MH17 of de nietigheyt van ‘s mensen leven

Voor woens­dag 23 juli 2014 besloot het kabi­net een dag van nationale rouw af te kondi­gen in ver­band met het neer­halen  van de MH17 boven de Oekraïne. Bij deze ramp met een geza­men­lijke vlucht van Malaysia Air­ways en de KLM ver­loren bijna twee­hon­derd Ned­er­lan­ders het leven. Het fenomeen ‘Dag van Nationale Rouw’ was in Ned­er­land vri­jwel onbek­end, maar de roep om zo’n mogelijkheid van mas­saal medeleven met de slachtof­fers werd de afgelopen dagen steeds sterker. De vraag was echter hoe hier invulling aan gegeven zou moeten en kun­nen wor­den. De plechtighe­den con­cen­treer­den zich rond de terug­keer van de eerste tien­tallen stof­fe­lijke over­schot­ten op vliegveld Eind­hoven en de over­breng­ing van de kisten naar Hil­ver­sum, waar iden­ti­fi­catie zal plaatsvin­den. Er is een min­uut stilte in acht genomen en de kerkklokken zijn geluid. Maar voor het overige is de invulling overge­laten aan het par­ti­c­uliere ini­ti­atief. Uit Twit­ter­berichten blijkt dat op aller­lei manieren let­ter­lijk en figu­urlijk is stilges­taan bij het tragis­che lot van de pas­sagiers. Het kabi­net had alleen een vlag– en luidin­struc­tie gegeven en liet de verdere invulling over aan het ini­ti­atief van burg­ers. De wijze waarop dit werd opgepikt maakt weer eens duidelijk dat spon­tan­iteit niet geor­gan­iseerd hoeft te wor­den, maar het meest geloofwaardig is als het van onderop komt; vanuit de samen­lev­ing zelf.

Prent Het zal toe­val zijn geweest, maar uit­gerek­end in deze tri­este dagen kreeg ik per mail van een lezer, de heer Frans Lau­ren­tius uit Mid­del­burg, een foto toeges­tu­urd van een achttiende-eeuwse prent met een wel zeer toepas­selijk thema: de nietigheyt van ‘s mensen leven.  Bij een ramp als deze wordt ieder mens onver­mi­jdelijk terugge­wor­pen op dit besef, zij het voor velen niet meer religieus ingek­leurd zoals in die dagen gebruike­lijk. De afbeeld­ing die mij werd toege­zon­den betreft een prent die is gedrukt in Haar­lem door M. Clyn­hens en blijkt exact zelfde prent die ik vorig jaar wist te bemachti­gen. Mijn exem­plaar werd echter niet in Haar­lem gedrukt, maar in Gouda door de boek­drukker Lukas Klop­pen­burg. Grote ver­schil is echter dat de Haar­lemse prent fraai met de hand is ingek­leurd. DSC06094 De stichtelijke tekst op de prent is van de hand van de Goudse dichter Jan van Hoogstraten (1662–1736). Hij woonde van 1697 tot 1718 in Gouda, waar hij werkzaam was als “com­mis ter Recherge van d’admodiatie wegens ‘t Ed. mo: col­legie ter admi­raliteyt op de Mase”, een soort FIOD (Fis­cale Opsporings– en Inlichtin­gen­di­enst). Hij genoot de bescherming van twee vooraanstaande regen­ten, Gov­aert Cincq en Arent van der Burgh en woonde aan de West­haven. Hij ver­loor hun steun na een con­flict over de uit­gave van een bun­del van de dichter Dul­laert en werd daarom overge­plaatst naar Tiel. De prent wordt niet ver­meld in STCN. Zij is slechts bek­end uit J.G. Fred­eriks en F.Jos. van den Bran­den, Biographisch woor­den­boek Biographisch woor­den­boek der Noord– en Zuidned­er­land­sche let­terkunde (Ams­ter­dam 1888–1891), waar het blad staat omschreven als “Zin­neprent in ver­schei­j­den ver­sjes, bestaande op de nietigheid des men­sche­lijken lev­ens (in plano)”. Vraag aan de lez­ers: zijn er meer edi­ties bek­end van deze prent dan de Haar­lemse en de Goudse?

Nico Habermehl ereburger van de stad Gouda

Tij­dens een repeti­tie met het shanti-koor West-Zuid-West in de Speel­winkel van Sari NicoADDonk aan de Raam, werd his­tori­cus Nico Haber­mehl op don­derda­gavond 17 juli ver­rast door de Goudse burge­meester Milo Schoen­maker met het ere­burg­er­schap van de stad Gouda. Hij kri­jgt deze onder­schei­d­ing voor zijn hele his­torische oeu­vre en zijn inzet voor de geschied­schri­jv­ing van de stad. De over­rompelde ere­burger had na de toe­spraak van de burge­meester maar weinig tijd nodig om zich te her­vat­ten en hield een zeker 20 minuten durende humor­volle toe­spraak, waarin hij de aan­wezige fam­i­lie en vrien­den bedankte voor hun aan­wezigheid en aan­dacht. Ook het shanti-koor zwaaide hij lof toe en hij liet ook niet na de burge­meester op het hart te drukken dat de Speel­winkel haar belan­grijke rol in de Raam­bu­urt ook in de toekomst te laten vervullen.

