Marieke Abels doet bijzondere ontdekking over de zus van Jan Steen

His­torisch onder­zoek van de Goudse his­tor­ica Marieke Abels ten beho­eve van een nieuw boek over de Goudse kerkgeschiede­nis heeft een opmerke­lijke ont­dekking opgeleverd. De zeventiende-eeuwse Lei­dse schilder Jan Steen, bek­end van zijn schilder­i­jen van vrolijke en rom­melige huishoudens, blijkt een bij­zon­dere relatie te hebben gehad met Gouda. In veel van deze stukken komt een in het donker gek­lede vrouw voor, die kinderen troost, oud­eren ver­ma­nend of bel­erend toe­spreekt of gewoon deel­neemt aan het fam­i­liege­beuren. Het gaat hier om een zoge­heten ‘klopje’, een onge­huwde vrouw die een geestelijk leven in de wereld leidt.

Twee fragmenten uit schilderijen van Jan Steen waarop zijn zus Swaantje Agnes Steen te zien is als klopje. Eronder handtekeningen van de jonge en de oudere Swaantje.

Twee frag­menten uit schilder­i­jen van Jan Steen waarop zijn zus Swaan­tje Agnes Steen te zien is als klopje. Eron­der handtekenin­gen van de jonge en de oud­ere Swaantje.

Bek­end is dat Jan Steen, die ook zichzelf vaak heeft afge­beeld op zijn schilder­i­jen, zijn zus Swaan­tje Agnes Steen meestal als model heeft gebruikt voor dit klopje. Swaan­tje was inder­daad ook zo’n klopje. Niet bek­end was dat Swaan­tje ruim twintig jaar in Goude woonde, nadat zij zich in 1682 inkocht in het zoge­heten Prove­nier­shuis. Dit huis voor met name alleen­staan­den stond op het Bol­w­erk, waar zich nu het Best West­ern Hotel bevindt. Met de ont­dekking van de Goudse con­nec­tie van Jan Steen is er een tweede beroemde zeventiende-eeuwse schilder die in ver­band kan wor­den gebracht met deze stad. Al langer is bek­end dat Rem­brandt van Rijn zijn huishoud­ster en bijs­laap Geertje Dircksz ged­won­gen liet opne­men in het Goudse Tuchthuis. Zoals Rem­brandt deze vrouw diverse keren heeft gebruikt als model voor zijn schilder­i­jen, zo heeft Jan Steen zijn in Gouda woonachtige zus Swaan­tje diverse keren een plek gegeven in de door hem geschilderde huishoudens. Marieke Abels is gepe­cialiseerd in de geschiede­nis van de klop­jes. Dit typ­isch Ned­er­landse fenoneem ontstond na de Refor­matie, toen alle kloost­ers in ons land ges­loten, herbestemd of afge­bro­ken wer­den. Vrouwen die toch een religieus leven wilden lei­den, toegewijd aan God en de kerk, plaat­sten zich onder begelei­d­ing van een biecht­vader, bleven onge­huwd en zetten zich zich op aller­lei manieren in voor de rooms-katholieke kerk. Ook Gouda telde in de zeven­tiende eeuw hon­der­den klop­jes. Het artikel met de onthulling over de zus van Jan Steen zal ver­schi­j­nen in de bun­del Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd, die op 11 okto­ber aanstaande zal ver­schi­j­nen ter gele­gen­heid van het 25-jarig bestaan van de Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. Op die dag vindt in de Oud-Katholieke Kerk aan de Hoge Gouwe een feestelijk con­gres van deze VNK plaats, dat wordt geor­gan­iseerd in samen­werk­ing met His­torische Verenig­ing die Goude. Naast lezin­gen wor­den op die dag ook spe­ciale kerkhis­torische the­mawan­delin­gen aange­bo­den. Marieke Abels zal er daar­van een voor haar reken­ing nemen, gewijd aan het thema ‘vrouw en kerk in Gouda’.

VNK na 25 jaar Terug naar Gouda

In het gedenkwaardige jaar 1989, toen overal in de wereld muren geslecht wer­den en TerugnaarGoudahoop glo­orde, wer­den in Gouda ook ban­den ges­meed tussen mensen die voor­dien hoofdza­ke­lijk in geï­soleerde eigen krin­gen en zuilen ver­keer­den. Kerkhis­torici met zeer uiteen­lopende con­fes­sionele achter­grond von­den elkaar in de opricht­ing van een lan­delijke Verenig­ing voor Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis (VNK). In de grote Sint-Janskerk gaven ruim twee­hon­derd belang­stel­len­den hun fiat aan dit ini­ti­atief, vanuit de over­tuig­ing dat de kerkgeschied­schri­jv­ing in ons land toe was aan zo’n door­braak. Inmid­dels zijn we een kwart eeuw verder en is het tijd om de bal­ans op te maken. Wat heeft de VNK kun­nen beteke­nen voor de kerkgeschiede­nis? Heeft de kerkgeschiede­nis überhaupt nog wel toekomst en bestaan­srecht in deze snel sec­u­laris­erende samen­lev­ing? Kor­tom; is er wel reden voor een feestje?

