boek als titel Wilgen die zich niet laten knot­ten meegekre­gen. Dochter Jolanda Abels schreef spe­ci­aal voor deze gele­gen­heid een gedicht op deze stam­boom, dat op de achterz­i­jde van het boek is afgedrukt.

Opnieuw duikt bijzonder boekje op van Goudse predikant Poppius

Eind vorig jaar dook op een veil­ing in het Amerikaanse San Fran­cisco een vol­strekt onbek­end boekje van de Goudse predikant Eduardus Pop­pius op. Dankzij een tip van een oplet­tende lezer van deze web­site kon dit kleine gebe­den­bun­deltje terugge­haald wor­den naar de stad waar het — slechts een paar maan­den na het tragis­che over­li­j­den van de pop­u­laire voor­ganger in Slot Loeven­stein — werd gedrukt. Nu, een half jaar later, heeft deze web­site opnieuw de weg gewezen naar een bij­zon­der werkje van Pop­pius, door­dat een lezer stuitte op mijn belang­stelling voor deze predikant. Dit keer is het aange­bo­den boekje wel bek­end en bevin­den zich exem­plaren diverse uni­ver­siteits­bib­lio­theken. Toch is het zeldzaam en een mooie aan­vulling op het eerdere werkje. De inhoud ligt direct in het ver­lengde hier­van, omdat het ook bestemd is voor zieken. De titel is: Siecken-troost. Dat is: Aen­sprake, onder­wi­jsinge ende ver­man­inghe aen de krancke luy­den van aller­ley soorten onder de Chris­te­nen, gherichtet nae den staet van de wan­del­inghe die se elck ghe­duyrende hare geson­theyt geleyt hebben. Het werd slechts twee jaar later, in 1626, te Ams­ter­dam gedrukt door Jacob Aertsz. Calom, boekverkoper op ’t Water in de Vyerighe Calom.

Blijk­baar voorzag deze troost­bun­del voor de zieken in een grote behoefte, want er ver­sch­enen in de jaren daarna nog diverse her­drukken. Feit­elijk is het een Unvol­len­dete. Pop­pius was van plan drie delen te schri­jven, maar was bij zijn over­li­j­den gevorderd tot het eerste deel. Dat werd door een niet bij name genoemde geestver­want ter perse gebracht. Pop­pius wordt niet alleen bij name genoemd als auteur, maar ook in beeld. De titel­pag­ina is namelijk ver­fraaid met een grote gravure, waarop de beeel­te­nis van Pop­pius onmid­del­lijk herken­baar is dankzij enkele portret­ten die van hem bewaard zijn.

DSC09478

De onge­signeerde prent toont een bed­stee, waarin een zieke man ligt. Zijn kussens zijn opgeschud en hoog opge­tast om hem het liggen wat dragelijker te maken. Op de voor­grond een tafeltje met bek­ert­jes en flessen, waarin waarschi­jn­lijk medici­j­nen zit­ten. Het interieur veron­der­stelt dat het gaat om een belezen en niet arm­lastige man. Op de fraaie tegelvloer staan forse meubels, met op de kast tegen de achter­wand vijf dikke boeken, waar­van er drie met de boekklam­pen naar voren staan. De Bij­bel zal niet ont­breken. Aan het bed van de zieke zit­ten twee man­nen. Het dichtst bij hem zit, gesticulerend,  de predikant Pop­pius, herken­baar aan zijn baard. Opval­lend is dat hij niet naar de zieke kijkt, maar de lezer aankijkt. Meer naar achteren zit een man, die een hoed in zijn hand houdt. Ook de man die achter hen met de deur­knop in zijn hand staat heeft een hoed in zijn andere hand. Het zou kun­nen dat het hier gaat om oud­er­lin­gen die de dom­i­nee vergezellen. Fam­i­lie lijkt niet aan­wezig in de ruimte, wel een slapende hond op de voor­grond, mogelijk als teken van trouw aan het geloof.

Met het gebe­den­boekje uit 1624 en deze Siecken-Troost uit 1626 wordt duidelijk dat Pop­pius ook na zijn dood bij zijn remon­strantse geestver­wan­ten in hoog aanzien bleef staan en dat zij vooral zijn troos­t­ende en opbeurende woor­den aan het adres van zieken grote waarde toekenden.

Het nieuwe Goudse Glas in de Sint-Jan: tussen vrees en hoop

Op deze site heb ik eerder twi­jfels geuit over de plan­nen om in de Goudse Sint-Janskerk een nieuw gebrand­schilderd glas te plaat­sen ter gele­gen­heid van het Eras­mus­jaar 2016. De eerste pub­li­caties hierover in de plaat­selijke media, inclusief een afbeeld­ing van een klein frag­ment van het glason­twerp, deden mij vrezen voor een dis­so­nant in het zo har­monis­che glazen­pro­gramma van deze mon­u­men­tale kerk. Boven­dien ver­weet ik de ini­ti­atiefne­mers een gebrek aan open­heid en betrokken­heid van Gouwe­naars bij de besluitvorm­ing en keuze.