Nico Habermehl en zijn vrouw Jeanette samen met schrijver dezes. Foto Marianka Peters.

Nico Haber­mehl en zijn vrouw Jeanette samen met schri­jver dezes. Foto Mar­i­anka Peters.

Boeken met een patina van de tijd

De mooiste oude boeken zijn voor mij niet de gaaf­ste en onbeduimelde exem­plaren, maar boeken die over­duidelijk gelezen, gebruikt en door­leefd zijn. Zij moeten een patina van de tijd hebben. Een oud boek komt het meest tot leven door zoge­heten prove­nence of pedigree-gegevens, dat wil zeggen aan­tekenin­gen of opdrachten van of over een vorige eige­naar. Ook aan­tekenin­gen of tekeninget­jes van eerdere lez­ers in de marge, op schut­bladen of op andere plekken geven het boek een uniek karak­ter. Een enkele keer zijn boeken zelfs spe­ci­aal voor gedrukt om erin te schri­jven, zoals een almanak of de onlangs op deze plek bespro­ken Schreibkalen­der. De aard en het dagelijks gebruik van som­mige boeken leen­den zich soms bij uit­stek voor doorhalin­gen, aan­vullin­gen en kant­tekenin­gen met de pen. Van deze laat­ste cat­e­gorie vond ik de afgelopen week een bij­zon­der exem­plum op de Haagse boeken­markt op de Korte Voorhout.

DSC07419

Het boek dat ik op deze markt wist te bemachti­gen betreft een juridisch werk uit 1618. Het bevat een beschri­jv­ing van de rechts­gang bij de zoge­heten sou­vere­ine Raad van Bra­bant en de Lan­den van Over­maze, uit­gegeven op last van de Aartsher­to­gen Albert en Isabella in Brus­sel. Drukker was Huy­brecht Anthoon, “gheswooren Boeck-vercooper ende Drucker van­den Hove, woo­nende inden gulden Arent bij t’Hoff”. De Raad van Bra­bant was sinds de dagen van Fil­ips de Goede (1430) het hoog­ste rechtscol­lege in het aloude her­tog­dom Bra­bant. Dit her­tog­dom raakte door de opstand tegen de Kon­ing van Spanje aan het eind van de zestiende eeuw echter ver­scheurd in twee delen, een Spaans deel en een Staats deel, dat onder gezag kwam van de Staten-Generaal in Den Haag. Ten beho­eve van het Staatse deel van Bra­bant werd in 1586 een eigen Raad van Bra­bant in het leven geroepen, waar­bij de bestaande recht­sregels en gewoon­ten van de Brus­selse Raad van Bra­bant zoveel mogelijk wer­den gekopieerd. De bestaande instruc­tie was op dat moment een ordon­nantie van Karel V van 1558. In 1604 werd deze ver­van­gen door de Ordi­nan­cie op de Styl ende Maniere van Pro­ceren van­den Sou­vere­inen Raede van Bra­bant ende Lan­den van Over­maze van genoemde aartsher­to­gen. Mijn uit­gave van deze Ordi­nan­cie DSC07421betreft dus een nieuwe druk uit 1618. Met uit­zon­der­ing van enkele in het Noor­den niet-bestaande func­ties, zoals die van kanse­lier en rek­west­meesters, nam Den Haag deze regel­gev­ing stilzwi­j­gend over. Toch is er op last van de Staten-Generaal nog lang getra­cht op basis van deze Alber­tine ordon­nantie een eigen ordon­nantie te ontwer­pen, aangepast aan de Noordelijke mores. Het duurde tot 1662 voor­dat het ontwerp hier­voor, opgesteld door de Raad van State, in con­cept aan de Staten-Generaal kon wor­den voorgelegd. De Haagse regen­ten kon­den het echter niet eens wor­den over de tekst, zodat de wet er nooit is gekomen. Gevolg hier­van was dat De Raad van Bra­bant in Den Haag tot zijn oph­eff­ing in 1795 heeft gew­erkt op basis van de Alber­tine van 1604, die op basis van de dagelijkse prak­tijk bij tijd en wijlen werd aangepast. Vol­gens B.C.M. Jacobs (“Pro­ce­dur­eregels en pro­ce­sprak­tijk in Staats-Brabant”, in: C.H. van Rhee, F. Stevens, E. Per­soons (red.) Voortschri­j­dend pro­ces­recht. Een his­torische verken­ning) werd die pro­ce­sprak­tijk zowel beïn­vloed door de prak­tijk in Brus­sel als door die van de hoge rechtscol­leges van Hol­land aan het Binnenhof.