Het VNK-bestuur nodigt alle leden uit om op 11 okto­ber 2014 opnieuw naar Gouda te komen om die (tussen)balans op te maken. Vol­gens een beproefde for­mule zal daar­bij de kerkgeschiede­nis van de stad van samenkomst de basis en het vertrekpunt vor­men voor deze Dag van de Ned­er­landse Kerkgeschiede­nis. In lezin­gen en een spe­ci­aal voor de gele­gen­heid samengestelde bun­del artike­len wordt stilges­taan wat wij in de afgelopen 25 jaar wijzer zijn gewor­den op het kerkhis­torisch vlak; wat betreft Gouda, en in breder opzicht ver­vol­gens ook in Ned­er­land als geheel. Prof.dr. Willem Fri­jhoff opent de dag met een lez­ing onder de feestelijke — maar door het vraagteken ook omineuze titel “Lang leve de Kerkgeschiede­nis?”. Ver­vol­gens zal de Goudse kerkhis­tori­cus Paul Abels de kerkhis­to­rie van zijn stad vergelijken met het lan­delijk normbeeld.

Veel van wat Abels te berde zal bren­gen is gebaseerd op onder­zoek van hemzelf in de afgelopen decen­nia, maar ook van vele anderen die zich in deze peri­ode met de Goudse geschiede­nis hebben bezigge­houden. His­torici als Marieke Abels, Henny van Dolder-de Wit, John Exalto, Gert­jan Glis­mei­jer, Koen Goudri­aan, Jan van Her­waar­den, Kees Plaizier, Mir­jam van Veen, Mar­i­anne van der Veer en Nico Haber­mehl pre­sen­teren in de bun­del Terug naar Gouda. Religieus leven in de maal­stroom van de tijd de nieuw­ste inzichten over de Goudse kerkgeschiede­nis en kop­pe­len die waar mogelijk aan een bredere trend in Ned­er­land. In het boek wordt daar­naast door Jan Jacobs, Paul Abels en Chris­ti­aan Ravens­ber­gen teruggekeken en nabeschouwd op de activiteiten van de VNK in de afgelopen 25 jaar. Het boek wordt, net als de eerste VNK-bundel In en om de Sint-Jan uit 1989, uit­gegeven in samen­werk­ing met His­torische Verenig­ing Die Goude.

Na het inhoudelijk deel van de bijeenkomst, dat wordt gehouden in de ‘Kleine Sint-Jan’, zoals de Oud-Katholieke Kerk aan de Hoge Gouwe ook wel wordt genoemd, kun­nen de deel­ne­mers kiezen uit ver­schil­lende the­marondlei­din­gen door Gouda. De dag wordt afges­loten met een receptie.

Kloppenboek: voor de klop of voor haar biechtvader?

Klop­pen zijn een typ­isch Noord-Nederlands ver­schi­jnsel. Klop­pen of geestelijke dochters thumb2_15a78a0c-06ca-11e4-8fc2-b5ed2cd10014waren vrouwen die bij gebrek aan de mogelijkheid om in kloost­ers te tre­den – die waren immers na het door­breken van de Refor­matie ver­bo­den — een geestelijk leven in de wereld lei­d­den. Deze bij­zon­dere groep vrouwen in de kerkgeschiede­nis heeft de afgelopen jaren steeds meer aan­dacht gekre­gen. Waar zij in de his­to­ri­ografie aan­vanke­lijk vooral geportret­teerd wer­den als vol­gzame, vrome vrouwen, wor­den zij in recen­tere onder­zoeken veeleer gep­re­sen­teerd als behoor­lijk zelf­s­tandige vrouwen die wel­be­wust kozen voor een ‘geestelijke staat’, om zo de gele­gen­heid te hebben zich met spir­i­tu­aliteit bezig te houden, het geloof te ver­brei­den, de ver­drukte kerk te onder­s­te­unen en de las­ten of gevaren van een man en het kraambed te ontlopen.

De klop­pen plaat­sten zich onder het gezag van een priester, die optrad als hun biecht­vader. Op zijn beurt prof­i­teerde de priester op vel­er­lei wijzen van de groep vrouwen die hij op deze manier om zich heen verza­melde. Zij hielpen hem bij de organ­isatie van het kerke­lijk leven, de cat­e­chisatie, het onder­houd van kerk en pas­to­rie en tal van andere bezighe­den die zijn kerk ten goede kwa­men. Boven­dien zor­gen kap­i­taalkrachtige klop­pen voor extra mid­de­len en tal­rijke schenkin­gen van kerkzil­ver, bor­du­ur­w­erk etc.

De dis­cussie tussen priesters en the­olo­gen over de klop­pen­staat is in de zeven­tiende eeuw heftig geweest. Er bestond veel onenigheid over de sta­tus van deze vrouwen en in welke mate ze vergeleken mochten wor­den met kloost­er­lin­gen. In de loop der tijd ver­sch­enen ver­schil­lende zoge­heten klop­pen­boeken, waarin biecht­vaders van klop­pen richtli­j­nen gaven hoe klop­pen een zo deugdzaam mogelijk leven dien­den te lij­den. Vaak betrof het mini­tieuze voorschriften hoe een klop haar dag diende in te delen, met wie ze mocht omgaan, hoe ze zich moest kle­den en nog veel meer.