Een antwo­ord liet niet lang op zich wachten. De opdracht­ne­mer, glaze­nier en beeldend kun­ste­naar Marc Mul­ders, en de opdracht­gever, muse­umdi­recteur Ger­ard de Kleijn reageer­den bei­den per mail. Mul­ders stu­urde per ommegaande de schriftelijke con­cepten en ideeën die ten grond­slag liggen aan het ontwerp en bei­den nodig­den mij uit voor een bezoek aan het glasate­lier in Tilburg op een moment dat de ver­vaardig­ing van het glas enigszins gevorderd was. Uit­er­aard heb ik de uitn­odig­ing aangenomen in het belang van een meer onder­bouwde oordeelsvorming.

Op 19 mei stapte ik dan ook, gewapend met de nodige scep­sis, in een busje dat een

Een gedreven Marc Mulders geeft uitleg over zijn Goudse Glas

Een gedreven Marc Mul­ders geeft uit­leg over zijn Goudse Glas

gezelschap belang­stel­len­den naar Tilburg bracht. Daar wer­den we bedol­ven onder een stortvloed van Bra­bantse gastvri­jheid en een niet afla­tende woor­den­stroom van de kun­ste­naar. En de bezoek­ers kre­gen ruim de tijd om het in word­ing zijnde glas, dat in zijn volle omvang plat op een lage licht­bak lag, te bek­ijken en te bespreken. De mij toege­zon­den doc­u­menten en — meer nog — het engage­ment en de gedreven­heid van Mul­ders maak­ten in elk geval duidelijk dat de maker niet over een nacht ijs is gegaan. Hij  leeft zich in in Eras­mus en probeert het wezen van diens ideeën te vat­ten. Maar hij heeft niet alleen zijn eigen cre­atie voor ogen, maar ook de mon­u­men­tale omgev­ing waarin het glas zich zal moeten voe­gen, zowel qua vorm en kleur als qua bood­schap. De kun­ste­naar is nog mid­den in het schep­ping­spro­ces, dus het is nog moeil­ijk door het (let­ter­lijk) voorliggende raam heen te kijken naar het eindresultaat.

Hoe het uitein­delijk zal uit­pakken als het fonkel­nieuwe glas las in feb­ru­ari 2016 onthuld zal wor­den bij de

Het Goudse Glas in wording. Misleidend is het wit van de lichtbakken, terwijl ook de figuratieve elementen nog ontbreken.

Het Goudse Glas in word­ing. Mis­lei­dend is het wit van de licht­bakken, ter­wijl ook de fig­u­ratieve ele­menten nog ontbreken.

open­ing van het Eras­mus­jaar in Gouda, is nog onzeker. Mul­ders werkt namelijk niet vanuit een vast­staand ontwerp, zoals veel glaze­niers in het heden en verleden deden met behulp van een aan de opdracht­gev­ers voorgelegd ‘vidimus’, maar werk­endeweg. Wel is er een hoofd­con­cept en hanteert hij rand­voor­waar­den. Dat hoofd­con­cept is er een van hoop in donkere tij­den, met de opstand­ing als wenk­end en lich­t­end per­spec­tief. Het Kwaad wordt door het Goede naar de zijkan­ten van het bestaan gedrukt. Het licht en donker ver­taalt zich ook in de gebruikte kleuren, die nauw aansluiten bij de drie hoofdt­in­ten — van onder naar boven — in de meeste  Goudse Glazen: grijs, oranje en blauw. Geen schree­uwende, uit de toon val­lende kleuren dus. En Het wordt ook geen volledig abstract glas, maar een com­bi­natie van abstrac­tie en figuratie.

Van groot belang is ook de plek waar het glas geplaatst zal wor­den: niet pal naast de grote zestiende– of zeventiende-eeuwse glazen, maar in de zuidz­i­jde achter­aan, op een plek waar nu nog een moza­ïek­glas met scher­ven die overbleven bij de restau­ratie van Jan Schouten in de jaren der­tig. Daarmee komt het glas niet alleen recht tegen­over het tot op heden laat­ste glas dat in de kerk werd aange­bracht, het bevri­jd­ings­glas, maar ook in de directe nabi­jheid van het ‘Coorn­hert­glas’, het raam met een alle­gorische ver­beeld­ing van de Vri­jheid van con­sciën­tie (geweten). Daarmee zouden het gedachte­goed van Coorn­hert en Era­sumus, als pijlers onder het vri­jzin­nige geestelijke kli­maat in het vroeg­mod­erne Gouda, vanaf vol­gend jaar weer­spiegeld wor­den in twee naburige glazen. In die zin valt het glas ook zeker niet uit de toon, maar kan het een waarde­volle verdere inkleur­ing wor­den van het bij­zon­dere ver­haal dat in de ramen van de Sint-Jan wordt verteld.

De voor­lop­ige tussen­bal­ans met betrekking tot het nieuwe Goudse Glas is dus niet negatief. Los van de gebrekkige betrokken­heid van de Goudse gemeen­schap bij dit plan en de vraag of na de Bevri­jd­ing het Eras­mus­jaar wel belan­grijk genoeg is om er een glas aan te wij­den, lijken andere zor­gen na het bezoek aan Tilburg en de toelicht­ing van Marc Mul­ders in belan­grijke mate te wor­den weggenomen. Die hoop heb ik zeker, en die is net zo sterk als de hoop die het glas moet verbeelden.