De ingewikkelde recht­sprak­tijk van de Raad van Bra­bant verk­laart in hoge mate waarom mijn exem­plaar van de Ordi­nan­cie uit 1618 zoveel aan­tekenin­gen bevat. Vooral een zekere J. Cor­nets (mogelijk de notaris Jean Cor­nets, werkzaam in Brus­sel in de jaren 1664–1673), die blijkens een eigen­dom­sin­schri­jv­ing in 1663 eige­naar werd van het boek, heeft met de hand vele noti­ties in het Ned­er­lands, Frans en Latijn in het boek aange­bracht. Hij noteerde onder meer wet­saan­passin­gen vanaf 1312, een naam­li­jst van kanse­liers vanaf 1429 en vele — geanon­imiseerde en tijd­loos gemaakte — zaken. Miss­chien is het niet toe­val­lig dat hij uit­gerek­end een jaar nadat de concept-versie van een Staatse Ordi­nan­cie in Den Haag naar de prul­len­bak was ver­wezen, begonnen is met het opschri­jven van afwijkin­gen, veran­derin­gen en jurispru­den­cie. De marges waren daar­voor veel te smal, want op diverse plekken in het boek zijn bladen met zijn aan­tekenin­gen toegevoegd, eve­nals een groot extra katern vol met pro­ces­beschri­jvin­gen aan het eind. Daar­voor moest het boek waarschi­jn­lijk uit de band wor­den gehaald en opnieuw inge­bon­den met de man­u­script­bladen. Hele­maal zorgvuldig is de boek­binder echter niet tew­erkge­gaan, want het boek­blok zit thans omge­keerd in de orig­inele band waar­door de rugti­tel op de kop staat. Mede door deze toe­s­tand zorgt zo’n boek ervoor dat het verleden bijna aan­raak­baar wordt.

 

De Goudse Catechismus (1607) en een Goudse catechismus (2014)

De Goud­sche Cat­e­chis­mus zorgde er in 1607 voor dat Gouda de woede van heel 070720102752calvin­is­tisch Ned­er­land over zich afriep. In plaats van de Hei­del­bergse Cat­e­chis­mus, die bin­nen de gere­formeerde kerk ver­plicht was gesteld om de gelovi­gen de leer van Calvijn in te scher­pen, koos het lib­er­ti­jnse Gouda voor een veel milder en ruimer leer­boek, dat om die reden door de tegen­standers smal­end werd aange­duid als een “schoen die iedereen past”. Schri­jvers en ‘gebruik­ers’ van de Goudse Cat­e­chis­mus waren de remon­strantse predikan­ten Eduard Pop­pius, Har­boldus Thomber­gen en  Dirck Her­bers. Het liep niet goed af met deze voor­gangers. Zij wer­den door  de Syn­ode van Dor­drecht in 1618 uit de gere­formeerde kerk gezet en ver­vol­gens uit het land en uit hun ambt gezet. Zie over de achter­gron­den http://www.goudsecanon.nl/15/1607/De-Goudse-Catechismus/

Van de roem­ruchte Goud­sche Cat­e­chis­mus, met als titel Korte onder­wi­js­inghe der VNK25GlismijerAfbCatechsismus2kinderen in de chris­telijcke religie, zijn maar enkele exem­plaren overgeleverd. Gelukkig bevindt zich in de Goudse Lib­rije, de oude stads­boek­erij die in bewar­ing is gegeven aan het Streekarchief Midden-Holland, nog een exem­plaar van dit werkje dat gedrukt werd door Jacobus Migoen, die woonde en werkte in de drukkerij ‘In de lad­der Jacobs’ aan Achter de Vis­markt. Op veilin­gen of bij anti­quar­i­aten is nim­mer een exem­plaar aange­bo­den. De kans dat ik ooit de hand zou kun­nen leggen op dit werkje is dan ook nihil. De ware boeken­sne­u­per gaat in dat geval op zoek naar een alter­natief, dat op z’n minst enigszins tege­moet komt aan zijn ontem­bare bezitsdrang.

thumb.php

Daar­door ben ik sinds van­daag in het gelukkige bezit van een Goudse cat­e­chis­mus. EEN, niet DE. Het betreft ook geen exem­plaar van papier, maar in oliev­erf, van de hand van de fijn­schilder Ruud Verk­erk en ver­vaardigd in zijn ate­lier aan de Lage Gouwe; op Goudse bodem dus. Met zijn fijne penseel heeft hij een oude ‘katholieke cat­e­chis­mus’ uit de vroege acht­tiende eeuw geschilderd, waar­van de ver­sleten rug de bindin­gen en rafels een fraai lij­nen­spel vor­men. Het gaat om een boekje dat hij jaren gele­den in deze toe­s­tand op de Raam kocht tij­dens de vri­j­markt op Koninginnedag. De titel van het werkje luidt: Med­i­ta­tien tot de H. Com­mu­nie op alle de sonda­gen en andere hoog-tijdagen des jaers. Schri­jver was Abra­ham van der Mat (pseudoniem voor de Utrechtse priester Abra­ham van Brienen (1606–1683). Het betreft een her­druk uit 1709, gedrukt in Antwer­pen en uit­gegeven in Lei­den door de boek­drukker en boekverkoper Chris­tianus Ver­mey. Dezelfde drukker zou vier jaar later overi­gens met zijn Goudse collega’s, de stads­drukkers Johannes en Andries Enden­burg, de allereer­ste stads­geschiede­nis van Gouda van de persen laten komen, geschreven door de pas­toor Ignatius Walvis.