De vraag is echter voor wie dergelijke klop­pen­boeken bedoeld waren. Vaak is aangenomen dat ze geschreven zijn voor voor vrouwen die klop waren of wilden wor­den. Er zijn echter ook his­torici die ver­moe­den dat de boeken vooral voor de priesters zelf waren bedoeld, om hen hou­vast te geven hoe ze met deze vrouwen dien­den om te gaan en welke richtli­j­nen zij hen moesten voorhouden. Er is twi­jfel of de klop­pen zelf deze boeken ook nauwkeurig hebben gespeld. In nalaten­schap­pen van klop­pen wor­den opval­lend weinig klop­pen­boeken aangetroffen.

Ook het gegeven dat klop­pen­boeken niet in groten getale zijn overgeleverd sterkt het ver­moe­den dat zij niet mas­saal gelezen zijn door de klop­pen zelf. Op veilin­gen en in thumb1_2272555a-06ca-11e4-932a-0a03053670df
anti­quar­i­aten zijn dergelijke boeken dan ook niet een­voudig te vin­den. Toch dook er onlangs een bij­zon­der gaaf exem­plaar op. Het betrof een Ned­er­landse ver­tal­ing van een oor­spronke­lijk in het Latijn gescheven klop­pen­boek van de Utrechtse priester Johannes Lin­den­born (1630–1698). Ook het feit dat het werk eerst in het Latijn ver­scheen wijst erop dat priesters en the­olo­gen de eigen­lijke doel­groep waren. In het Ned­er­lands heeft het boek als titel meegekre­gen: De leeder Jacobs. De Maeg­den die Godt met opzet van eeuwige reinigheit in de weereld dienen toe-gepast. Ver­taler was de priester Adri­anus Ter­lou. Het boek werd, net als zoveel Noord-Nederlandse katholieke boeken, zoge­naamd in Antwer­pen gedrukt en op naam gezet van Michiel Cnob­bert. In werke­lijkheid liet Lin­de­born de boeken van de persen komen bij Joachim à Mete­len, in zijn eigen woon­plaats Utrecht.

MH17 of de nietigheyt van ‘s mensen leven

Voor woens­dag 23 juli 2014 besloot het kabi­net een dag van nationale rouw af te kondi­gen in ver­band met het neer­halen  van de MH17 boven de Oekraïne. Bij deze ramp met een geza­men­lijke vlucht van Malaysia Air­ways en de KLM ver­loren bijna twee­hon­derd Ned­er­lan­ders het leven. Het fenomeen ‘Dag van Nationale Rouw’ was in Ned­er­land vri­jwel onbek­end, maar de roep om zo’n mogelijkheid van mas­saal medeleven met de slachtof­fers werd de afgelopen dagen steeds sterker. De vraag was echter hoe hier invulling aan gegeven zou moeten en kun­nen wor­den. De plechtighe­den con­cen­treer­den zich rond de terug­keer van de eerste tien­tallen stof­fe­lijke over­schot­ten op vliegveld Eind­hoven en de over­breng­ing van de kisten naar Hil­ver­sum, waar iden­ti­fi­catie zal plaatsvin­den. Er is een min­uut stilte in acht genomen en de kerkklokken zijn geluid. Maar voor het overige is de invulling overge­laten aan het par­ti­c­uliere ini­ti­atief. Uit Twit­ter­berichten blijkt dat op aller­lei manieren let­ter­lijk en figu­urlijk is stilges­taan bij het tragis­che lot van de pas­sagiers. Het kabi­net had alleen een vlag– en luidin­struc­tie gegeven en liet de verdere invulling over aan het ini­ti­atief van burg­ers. De wijze waarop dit werd opgepikt maakt weer eens duidelijk dat spon­tan­iteit niet geor­gan­iseerd hoeft te wor­den, maar het meest geloofwaardig is als het van onderop komt; vanuit de samen­lev­ing zelf.

Prent Het zal toe­val zijn geweest, maar uit­gerek­end in deze tri­este dagen kreeg ik per mail van een lezer, de heer Frans Lau­ren­tius uit Mid­del­burg, een foto toeges­tu­urd van een achttiende-eeuwse prent met een wel zeer toepas­selijk thema: de nietigheyt van ‘s mensen leven.  Bij een ramp als deze wordt ieder mens onver­mi­jdelijk terugge­wor­pen op dit besef, zij het voor velen niet meer religieus ingek­leurd zoals in die dagen gebruike­lijk. De afbeeld­ing die mij werd toege­zon­den betreft een prent die is gedrukt in Haar­lem door M. Clyn­hens en blijkt exact zelfde prent die ik vorig jaar wist te bemachti­gen. Mijn exem­plaar werd echter niet in Haar­lem gedrukt, maar in Gouda door de boek­drukker Lukas Klop­pen­burg. Grote ver­schil is echter dat de Haar­lemse prent fraai met de hand is ingek­leurd. DSC06094 De stichtelijke tekst op de prent is van de hand van de Goudse dichter Jan van Hoogstraten (1662–1736). Hij woonde van 1697 tot 1718 in Gouda, waar hij werkzaam was als “com­mis ter Recherge van d’admodiatie wegens ‘t Ed. mo: col­legie ter admi­raliteyt op de Mase”, een soort FIOD (Fis­cale Opsporings– en Inlichtin­gen­di­enst). Hij genoot de bescherming van twee vooraanstaande regen­ten, Gov­aert Cincq en Arent van der Burgh en woonde aan de West­haven. Hij ver­loor hun steun na een con­flict over de uit­gave van een bun­del van de dichter Dul­laert en werd daarom overge­plaatst naar Tiel. De prent wordt niet ver­meld in STCN. Zij is slechts bek­end uit J.G. Fred­eriks en F.Jos. van den Bran­den, Biographisch woor­den­boek Biographisch woor­den­boek der Noord– en Zuidned­er­land­sche let­terkunde (Ams­ter­dam 1888–1891), waar het blad staat omschreven als “Zin­neprent in ver­schei­j­den ver­sjes, bestaande op de nietigheid des men­sche­lijken lev­ens (in plano)”. Vraag aan de lez­ers: zijn er meer edi­ties bek­end van deze prent dan de Haar­lemse en de Goudse?

Nico Habermehl ereburger van de stad Gouda

Tij­dens een repeti­tie met het shanti-koor West-Zuid-West in de Speel­winkel van Sari NicoADDonk aan de Raam, werd his­tori­cus Nico Haber­mehl op don­derda­gavond 17 juli ver­rast door de Goudse burge­meester Milo Schoen­maker met het ere­burg­er­schap van de stad Gouda. Hij kri­jgt deze onder­schei­d­ing voor zijn hele his­torische oeu­vre en zijn inzet voor de geschied­schri­jv­ing van de stad. De over­rompelde ere­burger had na de toe­spraak van de burge­meester maar weinig tijd nodig om zich te her­vat­ten en hield een zeker 20 minuten durende humor­volle toe­spraak, waarin hij de aan­wezige fam­i­lie en vrien­den bedankte voor hun aan­wezigheid en aan­dacht. Ook het shanti-koor zwaaide hij lof toe en hij liet ook niet na de burge­meester op het hart te drukken dat de Speel­winkel haar belan­grijke rol in de Raam­bu­urt ook in de toekomst te laten vervullen.

Nico Habermehl en zijn vrouw Jeanette samen met schrijver dezes. Foto Marianka Peters.

Nico Haber­mehl en zijn vrouw Jeanette samen met schri­jver dezes. Foto Mar­i­anka Peters.

Boeken met een patina van de tijd

De mooiste oude boeken zijn voor mij niet de gaaf­ste en onbeduimelde exem­plaren, maar boeken die over­duidelijk gelezen, gebruikt en door­leefd zijn. Zij moeten een patina van de tijd hebben. Een oud boek komt het meest tot leven door zoge­heten prove­nence of pedigree-gegevens, dat wil zeggen aan­tekenin­gen of opdrachten van of over een vorige eige­naar. Ook aan­tekenin­gen of tekeninget­jes van eerdere lez­ers in de marge, op schut­bladen of op andere plekken geven het boek een uniek karak­ter. Een enkele keer zijn boeken zelfs spe­ci­aal voor gedrukt om erin te schri­jven, zoals een almanak of de onlangs op deze plek bespro­ken Schreibkalen­der. De aard en het dagelijks gebruik van som­mige boeken leen­den zich soms bij uit­stek voor doorhalin­gen, aan­vullin­gen en kant­tekenin­gen met de pen. Van deze laat­ste cat­e­gorie vond ik de afgelopen week een bij­zon­der exem­plum op de Haagse boeken­markt op de Korte Voorhout.