Het­zelfde lij­nen­spel en de kleurstelling van de ‘cat­e­chis­mus’ zetten zich op het schilderij voort in een schelp die Verk­erk bovenop het boekje heeft gelegd. Wereld­wijd is de schelp een sym­bool bij begrafenis­riten, bedoeld om een overledene een aan­ge­naam lot in het hier­na­maals te wensen. In die zin is dit een toepas­selijk sym­bool in com­bi­natie met een cat­e­chis­mus, aangezien een dergelijk leer­boek ook de weg naar heil­szek­er­heid wil wijzen. In de Hei­del­berger is deze weg geplaveid met onzek­er­heid, opof­fer­ing en de absolute afhanke­lijkheid van de almachtige God.  Het Goudse leer­boek daar­ente­gen was min­der veeleisend en bood  - bij alle gevraagde toewi­jd­ing aan God — uitein­delijk meer ruimte voor de vrije wil van de mens.

In oliev­erf op paneel heb ik nu toch mijn Goudse cat­e­chis­mus. Van de schilder heb ik het boekje, fraai ver­sierd met prenten, erbij gekregen.

Erasmus en Coornhert op Goudse pijpen ge-eerd

Geen andere stad in Ned­er­land heeft zoveel profijt van pro­duc­ti­den­ti­fi­catie als Gouda. Zelfs in de ver­ste uithoeken van de wereld kent iedereen Goudse kaas, maar ook Goudse stroop­wafels, Gouds aardew­erk en Goudse pijpen geni­eten brede bek­end­heid.  Ook het

Adrie Moerings (1939-2010)

Adrie Moer­ings (1939–2010)

Kees Moerings

Kees Moer­ings

laat­stge­noemde gereed­schap heeft tot op de dag van van­daag zijn naams­bek­end­heid behouden, zelfs nu roken bijna tot crim­inele daad is verk­laard wegens evi­dente gezondheidsrisico’s en het pijpro­ken is gewor­den tot een bezigheid voor zon­der­lin­gen. De herin­ner­ing wordt lev­end gehouden door vele Hol­landse meesters, die op hun zeven­tiende– en achttiende-eeuwse schilder­i­jen veelvuldig pijpro­k­ende man­nen hebben afge­beeld, soms schri­jlings zit­tend op een spe­ciale pijpro­kersstoel. Bij Ned­er­lands oud­ste tabak­swinkel van Loed van Vreumin­gen aan de Wijd­straat zijn nog steeds Goudse pijpen te koop, al zullen er weini­gen zijn die nog met tabak zullen wor­den gestopt om er het vuur in te ontsteken. Het zijn nu de toeris­ten die de pijpen aan­schaf­fen om als sou­venir aan de muur te hangen of in de kast te leggen.

Ooit was het anders. Eeuwen­lang was de pijpen­mak­erij een belan­grijke kurk onder de stedelijke economie en werd dankbaar gebruik gemaakt van de Ned­er­landse riv­ierklei soldier_smokingom de pijp vorm te geven en turf om de ovens bran­dend te houden. Toch zou het een mis­ver­stand zijn om te denken dat de Goudse pijp een Hol­landse uitvin­d­ing zou zijn. Het waren Engelse sol­daten, als huurl­ing in dienst van het Staatse leger, die het pijpro­ken in deze streken intro­duceer­den. Toen het Twaalf­jarig Bestand aan­brak en er geen emplooi meer voor hen was als mil­i­tair, zagen som­mi­gen een gat in de markt en begonnen zelf pijpen te pro­duc­eren. De eerste Engels­man die ongeveer vanaf 1617 het rookgerei in Gouda ging pro­duc­eren was William Baer­neltss, die een pijpen­mak­erij begon bij zijn huis aan Achter de Vis­markt. Voor het bakken van de kleip­i­jpen kon­den hij en zijn navol­gers een beroep doen op de vele pot­ten­bakkers in de stad, die in ver­band met hun kwi­j­nende ner­ing met graagte hun ovens aan de pijpen­mak­ers beschik­baar stelden.

pijpetalage

De pijpen­mak­erij groeide uit tot een bloeiende ner­ing. Aan­vanke­lijk waren het vooral nog Engelsen die er hun brood mee ver­di­en­den, maar rond 1640 wer­den zij met hun aan­tal van 45 reeds overvleugeld door de Hol­lan­ders. In 1660 werd een pijpen­mak­ers­gilde opgericht, om de belan­gen van de vele vakgenoten te bun­de­len en te behar­ti­gen. Op haar hoogtepunt, in de tweede helft van de acht­tiende eeuw, telde de stad maar liefst 371 pijpen­mak­ers en waren er in totaal zelfs rond de 1000 mensen in deze bedri­jf­s­tak werkzaam. Daarna begon, onder invloed van buiten­landse con­cur­ren­tie,  een terug­gang die niet meer te stu­iten viel.  De Goudse pijp was inmid­dels echter niet louter een prod­uct, maar een merk­naam. Op veel plekken in Europa wer­den de Goudse pijpen een­voudig­weg nagemaakt.

De laat­ste pijp­mak­erij in Gouda, van Adrie Moer­ings hield op te bestaan toen hij in 2007 adriebedanktziek werd. Jaren­lang had deze pijp­maker in zijn ate­lier aan de Peper­straat drom­men toeris­ten ingewijd in de geheimen van zijn vak. Lang leek het erop dat Gouda het na vier eeuwen voor het eerst zou moeten stellen zon­der pijpen­maker. Zover liet Kees Moer­ings, broer van Adrie, het echter niet komen. Als liefheb­berij houdt hij zich nu bezig met pijp­maken, onder de naam Goud­sche Pijpen­mak­erij De Witte Kees. Het meesterteken dat Moer­ings, net als de pijpen­mak­ers in vroeger tijd, afdrukt op zijn pijpen is net als de naam van zijn pijpen­mak­erij ontleend aan zijn bij­naam: de Witte Kees en toont eenUnknown with­arige keeshond. Moer­ings schept er een genoe­gen in pijpen te maken voor spe­ciale gele­gen­heden en met spe­ciale onder­w­er­pen. Voor de Goudse Keramiekda­gen rond Hemel­vaart 2014 ontwierp hij een vier­tal pijpen met afbeeldin­gen van his­torische beroemd­he­den uit de stad: Eras­mus, Coorn­hert en Anna Bar­bara van Meerten-Schilperoort. In het geval van Eras­mus kon hij het niet laten de Goudse claim dat diens wieg niet in Rot­ter­dam maar hier heeft ges­taan, op de pijp tot uit­drukking te laten komen. Of Eras­mus blij mee zou zijn geweest, zullen we nooit weten, even­min of hij een roker zou zijn geworden.

patrick_vermeulenOveri­gens is Kees Moer­ings gelukkig niet meer de enige de enige pijpen­maker in Gouda die het vuurtje bran­dend houdt. Ook Gouwe­naar Patrick Ver­meulen is part-time pijpen­maker en heeft er met de Sticht­ing voor gezorgd dat het pijpen­mak­ersvak in decem­ber 2013 door UNESCO erk­end is als imma­terieel erf­goed en is geplaatst op “Mas­ter­pieces of the Oral and Intan­gi­ble Her­itage of Human­ity”-lijst. Het voortbestaan van de Goudse pijp heeft even aan een zij­den draadje gehangen, maar met deze ini­ti­atieven gloort er weer zon­licht door de (rook)wolken.

Schreibkalender of Historienkalender als historische bron

Onlangs werd op een boeken­veil­ing een incom­pleet exem­plaar aange­bo­den van een zoge­heten Schreibkalen­der of His­to­rienkalen­der uit 1587. Zoals de naam al aangeeft gaat het om een Duits druk­w­erk. Wat het boek bij­zon­der maakt, zijn de vele aan­tekenin­gen die door de eeuwen heen door ver­schil­lende per­so­nen in het boek zijn gemaakt. Het maken van aan­tekenin­gen in het boek was van meet af aan ook de bedoel­ing. Elke dag van het jaar begint op een nieuwe pag­ina, met een aan­tal bek­ende en min­der bek­ende his­torische gebeurtenis­sen die op deze dag in de eeuwen daar­voor hebben plaats­gevon­den. Daarna wordt voor de eigenaar/gebruiker ruimte open­ge­laten voor aantekeningen.

Kalender16

De Schreibkalen­der was in de Duitse gebieden vanaf het mid­den van de zestiende eeuw een zeer pop­u­lair genre, waar­bij het “Cal­en­dar­ium His­toricum” uit 1550 van Paul Eber het pro­to­type was, dat in een gelijk­namige ver­sie van Kas­par Goldtwurm uit 1554 een pop­u­laire navol­ger kreeg. Verder was ook het Cal­en­dar­ium Sanc­to­rum et His­to­ri­arum van de lutherse predikant Andreas Hon­dorff uit Sak­sen, voort­gezet door Vin­cenz Sturm, veel gelezen en gebruikt. Tussen 1573 en 1610 ver­sch­enen zes ver­schil­lende edi­ties van deze kalen­der. In Ned­er­land heeft een dergelijk fenomeen bij mijn weten niet of nauwelijks ingang gevon­den. Boek­w­erken als deze waren bedoeld om aan te vullen met per­soon­lijke aan­tekenin­gen en wer­den – vooral in adel­lijke kring — gen­er­aties lang in fam­i­lies bijge­houden en bewaard. Voor Duitse his­torici zijn deze Schriebkalen­der, die zich bevin­den op het sni­jvlak van oude drukken en man­u­scripten, een belan­grijke bron van onderzoek.

Omdat de titel­pag­ina en het voor­w­erk van de op de veil­ing aange­bo­den kalen­der Kalender25ont­breken, is het onbek­end wie de auteur is en waar of door wie zij gedrukt is. De oud­ste inschri­jv­ing is van 22 april 1587 en betreft een ver­meld­ing van het over­li­j­den van Matthias Cöler (Colerus), hoogler­aar rechtsweten­schap­pen aan de uni­ver­siteit van Jena (ca. 1530–1587). De kalen­der bevat vele tien­tallen andere inschri­jvin­gen, enkele voorzien van (resten van) lakzegels. Het betreft vaak ster­fgevallen, dopen en huwelijken, maar ook mis­daden, natu­urver­schi­jnse­len etc. Veel inscrip­ties betr­e­f­fen leden van een fam­i­lie Ziege uit Pop­pel, ten noor­den van Jena. Maar er wor­den ook andere namen ver­meld, zoals de organ­ist Johann Christoph Richter (1700–1785) uit Dresden.