DSC07419

Het boek dat ik op deze markt wist te bemachti­gen betreft een juridisch werk uit 1618. Het bevat een beschri­jv­ing van de rechts­gang bij de zoge­heten sou­vere­ine Raad van Bra­bant en de Lan­den van Over­maze, uit­gegeven op last van de Aartsher­to­gen Albert en Isabella in Brus­sel. Drukker was Huy­brecht Anthoon, “gheswooren Boeck-vercooper ende Drucker van­den Hove, woo­nende inden gulden Arent bij t’Hoff”. De Raad van Bra­bant was sinds de dagen van Fil­ips de Goede (1430) het hoog­ste rechtscol­lege in het aloude her­tog­dom Bra­bant. Dit her­tog­dom raakte door de opstand tegen de Kon­ing van Spanje aan het eind van de zestiende eeuw echter ver­scheurd in twee delen, een Spaans deel en een Staats deel, dat onder gezag kwam van de Staten-Generaal in Den Haag. Ten beho­eve van het Staatse deel van Bra­bant werd in 1586 een eigen Raad van Bra­bant in het leven geroepen, waar­bij de bestaande recht­sregels en gewoon­ten van de Brus­selse Raad van Bra­bant zoveel mogelijk wer­den gekopieerd. De bestaande instruc­tie was op dat moment een ordon­nantie van Karel V van 1558. In 1604 werd deze ver­van­gen door de Ordi­nan­cie op de Styl ende Maniere van Pro­ceren van­den Sou­vere­inen Raede van Bra­bant ende Lan­den van Over­maze van genoemde aartsher­to­gen. Mijn uit­gave van deze Ordi­nan­cie DSC07421betreft dus een nieuwe druk uit 1618. Met uit­zon­der­ing van enkele in het Noor­den niet-bestaande func­ties, zoals die van kanse­lier en rek­west­meesters, nam Den Haag deze regel­gev­ing stilzwi­j­gend over. Toch is er op last van de Staten-Generaal nog lang getra­cht op basis van deze Alber­tine ordon­nantie een eigen ordon­nantie te ontwer­pen, aangepast aan de Noordelijke mores. Het duurde tot 1662 voor­dat het ontwerp hier­voor, opgesteld door de Raad van State, in con­cept aan de Staten-Generaal kon wor­den voorgelegd. De Haagse regen­ten kon­den het echter niet eens wor­den over de tekst, zodat de wet er nooit is gekomen. Gevolg hier­van was dat De Raad van Bra­bant in Den Haag tot zijn oph­eff­ing in 1795 heeft gew­erkt op basis van de Alber­tine van 1604, die op basis van de dagelijkse prak­tijk bij tijd en wijlen werd aangepast. Vol­gens B.C.M. Jacobs (“Pro­ce­dur­eregels en pro­ce­sprak­tijk in Staats-Brabant”, in: C.H. van Rhee, F. Stevens, E. Per­soons (red.) Voortschri­j­dend pro­ces­recht. Een his­torische verken­ning) werd die pro­ce­sprak­tijk zowel beïn­vloed door de prak­tijk in Brus­sel als door die van de hoge rechtscol­leges van Hol­land aan het Binnenhof.

De ingewikkelde recht­sprak­tijk van de Raad van Bra­bant verk­laart in hoge mate waarom mijn exem­plaar van de Ordi­nan­cie uit 1618 zoveel aan­tekenin­gen bevat. Vooral een zekere J. Cor­nets (mogelijk de notaris Jean Cor­nets, werkzaam in Brus­sel in de jaren 1664–1673), die blijkens een eigen­dom­sin­schri­jv­ing in 1663 eige­naar werd van het boek, heeft met de hand vele noti­ties in het Ned­er­lands, Frans en Latijn in het boek aange­bracht. Hij noteerde onder meer wet­saan­passin­gen vanaf 1312, een naam­li­jst van kanse­liers vanaf 1429 en vele — geanon­imiseerde en tijd­loos gemaakte — zaken. Miss­chien is het niet toe­val­lig dat hij uit­gerek­end een jaar nadat de concept-versie van een Staatse Ordi­nan­cie in Den Haag naar de prul­len­bak was ver­wezen, begonnen is met het opschri­jven van afwijkin­gen, veran­derin­gen en jurispru­den­cie. De marges waren daar­voor veel te smal, want op diverse plekken in het boek zijn bladen met zijn aan­tekenin­gen toegevoegd, eve­nals een groot extra katern vol met pro­ces­beschri­jvin­gen aan het eind. Daar­voor moest het boek waarschi­jn­lijk uit de band wor­den gehaald en opnieuw inge­bon­den met de man­u­script­bladen. Hele­maal zorgvuldig is de boek­binder echter niet tew­erkge­gaan, want het boek­blok zit thans omge­keerd in de orig­inele band waar­door de rugti­tel op de kop staat. Mede door deze toe­s­tand zorgt zo’n boek ervoor dat het verleden bijna aan­raak­baar wordt.

 

De Goudse Catechismus (1607) en een Goudse catechismus (2014)

De Goud­sche Cat­e­chis­mus zorgde er in 1607 voor dat Gouda de woede van heel 070720102752calvin­is­tisch Ned­er­land over zich afriep. In plaats van de Hei­del­bergse Cat­e­chis­mus, die bin­nen de gere­formeerde kerk ver­plicht was gesteld om de gelovi­gen de leer van Calvijn in te scher­pen, koos het lib­er­ti­jnse Gouda voor een veel milder en ruimer leer­boek, dat om die reden door de tegen­standers smal­end werd aange­duid als een “schoen die iedereen past”. Schri­jvers en ‘gebruik­ers’ van de Goudse Cat­e­chis­mus waren de remon­strantse predikan­ten Eduard Pop­pius, Har­boldus Thomber­gen en  Dirck Her­bers. Het liep niet goed af met deze voor­gangers. Zij wer­den door  de Syn­ode van Dor­drecht in 1618 uit de gere­formeerde kerk gezet en ver­vol­gens uit het land en uit hun ambt gezet. Zie over de achter­gron­den http://www.goudsecanon.nl/15/1607/De-Goudse-Catechismus/