Onze kalen­der lijkt, qua aan­dacht voor de joodse en Romeinse kalen­der en de geografis­che achter­grond van de auteur, het dichtst bij de ver­sie van Hondorff-Sturm te liggen, waar­van ook  in 1587 eve­neens een exem­plaar ver­scheen. Toch zijn er forse ver­schillen. Dat het bij ons ook om een uit­gave uit 1587 gaat, is niet alleen op te maken uit de vroeg­ste inscrip­tie, maar ook uit een tekst aan het eind van de kalen­der: “Das 1588. Jar nim war / Geschicht nichts newes / so verge­het die Welt gar”.

Zoektocht naar Kluitmanbeeld nu ook via AD

De foto van het mon­u­men­tje dat ooit op het graf van de Goudse onder­wi­jzer Mar­t­i­nus Hen­drikus Kluit­man sierde heeft de nodige nieuws­gierigheid gewekt in de stad. Het bestaan van het beeld werd bek­end dankzij het fraaie jubileum­boek van de Alk­maarse uit­gev­erij van jeugdboeken, Kluit­man. Met kap­i­taal van de Goudse onder­wi­jzer kon zijn zoon Pieter 150 jaar gele­den de basis leggen voor dit suc­cesvolle boekenbedrijf. Dankbare leer­lin­gen van Kluit­man sr. schonken in 1883 het beeld dat te zien is op de foto. Vol­gens Koos Mas­sur, die met zijn Sticht­ing Oude Begraaf­plaats inmid­dels een schat aan gegevens over deze dode­nakker bijeenge­bracht heeft op een prachtige web­site (vorig jaar nog bekroond met de Jan Kompagnie-prijs van het Nation­aal Archief), is het veruit de oud­ste foto van de begraaf­plaats. In meerdere opzichten is de foto hier­mee een belan­grijke bron van infor­matie. De op het oog grote kwets­baarheid van het mon­u­men­tje doet vrezen dat daar niets meer van over is. Om toch een poging te wagen om te achter­halen of er nog iemand in Gouda in leven is die zich nog iets herin­nert van het beeld en van het lot daar­van, is ook het lokale dag­blad  AD-Groene Hart ingeschakeld.

KluitmanKrant

Prijsband van Amsterdamse Stads-Armenschool

Het fenomeen ‘pri­js­band’ is vooral bek­end van de Lati­jnse scholen, die hier­mee hun beste leer­lin­gen beloon­den voor uit­mun­tende school­presta­ties. Dat ook de Goudse Lati­jnse School eeuwen­lang dergelijke fraai inge­bon­den en van het stadswapen voorziene boeken uitreikte, werd onlangs uit­gelicht naar aan­lei­d­ing van het opduiken van een fraai exem­plaar uit een Franse kas­teel­bib­lio­theek. http://www.paulabels.nl/2014/04/gave-goudse-prijsband-uit-franse-kasteelbibliotheek/ Min­der bek­end is dat een­zelfde mech­a­nisme om leer­lin­gen tot presta­ties te stim­uleren ook gebruikt werd op het laag­ste type onder­wijs in de vroeg­mod­erne tijd, de zoge­heten stads-armenscholen.

Vooral de scholen van dit type uit Ams­ter­dam hebben in de negen­tiende eeuw Armenprijsband2pri­js­ban­den aan leer­lin­gen uit­gereikt. Het meest bek­end is in dit ver­band een boekje met de niets aan onduidelijkheid over­la­tende titel “Beloon­ing voor vlijt en goed gedrag op de Stads Armen-Scholen te Ams­ter­dam”. Dergelijke boek­jes in kwarto­for­maat wer­den gedrukt bij de ‘Stads-Drukkerij’ en voorzien van het stadswapen op het titel­blad. Op deze titel­pag­ina is geen jaar­tal te vin­den, wat erop duidt dat de boek­jes op de plank wer­den gelegd om voor een lan­gere peri­ode te gebruiken als prijs voor ijverige leer­lin­gen. Net als bij de sjieke pri­js­ban­den, wer­den ook deze boeken inge­bon­den in een met gouden kaders voorziene boek­band, met op de voor– en achterz­i­jde opnieuw het stadswapen, nu in goud­kleur afgedrukt.

armenprijsband

Armenprijsband3Wat betreft de inhoud van de boek­jes valt op dat zij veel tekst bevat­ten. Voor elke dag van het jaar is een pag­ina gere­serveerd,  waarop een gedicht, een gebed of een korte tekst van onder meer van Cats, Franklin, Thomas à Kem­pis en J. Luiken staat afge­drukt. De leer­lin­gen kri­j­gen daar­naast veel infor­matie voorgeschoteld over his­torische gebeurtenis­sen. Naast al deze tekst bevat het boekje ook voor elke maand een fraai gravure, met thema’s die voor de leer­lin­gen toepas­selijk en leerzaam wer­den geacht. Vooraan in het boekje staat een afbeeld­ing van een kind aan wie een prijs wordt uitgereikt.

De jongst ver­melde gebeurte­nis in het boekje dateert uit het jaar 1831, zodat aangenomen mag wor­den dat de hier bedoelde pri­js­band niet veel later van de snelpersen kwam in de Ams­ter­damse stadsdrukkerij.