Van de roem­ruchte Goud­sche Cat­e­chis­mus, met als titel Korte onder­wi­js­inghe der VNK25GlismijerAfbCatechsismus2kinderen in de chris­telijcke religie, zijn maar enkele exem­plaren overgeleverd. Gelukkig bevindt zich in de Goudse Lib­rije, de oude stads­boek­erij die in bewar­ing is gegeven aan het Streekarchief Midden-Holland, nog een exem­plaar van dit werkje dat gedrukt werd door Jacobus Migoen, die woonde en werkte in de drukkerij ‘In de lad­der Jacobs’ aan Achter de Vis­markt. Op veilin­gen of bij anti­quar­i­aten is nim­mer een exem­plaar aange­bo­den. De kans dat ik ooit de hand zou kun­nen leggen op dit werkje is dan ook nihil. De ware boeken­sne­u­per gaat in dat geval op zoek naar een alter­natief, dat op z’n minst enigszins tege­moet komt aan zijn ontem­bare bezitsdrang.

thumb.php

Daar­door ben ik sinds van­daag in het gelukkige bezit van een Goudse cat­e­chis­mus. EEN, niet DE. Het betreft ook geen exem­plaar van papier, maar in oliev­erf, van de hand van de fijn­schilder Ruud Verk­erk en ver­vaardigd in zijn ate­lier aan de Lage Gouwe; op Goudse bodem dus. Met zijn fijne penseel heeft hij een oude ‘katholieke cat­e­chis­mus’ uit de vroege acht­tiende eeuw geschilderd, waar­van de ver­sleten rug de bindin­gen en rafels een fraai lij­nen­spel vor­men. Het gaat om een boekje dat hij jaren gele­den in deze toe­s­tand op de Raam kocht tij­dens de vri­j­markt op Koninginnedag. De titel van het werkje luidt: Med­i­ta­tien tot de H. Com­mu­nie op alle de sonda­gen en andere hoog-tijdagen des jaers. Schri­jver was Abra­ham van der Mat (pseudoniem voor de Utrechtse priester Abra­ham van Brienen (1606–1683). Het betreft een her­druk uit 1709, gedrukt in Antwer­pen en uit­gegeven in Lei­den door de boek­drukker en boekverkoper Chris­tianus Ver­mey. Dezelfde drukker zou vier jaar later overi­gens met zijn Goudse collega’s, de stads­drukkers Johannes en Andries Enden­burg, de allereer­ste stads­geschiede­nis van Gouda van de persen laten komen, geschreven door de pas­toor Ignatius Walvis.

Het­zelfde lij­nen­spel en de kleurstelling van de ‘cat­e­chis­mus’ zetten zich op het schilderij voort in een schelp die Verk­erk bovenop het boekje heeft gelegd. Wereld­wijd is de schelp een sym­bool bij begrafenis­riten, bedoeld om een overledene een aan­ge­naam lot in het hier­na­maals te wensen. In die zin is dit een toepas­selijk sym­bool in com­bi­natie met een cat­e­chis­mus, aangezien een dergelijk leer­boek ook de weg naar heil­szek­er­heid wil wijzen. In de Hei­del­berger is deze weg geplaveid met onzek­er­heid, opof­fer­ing en de absolute afhanke­lijkheid van de almachtige God.  Het Goudse leer­boek daar­ente­gen was min­der veeleisend en bood  - bij alle gevraagde toewi­jd­ing aan God — uitein­delijk meer ruimte voor de vrije wil van de mens.

In oliev­erf op paneel heb ik nu toch mijn Goudse cat­e­chis­mus. Van de schilder heb ik het boekje, fraai ver­sierd met prenten, erbij gekregen.

Erasmus en Coornhert op Goudse pijpen ge-eerd

Geen andere stad in Ned­er­land heeft zoveel profijt van pro­duc­ti­den­ti­fi­catie als Gouda. Zelfs in de ver­ste uithoeken van de wereld kent iedereen Goudse kaas, maar ook Goudse stroop­wafels, Gouds aardew­erk en Goudse pijpen geni­eten brede bek­end­heid.  Ook het

Adrie Moerings (1939-2010)

Adrie Moer­ings (1939–2010)

Kees Moerings

Kees Moer­ings

laat­stge­noemde gereed­schap heeft tot op de dag van van­daag zijn naams­bek­end­heid behouden, zelfs nu roken bijna tot crim­inele daad is verk­laard wegens evi­dente gezondheidsrisico’s en het pijpro­ken is gewor­den tot een bezigheid voor zon­der­lin­gen. De herin­ner­ing wordt lev­end gehouden door vele Hol­landse meesters, die op hun zeven­tiende– en achttiende-eeuwse schilder­i­jen veelvuldig pijpro­k­ende man­nen hebben afge­beeld, soms schri­jlings zit­tend op een spe­ciale pijpro­kersstoel. Bij Ned­er­lands oud­ste tabak­swinkel van Loed van Vreumin­gen aan de Wijd­straat zijn nog steeds Goudse pijpen te koop, al zullen er weini­gen zijn die nog met tabak zullen wor­den gestopt om er het vuur in te ontsteken. Het zijn nu de toeris­ten die de pijpen aan­schaf­fen om als sou­venir aan de muur te hangen of in de kast te leggen.