150-jarige uitgeverij Kluitman in Alkmaar heeft Goudse wortels

Met een feestelijk con­gres in de Konin­klijke Bib­lio­theek werd van­daag stilges­taan bij het

Vitrine in KB met boeken van Pietje Bell, uitgegeven door kluitman

Vit­rine in KB met boeken van Pietje Bell, uit­gegeven door kluitman

150-jarig bestaan van de Alk­maarse uit­gev­erij Kluit­man, bek­end door de uit­gave van tal­rijke suc­cesvolle series jeugdboeken als Dik Trom, Pietje Bell, Swiebertje, de Kameleon en — in lat­ere jaren — Kip­pen­vel. Ter gele­gen­heid van het con­gres werd ook een prachtig jubileum­boek gep­re­sen­teerd, getiteld Het geheim van Kluit­man. 150 jaar geschiede­nis van een uit­gev­erij 1864–2014.  De naam Kluit­man is vast ver­bon­den met de stad Alk­maar. Min­der bek­end is dat de basis voor het suc­ces werd gelegd in Gouda. De oprichter van het bedrijf, Pieter Kluit­man (1838–1913), werd hier geboren als zoon van de schoolmeester Mar­t­i­nus Hen­drik Kluit­man. Aan­vanke­lijk leek ook hij voorbestemd voor het onder­wi­jz­ersvak, maar op 17-jarige leeftijd maakte hij de over­stap naar het boekenbedrijf. Bij de bek­ende Goudse uit­gev­erij G.B. van Goor leerde hij de fijne kneep­jes van het boeken­vak. Wegens de schamele betal­ing die hij hier ontv­ing, besloot hij uitein­delijk elders zijn geluk te beproeven. Na verdere schol­ing bij uit­gev­er­i­jen in Den DSC07060Haag en Nijmegen ves­tigde hij zich uitein­delijk in Alk­maar om daar een boekhan­del te begin­nen, die de basis werd voor de later zo suc­cesvolle uit­gev­erij. Als uit­gever van kinder­boeken zou hij de groot­ste con­cur­rent wor­den van zijn eerste werkgever uit Gouda, G.B. van Goor, die ook bek­end was als uit­gever van vele jeugdboeken.

Lees over de vader van Pieter, Mar­t­i­nus Hen­drik Kluit­man, die als hoofd van de Stads-Tusschenschool in de Keiz­er­straat invloedrijk was in het onder­wijs en in de Goudse samen­lev­ing, een artikel naar aan­lei­d­ing van de door hem geschreven Beknopte beschri­jv­ing van de stad Gouda. [Onder Pub­li­caties, sub­ti­tel Artike­len] http://www.paulabels.nl/2014/05/3084/

Opgravingen op koor St.-Jan met vele oude bekenden

De grote pilaren op het koor van de Goudse Sint-Janskerk, daterend van na de grote brand van 1552, zijn de afgelopen jaren licht aan het verza­kken. Van­daar dat een kost­bare restau­ratie nodig is om verder onheil te voorkomen. Voor de protes­tantse kerke­lijke gemeente, eige­naar van het mon­u­men­tale kerkge­bouw, vormt dit een zware finan­ciële last en betekent het de nodige kop­zor­gen. Arche­olo­gen zit­ten daar min­der mee, want een dergelijk mis­for­tuin biedt een uit­gelezen kans om te gaan graven op een ‘heilige’ plek, het koor van de kerk, waar ooit het hoof­dal­taar stond en waar nog nooit eerder gegraven mocht wor­den. Hun verwachtin­gen waren dan ook hoogges­pan­nen en tot op heden wor­den ze niet geloochen­straft. Een altaarsteen, com­plete grafkelders, tal van graf­ste­nen en vanzelf­sprek­end ook de nodige schedels en bot­ten zijn inmid­dels bloot­gelegd. Geïn­ter­esseer­den kun­nen de werkza­amhe­den nauwlet­tend vol­gen door enkele kijk­gaten die in de houten omtim­mer­ing zijn gemaakt.

Dankzij archie­fonder­zoek beschikken de opgravers al over de nodige infor­matie. Zo was reeds bek­end dat op deze voor­name plek in de kerk diverse vooraanstaande Goudse regen­ten­fam­i­lies in de zeven­tiende eeuw hun dier­baren hebben begraven. Fam­i­lies als De Lange van Wijn­gaer­den en Vossen­burch beschik­ten over eigen grafkelders op deze plek. Maar ook van min­der promi­nente Gouwe­naars blijken er (frag­menten van) graf­ste­nen of andere mate­ri­alen onder de kerkvloer ver­bor­gen te liggen. De eerste de beste graf­s­teen die wij bij een bezoek aan de kerk onder ogen kre­gen was er een die een bel­letje bij ons deed rinkelen:

ThomasDeRoo

HIER LEIT BEGRAVEN
PIETERTIE VYNDERS DE
HVYSVROV VAN THOMAS [DE]
ROO. IS GESTORVEN DEN 2
FEBRVARIVS ANNO 1624

Thomas de Roo ken­nen wij als een van de voor­man­nen van de zoge­heten ‘dol­erende gemeente’ van Gouda, dat wil zeggen de kleine groep orthodox-calvinistische (con­traremon­strantse) gelovi­gen in de stad, die vanaf 1615 weigerde nog langer te kerken in de Sint-Jan wegens de vri­jzin­nige (remon­strantse) gelu­iden die toen in Gouda vanaf de kansel klonken. De Roo roerde zich fel in deze strijd. Diverse keren werd hij ter ver­ant­wo­ord­ing geroepen door het stads­bestuur. Bij een ver­hoor verk­laarde hij eerst enkele  jaren in de Sint-Jan gek­erkt te hebben, maar gaan­deweg kwam hij erachter “dat sijn con­sciën­tie nyet gerust en can weesen in de leere dye men hyer leert”. Daarom was hij “dick­wils ongerustet uyt de ker­cke gegaen”. Aan­vanke­lijk week hij daarom uit naar kerk­di­en­sten in omrin­gende dor­pen als Moor­drecht en Haas­trecht.[1] Toen hij ver­vol­gens met geestver­wan­ten kerk­di­en­sten ging organ­is­eren in woon­huizen bin­nen de stad, werd hij zelfs door de mag­is­traat uit de schut­terij gezet en ont­poor­terd, waar­door hij enige tijd geen han­del mocht dri­jven.[2] De Roo reageerde ver­bol­gen met een ver­holen dreige­ment aan het adres van de mag­is­traat. Toen hij ver­vol­gens op het matje geroepen werd, beweerde hij ver­keerd begrepen te zijn, omdat “hy anders nyet en meendt dan dat de Heeren voor den Richter­stoel Christi zullen moeten ver­schi­j­nen, ende dat haer dat mogelick eer zal over­comen als zij mee­nen”.[3]

Net als de meeste van zijn mede­standers, was Thomas de Roo afkom­stig uit Vlaan­deren en om geloof­sre­de­nen gevlucht uit het katholieke Zuiden naar het gere­formeerde Noor­den. In een overgeleverde lid­maten­li­jst van de dol­erende gemeente uit 1617 staat ver­meld dat hij afkom­stig was uit het West-Vlaamse Belle en koop­man in fusteinen – een grof wollen laken – als brood­win­ning had. Ook dit past in een breder beeld dat de meeste Zuid-Nederlandse vluchtelin­gen in Gouda op een of andere manier werkzaam waren in de tex­tiel. Zij brachten daarmee niet alleen een ortho­dox gere­formeerde geloof mee naar de stad, maar ook ambachtelijke vaardighe­den, zake­lijke ken­nis en het nodige geld. De Goudse economie vaarde er wel bij, de poli­tieke en religieuze sta­biliteit min­der. Uitein­delijk zorgden de dol­eren­den er immers mede voor dat zij met hulp van Prins Mau­rits – tot wie ook Thomas de Roo zich in ver­zoekschriften richtte — het zit­tende stads­bestuur ten val brachten en de Sint-Janskerk kon­den ‘herov­eren’ op de remonstranten.

Op de lid­maten­li­jst van de dol­eren­den komt ook de vrouw van Thomas de Roo voor, van wie de nu opgedol­ven graf­s­teen is. Zij wordt in die lijst aange­duid als Pietert­gen Joris­dochter, met de toevoeg­ing dat ook zij uit Belle afkom­stig was. Haar fam­i­lien­aam is blijkens de graf­s­teen Vyn­ders [ont­ci­jfer­ing met dank aan de arche­oloog Mar­cel van Das­se­laar]. Pieter­tie over­leed dus begin 1624. In het­zelfde jaar werd Thomas de Roo nog benoemd tot Lep­roos­meester,[4] maar kort daarna lijkt hij zijn zake­lijke activiteiten te hebben ver­legd naar Ams­ter­dam, waar hij nog in 1638 verbleef. In dat jaar gaf hij vol­macht aan Maarten Reyniersz Schoonhof­s­man (ook al een voor­man van de dol­erende gemeente van weleer) om bij Pieter N een schuld van fl 100 te innen, schuldig wegens geleend geld sinds 1624.[5] De hechte band tussen de dol­eren­den blijkt ook uit het Weeshuis­archief, waaruit blijkt dat Thomas de Roo samen met Jan van Eeden, saaidrap­pier van Vlaan­deren, in 1621 voogd wer­den van het kind van de overleden Louris Vrecke, tapi­jt­maker uit Gent, en zijn echtgenote Bartabare Joostdr. Bal­bi­aen, uit Gent, eve­neens behorend tot de dol­erende gemeente.[6] Thomas is aan het eind van zijn leven waarschi­jn­lijk terugge­keerd naar Gouda en is na zijn over­li­j­den begraven in dezelfde kerk als zijn vrouw Pietertge.

Zo tilt een frag­ment van één opge­graven graf­s­teen al een roerige episode uit de Goudse geschiede­nis boven de grond. Wij zijn nu al benieuwd naar de vele ver­halen die verder nog aan de opper­vlakte zullen komen.

[1] SAMH, OA inv.nr. 94: Kamer­boek, 26-9-1615.

[2] SAMH, OA inv.nr. 94: Kamer­boek, 24-1-1617.

[3] SAMH, OA inv.nr. 94: Kamer­boek, 24-1-1617.

[4] Lijsten regeerders Gouda.

[5] SAMH, Notarieel archief, inv.nr. 117, fol. 311

[6] Weeshuis­archief, OA 96.