Ooit was het anders. Eeuwen­lang was de pijpen­mak­erij een belan­grijke kurk onder de stedelijke economie en werd dankbaar gebruik gemaakt van de Ned­er­landse riv­ierklei soldier_smokingom de pijp vorm te geven en turf om de ovens bran­dend te houden. Toch zou het een mis­ver­stand zijn om te denken dat de Goudse pijp een Hol­landse uitvin­d­ing zou zijn. Het waren Engelse sol­daten, als huurl­ing in dienst van het Staatse leger, die het pijpro­ken in deze streken intro­duceer­den. Toen het Twaalf­jarig Bestand aan­brak en er geen emplooi meer voor hen was als mil­i­tair, zagen som­mi­gen een gat in de markt en begonnen zelf pijpen te pro­duc­eren. De eerste Engels­man die ongeveer vanaf 1617 het rookgerei in Gouda ging pro­duc­eren was William Baer­neltss, die een pijpen­mak­erij begon bij zijn huis aan Achter de Vis­markt. Voor het bakken van de kleip­i­jpen kon­den hij en zijn navol­gers een beroep doen op de vele pot­ten­bakkers in de stad, die in ver­band met hun kwi­j­nende ner­ing met graagte hun ovens aan de pijpen­mak­ers beschik­baar stelden.

pijpetalage

De pijpen­mak­erij groeide uit tot een bloeiende ner­ing. Aan­vanke­lijk waren het vooral nog Engelsen die er hun brood mee ver­di­en­den, maar rond 1640 wer­den zij met hun aan­tal van 45 reeds overvleugeld door de Hol­lan­ders. In 1660 werd een pijpen­mak­ers­gilde opgericht, om de belan­gen van de vele vakgenoten te bun­de­len en te behar­ti­gen. Op haar hoogtepunt, in de tweede helft van de acht­tiende eeuw, telde de stad maar liefst 371 pijpen­mak­ers en waren er in totaal zelfs rond de 1000 mensen in deze bedri­jf­s­tak werkzaam. Daarna begon, onder invloed van buiten­landse con­cur­ren­tie,  een terug­gang die niet meer te stu­iten viel.  De Goudse pijp was inmid­dels echter niet louter een prod­uct, maar een merk­naam. Op veel plekken in Europa wer­den de Goudse pijpen een­voudig­weg nagemaakt.

De laat­ste pijp­mak­erij in Gouda, van Adrie Moer­ings hield op te bestaan toen hij in 2007 adriebedanktziek werd. Jaren­lang had deze pijp­maker in zijn ate­lier aan de Peper­straat drom­men toeris­ten ingewijd in de geheimen van zijn vak. Lang leek het erop dat Gouda het na vier eeuwen voor het eerst zou moeten stellen zon­der pijpen­maker. Zover liet Kees Moer­ings, broer van Adrie, het echter niet komen. Als liefheb­berij houdt hij zich nu bezig met pijp­maken, onder de naam Goud­sche Pijpen­mak­erij De Witte Kees. Het meesterteken dat Moer­ings, net als de pijpen­mak­ers in vroeger tijd, afdrukt op zijn pijpen is net als de naam van zijn pijpen­mak­erij ontleend aan zijn bij­naam: de Witte Kees en toont eenUnknown with­arige keeshond. Moer­ings schept er een genoe­gen in pijpen te maken voor spe­ciale gele­gen­heden en met spe­ciale onder­w­er­pen. Voor de Goudse Keramiekda­gen rond Hemel­vaart 2014 ontwierp hij een vier­tal pijpen met afbeeldin­gen van his­torische beroemd­he­den uit de stad: Eras­mus, Coorn­hert en Anna Bar­bara van Meerten-Schilperoort. In het geval van Eras­mus kon hij het niet laten de Goudse claim dat diens wieg niet in Rot­ter­dam maar hier heeft ges­taan, op de pijp tot uit­drukking te laten komen. Of Eras­mus blij mee zou zijn geweest, zullen we nooit weten, even­min of hij een roker zou zijn geworden.

patrick_vermeulenOveri­gens is Kees Moer­ings gelukkig niet meer de enige de enige pijpen­maker in Gouda die het vuurtje bran­dend houdt. Ook Gouwe­naar Patrick Ver­meulen is part-time pijpen­maker en heeft er met de Sticht­ing voor gezorgd dat het pijpen­mak­ersvak in decem­ber 2013 door UNESCO erk­end is als imma­terieel erf­goed en is geplaatst op “Mas­ter­pieces of the Oral and Intan­gi­ble Her­itage of Human­ity”-lijst. Het voortbestaan van de Goudse pijp heeft even aan een zij­den draadje gehangen, maar met deze ini­ti­atieven gloort er weer zon­licht door de (rook)wolken.

Schreibkalender of Historienkalender als historische bron

Onlangs werd op een boeken­veil­ing een incom­pleet exem­plaar aange­bo­den van een zoge­heten Schreibkalen­der of His­to­rienkalen­der uit 1587. Zoals de naam al aangeeft gaat het om een Duits druk­w­erk. Wat het boek bij­zon­der maakt, zijn de vele aan­tekenin­gen die door de eeuwen heen door ver­schil­lende per­so­nen in het boek zijn gemaakt. Het maken van aan­tekenin­gen in het boek was van meet af aan ook de bedoel­ing. Elke dag van het jaar begint op een nieuwe pag­ina, met een aan­tal bek­ende en min­der bek­ende his­torische gebeurtenis­sen die op deze dag in de eeuwen daar­voor hebben plaats­gevon­den. Daarna wordt voor de eigenaar/gebruiker ruimte open­ge­laten voor aantekeningen.

Kalender16

De Schreibkalen­der was in de Duitse gebieden vanaf het mid­den van de zestiende eeuw een zeer pop­u­lair genre, waar­bij het “Cal­en­dar­ium His­toricum” uit 1550 van Paul Eber het pro­to­type was, dat in een gelijk­namige ver­sie van Kas­par Goldtwurm uit 1554 een pop­u­laire navol­ger kreeg. Verder was ook het Cal­en­dar­ium Sanc­to­rum et His­to­ri­arum van de lutherse predikant Andreas Hon­dorff uit Sak­sen, voort­gezet door Vin­cenz Sturm, veel gelezen en gebruikt. Tussen 1573 en 1610 ver­sch­enen zes ver­schil­lende edi­ties van deze kalen­der. In Ned­er­land heeft een dergelijk fenomeen bij mijn weten niet of nauwelijks ingang gevon­den. Boek­w­erken als deze waren bedoeld om aan te vullen met per­soon­lijke aan­tekenin­gen en wer­den – vooral in adel­lijke kring — gen­er­aties lang in fam­i­lies bijge­houden en bewaard. Voor Duitse his­torici zijn deze Schriebkalen­der, die zich bevin­den op het sni­jvlak van oude drukken en man­u­scripten, een belan­grijke bron van onderzoek.

Omdat de titel­pag­ina en het voor­w­erk van de op de veil­ing aange­bo­den kalen­der Kalender25ont­breken, is het onbek­end wie de auteur is en waar of door wie zij gedrukt is. De oud­ste inschri­jv­ing is van 22 april 1587 en betreft een ver­meld­ing van het over­li­j­den van Matthias Cöler (Colerus), hoogler­aar rechtsweten­schap­pen aan de uni­ver­siteit van Jena (ca. 1530–1587). De kalen­der bevat vele tien­tallen andere inschri­jvin­gen, enkele voorzien van (resten van) lakzegels. Het betreft vaak ster­fgevallen, dopen en huwelijken, maar ook mis­daden, natu­urver­schi­jnse­len etc. Veel inscrip­ties betr­e­f­fen leden van een fam­i­lie Ziege uit Pop­pel, ten noor­den van Jena. Maar er wor­den ook andere namen ver­meld, zoals de organ­ist Johann Christoph Richter (1700–1785) uit Dresden.

Onze kalen­der lijkt, qua aan­dacht voor de joodse en Romeinse kalen­der en de geografis­che achter­grond van de auteur, het dichtst bij de ver­sie van Hondorff-Sturm te liggen, waar­van ook  in 1587 eve­neens een exem­plaar ver­scheen. Toch zijn er forse ver­schillen. Dat het bij ons ook om een uit­gave uit 1587 gaat, is niet alleen op te maken uit de vroeg­ste inscrip­tie, maar ook uit een tekst aan het eind van de kalen­der: “Das 1588. Jar nim war / Geschicht nichts newes / so verge­het die Welt gar”.

Zoektocht naar Kluitmanbeeld nu ook via AD

De foto van het mon­u­men­tje dat ooit op het graf van de Goudse onder­wi­jzer Mar­t­i­nus Hen­drikus Kluit­man sierde heeft de nodige nieuws­gierigheid gewekt in de stad. Het bestaan van het beeld werd bek­end dankzij het fraaie jubileum­boek van de Alk­maarse uit­gev­erij van jeugdboeken, Kluit­man. Met kap­i­taal van de Goudse onder­wi­jzer kon zijn zoon Pieter 150 jaar gele­den de basis leggen voor dit suc­cesvolle boekenbedrijf. Dankbare leer­lin­gen van Kluit­man sr. schonken in 1883 het beeld dat te zien is op de foto. Vol­gens Koos Mas­sur, die met zijn Sticht­ing Oude Begraaf­plaats inmid­dels een schat aan gegevens over deze dode­nakker bijeenge­bracht heeft op een prachtige web­site (vorig jaar nog bekroond met de Jan Kompagnie-prijs van het Nation­aal Archief), is het veruit de oud­ste foto van de begraaf­plaats. In meerdere opzichten is de foto hier­mee een belan­grijke bron van infor­matie. De op het oog grote kwets­baarheid van het mon­u­men­tje doet vrezen dat daar niets meer van over is. Om toch een poging te wagen om te achter­halen of er nog iemand in Gouda in leven is die zich nog iets herin­nert van het beeld en van het lot daar­van, is ook het lokale dag­blad  AD-Groene Hart ingeschakeld.

KluitmanKrant